Hoezo offer?

Zondag 21 februari 2021, 1ste zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

Iemand, ik meen dat het Nietzsche was, heeft ooit gezegd dat het hem ten zeerste verwonderde dat christenen er zo weinig “verlost” uit zien.
En inderdaad, er is een tijd geweest dat het victoriaanse Engeland met zijn puriteinse opvattingen een zeer grote invloed had op alle Europeanen die zichzelf als geciviliseerd beschouwden. Uitbundig lachen werd als hoogst ongepast aanzien. En genieten van een stukje taart was het involgen van een ongeregelde begeerte.
En omdat men voor die wat benepen houding een overvloed van argumenten in de Bijbel meende te vinden, werd van christenen verwacht dat zij de kampioenen van ernst en deftigheid zouden zijn.
En dat was dan bijzonder jammer en het gaf Nietzsche bovendien ook nog gelijk.
Immers, als je gelooft in een God die liefde is, in wie je geborgen bent omdat Hij van je houdt, dan kan je toch niet constant met een somber gezicht rondlopen.
En als je echt gelooft dat Jezus Christus de Verlosser is die toekomst voor ons heeft opengebroken, zelfs over de dood heen, dan moet dat geloof je hele bestaan toch kleur geven.
Dan ga je net als ieder ander mens ook wel slagen van het leven krijgen en zal je regelmatig ook verdrietig en terneergeslagen zijn.
Maar de diepe ondertoon in je leven kan dan toch alleen maar vreugde en vertrouwen zijn, de sterkste antigiffen tegen vertwijfeling en wanhoop. En je zal willen ingaan op het appel van de Heer om ook zelf liefdevol in het leven te staan.

Prijs
Wil dat nu zeggen dat wij als naïeve zottekes moeten rondlopen en aan iedereen verkondigen dat het leven leuk is en alle mensen aardig?
Natuurlijk niet. Wij hebben wel degelijk oog voor het drama en de tragiek die het leven ook meebrengt. En wij zien heel goed dat alles zijn prijs heeft, ook als je alleen maar het goede wil. Ook dat moet betaald worden, ook dat heeft een prijs.
Het tegenovergestelde van liefdevol in het leven staan is alleen maar met jezelf bezig zijn, alles domineren, alles naar je toehalen, jezelf constant verwennen, jezelf overal en in alles op de eerste plaats zetten. En dat oogt best interessant en aantrekkelijk.
Maar als je liefdevol in het leven wil staan (wat God van ons vraagt) dan moet je een radicaal andere houding aannemen: niet langer jijzelf maar “de ander” komt dan in het centrum van je leven te staan. En die koersverandering is aartsmoeilijk. Je mag dat niet onderschatten. Je doet dat niet zomaar op een blauwe maandag, daar moet echt aan gewerkt worden. Je kan hier terecht spreken van een offer dat moet gebracht worden, een prijs die moet worden betaald.

Tegennatuurlijk?
Want die wending, die radicaal nieuwe houding is niet alleen aartsmoeilijk, ze is zelfs . . . tegennatuurlijk.
De natuur heeft ons inderdaad opgezadeld met een formidabele instandhoudingsdrang. Ik zeg nu wel: opgezadeld, maar die geweldige drang om ons staande te houden en te overleven heeft ondertussen wel gemaakt dat wij verschrikkelijke natuurrampen, brutale klimaatsveranderingen en dieren die vele keren sterker en groter waren dan wij, hebben overleefd. En niet alleen overleefd. Dankzij ons verstand zijn wij ook alles gaan onderwerpen, domineren, gebruiken en . . . vaak ook verknoeien.
Het is dus nogal wat, die levensdrang in ons, met haar sterke neiging om te onderwerpen en te heersen. Je kan ze dus zeker ook bewonderen.
Maar ze is in ieder geval bijna altijd in conflict met een nog diepere drang in ons: het verlangen naar liefde. En dát is God-in-ons.

Offer
Telkens als je dus gevolg wilt geven aan het verlangen om een liefdevol mens te zijn, moet je een “offer” brengen: je zal, minstens tijdelijk, de drang om jezelf op de eerste plaats te stellen, het zwijgen moeten opleggen. Leuk is anders.
Maar zo werkt het. En dat zal iedere mens die liefheeft beamen.
Je kan niet echt houden van je man, je vrouw, je kinderen als je altijd alleen maar bekommerd bent om je eigen gemak. Maar diezelfde liefhebbende man/vrouw zullen ook onmiddellijk beamen dat het liefhebbend gericht staan op anderen een veel diepere levensvervulling kan geven dan alleen maar zorgen voor jezelf.
Je zou het zo kunnen zien: een christen draagt zorg voor zijn eigen leven en welbehagen.
Niet echter als doel op zich, maar om sterk genoeg te staan om iets te kunnen betekenen voor anderen. Want dat is zijn fundamentele betrachting: ingaan op het goddelijk appel. Iets wat soms offers vraagt.
Maar tegelijk ook ten diepste gelukkig maakt.

Muren slopen

Zondag 14 februari 2021, Zesde zondag door het jaar (jaar B)

Melaatsen waren vroeger levende doden. Ze werden verjaagd uit de gemeenschap en doolden rond op eenzame plaatsen of ze leefden in spelonken samen met lotgenoten. Als ze zich toch vertoonden onder de gezonde mensen, moesten ze hun komst op voorhand aankondigen met ratels en met luidkeels te roepen “onrein, onrein”. Maar dan nog kon ieder die dat wilde hen met stenen verjagen. Deze schokkende manier van doen had een reden: men wist dat de ziekte besmettelijk was en er bestond geen enkele medicatie.
Nog erger dan de harteloze behandeling van de ongelukkige zieken als ze zich vertoonden, was het feit zelf dat ze geen enkel contact mochten hebben met gezonde mensen, ook niet met verwanten, ook niet met de mensen die hun het meest lief waren. Ze leefden niet aan de rand van de maatschappij (zoals de armen bijvoorbeeld), ze waren gewoon verbannen uit de samenleving. Men moest elk contact met hen mijden. Ze waren de “onaanraakbaren”. . .
Het was een afschuwelijk lot dat die mensen te dragen hadden. Bovenop de ellende van hun ziekte kwam nog de walg en de afkeer van de anderen voor hun persoon.
Die “anderen” beseften ondertussen ook wel het afschuwelijke van hun handelswijze tegenover de melaatse medemens en daarom zochten en vonden ze er ook een “hoger motief”, een theologische goedkeuring voor. Melaatsheid kon toch niet anders dan een straf van God zijn. En bijgevolg was radicale verstoting uit de gemeenschap een meewerken aan Gods plan.

