Heilzame barst – Allerheiligen

Vrijdag 1 november 2019 – Allerheiligen (jaar C)

Op Allerheiligen vieren wij het feest van alle mensen die op een heel eigen maar ook heel radicale manier Jezus hebben nagevolgd in hun leven. Mensen van wie wij zeker kunnen zijn dat zij hun doel bereikten en nu leven bij God.
En daardoor werden ze een voorbeeld voor alle christenen.
Maar hun navolgen van Christus was zo strikt persoonlijk, individueel en uniek dat wij hen niet moeten proberen te kopiëren. Zij moeten ons alleen maar “goesting” doen krijgen om op onze eigen, persoonlijke manier ons geloof radicaler te beleven.
Een kleine jongen kan gefascineerd opkijken naar voetballers als Ronaldo.
Maar als hij zelf een groot voetballer wil worden, moet hij zijn eigen weg vinden. Hij mag niet proberen een kopie, een doorslag van Ronaldo te worden, want dan wordt het niets. Straks komen we daar nog op terug.

Gedenken
Nu eerst iets anders. Mét de jaren hebben wij, de gewone mensen in de Kerk, van Allerheiligen een opstapje gemaakt naar Allerzielen. En gedenken wij twee dagen lang onze eigen dierbaren die overleden zijn. Er zijn weinigen van ons op Allerheiligen nog bezig met de heiligen die officieel door de Kerk als voorbeeld zijn aangewezen. O.K., dat is dan maar zo. “Vox populi, vox Dei”, “de stem van het volk is de stem van God”.
Maar laat ons dan misschien ook eens even kijken naar dat “gedenken” van onze overledenen. Wat bedoelen wij eigenlijk met dat “gedenken?”
Gedenken wij hen zoals wij feiten en gebeurtenissen gedenken die ooit hebben plaatsgevonden, maar die nu zijn afgesloten en alleen nog leven in onze herinnering? Of geloven wij dat onze dierbaren ook echt verder leven, niet alleen in onze herinnering, niet alleen “in ons hart”, maar echt?

Bewust
Christenen geloven in leven na de dood.
In het centrum van ons geloof staat de Verrijzenis van Christus.
Wij geloven dat Jezus, gekruisigd en begraven, leeft bij God. En dat als gevolg van zijn leven, dood en verrijzenis, allen die zich zoals hij openstellen voor de liefde van de Vader, mét hem de dood zullen overwinnen en leven.
Hoe dat leven na de dood eruit ziet weten wij niet. Wij vermoeden dat het een totaal andere wijze van leven zal zijn. Maar hoe het precies zal zijn weten we niet. Wel, dat het een bewust verder leven zal zijn.
De oosterse idee van opgenomen worden in het Al, opgaan in God, zoals een druppel in een oceaan, is heel mooi op het eerste gezicht. Maar een druppel verdwijnt in de zee, lost erin op, houdt op met te bestaan. Terwijl wij geloven dat ons bewustzijn op de een of ander manier verder leeft.
Maar hoe, dat moeten wij helemaal overlaten aan Gods vindingrijkheid. Wij kunnen ons daar zo goed als niets bij voorstellen.

Braaf
Misschien kunnen wij nu toch even teruggaan naar de heiligen die wij vandaag geacht worden te vieren: de mensen die door de Kerk officieel zijn bevestigd als christenen die het geloof op eminente manier hebben beleefd en belichaamd. En die daardoor terecht zijn bij God en een voorbeeld werden voor ons allen. De officiële heiligen dus. De heiligen waar wij kaarsjes voor branden, de heiligen die geacht worden onze “voorsprekers” te zijn en waar nogal wat katholieken al eeuwenlang soms op een meer vertrouwensvolle manier mee omgaan dan met God en met Jezus.
Want God is tenslotte . . . God, en heiligen zijn mensen zoals wij. En dat is juist.
Maar precies dat laatste vergeten wij in de praktijk nogal eens. Wij zetten hen letterlijk en figuurlijk op een piëdestal.
Vandaar dat wij verwonderd opkijken als paus Franciscus (en hij doet dat voortdurend) iedere christen oproept tot heiligheid.
Heilig-zijn lijkt wel heel erg ver van ons bed. Omdat in ons christelijk onderbewustzijn de idee heeft postgevat dat heiligen ook in het echt een soort plaasteren beelden waren, mensen die een stuitende braafheid ten toon spreidden.

