Contact met God

Zondag 2 mei 2021, Vijfde Paaszondag (jaar B)

Enkele weken geleden vond je op de eerste pagina van ons blad (K&L Glabbeek – Week 16, red.) een artikel van de hand van Dennis Vanden Auweele, auteur van “Bekentenissen van een afvallige atheïst”. De jonge filosoof heeft het daarin over het feit dat iemand die niet wil geloven door geen enkel verstandelijk argument of miraculeus gebeuren zal overtuigd worden.
Bewijs, zegt Vanden Auweele maakt geen geloof. Je moet op de eerste plaats willen geloven, d.w.z. de angst om bij de neus genomen te worden, laten varen.
“Bewijzen” doen weinig of niets ter zake. “Iemand die gelooft, ziet mirakels waar anderen bedrog en hallucinaties vermoeden”.

Zoeken
Vaak zeggen mensen: eerst zien en dan geloven. Maar inzake het al of niet bestaan van God is het net andersom: eerst geloven en dan zien.
Het is pas wanneer je alle innerlijke weerstand hebt laten varen en het geloof een kans geeft, dat de waarheid ervan zich aan je zal ontvouwen. Niet eerder.
Dit houdt dus ook in dat je op zoek moet gaan. Niet, en dat is heel belangrijk, niet naar argumenten, maar naar contact. Contact met God.
Uitkijken naar God. Wachten op God. Een wachten dat soms het karakter aanneemt van een “Waiting for Godot” van Samuel Beckett (die maar niet komt), maar God komt niet op bevel. Uiteindelijk zal blijken dat God meer op zoek is naar ons dan wij naar Hem, maar dat “contact” is absoluut noodzakelijk. Omdat een theoretisch geloof dat alleen gebaseerd is op opvattingen en argumenten of alleen het gevolg is van opvoeding en omgeving, niet beschut is tegen aanvallen van buitenaf.
Een geloof dat stoelt op een relatie met de Heer is dat wel.
Een geloof dat vertrouwelijke omgang met de verrezen Heer inhoudt, leidt tot de ervaring dat Hij er inderdaad is. En zo’n geloof valt niet zomaar omver bij de eerste de beste theoretische tegenwerpingen. Omdat zo’n geloof vaak is uitgegroeid tot een diepe, innige relatie met iemand waarvan je gewoon weet dat Hij onnoemelijk veel van je houdt en alleen maar het beste voor je wil.

Via mensen
Maar hoe zit het dan met de “Goede Werken”, de caritas, mijn liefde voor de mensen?
Uiteraard blijft dat een van de belangrijkste uitingen van ons christen-zijn.
Vaak is het zelfs de enige manier om onze liefde voor God te tonen.
Maar wij zijn er ons wel van bewust dat wij daar geen alleenvertoningsrecht op hebben.
Ook als niet-gelovige kan ik mij inzetten voor de medemensen. Uit politieke of filosofische overwegingen. Of gewoon omdat ik een toffe peer ben.
En dat kan natuurlijk ook gelden voor mensen die wel geloven.
Maar bij christenen speelt toch vooral de gedachte een rol dat God niet alleen van mij houdt, maar van iedere mens. En dat Hij via mij die liefde gestalte wil geven. Dat Hij voor het uiten van zijn liefde mij wil nodig hebben.
Je kent die spreuk wel: God heeft geen andere handen dan de onze.
Zijn liefde voor elke mens werkt bij voorkeur door mensen heen naar anderen.
Hij wil ons nodig hebben en wij willen er bewust op ingaan.
Zowel bij het handelen als bij het willen is er een samenwerking tussen God en mens.
Ik had bijna gezegd: als gelijken. Zo intiem is dit samenspel.

Verbonden
Dit alles houdt natuurlijk ook in dat er een sterke band moet zijn tussen de gelovige mens en de verrezen Heer. Jezus zelf heeft het in het evangelie van vandaag over de ranken die verbonden moeten blijven met de wijnstok.
Een niet mis te verstane vergelijking. De wijnstok is immers leven gevend voor de ranken. De rank die loskomt van de wijnstok verdort.
Los van mij kunt ge niets, zegt Jezus. Een erg boude uitspraak voor mensen zoals wij, die overtuigd zijn van de maakbaarheid van de wereld en van het eigen kunnen.
Maar Jezus mag dat zeggen omdat Hij inderdaad alles voor ons wil en kan betekenen.
Hij wil een tochtgenoot voor ons zijn in het leven, Hij wil ons helpen.
Hij wil een vriend voor ons zijn.

Vragen
Maar vrienden moeten niet alleen maar lief zijn voor elkaar, ze moeten je op tijd ook iets durven vragen. Laatst nog was ik erg teleurgesteld en zelfs een beetje kwaad toen ik ondervond dat een vriend van mij gegeneerd was om mij iets te vragen (iets wat ik graag had willen doen).
Wij mogen er absoluut niet voor terugschrikken om Jezus te vragen ons te helpen.
Wij moeten onze vragen misschien niet al te concreet maken (behalve in hoge nood).
Maar ik kan de Heer wel uitdrukkelijk vragen mij te helpen bij de uitbouw van een zinvol en gelukkig leven. En om, telkens als het leven pijn doet, mij toch te laten voelen dat Hij bij me is, van mij houdt en mij nooit zal laten vallen.
Wij mogen dat vragen want Hij geneert zich ook niet met zijn vraag aan ons.
Jezus vraagt dat wij ons openstellen, opdat doorheen ons, Zijn liefde kan worden doorgegeven aan alle andere mensen.
Wij mogen Hem dus ook wat vragen voor onszelf.
Wat Hij van ons verwacht is ook niet niks.

De Goede Herder

Zondag 25 april 2021, Vierde Paaszondag (jaar B) – Roepingenzondag

Het zal niemand verbazen dat de lezingen in de dagen en weken na Pasen uitsluitend gaan over de Verrijzenis van Christus. Over het groeiend besef bij de leerlingen dat de Jezus die ze hadden zien sterven, nu door hen ervaren wordt als de Levende Heer, die via hen zijn zending wil verder zetten. En dat is natuurlijk ook niet meer dan normaal. Want als de verrijzenis werkelijk heeft plaatsgevonden dan is dat meteen het meest gigantische feit, het meest centrale punt in de hele mensengeschiedenis. En dan kan je daar moeilijk over zwijgen.