Samenbrengen
Niet echter voor Jezus, wiens optreden helemaal in het teken stond van muren en grenzen afbreken en mensen terug samenbrengen en verbondenheid creëren of herstellen.
Ik moet daar deze dagen vaak aan denken. Men zegt nogal gemakkelijk dat in het christendom de liefde centraal staat. En dat is ongetwijfeld waar. Maar het klinkt ook een tikkeltje hoog gegrepen. Het is niet alle dagen zondag. Liefde moet zich vaak vertalen in inzet om verbindingen tussen mensen te herstellen, om mensen uit hun isolement te halen en ze terug in de kring te brengen. Jezus was daar voortdurend mee bezig.
Als je vanuit die hoek het evangelie leest, dan valt het op dat het in al de genezingsverhalen gaat om ziekten (of zonden!) die mensen isoleerden. Jezus haalt hen daaruit weg en breekt een nieuwe wereld van mogelijkheden voor hen open, juist door hen terug op te nemen in de gemeenschap. Speciaal bij melaatsen wordt de radicaliteit van zijn passie om muren af te breken en mensen samen te brengen duidelijk. Hij liet hen niet alleen bij zich komen, Hij raakte hen ook aan. Waardoor Hij in feite zelf als “onaanraakbaar” moest beschouwd worden.
Jezus stoorde zich aan geen enkel (al dan niet religieus) gebod, als dat de levensvervulling van de concrete mens in de weg stond. Voortrekkers die nieuwe wegen banen voor de mensheid mogen dat. Zoals pater Damiaan, die tegen alle taboes in tussen de melaatsen in het naargeestige Molokai ging wonen om hen te verzorgen. Dankzij zijn optreden en zijn offer is men gaan zoeken naar medicatie (en is die ook gevonden) voor mensen die men voorheen afschreef en gewoon liet sterven.

Nog even...
Begrijp me nu niet verkeerd. Dit is geen heimelijke oproep om de beperkingen die ons worden opgelegd naar aanleiding van de huidige pandemie aan onze laars te lappen.
Zeker niet. De inentingen zijn begonnen en het zou heel dom zijn om in deze laatste fase onvoorzichtig te worden. Maar het is wel zo dat wij nu, meer dan ooit voorheen, beseffen hoe ontzettend kostbaar contact met anderen is. Mensen leven daarvan. Als er geen contact is met andere mensen kwijnen wij gewoon weg. Persoonlijk vind ik het feit dat wij geen enkel fysisch contact meer mogen hebben bijzonder erg. Je zal van mij wel willen aannemen dat ik, gezien mijn levenskeuze en mijn leeftijd, niet rondloop met zwaar erotisch gekleurde toekomstplannen. Maar ik vind het indroevig dat wij elkaar niet meer mogen aanraken, niet omhelzen, zelfs geen hand geven. Niets! Of we allemaal melaats zijn. Maar ik begrijp het en respecteer het. En ik weet: het einde is in zicht. Binnenkort zullen wij uitgelaten zijn als kinderen voor wie de Sint gekomen is. Omdat het allemaal weer mag.
Nog even op de tanden bijten.

Waarom al dat lijden?

Zondag 7 februari 2021, Vijfde zondag door het jaar (jaar B)

Het boek Job, waaruit de eerste lezing vandaag (zondag 7 februari) genomen is, behoort tot de hoogtepunten van de wereldliteratuur. Niet alleen omwille van de beelden, klanken en de poëzie van het hoogste niveau, maar vooral ook omwille van het onderwerp van het boek.
Het gaat over het waarom van al het lijden, al het afzien in de wereld.
En vooral ook over de vraag waarom het kwaad zo vaak goede mensen treft.
En het antwoord dat het boek Job daarop geeft, is dat er gewoon geen antwoord is.
’t Is te zeggen, er zal misschien wel een reden, een uitleg, een antwoord zijn, maar met ons verstand zullen wij er nooit achter komen.

Waarom?
Eerst misschien, heel kort, ons geheugen opfrissen.
Job is een man die het, zacht uitgedrukt, ongelooflijk voor de wind gaat.
Zijn rijkdom is immens, de liefde tussen hem, zijn vrouw en zijn kinderen intens.
Hij heeft een geweldig stel hele goede vrienden en alles wat hij onderneemt loopt volmaakt zoals hij het had bedoeld. Hij wordt door het leven vertroeteld.
Hij is volmaakt gelukkig. Job is bovendien een doorgoed mens én een vriend van God: hij is rechtvaardig en heeft een warm hart voor andere mensen.
En dan begint ineens de ellende. De ene “jobstijding” volgt op de andere.
Je kan het zo verschrikkelijk niet bedenken of Job wordt ermee geslagen. Zijn leven wordt een echte hel. En Job blijft zitten met die ene brandende vraag: waarom toch?
Het is de eeuwige vraag van goede mensen als het kwaad hen treft. Het is een vraag die leeft in alle tijden en culturen. Zelfs mensen die totaal niet geloven vragen zich in zo’n situatie af: waaraan heb ik dat verdiend? Alsof er toch ergens een Instantie zou zijn die het goede beloont en het kwade bestraft.
In het verhaal komen dan om beurt een aantal vrienden van Job een poging doen om een antwoord te formuleren op de kolossale waaromvraag.
Maar geen van hun bespiegelingen voldoet.