The crack
Maar dat is niet zo. Juist de grootste heiligen blijken in werkelijkheid vaak nukkige, dwarsliggende naturen geweest te zijn, met een moeilijk karakter.
Mensen die vaak ook hun hele leven last hadden van de hartstochten die in hen leefden, net zo goed als in ons.
Ze zijn zoals wij. Niets menselijks is hen vreemd.
Maar zij hebben zich wel radicaal opengesteld voor Gods liefde. Zich zodanig voor Hem opengesteld dat Gods liefde meer en meer in hen gestalte kreeg. Van hen uit naar buiten kwam. Onze gebreken moeten ons dus niet afschrikken.
Soms lijkt het er zelfs op dat juist onze gebrokenheid en onze onmacht de ontmoeting met God mogelijk maakt. Dat juist in onze zwakheid en via onze kwetsuren, God bij ons kan binnenkomen.
Omdat juist onze wonden, ons pantser verzwakken. En alleen als ons schild van zelfbehoud barsten vertoont, er plaats is voor overgave. Alleen als er een barst komt ik hét pantser dat wij jarenlang als een monsterlijk koraalrif om ons heen bouwen, kan God binnenkomen. Heiligen gaan vaak heel anders leven na een ernstige ziekte, volledige ontreddering of groot verdriet. Juist in onze grootste ellende vindt de Genade vaak zijn weg. “There is a crack in everything”, zingt Leonard Cohen, “that’s how the light gets in”. In alles komt wel ergens ooit een barst, en juist daardoor komt het licht binnen.

Rationalisme voldoet niet

Zondag 27 oktober 2019, dertigste zondag door het jaar (jaar C)

Een tijdje geleden was ik in het ziekenhuis op bezoek bij iemand die ik niet kende, maar die wel in één van onze parochies woont.
Nadat wij tot ons wederzijds ongenoegen hadden vastgesteld dat hij antikatholiek was en ik pastoor, opende hij meteen het gesprek met een belangrijke mededeling. Ik vernam dat al de mensen die niet deugen op zondag in de kerk zitten. Normaal zeg ik dan: heeft uw grootmoeder dat helemaal alleen gevonden? Maar ik bedacht nog net op tijd dat je niet op ziekenbezoek gaat om een potje ruzie te maken met een patiënt.
Maar inderdaad, vroeger, 50, 60 jaar geleden werd dat nogal eens gezegd. En in zekere zin terecht, gewoon omdat iedereen toen in de kerk zat. Omdat zowat iedereen katholiek was, had de kerk een enorm aanzien en een sterke aantrekkingskracht. En was de zondagsmis de place to be als je zelf ook “iemand wilde zijn” in de gemeenschap. En dat maakte natuurlijk dat ook minder nobele heerschappen zich vromer voordeden dan ze waren. Farizeeërs noemde men hen. En mensen die het geloof niet erg genegen zijn hebben soms weinig moeite om die titel te plakken op elke kerkganger. Ook nu nog.
Diezelfde onvriendelijke generalisering werd vroeger ook toegepast op de echte farizeeërs. Het woord is daardoor een begrip geworden. Terwijl de echte farizeeërs in Jezus’ tijd doorgaans juist heel voortreffelijke mensen waren die voorbeeldig leefden.

Zelfvoldaan
Jezus heeft dan ook niets tegen hun manier van leven, maar wel tegen de houding die sommige voortreffelijk levende mensen soms aannemen tegenover God. Ook wij. Een houding die getuigt van een zekere zelfvoldaanheid, van een nogal opgetogen zijn over jezelf. Je zegt het dan wel niet op de manier van de farizeeër in het verhaal, lachwekkend en stuitend tegelijk. Maar ondertussen zit je wel fijntjes te denken dat God blij mag zijn dat Hij je heeft.
De enige houding echter die passend is als je voor God staat, is er een van volstrekte nederigheid. En je moet daar echt niet veel moeite voor doen.
Als je bidt en je beseft dat je voor God staat, als het echt tot je doordringt wie het is die je voor je hebt, dan zal elke neiging om op te scheppen over de eigen kwaliteiten je helemaal vergaan.
Sterker nog, als je, staande voor God, meent jezelf te moeten aanprijzen, dan is dat een duidelijk bewijs dat je totaal niet beseft wie God is. Omdat je Hem dan behandelt als een chef-de-bureau, bij wie je een wit voetje wil halen. Een nog grotere onwetendheid in de zaken van God is nauwelijks denkbaar. God kent ons beter dan wij onszelf kennen. Hij moet niet overtuigd worden van onze verdiensten en kwaliteiten. Hij kent die. Maar Hij wil ons juist helpen met al het andere.
Graag was ik vandaag ook nog even teruggekomen op die wonderen en mirakelen, waar we het vorige week over gehad hebben.
De verrijzenis van Christus is de kern van ons geloof.
Welnu, de verrijzenis van iemand die dood was, is in ieder geval iets wat wij met ons verstand en onze wetenschap niet kunnen bevestigen of zelfs maar begrijpen. Integendeel, ons verstand zal dat eerder willen ontkennen.
Wanneer christenen niettemin toch geloven in de Verrijzenis, dan wil dat zeggen dat zij geloven, en af en toe ook ervaren, dat het leven een diepte, een dimensie (of hoe je het ook wil noemen) heeft waar wij met ons verstand niet kunnen in doordringen. Waar ons verstand zelfs geen weet van heeft en waarvan het het bestaan spontaan wil negeren.
Maar eens dat je gelooft in Jezus’ verrijzenis, is het logisch dat je ook minder moeite hebt met andere uitingen van die geheimzinnige diepte van de werkelijkheid, die aan rationele verklaringen ontsnapt. Dat je minder moeite hebt met wonderen die regelmatig gerapporteerd worden in de Bijbel, maar ook in onze tijd.