Opmerkelijk
Twee belangrijke zaken vallen hierbij meteen op.
Ten eerste: de apostelen trekken niet meteen de wereld in om te preken of, erger nog, een eigen leer te verspreiden of een eigen kerkje of sekte te stichten. Neen. Ze komen voortdurend bij elkaar om hun ervaringen naast elkaar te leggen, de betekenis ervan te onderzoeken. Om niet met hun vragen alleen te staan. Om elkaar te versterken in het geloof.
En ten tweede: hun groeiend geloof blijft geen theoretische spielerei.
Integendeel: het verandert hun leven radicaal. Van schichtige beunhazen worden de apostelen onverschrokken verkondigers van een geloof dat als een storm over de wereld zal gaan. Hoewel het van in het prille begin tegengewerkt en vervolgd zal worden. Omdat het precies het tegenovergestelde zegt van wat “de wereld” graag wil horen. En laat het nu precies deze twee zaken zijn waar christenen in onze tijd het blijkbaar nogal moeilijk mee hebben. Laat ons daar even op ingaan.

Erover spreken
Om te beginnen zag je bij de eerste leerlingen inderdaad die onmiskenbare behoefte om samen te praten over het geloof. Om ervaringen uit te wisselen, om onduidelijkheden uit te klaren en tot inzicht te komen. Om elkaar te helpen, te bemoedigen en te bevestigen. Hoe weinig kom je dat nog tegen vandaag. Wij vergaderen ons in de Kerk bijna te pletter. Maar het draait daar altijd rond het bespreken van projecten, het plannen van activiteiten en, in het beste geval, het uitwerken van een visie rond een of ander onderwerp. Maar komt daar soms ook al eens het persoonlijk geloof van de deelnemers ter sprake? Nooit! Het antwoord is niet: weinig of zelden. Het antwoord is gewoon: nooit. En dat kan dus niet. Wij moeten echt komaf maken met dit soort gêne.
Met die schrik om met elkaar over ons persoonlijk geloof te spreken. Ik begrijp dat je geloof iets heel intiems is. Maar wij moeten het tóch veel meer onder elkaar ter sprake te brengen. Gewoon om elkaar te helpen. Om elkaar te bevestigen en te sterken. Een van de belangrijkste taken van christenen in deze tijd is terug serieus werk maken van evangelisatie in een zwaar geseculariseerde omgeving. Maar wij moeten daar niet eens aan denken als wij zelfs in onze eigen religieuze biotoop er niet toe komen enthousiast en aanstekelijk te spreken over wat ons bezielt.

Afstand
En een tweede punt waar het in onze tijd blijkbaar misloopt, is de steeds groter wordende afstand tussen je “outen” als gelovige en leven als gelovige. Regelmatig zeggen mensen mij: “Je ziet me wel zelden in de Mis maar ik geloof wel”. Maar vaak verschilt hun leven ook in alle andere opzichten niet van dat van mensen die niet geloven. (Iets wat overigens soms ook opgaat voor mensen die wel naar de Mis gaan). Het lijkt erop dat wel of niet gelovig-zijn meer en meer een verstandelijk beamen of verwerpen is van een aantal gedachten en opvattingen, zonder dat dit ook een invloed heeft op je concrete leven. En dat kan voor een christen dus niet. Als je gelooft in de God van Jezus dan moet dat geloof wel degelijk heel veel invloed hebben op hoe je in de wereld staat. Op elk gebied. Anders neem je God en geloof totaal niet serieus.

Dieptepunt
En dan kom je gegarandeerd in situaties dat je heel goed weet wat je volgens je geloof moet doen, maar het toch niet doet. Gewoon omdat je je helemaal laat leiden, niet door wat God van je wil maar door wat jou op dat moment het beste uitkomt. Als je daar niet hard tegen optreedt, gaan dit soort situaties vaker en vaker voorkomen, totdat ze uiteindelijk heel gewoon geworden zijn en je er zelfs geen seconde nog bij stilstaat. Met als absoluut dieptepunt: je beloftes aan God gedaan in benarde tijden zonder het minste ongemak “vergeten” wanneer de situatie opklaart. Nog lager kan je als christen niet vallen. Je maakt jezelf dan nog wel wijs dat je christen bent, maar God heeft geen enkele betekenis meer voor je.

Ontzag
Ontzag en respect voor God (wat men vroeger de “Vreze des Heren noemde”) is nochtans een van de belangrijkste kenmerken van een echte gelovige. En dat respect uit zich in (minstens proberen te) doen wat God van je vraagt.

Ontzag voor God

Zondag 18 april 2021, Derde Paaszondag (jaar B)

Het zal niemand verbazen dat de lezingen in de dagen en weken na Pasen uitsluitend gaan over de Verrijzenis van Christus. Over het groeiend besef bij de leerlingen dat de Jezus die ze hadden zien sterven, nu door hen ervaren wordt als de Levende Heer, die via hen zijn zending wil verder zetten. En dat is natuurlijk ook niet meer dan normaal. Want als de verrijzenis werkelijk heeft plaatsgevonden dan is dat meteen het meest gigantische feit, het meest centrale punt in de hele mensengeschiedenis. En dan kan je daar moeilijk over zwijgen.

Opmerkelijk
Twee belangrijke zaken vallen hierbij meteen op.
Ten eerste: de apostelen trekken niet meteen de wereld in om te preken of, erger nog, een eigen leer te verspreiden of een eigen kerkje of sekte te stichten. Neen. Ze komen voortdurend bij elkaar om hun ervaringen naast elkaar te leggen, de betekenis ervan te onderzoeken. Om niet met hun vragen alleen te staan. Om elkaar te versterken in het geloof.
En ten tweede: hun groeiend geloof blijft geen theoretische spielerei.
Integendeel: het verandert hun leven radicaal. Van schichtige beunhazen worden de apostelen onverschrokken verkondigers van een geloof dat als een storm over de wereld zal gaan. Hoewel het van in het prille begin tegengewerkt en vervolgd zal worden. Omdat het precies het tegenovergestelde zegt van wat “de wereld” graag wil horen. En laat het nu precies deze twee zaken zijn waar christenen in onze tijd het blijkbaar nogal moeilijk mee hebben. Laat ons daar even op ingaan.