Vertrouwen
Totdat uiteindelijk God zelf Job aanraadt om niet verder te zoeken: het zal voor het menselijk verstand altijd een mysterie blijven. Net zoals God zelf mysterie is. (Elk beeld dat wij van God maken is een afgodsbeeld en moet verworpen worden).
Het enige wat Job overblijft is . . . vertrouwen. En dat doet hij. Hij blijft, ondanks alles, vertrouwen op God. (Wat overigens een ander woord is voor geloven in God). En dan wordt uiteindelijk dat vertrouwen beloond. Dit verhaal heeft een misschien wat overdreven “werelds” happy-end, maar de boodschap is duidelijk.
Blijf je niet blindstaren op die waaromvraag waar je toch geen antwoord op vindt.
Maar blijf vertrouwen op God en je zal merken dat Hij je redt. Vaak op een totaal andere manier dan jij misschien had verwacht of gewenst.
Maar blijf vertrouwen.
En hier zien we weer eens hoe belangrijk het verbonden zijn/blijven met God is.
Het christelijk geloof is geen kwestie van moraal en intellect alleen.
Het is op de eerste plaats een kwestie van openstaan voor God, van gebed en vertrouwvolle omgang met de Heer. Ook als het kwaad je overkomt.

Tekens
Zelfs al zou je voor volledige verlossing moeten wachten op het leven na dit leven, dan nog zal je de troost krijgen van te ERVAREN, nu al, dat Hij er is, dat Hij je draagt en van je houdt. En dat is juist de kracht die het gebed en het geloof je geeft. Weten dat Hij die van je houdt, het laatste woord heeft: wacht maar af en vertrouw op Hem. Ook al weet je geen antwoord op de vraag waarom je al die ellende overkomt, als je vertrouwvol met Hem omgaat WEET je gewoon dat Hij er is en dat Hij je ooit volledig zal verlossen.
Je weet dat dan ondanks alles wat je tegenzit en pijn doet, omdat je tekens krijgt van zijn aanwezigheid en van zijn liefdevolle aandacht voor jou. Moeilijk te geloven? Niet echt. Probeer het.
Sommige mensen zeggen: eerst zien en dan geloven. Maar zo is het niet.
Het is: eerst geloven en dán zien.

Over wat vroeger de Duivel heette

Zondag 31 januari 2021, Vierde zondag door het jaar (jaar B)

De evangelielezing van deze zondag bericht ons over het optreden van Jezus in de synagoge van Kafarnaüm aan het begin van zijn openbaar leven.
En het blijkt dat Hij van in het begin een buitengewone indruk maakt op de mensen.
“Want”, zo staat er, “Hij sprak niet zoals de Schriftgeleerden, maar als iemand met gezag”. Schriftgeleerden gaven eindeloos veel uitleg over de Bijbel, oeverloos commentaar op de teksten en vaak ook op elkaar. Jezus echter sprak direct en in eigen naam. “Gij hebt gehoord, dat er tot u gezegd is, maar Ik zeg u. . .” En dat wekt niet alleen verbijstering op (later zal juist dát Hem ook aan het kruis brengen) maar het brengt mensen ook tot persoonlijke bekering.
Bemerk hier het grote verschil met ideologen, politieke leiders en activisten van verschillend pluimage die (denk aan Hitler) soms enorme massa’s achter zich krijgen “om de wereld te veranderen”. De anderen dus te veranderen. Jezus’ optreden daarentegen bewerkt persoonlijke bekering.
Mensen die zich in hun eigen leven afkeren van het kwaad en zich toekeren naar het goede. De enige manier overigens om ook maar enigszins iets goeds te kunnen betekenen voor anderen en voor de wereld. . .

Kwaad
Hoe zit dat trouwens met dat “Kwaad” waar we ons moeten van afkeren?
Ik schrijf Kwaad met opzet met een hoofdletter. Niet omdat ik het naar goddelijke hoogten wil tillen, maar omdat ik het ook niet wil bagatelliseren. Het Kwaad is overal prominent aanwezig, in de natuur, in de maatschappij en in de mens. Overal.
Tijdens de middeleeuwen heeft dat Kwaad een gestalte gekregen: een figuur met horens en bokkenpoten en lelijk als de nacht. Maar het Kwaad is niet lelijk als de nacht. Het is heel aantrekkelijk, tintelend en fris. Het gooit werelden van mogelijkheden voor je open en belooft je alles. Maar het vervult niets, het laat uiteindelijk alleen maar brokstukken over en oneindig veel lijden en verdriet, ontreddering en wanhoop.

Kiezen
Heeft het (terechte) afwijzen van de karikatuur van het Kwaad, de duivelsfiguur met zijn bokkenpoten er niet toe geleid dat we het Kwade zelf zijn gaan ridiculiseren? Ik denk het.
Je moet nochtans nogal blind zijn om het niet te zien, in de wereld maar ook diep in jezelf.
Dat aanhangers van Trump het Capitool bestormen, verbijstert ons. Maar hoe velen liggen er wakker van dat, veel dichter bij ons, terug slavenmarkten geopend werden waar mensen als beesten op een jaarmarkt worden gekeurd en verkocht? Ook het Kwaad niet willen zien, maakt er zelf deel van uit.
Het Kwaad bestaat wel degelijk en het is alomtegenwoordig. Het is afzichtelijk, mensonterend, mensvernietigend.
Het is de absolute tegenstander van God-die-liefde is. Als christen moet je dus kiezen. Een beetje van dit en een beetje van dat, kan niet.
Je moet kiezen.

Diep in ons
Het Kwaad in onszelf is blijkbaar ook meer dan een psychische aandoening of een noodlottig toeval.
Er bestaan duistere krachten. “Krachten die zich in de mens en in de wereld verzetten tegen God. Krachten die sterker zijn dan de mens en hem te gronde richten” (zie Vanden Berghe).
Die krachten weten wij ook diep in ons aanwezig. En ze keren zich niet alleen tegen anderen, maar altijd ook tegen onszelf. Het zijn krachten die mensen kleinhouden, verhinderen om echt te leven en om leven te geven aan anderen. Krachten die de absolute tegenpool en tegenstander zijn van Jezus en Zijn liefdevolle Vader.
En telkens als wij er de strijd mee aanbinden moeten we vaststellen dat het Kwaad zich zomaar niet gewonnen geeft, maar integendeel met dubbele kracht terugslaat.
Wij mogen echter nooit opgeven. Zelf kunnen we misschien niet zoveel.
En daarom zou het goed zijn moesten christenen terug meer bidden.
Het klinkt wat belegen, maar wij moeten echt terug meer leven in Gods nabijheid. Ons terug meer verbonden weten met de Heer.
Beseffen dat het christendom herleiden tot een aantal morele voorschriften met daarbij de nodige nobele voornemens, erg naïef is. Als wij het alléén moeten opnemen tegen het Kwaad staan wij zo goed als machteloos. Maar mét de Heer staan wij, om een oude boutade te gebruiken, sterk als een leger in slagorde.
En je beseft dan dat de kracht van God weinig te maken heeft met donder en bliksem, met macht en majesteit.
Dat de kracht van God in de eerste plaats mensen wil vrijmaken.
Vrij om goed te doen. Vrij om te beminnen.