Bevooroordeeld
Maar als er dan zo’n wonder gemeld wordt, zoals onlangs nog met dat ophefmakende Eucharistisch mirakel in Polen, dan krijg je heel merkwaardige reacties. En daar is het mij vandaag om te doen. Niet om hier te bevestigen of te ontkennen dat “het echt is of niet”. Dat weet ik niet, daarvoor moeten wij wachten op verder onderzoek. Maar wat mij vandaag speciaal fascineert zijn de reacties op zo’n bericht.
Gelovigen reageren daar geïnteresseerd en nieuwsgierig op, eerbiedig ook en met bepaalde verwachtingen. Maar toch ook met een zekere reserve: geknoei en gefoefel kan nooit op voorhand uitgesloten worden. (Denk aan de vele “wenende madonna’s”).
De echt angstige reacties komen uitgerekend vanuit de rationele, wetenschappelijke hoek. Niet van elke wetenschapper natuurlijk. Er zijn wetenschappers die onbevooroordeeld de fenomenen onderzoeken. Maar er zijn er ook heel wat die, ondanks de uitdrukkelijke vraag van de Kerk, de fenomenen zelfs niet willen onderzoeken: het KAN en het MAG immers niet waar zijn. Het MOET bedrog zijn.
En dat is grappig. Want als morgen blijkt dat het gaat om bedrog, dan vind ik dat als katholiek jammer, maar dat doet niets af aan mijn geloof. Maar als een rationalist morgen niet anders kan dan aannemen dat er nog wat anders bestaat dan datgene wat zijn verstand kan begrijpen, dan stort zijn wereld in.
En dat is dan tragisch en komisch tegelijk.
Want zij zeggen altijd dat gelovigen angstige mensen zijn.

Hopen op een wonder

Zondag 20 oktober 2019, negenentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

In het evangelie van vandaag worden weer twee markante figuren tegenover elkaar geplaatst. Aan de ene kant een erg cynische rechter, die het niet direct als zijn roeping ziet om de mensen op een eerlijke manier recht te verschaffen. En aan de andere kant een weduwe, die zich door de nukkigheid van de rechter niet uit het veld laat slaan. En die blijft aandringen, net zolang tot ze gehoord en in het gelijk gesteld wordt.
Die twee figuren en hun verhaal zijn alleen maar decor. Wat Jezus ons duidelijk wil maken is dat als wij een gerechtvaardigd verlangen hebben, dat wij dat dan in gebed voor God moeten brengen. En dat wij, zoals de weduwe in het verhaal, ons niet uit het veld mogen laten slaan als ons gebed niet onmiddellijk verhoord wordt. Dat wij moeten blijven aandringen, te pas en te onpas.
Dat wij . . . geduld moeten hebben met God en niet opgeven. Dat wij de hemel moeten blijven bestormen, net zolang tot we verhoord worden.

Oplossing?
Impliciet zegt Jezus hier dat we altijd verhoord worden. Misschien op een heel andere manier dan we hadden gedacht of gehoopt, maar dat we hoe dan ook verhoord worden. Als we tenminste blijven bidden.
En dat is dan meteen ook het klassieke antwoord op de vraag: hoe komt het dan dat wij zo vaak de indruk hebben dat ons vragen, ons smeken zelfs, vaak niet verhoord wordt? Het antwoord is: God verhoort ons altijd, maar dan wel op zijn manier, op de manier die Hij het best vindt voor ons. Dat is het klassieke antwoord. En dat doet natuurlijk erg denken aan wat we tijdens onze opvoeding zo vaak te horen kregen: “Papa en mama weten het best wat goed voor je is”. En dus voldoet dat antwoord ons ook niet echt. Wij zijn ondertussen volwassen mensen geworden en echt voldaan zijn we pas als op een concrete vraag, een concreet antwoord komt. En dus zijn de theologen zich ernstig met dit probleem gaan bezighouden en ze zijn in onze tijd met de volgende oplossing gekomen.
God, zeggen ze, verandert niet de wereld, maar Hij verandert mensen.
En mensen veranderen de wereld.