Erover spreken
Om te beginnen zag je bij de eerste leerlingen inderdaad die onmiskenbare behoefte om samen te praten over het geloof. Om ervaringen uit te wisselen, om onduidelijkheden uit te klaren en tot inzicht te komen. Om elkaar te helpen, te bemoedigen en te bevestigen. Hoe weinig kom je dat nog tegen vandaag. Wij vergaderen ons in de Kerk bijna te pletter. Maar het draait daar altijd rond het bespreken van projecten, het plannen van activiteiten en, in het beste geval, het uitwerken van een visie rond een of ander onderwerp. Maar komt daar soms ook al eens het persoonlijk geloof van de deelnemers ter sprake? Nooit! Het antwoord is niet: weinig of zelden. Het antwoord is gewoon: nooit. En dat kan dus niet. Wij moeten echt komaf maken met dit soort gêne.
Met die schrik om met elkaar over ons persoonlijk geloof te spreken. Ik begrijp dat je geloof iets heel intiems is. Maar wij moeten het tóch veel meer onder elkaar ter sprake te brengen. Gewoon om elkaar te helpen. Om elkaar te bevestigen en te sterken. Een van de belangrijkste taken van christenen in deze tijd is terug serieus werk maken van evangelisatie in een zwaar geseculariseerde omgeving. Maar wij moeten daar niet eens aan denken als wij zelfs in onze eigen religieuze biotoop er niet toe komen enthousiast en aanstekelijk te spreken over wat ons bezielt.

Afstand
En een tweede punt waar het in onze tijd blijkbaar misloopt, is de steeds groter wordende afstand tussen je “outen” als gelovige en leven als gelovige. Regelmatig zeggen mensen mij: “Je ziet me wel zelden in de Mis maar ik geloof wel”. Maar vaak verschilt hun leven ook in alle andere opzichten niet van dat van mensen die niet geloven. (Iets wat overigens soms ook opgaat voor mensen die wel naar de Mis gaan). Het lijkt erop dat wel of niet gelovig-zijn meer en meer een verstandelijk beamen of verwerpen is van een aantal gedachten en opvattingen, zonder dat dit ook een invloed heeft op je concrete leven. En dat kan voor een christen dus niet. Als je gelooft in de God van Jezus dan moet dat geloof wel degelijk heel veel invloed hebben op hoe je in de wereld staat. Op elk gebied. Anders neem je God en geloof totaal niet serieus.

Dieptepunt
En dan kom je gegarandeerd in situaties dat je heel goed weet wat je volgens je geloof moet doen, maar het toch niet doet. Gewoon omdat je je helemaal laat leiden, niet door wat God van je wil maar door wat jou op dat moment het beste uitkomt. Als je daar niet hard tegen optreedt, gaan dit soort situaties vaker en vaker voorkomen, totdat ze uiteindelijk heel gewoon geworden zijn en je er zelfs geen seconde nog bij stilstaat. Met als absoluut dieptepunt: je beloftes aan God gedaan in benarde tijden zonder het minste ongemak “vergeten” wanneer de situatie opklaart. Nog lager kan je als christen niet vallen. Je maakt jezelf dan nog wel wijs dat je christen bent, maar God heeft geen enkele betekenis meer voor je.

Ontzag
Ontzag en respect voor God (wat men vroeger de “Vreze des Heren noemde”) is nochtans een van de belangrijkste kenmerken van een echte gelovige. En dat respect uit zich in (minstens proberen te) doen wat God van je vraagt.

Thomas de zoeker

Zondag 11 april 2021, Beloken Pasen (jaar B)

Vandaag lezen we in het evangelie het verhaal van de apostel Thomas. De “ongelovige Thomas” wordt hij vaak genoemd. Omdat hij bij de eerste geruchten over de Verrijzenis weigerde om zomaar te geloven wat ook door sommige anderen werd afgedaan als “beuzelpraat van vrouwen”. Thomas verlangde zekerheid.
Hoe krijg je die? Dat is heel belangrijk ook voor ons vandaag. Wij die voor de immense taak staan, de liefde van God ter sprake te brengen in een tijd die alleen maar geïnteresseerd lijkt in materiële dingen.
Je weet wellicht dat in het Westen, de groep dogmatische atheïsten getalsmatig evenzeer pluimen verliest als de groep van gebetonneerde christenen. Wij mogen niet de fout maken van al diegenen die weggaan zowel bij de enen als bij de anderen, te rekenen bij de apatheïsten: mensen die totaal niet meer geïnteresseerd zijn in diepere vragen. Dat is niet zo.

Zoekers
Er is immers de sterk groeiende groep van zoekers. En die mensen moeten wij (blijven) aandacht schenken. Zij staan ook dicht bij ons. Ook gelovigen blijven immers voor een stuk zoekers omdat God zelf mysterie is. Absolute zekerheid bestaat niet in het geloof. Niemand van ons gelooft bovendien iedere dag even sterk.
Meer dan we misschien zelf willen toegeven, weten wij heel goed wat ongeloof is. Daarom zijn mensen die eerlijk zoeken onze natuurlijke gesprekspartners.
De vraag blijft dan hoe je die zoekende mensen kan interesseren in ons geloof?
Want de meeste mensen die zich vandaag ongelovig noemen, die kennen dat geloof niet meer van binnenuit. Het godsdienstonderwijs dat ze kregen was vaak beperkt tot “niet pesten op school” en “centjes geven voor het goede doel”.
Velen van hen kennen alleen nog de vooroordelen en de tegenwerpingen tegen het geloof, niet meer het geloof zelf.
Vroeger was de situatie helemaal anders.
Toen vroeger in het zwaar-katholieke Vlaanderen mensen het geloof de rug toekeerden, wisten ze heel goed waar ze afstand van namen. Kleppers als Marnix Gijsen, Gerard Walschap en Vermeersch bijvoorbeeld, hadden een soliede katholieke opvoeding gehad. Ze kenden het geloof van binnenuit.
Mensen van vandaag, speciaal ook veel jongeren, kennen vaak over het geloof alleen nog datgene wat ze er af en toe over horen of lezen in een pers die het, zacht uitgedrukt, niet zo begrepen heeft op het christelijk geloof.
Hoe bereiken wij die mensen?