Kentering

Zondag 24 januari 2021, Derde zondag door het jaar (jaar B)

De lezingen van deze zondag gaan over “bekering”.
Bekering, en meer bepaald wat christenen daaronder verstaan – het je toekeren naar God – is een complex gegeven, je kan je daar niet zomaar in een paar zinnen vanaf maken.
Laten we ons daarom vandaag beperken tot één bepaald, maar zeer belangrijk aspect ervan: het gebruik van je tijd. Iemand die zich bekeert, verandert niet alleen van inzicht en overtuiging maar gaat ook zijn manier van leven aanpassen.
En dat heeft uiteraard ook gevolgen voor het gebruik van je tijd.
Als ik mij echt toekeer naar God zal ik ook de tijd waarover ik beschik anders gebruiken. Ik zal automatisch meer bezig zijn met God en het evangelie, met studie en gebed. En, als gevolg daarvan, ook meer werken aan mijn relatie met de mensen. Vooral met mensen voor wie ik iets kan betekenen, mensen die op een of andere manier in nood zijn, niet meetellen, geen aandacht krijgen.
Voor hen tijd maken is het kostbaarste geschenk dat ik hun kan geven.
Maar ook voor andere mensen zal ik meer aandacht hebben. Mensen die het goed maken, gezond zijn, niets te kort hebben, vrienden, collega’s. Ook aan hen zal ik spontaan meer aandacht geven. En tegelijkertijd even spontaan minder bezig zijn met het verwennen van mezelf. Ik zal m.a.w. beter proberen te onderscheiden waar het in het leven echt op aankomt. Zonder mezelf te verwaarlozen.

Crisis
En een tweede fenomeen dat opvalt bij een bekering, is dat ze bijna altijd voorafgegaan wordt door een serieuze crisis.
Op een bepaald ogenblik verliest het leven zijn vanzelfsprekendheid.
Je ziet dat heel vaak in de levens van heiligen.
Velen van hen hebben tijdens hun jeugdjaren een serieuze scheve schaats gereden. Denk aan Ignatius van Loyola en Franciscus van Assisi: aanvankelijk helemaal gefocust, niet op God of op de naasten, maar op eer en aanzien, en helemaal niet vies van zelfverwennerij.
En dan is er ineens die crisis, die hun totaal onverwacht overvalt en die heel hun leuke leventje compleet overhoophaalt: ze worden neergeveld door een ziekte, ze geraken ernstig gewond tijdens een oorlog of geraken op een andere brutale manier geconfronteerd met de broosheid van het bestaan. En vooral met de leegheid van hun eigen bestaan. En dan volgt een vaak maandenlang zich afsluiten van het vroegere leven, schijnbaar wezenloos ronddolen, nadenken, genadeloos scherp durven kijken naar je (vroegere) manier van leven. En dan komt het echte bekeringsmoment: je daarvan afkeren en je toekeren naar . . . heel anders gaan leven.
Je kan heel dat proces dat leidt tot de metamorfose ademloos volgen bij het lezen van heiligenlevens. Maar je vraagt je af: speelt dat alleen maar bij heiligen?
Kunnen wij dat niet meemaken? Wij, de mindere goden, wij, de gewone mensen?

Na corona
Ik ben zeker van wel. Misschien niet even spectaculair als bij grote heiligen, maar wij kennen ook zo’n momenten. Zeker in deze coronatijd. En daarom geloof ik ook niet wat de media (en dan vooral “de boekskes”), ons willen doen geloven: dat de betrachting van ieder van ons alleen maar is zo vlug mogelijk terug ongebreideld kunnen reizen, eten, drinken en seksen. Er wordt zelfs gesproken over “onze schade inhalen”.
Natuurlijk kijkt ieder van ons uit naar de hervatting van het normale leven.
Maar ik ben er zeker van dat ook velen tijdens deze crisis zijn gaan nadenken over de vraag of dat “normale leven” van ons wel zo normaal is.
Vooral tijdens het begin van de coronacrisis zag je dat. Het was duidelijk dat velen waren “stilgevallen” en tot bezinning kwamen. De wandelaars die je ontmoette waren veel meer onthaast en vriendelijk.
Mensen die “normaal” geen tijd hebben, hielden halt en maakten een praatje! De kassiersters in het warenhuis waren zo mogelijk nog vriendelijker dan anders.
En zelfs je schoonmoeder begon in te zien dat je eigenlijk een toffe peer bent.
Maar het duurt nu wat lang en van de aanvankelijke kentering blijft vandaag, uiterlijk althans, niet veel meer over.
En toch ben ik er zeker van dat velen van ons kritischer zijn gaan kijken naar onze “normale” manier van leven. Dat meer mensen vandaag bedenkingen hebben bij ons ongebreideld materialisme en bij de onverbiddelijke plicht om te genieten.
Zelfverwennerij voert immers niet tot echt leven. Het probeert alleen maar een compensatie te zijn voor een leven dat ervaren wordt als leeg en zinloos.

God ervaren

Vorige week hadden we het over het overrompelend fenomeen dat religieuze ervaring genoemd wordt. Overrompelend en ook intens gelukkig makend, als dat typisch religieus gevoel van verbonden-zijn met al wat ons omringt ook doortrokken is van het besef dat wij gedragen en gekoesterd worden door een God die van ons houdt en die ons nooit laat vallen, wat er ook gebeurt.
Belangrijk is het, te zien dat het hier gaat om een Hoogmis in iemands godsdienstige beleving, een uniek moment, dat je leven helemaal verandert.
Het is wat Paulus heeft ervaren op de weg naar Damascus, en Franciscus bij zijn ontmoeting met de melaatse.