Focus verleggen
Daar steekt ongetwijfeld waarheid in.
Geen enkele mens die bidt zal dit ontkennen. Heel vaak gaat ons probleem, wanneer wij bidden, zich oplossen doordat wij er heel anders naar beginnen te kijken. Of, eveneens als gevolg van ons gebed, wij zelf wegen gaan vinden om het probleem op te lossen.
Strikt genomen heeft God dan de werkelijkheid, de situatie niet veranderd en toch is het probleem verdwenen.
Om nu zeker niet de indruk te wekken dat gebed je slimmer of handiger maakt, je vaardigheden aanscherpt, je meer bekwaam maakt om moeilijkheden aan te kunnen, wil ik er onmiddellijk bij vertellen dat dit niet zo is. Wat gebed wel doet, is je kijk op de situatie veranderen.
Hoe échter je gebed, hoe dichter je bij God komt en hoe meer je “besmet” raakt door de liefde die van God uitgaat. En dat gaat dan weer maken dat je de focus verlegt, weg van jezelf.
Terwijl je bidt, ga je jezelf minder en minder zien als het centrum van de kosmos, waardoor je ook objectiever kunt kijken naar het probleem.
En daardoor alleen al kun je dichter bij een oplossing komen.

Ervaren
Wij mogen dat element zeker niet onderschatten. Wij hebben immers nogal wat problemen die veroorzaakt, in stand gehouden of versterkt worden doordat wij zowat alles in verband brengen met ons eigen heilige “Ik”. Wanneer wij dat “Ik” wat kunnen relativeren, klaart al veel op.
Maar bidden en het gevolg ervan is natuurlijk meer dan een psychologische truc.
Wanneer wij bidden, gaan wij ongewapend voor God staan. Dan stellen wij ons helemaal open voor wat Hij ons te zeggen heeft. En wij geloven dat God dan ook werkelijk spreekt in ons hart. Ook al weten wij dat onze psyche ingewikkeld werkt en soms spelletjes met ons speelt. Maar hoe échter ons gebed, hoe dichter wij bij God komen, hoe meer wij zullen ervaren dat Hij er is, dat Hij ons draagt en dat Hij soms ook echt tot ons spreekt.

God inperken
Aan dit alles wil ik echter nog iets toevoegen.
Vele hedendaagse theologen vatten alles, zoals gezegd, samen met de slogan: “God verandert de wereld niet. God verandert de mensen en mensen veranderen de wereld”. En dat is natuurlijk waar, dat probeerde ik zojuist ook onder woorden te brengen. Maar het is niet volledig. De theologen die zich daarachter verschansen, willen God eigenlijk inperken. God mag alleen maar ingrijpen in ons hoofd. Maar niet fysiek. Geen wonderen of mirakelen dus.
Ik vind dat kinderachtig. Wij beweren voortdurend dat God ons volledig overstijgt, dat wij Hem nooit helemaal met onze rede kunnen vatten.
Maar als het gaat over zijn ingrijpen in ons leven, zullen wij eens gaan vertellen wat Hij mag en kan en wat niet. Is dat niet een beetje zielig? Want wat is dat anders dan God in ons beperkte kader willen wringen?
Geloven in de mogelijkheid van een wonderbaarlijk ingrijpen van God behoort wezenlijk tot ons geloof. Ook fysiek ingrijpen.
Hou dus elke mogelijkheid open. Blijf bidden.
En blijf vertrouwensvol uitkijken naar wat Hij gaat doen.

Over (on)dankbaarheid

Zondag 13 oktober 2019, achtentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

In het evangelie over de genezing van tien melaatsen lijkt het vooral te gaan over een verbazingwekkende machtsdaad van Jezus. Over een spectaculaire genezing van tien afschuwelijk verminkte en ongeneeslijk zieke mensen.
En dat is natuurlijk ook zo. Maar de pointe van het verhaal ligt elders.
Eigenlijk is het een verhaal over dankbaarheid en ondankbaarheid. Een verhaal over hoe vaak wij alle redenen hebben om dankbaar te zijn en hoe dikwijls wij het vertikken om dankbaarheid te tonen. Niet het minst omdat wij de goedheid die ons betoond wordt vanzelfsprekend vinden. Omdat wij er ons soms niet eens echt van bewust zijn dat er reden is om erkentelijk te zijn.
Of zelfs omdat wij het vernederend vinden om dankbaar en erkentelijk te zijn. Omdat wij menen dat wij daardoor erkennen dat wij anderen nodig hebben en wij dat geen fijn gevoel vinden.