Anders
Moeten wij, naar het oude vertrouwde recept, “geloofsavonden” inrichten en daar “sprekers” op uitnodigen? Ik denk het niet.
Een theoloog, een bijbelspecialist of zelfs een bisschop programmeren trekt tegenwoordig alleen nog de usual suspects aan, niet de zoekers die wij willen bereiken.
Bovendien zijn wij ook op dat punt een arme Kerk geworden: de begenadigde, enthousiasmerende sprekers lopen momenteel eerder dun in onze Kerk.
Wij hebben natuurlijk een Rik Torfs, die met zijn wondere mengeling van humor, kennis en diepgang een waar godsgeschenk is voor onze Vlaamse stijve-harken-kerk. Een man die voor onze plaatselijke Kerk bijna even kostbaar is als paus Franciscus dat is voor de wereldkerk.
Maar laat Rik Torfs gewoon datgene doen waar hij ook door niet-gelovigen sterk om gewaardeerd wordt: zijn opmerkelijke bijdragen in panelgesprekken en korte interviews op tv en zijn onovertroffen stukjes in Het Laatste Nieuws.
Je mag zo’n man in ieder geval nooit aandoen wat we vroeger veel te veel gedaan hebben met kardinaal Danneels: hem verslijten door de man van het ene gammele parochiezaaltje naar het andere te sleuren.

Voorleven
Neen, wij zullen het zelf moeten doen.
Als wij in onze tijd terug mensen willen interesseren voor ons geloof, dan zullen we zelf onze duit in het zakje moeten doen. En dan niet zozeer door het evangelie zo goed mogelijk uit te leggen, maar door het te beleven.
Wij moeten de mensen terug nieuwsgierig maken naar het christendom.
En dat kan het best door onze manier van leven.
Wij moeten ons geloof zo serieus nemen dat het af te lezen valt uit onze daden, uit ons omgaan met elkaar en met andere mensen.
Als christenen zich keren naar de God van liefde i.p.v. naar de goden van geld en macht, dan kan het niet anders of zij leven ook anders dan anderen.
En dat valt op, dat maakt nieuwsgierig.
Zoals ook de eerste christenen destijds indruk maakten op de Romeinse heidenen door hun anders-in-de-wereld-staan. Dát valt op.
Wij moeten gewoon hetzelfde doen.
Er is wat dat betreft niet zoveel veranderd in de wereld.
Het zijn alleen wij die moeten veranderen.
Om terug op te vallen.

Mensen helpen verrijzen

Zondag 4 april 2021, Pasen (jaar B)

Wanneer men het vandaag over de Verrijzenis van Christus heeft, dan bedoelt men meestal de ontdekking van het lege graf en de verschijning van Jezus een paar meter daarvandaan.
Maar deze bijna exclusieve aandacht voor de eerste 5 of 10 minuten van de opstanding, zou de eerste christenen zeer verbaasd hebben.
Als, onmiddellijk na Jezus’ dood, zovelen beweerden getuige te zijn van zijn verrijzenis, dan beweerden ze niet per se dit gezien te hebben. Maar wel dat ze, vanuit heel uiteenlopende ervaringen, er rotsvast van overtuigd waren geraakt dat de Jezus die ze hadden zien sterven, meer leefde dan ooit. Dat de man die als een slaaf was vernederd en gekruisigd, nu de levende Heer geworden was.

Vertrouwd
Die verrijzenis van Christus staat in het middelpunt van ons geloof.
En volgens dat geloof zelfs in het middelpunt van de menselijke geschiedenis.
En toch is die Verrijzenis helemaal niet zo vreemd en buitenissig als je op het eerste gezicht wel zou denken. Wij zijn er meer mee vertrouwd dan we beseffen.
Sterven en verrijzen, als het goed met ons gaat overkomt het ons voortdurend.
Al van bij het begin. Denk aan de dood van de foetus wanneer wij het levenslicht zien. En daarna aan al die keren die wij moeten sterven aan zekerheden. Dat papa alles weet bijvoorbeeld en dat onze ouders almachtig zijn. Of denk aan al onze verlangens die in de kiem gesmoord worden, de eerste hartstochtelijke verliefdheid bijvoorbeeld die alleen maar op onverschilligheid botst bij de ander.
Er zijn zoveel zekerheden die wij moeten opgeven, zoveel verlangens die niet vervuld kunnen worden, zoveel beproevingen die ons worden aangedaan door anderen en door ons eigen onvermogen.
Zoveel doden die wij moeten sterven in de ontplooiing van ons menszijn en evenzoveel verrijzeniservaringen. Als alles goed gaat tenminste. Maar alles loopt natuurlijk niet altijd gesmeerd.

Helpen verrijzen
En precies daar situeert zich de oproep van het Evangelie.
Wij zijn geboren om te verrijzen.
Niet één keer maar ontelbare keren.
Om altijd weer opnieuw op te staan uit alles wat ontmoedigt en gevangen houdt.
Maar het is de bedoeling dat wij elkaar daarbij helpen.
En voor de Kerk is dat zelfs het wezen van haar zending.
Mensen in alle denkbare duistere situaties moed geven, hen helpen opstaan en hen op die manier voor een stuk laten deelnemen aan de verrijzenis van Christus.
Paus Franciscus gebruikt daarvoor een treffende uitdrukking: “De Kerk moet het veldhospitaal van de wereld worden”, zegt hij.
Moeten wij dus vanaf nu allemaal de zorg in, verpleegster worden, geneesheer of psychiater? Natuurlijk niet. Wij hebben daar als christenen een heel eigen weg in te gaan.

Oase
Augustinus had in de 4de eeuw al begrepen dat veel van de tegenstellingen die wij oproepen, die tussen blank en zwart bijvoorbeeld, tussen man en vrouw, gelovig of niet-gelovig enz. alleen maar schijn zijn.
De twee fundamentele tegenstellingen die in het menselijk hart leven, noem het de twee grote liefdes van de mens, zijn eigenliefde en liefde die gericht is op de ander.
Terwijl de liefde voor de ander gelukkig makend is voor beiden, brengt de eigenliefde van de een vaak alleen maar ellende over de ander.
In een wereld waarin egoïsme, onverdraagzaamheid en extreem geweld alsmaar toenemen, moet de Kerk een oase zijn waar gekwetste en verkommerde mensen op verhaal kunnen komen. Maar ook een plaats waar mensen in het algemeen, gelovigen en mindergelovigen respectvol geholpen worden in hun zoeken naar zin en betekenis. Een plaats ook, een school als het ware, waar methoden worden aangereikt om het egoïsme van de mens te overwinnen en zijn agressiviteit bij te schaven. En op zoek te gaan naar regels voor een rechtvaardig en vreedzaam samenleven.