Dansen
Bovendien wordt het ons geschonken, het is een geschenk.
We moeten het dus niet krampachtig willen zoeken (omwille van de sensatie).
Anderzijds is het wel zo dat we nood hebben aan het regelmatig ervaren van God in ons leven.
En dat kan alleen als wij ook voldoende contact met Hem zoeken in het gebed.
Het is immers belangrijk dat wij af en toe beseffen: hier was Hij, hier heeft Hij mij echt erdoor gesleurd, ik weet dat Hij mij draagt. Kostbare ervaringen zijn dat.
Ze maken het verschil tussen het aannemen van een aantal voortreffelijke, morele leefregels en houdingen en het echt beleven van Gods aanwezigheid in je leven. Het verschil tussen enerzijds een geloof dat bijna helemaal herleid is tot moraal (wat niet echt blij maakt) en anderzijds een geloof dat van je leven een dansen-in-Gods-aanwezigheid maakt en dat je leven, wat er ook gebeurt, toch altijd ook een ondertoon van zin en levensvervulling geeft.

Waakzaam
En daarom is het zo belangrijk dat wij als gelovigen in het Westen terug een gebedscultuur ontwikkelen. We moeten daar niet flauw over doen: we zijn dat kwijt.
Wij moeten niet op zoek gaan naar sensationele ervaringen, maar het is wel belangrijk voor ons dat wij God aanwezig weten in ons leven. En daarom moeten we op zoek gaan naar tekens die op die aanwezigheid wijzen.
In de Bijbel worden wij voortdurend aangemaand om waakzaam te zijn. Om te ontdekken hoe Hij aanwezig is in ons leven.
God heeft ons immers niet als robotten gewild, maar als vrije mensen.
Hij heeft gewild dat wij vrij voor Hem kunnen kiezen, vrij in Hem kunnen geloven. En dat houdt dus ook in dat wij er vrij kunnen voor kiezen om Hem volkomen te negeren. Om te doen of Hij er gewoon niet is.
Dat maakt dus ook dat, wanneer zijn vinger zich laat zien in ons leven, dat nooit op een absoluut dwingende manier gebeurt.
Wanneer Hij ons gebed verhoort, wanneer Hij in situaties van angst en beklemming een deur opengooit en uitzicht en toekomst brengt; wanneer Hij in de meest verstikkende duisternis licht laat binnenstromen, dan zijn wij, net zoals Mozes bij de brandende braamstruik, diep onder de indruk van Zijn aanwezigheid. Soms echter alleen maar even.
Want een sluitend “bewijs” krijgen we nooit. Juist omdat dit onze vrijheid de nek zou omwringen en ons zou verplichten om te geloven.
En daarom moeten we altijd waakzaam blijven, uitkijkend naar elk teken dat van Hem zou kunnen komen. Omdat die tekens nooit echt dwingend zijn.
Je kan ze altijd “rationaliseren”, uitleggen, weg kwebbelen. . .

Vertrouwen
Daar is bovendien nog een bijkomende moeilijkheid.
Hoe meer wij groeien op het gebied van gebed en geestelijk leven, hoe meer we gaan beseffen dat als wij aan God iets vragen voor onszelf, onze vraag iets moet te maken hebben met die geestelijke groei.
En, via die geestelijke groei, met levensvervulling en gelukkig zijn.
Als die geestelijke groei gediend is met een herstelde lichamelijke gezondheid of zelfs met een financiële meevaller, dan zal God het ons geven.
Maar wij moeten onze vragen niet al te concreet formuleren. Een oud christelijk adagium zegt dat God, beter dan wijzelf, weet wat goed voor ons is.
Als je in de knoei zit, leg dan je angst of je verdriet aan Hem voor.
Maar probeer God niet te dicteren wat Hij allemaal moet doen, hoe Hij je moet helpen. Vertrouw op Hem en laat Hij je verrassen. Zijn naam is: Ik zal er zijn.
En dát mogen we gerust letterlijk nemen. Hij is er. En Hij helpt ons. Maar zelden op de manier die wij hadden gehoopt of verwacht.
Pas als je je eigen heel concrete verwachtingen durft loslaten, gaat een mogelijke teleurstelling plaatsmaken voor een warm gevoel vanbinnen.
Want je ervaart: Hij is er wel degelijk en Hij heeft me geholpen, veel beter dan ikzelf had durven dromen.

Religieuze ervaring

Ik schrijf dit stukje op nieuwjaarsdag, het feest van de Moeder Gods.
Die titel “Moeder van God” kreeg Maria in het jaar 431 op het concilie van Efeze.
“Kreeg” is zachtjes uitgedrukt, want de menigte die de vergaderende concilievaders buiten het gebouw opwachtte was gewapend met knuppels. Hiermee subtiel aangevend dat een juiste beslissing erg op prijs zou worden gesteld. En indachtig het gezegde: ‘Vox Populi, Vox Dei’. . .
Nochtans ging het hier niet om een of ander anekdotisch gebeuren, maar over iets dat behoort tot de kern van het christendom en over het volstrekt unieke van dat geloof. Het gaat over iets dat behoort tot het begrip “Menswording”.
Over het geloof dat God zich helemaal heeft laten kennen in een mens.

Franciscus
Je kan dit echter ook “omkeren”.
Sinds God mens geworden is, is onze menselijkheid voorgoed met Hem verbonden.
Er is geen God meer zonder de mens. Paus Franciscus zegt het zo: “Het vlees dat Jezus van zijn moeder heeft genomen is nu ook het zijne en blijft het voor altijd. In zijn Moeder heeft God zich kleingemaakt, is Hij materie geworden, niet alleen om met ons te zijn, maar vooral om zoals wij te zijn. Wij zijn nooit meer alleen. Onze eenzaamheid is overwonnen”.
Deze gedachte is zo verbijsterend dat ze van meet af aan en gedurende heel de kerkgeschiedenis bestreden is, al van in Efeze.
Vandaag vind je de afwijzing ervan enigszins vermomd terug in het gebruik van de naam “Jezus van Nazareth”. Maar, Jezus Christus is voor christenen niet zo iemand als Lowieke Van Thienen of Cyriel Van Goetsenhoven. Jezus is ook geen groot man, of een profeet of een uitzonderlijk leraar. Jezus is God zelf, in de gestalte van een mens van vlees en bloed. Dit is wat het christelijk geloof zegt. En dát is ook wat voortdurend bestreden wordt. Niet het feit dat God zou bestaan, maar de gedachte dat Hij zou mens geworden zijn is wat sommigen zo ergert en afstoot.
En toch is het de kern van ons geloof. Wie het verwerpt, verwerpt het evangelie.