Wanhoop
Heel anders is het met ons gesteld op het moment dat we noodgedwongen op anderen aangewezen zijn. Als wij dringend geholpen moeten worden. Momenten waarop onze toekomst helemaal afgesneden is, als we geen licht meer zien, geen enkele hoop meer hebben dat wij onszelf nog kunnen redden.
Op zo’n moment is alle hulp welkom. In zo’n situatie ga je niet meer zorgvuldig afwegen of het wel de gepaste hulp is en of de hulpverlener wel de aangewezen persoon is.
In een dergelijke situatie van wanhoop schreeuw je gewoon om hulp en is elk verlossend gebaar welkom, om het even van wie het komt.
Geloofden de melaatsen in Jezus? Geloofden ze in God? Dat heeft in de gegeven situatie weinig belang. Ze waren wanhopig. En ze hadden gehoord dat Jezus geweldige dingen deed. En dat was genoeg om elk ongeloof, elk mogelijk vooroordeel, om elke reserve opzij te zetten.
Mensen die zweren bij de traditionele, de klassieke geneeskunde komen soms in zo’n situatie terecht. De dokter kan geen enkele hoop meer geven, de wetenschap is aan het eind van haar latijn. En dan zie je soms hoe zo’n mensen zich, tegen hun eigen overtuigingen in, toch wenden tot alternatieve geneeswijzen. “Baat het niet, dan schaadt het niet”. En wie zou hun daarbij ongelijk durven geven?

Erg
Als mensen wanhopig zijn, als ze hevige pijnen lijden, als ze angst hebben om te sterven, dan grijpen ze wanhopig naar elke mogelijkheid van hulp.
Als de paniek toeslaat, maakt het absoluut niet meer uit wie mij helpt en hoe ik geholpen wordt, áls ik maar geholpen wordt. En dat is heel normaal en menselijk en helemaal niet erg. Erg wordt het pas als, nadat het gevaar geweken is of de ziekte overwonnen, ik terug doe alsof het allemaal niets bijzonders is, of ik eigenlijk alles alleen maar aan mijzelf te danken heb. Als ik, na geholpen of zelfs echt gered te zijn, het helemaal niet nodig vind om merci te zeggen. Omdat ik dankbaar zijn, vernederend vind, mij daar te groot voor voel. Erg is dat. Erg, niet alleen omdat ik mij daardoor van mijn ongecultiveerde kant laat zien. Maar erg, vooral omdat daardoor goede en hulp biedende mensen kunnen dichtklappen en besluiten in ’t vervolg twee keer na te denken alvorens iemand nog te helpen.

Dankbaar
Zusters en broers, omwille van de lezing van vandaag had ik het over extreme vormen van ondankbaarheid. Maar je kan de kwestie ook helemaal anders benaderen. En eens rustig nagaan bij jezelf hoe ongelooflijk veel redenen wij hebben om dankbaar in het leven te staan. Gewoon omdat het leven, ondanks alles, mooi en levenswaard is.
Er is zoveel schoonheid en vreugde in het leven, er zijn zoveel redenen om dankbaar te zijn. Er is zeker, wie zou het ontkennen, de neiging om God vooral te zien als een praatpaal aan wie wij onze nood kwijtraken.
Maar soms zeggen mensen ook dat ze blij zijn dat er een God is omdat ze anders met hun vreugde en hun dankbaarheid geen blijf zouden weten. Denk aan een van de grootste wonderen die een mens kan meemaken: de geboorte van een kindje. Je wordt gewoon overrompeld door gevoelens van geluk, je zou de hele wereld willen omhelzen. En je bent God of het leven of desnoods de kosmos oneindig erkentelijk, want je weet heel zeker: ik zit hier biologisch wel voor iets tussen, maar het is wezenlijk een geschenk. Dit heb ik niet zelf gepresteerd. Misschien zelfs niet eens verdiend.

Gelukkig
Maar ook in minder extatische momenten kunnen die gevoelens opborrelen.
Op een dag zit je gewoon in de wagen, de zon schijnt, de radio staat aan, het werk zit erop. En ineens is er die verwondering, die dankbaarheid ook. Gewoon al omdat er zoiets als een wagen en een radio bestaat. Herken je dat? Dankbaar omdat de zon schijnt, omdat er liedjes zijn, en zangers en goed onderhouden wegen.
Dat is allemaal niet aan mij te danken en toch mag ik ervan genieten . . .
Dankbaar ook omdat er een beenhouwer is (ik moet dus zelf niet op jacht) en een bakker die ervoor zorgt dat er straks brood is en taart. En goeie buren.
En mijn hond. Goddank, dat ik vrienden heb en familie. En een huis en een bed. En zo kan je eindeloos doorgaan. Misschien is dat wel de voornaamste weg naar gelukkig zijn. Af en toe rustig nagaan hoeveel redenen je hebt om dankbaar te zijn. Beseffen dat bijna alles wat je gelukkig maakt niet van jezelf komt, maar van anderen. Als een geschenk.
En dat beseffen maakt je nog meer dankbaar. En gelukkig.