Duiken
Dat is de rol voor christenen vandaag.
Maar om die rol naar behoren te vervullen, moeten wij eerst serieus werk maken van onze eigen bekering.
Als wij mensen willen rechttrekken, doen opstaan en verrijzen, dan moeten wij eerst zelf verrezen mensen zijn.
Christenen in deze tijd hebben de waanzinnige opdracht het evangelie terug uit te dragen in de grotendeels geseculariseerde wereld van vandaag.
Hoe onmogelijk dit ook lijkt, wij zullen het kunnen. Maar dan moeten wij eerst terug het diepe water in en heel serieus werken aan ons eigen innerlijk leven.
De uitdaging weer niet te lijf gaan met projecten en vergaderingen alleen. Maar terug veel meer plaats inruimen voor persoonlijk gebed en bezinning. Als wij mensen willen helpen om te verrijzen, moeten wij zelf verrezen mensen zijn.
Wij kunnen dat. Wij moeten ons daar niet ongerust over maken. Wij kunnen dat.
Bij ons is al eens iemand opgestaan uit de dood.

Gelukkig zijn

Zondag 21 maart 2021, 5de zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

Bij het opruimen van oude paperassen vond ik deze tekst, die ik meer dan 10 jaar geleden schreef voor onze vormelingen. Een soort beknopte samenvatting van ons geloof. Misschien wel leuk als opfrissertje, zo vlak voor het hoogfeest van Pasen?

  1. Wij mensen zijn niet blindweg geworpen in een ijskoud heelal. Wij weten niet waarom die miljarden jaren durende evolutie nodig is geweest. Wij weten niet waarom. Wij weten niet waarom het heelal, de werkelijkheid er zó uitziet en niet anders.
    Wij weten niet eens waarom er “iets” is, in plaats van niets.
    Maar wij geloven dat wij mensen geen toevallig verschijnsel zijn, geen accident.
    En dat de diepste grond van het bestaan geen blinde oerkracht is, maar een Vader die van ons houdt. Hij is geen tovenaar die ons voor allerlei narigheid behoedt, maar een Kracht die ons helpt en inspireert bij alles wat ons in het leven overkomt. Omdat die God ons volledig overstijgt, kunnen wij Hem met ons verstand wel op het spoor komen maar nooit helemaal begrijpen.
    Wie Hij is en wat Hij verlangt dat wij doen met ons leven, heeft Hij ons daarom duidelijk gemaakt op de enige manier die voor ons begrijpelijk is, door zich te laten kennen in een mens: Jezus Christus.
    Dat is één.
  2. Als God onze Vader is, dan zijn alle mensen onze broeders en zusters.
    Dat zuster en broeder zijn van elkaar, wordt in onze Kerk zo vanzelfsprekend (en vaak ook onnadenkend) gebruikt dat het bijna een cliché geworden is.
    Maar de opvatting achter die woorden is het meest revolutionaire dat ooit onder mensen verkondigd is. Na Jezus kan geen enkel humanisme (ook niet het atheïstisch humanisme) nog radicaler zijn.
    Immers, elke leer, elke moraal, elke levensbeschouwing, zelfs elke politieke partij of sociale groepering zegt wel ergens dat je goed moet zijn voor de anderen.
    Maar met die anderen wordt bijna altijd bedoeld: de eigen groep.
    Mijn familie, mijn school, mijn land, mijn werkmakker, mijn geloofsgenoten,. . .
    Jezus doorprikt dat, met name in de parabel van de Barmhartige Samaritaan, door te stellen: niet ik bepaal wie mijn naaste is, voor wie ik goed wil zijn.
    Neen, ik word de naaste van ieder die mij op dit ogenblik nodig heeft.
    Ook al is die iemand een volslagen onbekende uit Afrika die ik voorheen nooit heb gezien of gehoord.
    Vanaf het ogenblik dat iemand in de penarie zit en ik zou kunnen helpen, wordt die mens mijn naaste.
    Dat is twee.
  3. Je kan nu natuurlijk ook zeggen: dat is allemaal mooi, maar ik ga toch vooral lekker zorgen voor mezelf. Je kan dat doen en niemand houdt je tegen.
    Maar je zal dan, als je tenminste bewust leeft, vlug doorhebben dat wij gemaakt zijn om te beminnen en niet om alleen maar bezig te zijn met onszelf.
    God is wat dat betreft een grapjas.
    Hij heeft ons als vrije mensen gemaakt die kunnen kiezen.
    Maar we steken wel zo in elkaar, dat we alleen maar gelukkig worden als we iets betekenen voor anderen.
    Het is dus zeker goed dat we zorg dragen voor onszelf, het is zelfs heel gezond dat we onszelf ook graag zien. Maar gelukkig ben je pas als je je geborgen en gedragen weet door andere mensen, als er ten minste één iemand is die echt van je houdt. En als je zelf ook kan houden van anderen.
  4. Er zijn verschillende mensen die echt van je kunnen houden. Je man, je vrouw, je lief, je ouders, je kinderen, je beste vrienden. En als ze dit doen, maakt je dat gelukkig. Even belangrijk is het, te weten dat ook God onvoorwaardelijk van je houdt en een persoonlijke relatie met je wil. Het besef dat de diepste grond van het bestaan je onvoorwaardelijk bemint kan je alleen maar diepgelukkig maken en verrijkt ook al je andere vriendschaps- en liefdesrelaties.
    Verzorg daarom ook je relatie met de Heer. Die is anders dan die met je medemensen. Maar zeker zo belangrijk.