Gebed
Is die menswording dan een logische en gemakkelijk te begrijpen opvatting?
Helemaal niet. Ik begrijp er althans niets van. Toch niet met mijn verstand.
Het is iets dat je alleen maar duidelijk wordt in het gebed, in de intieme omgang met God.
Zoals alle grote mysteries van het geloof, gaan ze niet in tegen je verstand, maar je gaat ze alleen maar begrijpen, ze gaan alleen tot leven komen, in het gebed.
Alleen in het biddend contact met God gaan de diepste dingen van het geloof je duidelijk worden. En je ook diep gelukkig maken.
En ook daarom is bidden en meditatie zo belangrijk: het geeft je een diepere kijk op de dingen. En het speelt dus ook een grote rol op het gebied van levensvervulling en gelukkig-zijn. Theologische inzichten kunnen je blij maken en het volgen van morele regels kan je zeker een diepe voldoening geven. Maar gelukkig word je pas, diep gelukkig, als je helemaal doordrongen geraakt van dat diepreligieuze besef van verbondenheid en gedragen worden. Een besef dat je, soms heel onverwacht, als een geschenk in de schoot valt. Maar dat meestal het gevolg is van (volgehouden) gebed.

Diepe verbondenheid
Ik heb het nu over momenten van je intens verbonden weten met God, met heel de kosmos, maar ook met elke mens, met elk dier en zelfs met elke grasspriet. Het diepreligieuze besef: wij horen bij elkaar, wij zijn van dezelfde “soort”.
Hoever staan we hier toch af van het stijf, rationeel bevestigen van het geloof in Gods bestaan. Er is zo oneindig veel meer. Dit gaat over het helemaal doordrongen worden van het besef dat God intens met mij verbonden is.
En dat ik, in Hem, intens verbonden ben met alles wat bestaat.
Het spreekt vanzelf dat je niet elke dag zo’n diepe religieuze ervaringen hebt.
En zeker ook niet altijd even intens. En ik kan me best sterke christenen, zelfs heiligen, voorstellen die zelden zo’n ervaringen hebben. Soms denk ik zelfs dat het hulpmiddelen, geschenken zijn voor hen die ze het meest nodig hebben.

Heilzaam
Maar het is goed dat we deze momenten koesteren. Want ze zijn oneindig belangrijk en heilzaam. Ze brengen ons immers spontaan en zonder grote argumenten tot een levenshouding waarbij we op de meest vanzelfsprekende manier goed willen zijn voor mensen en dieren, voor de aarde, voor de hele kosmos. Omdat we ons ten diepste verbonden voelen met heel de ons omringende werkelijkheid.
Bovendien gaan die diepe ervaringen van gedragen worden door een liefdevolle God en de sterke verbondenheid met alles om ons heen, ons ook gelukkig maken.
Echt religieuze mensen moeten wel gelukkig zijn, zei Georges Brassens, “car, la religion, c’est une question d’amour”. En wie zich bemind weet, is gelukkig.

Over Christenen en politiek

Zondag 3 januari 2021

Tot zo’n goeie 70 jaar geleden heeft er een soort onofficiële competitie bestaan rond de vraag welk internationaal bedrijf het best, het meest efficiënt georganiseerd was in heel de wereld. En eigenlijk ging de strijd vooral tussen de twee koplopers, al de anderen kwamen daar ver achter. En die twee eeuwige rivalen voor de titel, waren de Duitse spoorwegen en de Katholieke Kerk.
Dat moet ons niet verbazen. De Katholieke Kerk is op gebied van recht en organisatie, van structuur en bestuur de voortzetting van het Romeinse Rijk na de val van Rome. Sterker nog, tijdens de donkere eeuwen die volgden op de invallen van de Barbaren, was het de Kerk die in haar abdijen en instellingen het kwijnende licht van de beschaving zo goed mogelijk bewaarde en doorgaf.
Dat lijkt allemaal mooi, maar die situatie had ook een donkere kant.
Doordat de Kerk in die tijd het intellectuele dak van de wereld was, werd voortdurend op haar beroep gedaan door de wereldlijke gezagsdragers, die vooral bedreven waren in oorlogsvoering. Maar die voor de rest de rechtspraak, het onderwijs en zelfs vele deelaspecten van het landsbestuur maar al te graag overlieten aan bisschoppen en prelaten.
Het gevolg daarvan was dat de Kerk deels ongewild, deels gewild, een enorme macht verkreeg. Ze had de Romeinse vervolgingen overleefd en ze was duidelijk van plan dit nooit meer toe te laten. Een herkenbaar gegeven, ook in onze tijd: stromingen die hevig onderdrukt werden, gaan als de vervolgingen ophouden, zelf macht opbouwen om een herhaling te voorkomen.
Op die manier worden de onderdrukten van gisteren vaak de onderdrukkers van morgen.

Monsters
Onthutsend en beangstigend daarbij, is vooral dat het vaak gaat om mensen die begonnen als idealisten en hun volk echt wilden bevrijden.
Zoals de communisten in Rusland, die het aanvankelijk echt goed voorhadden met de kleine man, maar die uiteindelijk miljoenen, gewone mensen, ombrachten in concentratiekampen.
En toen Robespierre, die tijdens de Franse Revolutie de terreur op de spits dreef, aan het begin van zijn carrière stond, merkte iemand op: “Robespierre is deugdzaam (vertueux), hij zal verschrikkelijk worden”.
En dat is beangstigend, griezelig zelfs. Te weten dat deugdzame en idealistische mensen kunnen evolueren tot monsters, eens dat ze veel macht in handen hebben.