Geloven leert zien

Zondag 6 oktober 2019, zevenentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

“Als je maar genoeg geloof had”, zegt Jezus, “dan zou je tot die moerbeiboom zeggen: ‘Plant je in zee’, en hij zou het doen”.
Heeft geloof dan toch iets met magie te maken? En is iemand die heel sterk gelooft – een heilige zeg maar – een soort Harry Potter, iemand die kan toveren? Laten we niet te vlug zijn met ons antwoord op die vraag.
Wat we in ieder geval meteen al kunnen zeggen, is dat Jezus duidelijk een enorme kracht toekent aan het geloof. En dan meer bepaald aan religieus geloof. Want dat geloof binnen het gewone dagelijkse leven, geloof in een project of geloof in jezelf, je al een heel eind vooruit helpt, is voor iedereen duidelijk. Maar geldt dit ook voor religieus geloof? Wat is trouwens “religieus”?

Diepte
Laten we eens kijken naar wat we bedoelen met een “religieuze ervaring”.
Het is een eerder zeldzame en ook kostbare ervaring, maar ik denk dat ieder van ons dat al minstens één keer in zijn leven heeft meegemaakt.
Ineens en meestal totaal onverwacht, is het er. Het lijkt erop of je ogen ineens met een klik op scherp worden gesteld. Heel de omringende werkelijkheid verandert. Eigenlijk verandert ze helemaal niet. Maar je ziet ze anders.
Ineens blijkt ze een diepte en een samenhang te bezitten die je voorheen niet eens vermoedde.
Het gras is groener, de ingeademde lucht opwindender en zelfs je ergste vijand blijkt één grote schreeuw naar liefde en genegenheid te zijn. Eén klein momentje heb je een volmaakt inzicht in alles. Alles hangt ook samen. Alles is één. En je bent volmaakt gelukkig. Eén klein momentje slechts heeft het geduurd en daarna ben je terug in de “gewone werkelijkheid”. Maar je weet heel zeker dat je heel even de echte werkelijkheid hebt gezien.

Samenhang
Zo’n religieuze ervaring is niet het gevolg van het geloof. Ook mensen die helemaal niet religieus zijn, doen soms zo’n ervaring op. Maar zo’n ervaring is wel vaak de oorzaak van geloof. Een uitnodiging tot verdieping.
Rationeel denken en wetenschap hebben ons leven met oneindig veel goeie dingen verrijkt. Maar terwijl ze de wereld in kaart brachten, hebben ze ook diezelfde wereld haar diepte ontnomen.
Alles lijkt een beetje dichtgeslibd en grijs geworden.
En terwijl de massa steeds meer onverschillig wordt t.a.v. geloof, wordt datzelfde geloof door velen herontdekt als de deur naar de echte werkelijkheid, achter de zichtbare en bestudeerbare werkelijkheid.
En dat is dan het eerste domein waar de kracht van het geloof zich laat kennen. In het vermogen namelijk om door te dringen in de diepte van de ons omringende werkelijkheid, door te dringen in het mysterie achter wat zichtbaar is. Om iets beginnen te vermoeden van de samenhang en de betekenis van de dingen die, wetenschappelijk gezien, geen enkele samenhang of betekenis hebben.

Vrijheid
Maar daarnaast laat geloof ons ook (en vooral) de waarheid over onszelf zien. Geloof stelt ons in staat en geeft ons de moed om naar onszelf te kijken zoals we werkelijk zijn. Inderdaad: de moed.
Want wat je te zien krijgt als je met de ogen van het geloof naar jezelf durft kijken, is niet prettig. En daarvoor heb je Gods hulp meer dan nodig.
Want je ziet dan met een ontstellende klaarheid, dat je vermeende vrijheid in werkelijkheid afhankelijkheid is. En je vermeende waarheid, waar je prat op gaat, een leugen.
Je ziet dat vrij worden niet betekent: vrij zijn om alles te doen wat je wil, vrij zijn van belemmeringen, vrij zijn van wetten en regels, vrij van mensen, vrij van God. Maar dat echt vrij worden betekent: loskomen van jezelf, van je nukken en grillen, van je onverzadigbare verlangens. Vrij worden van de leugen dat alles in de wereld alleen maar om mijzelf draait. (Bonhoeffer).
Alle grote christelijke meesters wijzen in dezelfde richting. Vrijheid betekent: jezelf in de hand hebben. En dat is precies het tegenovergestelde van de populaire opvatting over vrijheid, namelijk: jezelf altijd maar “involgen”.
Elke goesting, elke bevlieging, elke drang involgen.
Want dat is, zo leert je het geloof, juist slaaf zijn. Slaaf zijn van jezelf.
Echt vrij ben je pas als je die dingen onder controle hebt.