Seks en zonde (Joh 3, 14-21)

Zondag 14 maart 2021, 4de zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

Het evangelie van vandaag brengt ons het verslag van het nachtelijk gesprek tussen Jezus en Nicodemus. Dat nachtelijke uur wijst meteen al op voorzichtigheid, op gevaar en risico voor de bezoeker. En Nicodemus had inderdaad een hoge positie in Jeruzalem toen Jezus het al helemaal verkorven had bij de machthebbers.
Er blijft natuurlijk de mogelijkheid dat Nicodemus oprecht geïnteresseerd was in Jezus en zijn leer.
Maar waarschijnlijk was hij een soort politieke opportunist. En hield hij er rekening mee dat Jezus wel eens een game changer kon zijn, iemand die het uiteindelijk wel eens kon halen. En in dat geval wilde hij, Nicodemus, goeie punten hebben.
Een soort Talleyrand dus, het prototype van de politieke overlever.
Talleyrand begon zijn carrière als bisschop van Autun. Maar hij had zoveel vrienden en relaties in zoveel elkaar bestrijdende kringen dat hij gewoon alles overleefde. Hij overleefde de val van het Ancien Regime, de verschillende elkaar de macht betwistende strekkingen van de revolutie, hij overleefde het schrikbewind van Robespierre, daarna het Directoire, daarna Napoleon. Dan kwam de restauratie en dan weer terug Napoleon, en dan terug Lodewijk XVIII. En al die tijd bewoog Talleyrand zich rustig verder in kringen aan de top, meestal als minister of Hoge raadgever van de meest uiteenlopende machthebbers.
Misschien was Nicodemus ook zo iemand. Maar we hebben verder nooit nog iets van hem gehoord.
In ieder geval zei Jezus tegen hem niets anders dan wat Hij zegt tegen ieder van ons. Sterker nog, het is zowat een samenvatting van zijn leer van ons.
God, zegt Jezus, houdt zoveel van ons dat Hij ons wil uitlichten uit de vergankelijkheid van alle dingen. Dat Hij ons wil opnemen in zijn eigen eeuwig leven.
En opdat wij zouden weten wat wij daarvoor moeten doen, hoe wij daarvoor moeten leven, heeft Hij ons zijn zoon gezonden, is Hijzelf als mens onder ons komen wonen.
Om ons de weg van liefde te tonen, de weg naar God en het eeuwig leven.
Maar Jezus moet vaststellen dat mensen niet altijd zitten te wachten op “verlichting”.
Dat ze de duisternis vaak meer beminnen dan het licht.
Wat Jezus zegt snijdt als een mes door de hedendaagse fantasie die beweert dat “iedereen wel terechtkomt, als God een liefdevolle Vader is komt alles goed, voor iedereen”.
Dat is niet wat Jezus zegt. Als wij willen deel uitmaken van Gods eeuwig leven dan moeten wij ook kiezen voor dat leven, d.w.z. kiezen vóór de liefde en tégen alles wat tegen die liefde ingaat. Dan moeten wij afstand nemen, ons bevrijden van alles wat zonde is, alles wat het leven neerhaalt, donker maakt.
Alles wat mensen tot slaaf maakt van negatieve gevoelens en gedachten.
Alles wat andere mensen belet te leven en wat hen uiteindelijk te gronde richt.

Zonde
Wat is dat eigenlijk, “zonde”?
Vroeger dacht men bij het woord zonde spontaan aan seks. Men gebruikte dat woord wel niet. Men had het over de “zonde van het vlees”. Maar dáár ging het feitelijk om.
Als je op dat vlak goede punten haalde, was al het andere ook wel oké. Dacht men.
Maar dat klopt natuurlijk niet.
Ik ben geen theoloog. Wat ik weet over zonde, is de opgedane kennis van een ouder wordende zondaar. Maar ik vind wel dat je een heel duidelijke opdeling kan maken.
Je hebt 2 grote soorten zonde. De ene soort zijn de zonden met betrekking tot het lichaam: bandeloosheid op gebied van eten, drinken en seks.
Het zijn zonden die te maken hebben met het dierlijke in ons. Het dierlijke dat, of we dat leuk vinden of niet, deel uitmaakt van ons mens-zijn.
De andere soort zijn de “geestelijke” zonden. En die zijn erger: hoogmoed, haat, wraakzucht, jaloezie, nijd enz. Die hebben te maken, niet met het dierlijke, maar met het duivelse in ons. Want die “duivelse” neigingen zitten, evenals het goddelijke verlangen naar liefde, eveneens in ons.
Met beide soorten moeten wij de strijd aangaan, om het licht te volgen en de weg naar eeuwig leven te gaan.

Bouwwerf
En daarom vind ik het zo belangrijk om ons tijdens de vasten niet uitsluitend te focussen op Goede Werken, op geld geven aan deugdelijke projecten in de derde wereld.
Hoezeer dat er ook bij hoort. Maar ik denk dat wij tijdens de Vastenperiode terug meer aandacht moeten geven aan het werken aan onszelf. De armoede en het onrecht in de wereld vragen dringend om onze aandacht, onze inzet, ons geld.
Maar wij zijn ook zelf een bouwwerf. Er moet serieus gewerkt, afgesmeten en heropgebouwd worden aan onze eigen persoon. Opdat wij steeds meer beantwoorden aan de droom die God over ons had. Opdat wij steeds meer gelijken op zijn zoon.
De Vasten is daarbij de oefentijd bij uitstek.

Waarom vasten?

Zondag 7 maart 2021, 3de zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

De eerste lezing van vandaag over de uittocht uit Egypte begint met de meest plechtige, meest indrukwekkende verklaring uit het hele Oude Testament.
“Ik ben de Heer, uw God, die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis. Gij zult geen andere goden hebben ten koste van mij. Gij zult u niet voor hen ter aarde buigen”.
Het is een plechtige maar ook erg revolutionaire taal, die al de bestaande opvattingen en verhoudingen omver blaast. Het is de Marseillaise van het joods-christelijke denken.
God, de enige levende God, is een God die op mensen gericht is en die hen wil bevrijden en naar het echte leven voeren.
Alle andere “goden” lijken wel veelbelovend, maar het zijn in wezen tirannen die mensen tot slaaf maken.
God, de enige Heer, is niet iemand die slaafse onderwerping wil, maar een God die ons juist uit elke vorm van slaafzijn wil bevrijden.