Scheiding
De overweging alleen al zou ons als Kerk moeten behoeden voor het streven naar welke vorm van macht ook. Maar er is meer. Jezus zelf zegt: “Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat aan God toekomt”. Hij maakt hiermee een duidelijk onderscheid tussen die twee domeinen, geloof en politiek. Je zou het zelfs kunnen zien als het allereerste pleidooi voor de scheiding tussen Kerk en Staat.
Maar veel van Jezus’ volgelingen hebben dat, in de loop van de geschiedenis niet zo begrepen. D.w.z., zijn echte volgelingen natuurlijk wel. Maar er zijn er ook anderen. Als je als instituut macht en aanzien verwerft, dan oefen je immers een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op allerlei types die erbij willen komen, niet omwille van de ideeën, maar omwille van de macht die ze op die manier hopen te verwerven.
De Richelieus en de Borgias van deze wereld waren zo’n mensen.
Jezus gebruikt (in een heel andere context, waar Hij het heeft op het herkennen van “de tekenen des tijds”) een beeld dat je ook perfect kan toepassen op het gegeven waar we het vandaag over hebben.
In al zijn soms onthutsende directheid zegt Hij: “Waar het lijk ligt, verzamelen zich de gieren”. Zo simpel is dat.
Als je als Kerk te rijk en te machtig wordt, kan je onmogelijk verhinderen dat allerlei ongure typetjes zich in je schoot komen nestelen. Niet omdat ze zo van Jezus houden, maar omdat ze uit zijn op macht en aanzien. Of gewoon op geld en rijkdom. “Ze preken kruis maar ze bedoelen munt”, zei een Nederlands cabaretier indertijd. En de Franse historicus Henri Guillemin noemde hen: “Les athées de nuance catholique”.

Sociaal
Wil dat dan zeggen dat wij alleen nog stilletjes in een hoekje mogen zitten bidden en—liefst onopvallend—mensen helpen en “Goede Werken” verrichten? Natuurlijk niet.
Het christendom is geen verzameling van private devoties. Het heeft een wezenlijk sociale dimensie. Wij willen, net zoals als andere groepen, invloed hebben op het maatschappelijk gebeuren. Wij willen net als andere groepen onze opvattingen en verlangens kenbaar maken bij het Beleid. Maar wij willen nooit nog zelf dat Beleid zijn.
Willen wij niet verdwijnen, dan zullen wij terug moeten uitbreken, evangeliseren, mensen terugwinnen voor het geloof.
Maar nooit mogen wij nog ingaan op de verleidingen van de macht.
Wij erkennen het legitieme, de noodzaak zelfs van politiek gezag.
Maar zelf passen wij daarvoor. Je kan niet tegelijk God dienen en streven naar macht.
Als christenen, als Kerk, moeten wij de mensen dienen. En ondertussen oneindig wantrouwig blijven t.a.v. het minste teken van machtstreven door of binnen de Kerk.
Ook wat dat betreft is paus Franciscus een godsgeschenk.

Kerstmis 2020

Donderdag 24/vrijdag 25 december 2020, Kerstmis (jaar B)

In het begin van onze tijdrekening was het bij invloedrijke Romeinse burgers grote chic om je kinderen te laten onderwijzen door geleerde Griekse slaven die hun de kennis van de filosofie bijbrachten. Na het succes van Paulus en zijn gezellen in Griekenland, bereikten op die manier, mét die Griekse filosofie, ook steeds meer christelijke elementen de jonge Romeinse geesten. Dat lijkt een godsgeschenk voor de verkondiging geweest te zijn. Maar was het ook werkelijk een geschenk?
In Troje hadden ze intussen immers geleerd dat je “op je hoede moet zijn als Grieken geschenken brengen”. De bestuiving was in ieder geval wederzijds. En het christendom dat ons hier in het Westen bereikte, bracht die typisch Griekse scheiding tussen lichaam en ziel mee en een duidelijk misprijzen voor alles wat te maken heeft met het lichaam. Alles moest “vergeestelijkt” worden om goed te zijn.

Menswording
Maar dat komt niet van Jezus. En dat zie je al meteen met Kerstmis: de menswording van God. God die de gigantische afstand tussen Hem en ons overbrugt door onder ons geboren te worden als een mens. Een echte mens. Geen spiritueel wezen dat zich vermomd heeft als mens, maar een echte mens van vlees en bloed.
Een man die weent bij het graf van Lazarus en die in de olijfhof water en bloed zweet van angst en ontsteltenis.
Ook wij zijn geen puur geestelijke wezens en we moeten dan ook niet doen alsof dat wel zo is. Wij hebben niet alleen een lichaam, voor een stuk zijn wij ook ons lichaam.

Nabijheid
Als wij iets geleerd hebben uit de huidige coronaperiode, dan is dat wel de enorme nood die wij hebben aan lichamelijke nabijheid. Als je een geliefde moet afgeven, besef je heel sterk dat een foto of een film nooit fysische aanwezigheid kan vervangen.
Fysiek contact heeft duidelijk iets meer. Iets onbenoembaars en geheimzinnigs, maar iets essentieels, dat door geen digitalisering kan overgebracht worden.
En het is juist die echte aanwezigheid die wij zo nodig hebben. Wij leven daarvan. Wij leven van de nabijheid van anderen, wij kijken terecht uit naar de tijd die nu snel dichterbij komt, de tijd van het vaccin, waarin wij terug kunnen gaan en staan waar we willen, op reis gaan, feestjes organiseren, sport beoefenen, manifestaties bijwonen. . .
Die dingen zijn belangrijk in ons leven, wij hebben daar nood aan. Ze brengen verzet en ontspanning, ze geven kleur aan ons leven, ze zijn als het ware de kers op de taart. Maar alleen maar de kers, niet de taart zelf. Leven zélf geven ze niet.
Alleen liefde en vriendschap en menselijke nabijheid brengen leven in ons leven. En lichamelijk contact speelt daar een grote rol in.