Meester
Vrij ben je pas als je meester bent over jezelf. Als je bijvoorbeeld je mondmitraillette in toom kan houden, als je opkomende driftbuien in het gareel kan houden, en je meester blijft over je misplaatste neigingen (gulzigheid, jaloezie, geldingsdrang enz.). Als je daar meester over blijft, dan ben je vrij. En juist niet als je aan die dingen toegeeft. Dan ben je slaaf.
Dat zijn de twee voornaamste dingen die het geloof je leert. Kijken doorheen de oppervlakte en de schijn. Oog krijgen voor de diepte van de ons omringende werkelijkheid en kijken naar onszelf zoals we werkelijk zijn.
“Als je dat doet”, zegt Jezus, “dan gebeuren er onvoorstelbare dingen”. Dan kan je tot die moerbeiboom zeggen: “Plant je in zee”. En hij zal het doen.

Geld

Zondag 29 september 2019, zesentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

Vorige week hebben we het er al over gehad dat het christelijk geloof een neutrale houding aanneemt t.a.v. het fenomeen geld. Geld is gewoon een betaalmiddel. En het maakt op een voortreffelijke manier het gesleur en gesjouw van de vroegere ruilhandel overbodig.
Maar voorzichtigheid is wel geboden. Geld, rijkdom en bezit kunnen blijkbaar heel gemakkelijk een hartstocht worden. En nogal wat mensen verheffen geld tot god. D.w.z. dat zij er werkelijk door gefascineerd zijn, er alles van verwachten, er al hun vertrouwen in stellen. En dan wordt de jacht op geld een nietsontziende hartstocht, die soms letterlijk over lijken gaat.

Nuttig
Maar ons geloof heeft zeker geen moeite met geld of welstand op zich.
Sommige strekkingen binnen het christendom spreken er zich zelfs expliciet voor uit. Het calvinisme bijvoorbeeld, ziet in welstand een duidelijk teken dat God je goedgezind is en je zegent.
Nogal wat onderzoekers situeren dan ook bij de komst van het calvinisme het ontstaan van het kapitalisme.
Zeker is in ieder geval dat in de 17de eeuw een onbetekenend landje als Nederland, onder invloed van het calvinisme op korte tijd uitgroeide tot de eerste handelsnatie ter wereld. Wat welstand bracht aan heel veel mensen.
Denk bij ons, katholieken, aan de ontelbare congregaties en bewegingen van zusters en paters, die de eeuwen door, reusachtige fortuinen verzamelden.
Niet om zelf een luxeleven te leiden, maar om scholen en ziekenhuizen op te richten en om allerlei nutsvoorzieningen te financieren.
Je kan dus met geld heel veel nuttige dingen doen. En je kan met je geld vooral ook goed doen voor mensen die het minder breed hebben dan jij.
Het mag bovendien gerust ook eens met zoveel woorden gezegd worden dat er ook in onze tijd nogal wat rijke mensen zijn die aanzienlijk veel geld overmaken aan hulporganisaties en stichtingen. Stichtingen die op een heel professionele wijze geleid worden en het leven van minderbemiddelde mensen gezonder, gemakkelijker en aangenamer maken.
Tegenwoordig hebben trouwens ook de meer linkse mensen onder ons zich verzoend met de vrije markteconomie en het privébezit. Ze blijven alert voor overdrijvingen en misbruiken, maar zowat iedereen erkent momenteel de voordelen van privéondernemerschap boven de rompslomp van staatsmonopolies.

Onzinnig
Geld, bezit en vermogen zijn dus helemaal niet vies op zich. Integendeel.
Het enige waar we moeten voor oppassen is dat geld geen hartstocht wordt. Misschien klinkt dat een beetje melig.
Maar wie zou durven ontkennen dat er van geld inderdaad een zeer geheimzinnige aantrekkingskracht uitgaat? Geld verleidt.
Het lijkt wel of het bemind wil worden om zichzelf. Dat het over een soort magisch vermogen beschikt om mensen tot . . . liefdesslaaf te maken.
Iedereen kent het verschijnsel: vele mensen die al veel geld hebben willen altijd maar meer. Hoe meer ze hebben, hoe meer ze er bij willen. En toch . . .
Warren Buffett, één van de allerrijkste mensen van de wereld, die zegt daarover dat zijn verstand daar niet bij kan.
“Niets is zo dom en onbegrijpelijk”, zegt hij, “dan als je al rijk bent, altijd nog rijker willen worden. Dat is toch onzinnig. Zelf blijf ik werken omwille van het pure plezier van het ondernemerschap. Maar nog rijker willen worden als je al rijk bent, dat is toch complete onzin”.
Tot zover Warren Buffett.