Slavernij
Om nu goed te begrijpen wat dit oeroud verhaal over de bevrijding van Israël uit Egypte voor ons vandaag kan betekenen, moeten we eerst de betekenis van een paar begrippen proberen duidelijker te stellen.
Om te beginnen is er het woord slaaf. De Joden kregen in Egypte zeker geen voorkeursbehandeling. Ze deden er het zware werk waar de Egyptenaren zich te goed voor voelden. Maar de Egyptenaren betaalden wel hun slaven. En toen de Joden na een tijd begonnen te morren omdat de tocht door de woestijn zo eindeloos leek, klaagden ze dat ze, om Mozes te volgen, de VLEESPOTTEN van Egypte hadden verlaten. En toen ze Mozes en zijn God helemaal niet meer zagen zitten, maakten ze van hun gouden sieraden een levensgroot gouden kalf.
Ook niet direct een sterke aanwijzing dat de wegtrekkende Israëlieten een haveloze bende waren.
Het wordt integendeel steeds duidelijker dat de slavernij waarvan de mensen moesten bevrijd worden geen materiële ellende, geen pure armoede was.
Maar van hun gehechtheid aan zaken die hen van God, en dus ook van het echte leven, verwijderden.

Loskomen
En daarom volgt dan ook, als hoogtepunt van de uittocht, de gave van de 10 geboden. “Geboden” inderdaad en tezelfdertijd: woorden die leven geven.
Leven voor de gemeenschap en voor de individuele mens. Een levende gemeenschap is immers ook levengevend voor het individu.
Ga nu even die “10 geboden” na en je merkt dat het inderdaad gaat om woorden die het leven en het samenleven mogelijk maken en in stand houden.
Ze beloven wel geen gemakkelijk uitstapje.
En dat komt omdat de weg die God ons wijst, haaks staat op datgene waar we het vorige week over gehad hebben: onze dierlijke instandhoudingsdrang en het egoïsme en het uit zijn op onmiddellijke bevrediging dat daar het gevolg van is.
Ik zie dat bijvoorbeeld met mijn hondje. Als ik haar een gevarieerde portie eten geef, dan zal zij onmiddellijk de smakelijkste brokjes het eerst binnenspelen. En je hoort haar daarbij denken: “Dat heb ik alvast gehad, dat kunnen ze me niet meer afnemen”.
Ook mensen kennen die reflex. En de veertigdagentijd is de tijd bij uitstek om die egoïstische grijpreflex onder controle te krijgen.
Zo verschrikkelijk moeilijk is dat trouwens niet. Neem nu bijvoorbeeld dat voor de vastenperiode zo typische matigen in eten en drinken.
Wij kunnen dat en we doen dat soms ook. Maar dan niet omdat God dat van ons vraagt, maar de dokter of diëtiste of het schoonheidsideaal.
En dan is die matiging natuurlijk eerder een afgedwongen frustratie dan een soevereine beslissing.

God
En als we het nu toch eens echt voor God deden? Dán rijst natuurlijk de vraag of en hoe je God kan plezieren door af te zien van de “goeie dingen des levens” (die Hij trouwens zelf heeft geschapen)?
Je kan dat probleem proberen te ondervangen door te stellen dat je, wat je uitspaart door je te matigen in eten en drinken, aan Broederlijk Delen kan geven. Maar is dat niet nogal kinderachtig? Als je als volwassen mens inziet hoe onrechtvaardig de wereld in elkaar steekt, geef je beter een flinke som, om op die manier een statement te maken voor “herverdeling”.
De vraag blijft dus: hoe kan matiging in bijvoorbeeld eten en drinken betekenis hebben voor God?
Heel eenvoudig.
Je gelooft dat God echt van je houdt en je heel sterk nabij is.
Met je te beperken in eten, drinken, genotsmiddelen enz. zeg je dan dat je alles van Hem verwacht, dat zijn liefde voor jou belangrijker is dan die dingen.
Dat je ze laat uit liefde voor Zijn liefde.

Breder kader nodig

Zondag 28 februari 2021, 2de zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

Van toen ik nog een klein jongetje was, in een tijd dat je het eerste godsdienstonderricht nog van je oma kreeg, wist ik al dat geloof en mysterie samengingen.
Mijn oma had het dan altijd wel over “ministerie”, maar niemand viel daarover.
Op dezelfde wijze had mijn oom het vaak over de “consecratiekampen” tijdens de oorlog, maar wij begrepen wat hij bedoelde en dat volstond.
In mijn familie was men nogal breed inzake spelling en uitspraak. En dat moest ook wel want anders had je voortdurend gedonder.

Godservaring
Pas veel later ben ik gaan begrijpen wat men bedoelde met dat woord mysterie in verband met het geloof. Het gaat om de nederige erkenning dat er nu eenmaal een aantal geloofsaspecten zijn die je met je verstand moeilijk kan uitleggen. Zoals je ook God zelf nooit helemaal zal kunnen vatten, ontleden en beschrijven. God is immers de “totaal Andere”.
En wij kunnen Hem (of aspecten van Hem) alleen maar begrijpen in de mate dat Hij zich aan ons laat kennen. En dan spreken we van Openbaring, God die in een soeverein gebaar (Genade) zich aan ons “openbaart”.
Laat ons (gemakshalve) het nu even niet hebben over de Bijbel, maar wel over de momenten waarin wij zelf het gevoel hebben dat God zich toont in ons eigen leven. Over persoonlijke godservaringen dus.
Onmiddellijk rijst dan een serieus probleem op. Het feit namelijk dat wij geen goede, geen zuivere “ontvangers” zijn. Onze opvattingen, onze opvoeding, heel het universum van ons onderbewustzijn speelt ons parten. Wij interpreteren ongewild maar spontaan, vanuit ons eigen kader.
En daardoor komt het dat het verslag van zo’n godsontmoeting soms zo ongeloofwaardig klinkt. De ervaring zelf is misschien echt, maar de weergave ervan al te gekleurd.

Leer
En precies hier komt het belang naar voor van de theologie. Van de “Leer”, van de enorme ervaring van het Leergezag, de ervaring die gedurende eeuwen door de Kerk werd opgedaan en uitgezuiverd.
Misschien kan dat duidelijker worden met een vergelijking die C.S. Lewis maakt in een van zijn boeken.
Stel, zegt hij, dat je op het strand naar de oceaan staat te kijken en dan thuis die oceaan in de atlas opzoekt. Je gaat dan van iets werkelijks naar iets minder werkelijks, van werkelijke golven naar een stukje gekleurd papier.
Maar nu komt het: een atlas bestaat weliswaar alleen maar uit gekleurd papier, maar je moet daarbij twee dingen bedenken. Ten eerste berust zo’n kaart op wat duizenden mensen te zien hebben gekregen door op de werkelijke oceaan te varen. Zo schuilt er achter de kaart een massa ervaring, die even werkelijk is als de ervaring die je aan het strand kunt hebben. Maar terwijl dat laatste maar één indruk is, voegt de kaart al die verschillende indrukken samen.