Liturgie
Ook binnen het kerkgebouw mag daar gerust wat meer aandacht voor zijn. Natuurlijk blijven gebed en ingetogenheid het aller voornaamste en het is niet de bedoeling dat wij voortaan in de liturgie een aantal uitgebreide knuffelmomenten inlassen.
Maar wij kunnen bijvoorbeeld wel meer zorg en aandacht besteden aan de begroeting van mensen die naar de mis komen. En hun bij het einde van de dienst ook meer kansen bieden om bij een kop koffie bijvoorbeeld, rustig kennis te maken met “nieuwe” mensen, en met mensen die je alleen op zondag in de kerk ontmoet.

Hoop
Zusters en broers, het einde van de corona-ellende is nabij, veel dichterbij dan velen vrezen. Laat je vooral niet uit je lood slaan door neerslachtige bedenkingen die je regelmatig hoort over een mogelijke derde golf, of de vraag of de vaccins wel zullen werken. Laat je integendeel inspireren door de typisch christelijke deugd van de hoop. En kijk uit naar de vervulling ervan. Want we komen erdoor. En, met de komst van de vaccins, vlugger dan wij hadden gedacht. We zullen nog wel een jaar of zo voorzichtig moeten zijn. Maar we komen erdoor. Het leven gaat voor ieder van ons terug open!
We zullen wel moeten oppassen voor een nieuw gevaar, dat achter het oude dreigt naar voren te komen.
Wij zullen er moeten over waken dat wij in onze omgang met elkaar niet terugkeren naar onze oude Hagelandse stugheid. Na eeuwen van robuust afstand houden, waren wij eindelijk een beetje ontdooid.
Wij staan nog niet, zoals onze Waalse zusters en broeders, voortdurend klaar om iedereen die voorbijkomt te zoenen, maar er was toch al een zekere kentering merkbaar.
Wij mogen dat niet terugdringen.

Doel
Wij moeten er voor oppassen dat wij het afstand houden dat we tijdens corona hebben aangekweekt niet doortrekken naar de toekomst. Onbewust, zonder het te willen zal een duiveltje in ons, ons blijven waarschuwen dat we afstand moeten houden. Ons waarschuwen voor de ander als een mogelijke bron van besmetting. Wij moeten daar heel erg voor oppassen.
Als we eraan toegeven, wordt onze wereld opnieuw zoals vóór de Schepping: woest en leeg.
Terwijl wij geschapen zijn om elkaar graag te zien en elkaar gelukkig te maken.

Alle kennis is vloeibaar

Zondag 20 december 2020

“Wat hebben ze ons vroeger toch allemaal wijsgemaakt?”, was een uitspraak die je vaak hoorde in de jaren na het 2de Vaticaans concilie. Meestal werd ze gedaan met een knipoog, zonder een spoor van bitterheid: men voelde zich niet echt gedupeerd. En dat wijst erop dat ook de “gewone” mensen allang doorhadden dat de hemel niet echt een kwestie was van rijstpap eten met gouden lepeltjes. En dat de “specialisten” zoals Augustinus in de 4de eeuw al begrepen dat de scheppingsverhalen en dat van Adam en Eva, volkse verhalen waren die een zekere leemte moesten opvullen.
Er was namelijk het universeel menselijk aanvoelen van een mysterie achter de zichtbare werkelijkheid. En precies de zoektocht naar, het willen begrijpen van dat Mysterie, gaf het ontstaan aan de godsdiensten. Maar omdat een mysterie per definitie nooit helemaal te vatten is, zijn er leemten in de kennis en dus ook verschillen tussen de religies.
En krijg je ook allerlei (goedbedoelde) verhalen die die leemtes moeten opvullen. En daar kon je mee leven.

Heibel
Ambras krijg je pas als je vanuit de zoektocht naar het Mysterie al te concrete uitspraken gaat doen over de zichtbare en meetbare werkelijkheid. Want dan zit je op het terrein van de wetenschap. En die gaat, met de tijd, een aantal verhalen overbodig maken en vervangen door exacte kennis.
Zo was het wachten op de Poolse monnik Copernicus om in te zien dat de gedachte dat de zon en de sterren draaien rond het aardse centrum (een gedachte die door het Oude Testament gesuggereerd wordt) gebaseerd is op gezichtsbedrog (als wij gewoon naar de hemel kijken lijkt dat immers ook zo). Maar toen Copernicus achter zijn telescoop ging zitten, zag hij wat anders en legde zo de grondslag van de moderne kosmologie.
Een andere monnik, Mendel, (de man van de chromosomen), ontdekte dat het niet zo was dat “God alle planten en dieren had geschapen, ieder naar hun soort”. Mendel lag aan de basis van de moderne genetica. In de reusachtige kloostertuin kweekte en kruiste hij bonen en erwten naar hartenlust en ontdekte dat wij al een hele voorgeschiedenis hebben als wij geboren worden.
De andere paters in het klooster kregen ondertussen dagelijks die erwten en bonen op hun bord. Het moet daar een erg winderig klooster geweest zijn.
Darwin ten slotte, ontdekte dat zelfs hele soorten evolueren. En zo kan je eindeloos doorgaan.

Toegenomen kennis
Belangrijk is het, te zien dat men ons nooit iets heeft willen wijsmaken. Het is gewoon zo dat de kennis altijd maar groter wordt en oude “inzichten” moeten worden losgelaten.
Speciaal waar het om zaken gaat die behoren tot de zichtbare en meetbare werkelijkheid en die bijgevolg het terrein zijn van de wetenschap.
De Kerk heeft, zoals elk zwaar en log instituut, een hekel aan grote verandering. Ze is echter genoeg rationeel ingesteld om niet te lang de loopgraven in te gaan, maar alles grondig te onderzoeken.
Als ze ons ooit iets heeft “wijsgemaakt”, dan is dat de gedachte dat ze onveranderlijk zou zijn. Dat ze “als een monoliet zegevierend door de eeuwen gaat”, zoals men dat vroeger zei.
Dat is niet waar.
Het behoort juist tot het genie van het christendom dat het alle deugdelijke nieuwe inzichten uiteindelijk omhelst en in zich opneemt.
Precies dáárdoor is de Kerk eeuwig. Sociologisch gesproken dan. Want voor de gelovige is er een andere reden: Christus zelf is haar echte Hoofd.