Noodzakelijk
En ten tweede, de kaart is absoluut noodzakelijk als je ergens naartoe wilt.
Zelf kijken is veel leuker dan kaartlezen, zolang je met strandwandelen tevreden bent. Maar wil je naar Amerika toe, dan heb je meer aan de kaart.
Hetzelfde geldt voor de verhouding tussen persoonlijke godservaringen enerzijds en Kerk en theologie anderzijds.
Er zijn christenen die met weinig sympathie spreken over wat ze noemen “het instituut kerk”. En ze denken dan vooral aan de schandalen en het machtsstreven van sommige pausen en prelaten. Maar de Kerk is ook nog wat anders.
De Kerk is ook, en zelfs in de eerste plaats, een gigantische schatkamer van ervaringen en kennis van alles wat te maken heeft met geloof en spiritualiteit.
Ze biedt je een kader waarbinnen je je eigen ervaringen kan plaatsen en begrijpen.
Omdat wij gebrekkige “ontvangers” zijn, is die kerkelijke, theologische atlas nodig.
Godservaringen (echte of vermeende) halen je helemaal overhoop. De atlas moet ervoor zorgen dat ook de uitleg ervan niet al te verwarrend, niet al te subjectief zou zijn.

Hoezo offer?

Zondag 21 februari 2021, 1ste zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

Iemand, ik meen dat het Nietzsche was, heeft ooit gezegd dat het hem ten zeerste verwonderde dat christenen er zo weinig “verlost” uit zien.
En inderdaad, er is een tijd geweest dat het victoriaanse Engeland met zijn puriteinse opvattingen een zeer grote invloed had op alle Europeanen die zichzelf als geciviliseerd beschouwden. Uitbundig lachen werd als hoogst ongepast aanzien. En genieten van een stukje taart was het involgen van een ongeregelde begeerte.
En omdat men voor die wat benepen houding een overvloed van argumenten in de Bijbel meende te vinden, werd van christenen verwacht dat zij de kampioenen van ernst en deftigheid zouden zijn.
En dat was dan bijzonder jammer en het gaf Nietzsche bovendien ook nog gelijk.
Immers, als je gelooft in een God die liefde is, in wie je geborgen bent omdat Hij van je houdt, dan kan je toch niet constant met een somber gezicht rondlopen.
En als je echt gelooft dat Jezus Christus de Verlosser is die toekomst voor ons heeft opengebroken, zelfs over de dood heen, dan moet dat geloof je hele bestaan toch kleur geven.
Dan ga je net als ieder ander mens ook wel slagen van het leven krijgen en zal je regelmatig ook verdrietig en terneergeslagen zijn.
Maar de diepe ondertoon in je leven kan dan toch alleen maar vreugde en vertrouwen zijn, de sterkste antigiffen tegen vertwijfeling en wanhoop. En je zal willen ingaan op het appel van de Heer om ook zelf liefdevol in het leven te staan.

Prijs
Wil dat nu zeggen dat wij als naïeve zottekes moeten rondlopen en aan iedereen verkondigen dat het leven leuk is en alle mensen aardig?
Natuurlijk niet. Wij hebben wel degelijk oog voor het drama en de tragiek die het leven ook meebrengt. En wij zien heel goed dat alles zijn prijs heeft, ook als je alleen maar het goede wil. Ook dat moet betaald worden, ook dat heeft een prijs.
Het tegenovergestelde van liefdevol in het leven staan is alleen maar met jezelf bezig zijn, alles domineren, alles naar je toehalen, jezelf constant verwennen, jezelf overal en in alles op de eerste plaats zetten. En dat oogt best interessant en aantrekkelijk.
Maar als je liefdevol in het leven wil staan (wat God van ons vraagt) dan moet je een radicaal andere houding aannemen: niet langer jijzelf maar “de ander” komt dan in het centrum van je leven te staan. En die koersverandering is aartsmoeilijk. Je mag dat niet onderschatten. Je doet dat niet zomaar op een blauwe maandag, daar moet echt aan gewerkt worden. Je kan hier terecht spreken van een offer dat moet gebracht worden, een prijs die moet worden betaald.

Tegennatuurlijk?
Want die wending, die radicaal nieuwe houding is niet alleen aartsmoeilijk, ze is zelfs . . . tegennatuurlijk.
De natuur heeft ons inderdaad opgezadeld met een formidabele instandhoudingsdrang. Ik zeg nu wel: opgezadeld, maar die geweldige drang om ons staande te houden en te overleven heeft ondertussen wel gemaakt dat wij verschrikkelijke natuurrampen, brutale klimaatsveranderingen en dieren die vele keren sterker en groter waren dan wij, hebben overleefd. En niet alleen overleefd. Dankzij ons verstand zijn wij ook alles gaan onderwerpen, domineren, gebruiken en . . . vaak ook verknoeien.
Het is dus nogal wat, die levensdrang in ons, met haar sterke neiging om te onderwerpen en te heersen. Je kan ze dus zeker ook bewonderen.
Maar ze is in ieder geval bijna altijd in conflict met een nog diepere drang in ons: het verlangen naar liefde. En dát is God-in-ons.

Offer
Telkens als je dus gevolg wilt geven aan het verlangen om een liefdevol mens te zijn, moet je een “offer” brengen: je zal, minstens tijdelijk, de drang om jezelf op de eerste plaats te stellen, het zwijgen moeten opleggen. Leuk is anders.
Maar zo werkt het. En dat zal iedere mens die liefheeft beamen.
Je kan niet echt houden van je man, je vrouw, je kinderen als je altijd alleen maar bekommerd bent om je eigen gemak. Maar diezelfde liefhebbende man/vrouw zullen ook onmiddellijk beamen dat het liefhebbend gericht staan op anderen een veel diepere levensvervulling kan geven dan alleen maar zorgen voor jezelf.
Je zou het zo kunnen zien: een christen draagt zorg voor zijn eigen leven en welbehagen.
Niet echter als doel op zich, maar om sterk genoeg te staan om iets te kunnen betekenen voor anderen. Want dat is zijn fundamentele betrachting: ingaan op het goddelijk appel. Iets wat soms offers vraagt.
Maar tegelijk ook ten diepste gelukkig maakt.