Obsessie
Jezus spreekt zich over zulke zaken niet direct uit.
Waar hij wel voor waarschuwt en heel duidelijk gevaar in ziet, is dat hartstocht voor geld heel vaak gepaard gaat met toenemende hardvochtigheid.
Hoe groter de liefde voor het geld, hoe groter de onverschilligheid wordt voor de andere mensen.
Hoe meer rijkdom en bezit een dwanggedachte worden, hoe meer de gevoelloosheid voor de armoede en het leed van anderen toeneemt.
Wanneer geld een obsessie wordt, werkt het heel destructief. Vernietigend voor anderen, maar uiteindelijk ook vernietigend voor onszelf.
Als geld god wordt, dan drogen de levenssappen op. De harten verdorren, vriendschappen doven uit, relaties gaan stuk. Dan wordt de aarde weer woest en leeg. En terwijl wij denken alles te winnen, ontglipt ons het leven zelf, als zand tussen onze vingers.
Want de geldgod is een jaloerse god. Hij eist ons helemaal op, duldt niets of niemand naast zich. Geen mens en ook geen God.
Alle hoop, alle verwachtingen die wij normaal stellen op de echte God, eist deze namaak-god op voor zichzelf. Maar hij blijkt een aartsbedrieger te zijn.

Volheid van leven
Hij is een namaak-god die niets vermag tegen onze ultieme vijand: de dood.
Integendeel, hij brengt de dood zelfs binnen in ons leven. Waar hij heerst, sterft alles af.
Het enige tegengif tegen deze geldgod is de God van Jezus.
Een God die staat voor liefde en warmte, voor bevrijding en volheid van leven.
Volheid van leven voor onszelf en volheid van leven voor de mensen rondom ons.

Over gOD met een kleine “g”

Zondag 22 september 2019, vijfentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

Dit evangelie zit je eigenlijk niet lekker. Het lijkt er immers op dat Jezus hier een man tot voorbeeld stelt die niet alleen het geld van zijn meester verkwist heeft, maar hem dan ook nog eens op de koop toe een tweede keer bedriegt door valse schuldbekentenissen te bezorgen aan hen die bij zijn baas in het krijt stonden. Maar dat lijkt alleen maar zo.
In het Israël van die tijd golden i.v.m. rentmeesterschap nogal wat merkwaardige regels. Ik heb dat ook nu pas gelezen en ik ga u in ieder geval de uitleg besparen.
Maar misschien kunt u gewoon van me aannemen dat de zogenaamde “onrechtvaardige rentmeester” alleen zijn eigen loon verkwist had. En dat hij, toen hij in nauwe schoentjes kwam te staan en zijn betrekking dreigde te verliezen, een regeling trof die wel nadelig was voor hem, maar anderzijds zijn toekomst veilig stelde. En waarbij niemand anders enig nadeel ondervond. Jezus prijst hier bijgevolg niet één of andere slinkse praktijk van een nogal louche heerschap, maar het feit dat deze weinig achtenswaardige man, die in een crisissituatie belandt, met overleg tewerk gaat en een oplossing uitdoktert waar alle partijen kunnen mee leven.
Nu deze kleine moeilijkheid hopelijk op enigszins bevredigende wijze opgelost is, kunnen we overgaan tot het serieuzere werk.

Nieuwe religie
Wat bedoelde Jezus met de “onrechtvaardige Mammon”? Is geld dan slecht op zich? Natuurlijk niet. Geld is gewoon een betaalmiddel dat de uitwisseling van goederen en diensten vergemakkelijkt en de omslachtige ruilhandel overbodig maakt. Geld op zich is neutraal: je kan er ook voortreffelijke dingen mee doen, je kan geld op een heel evangelische manier besteden.
“Mammon” is trouwens een woord dat niet slaat op geld zelf. Mammon is het tot god verheven geld. En dat is iets heel anders.
Wat betekent dat woord “god” overigens?
Eigenlijk betekent het woord “god” niets anders dan: diegene of datgene waar ik heel mijn hoop op stel, waar ik alles van verwacht, waar ik helemaal op vertrouw.
Voor nogal wat mensen is dat gewoon geld. En dus is geld hun god.
Ook al zijn ze er zich vaak niet van bewust of zullen ze beweren dat ze helemaal niet godsdienstig zijn. De geldgod is bovendien een hele jaloerse god, hij duldt geen andere god naast zich. En hoe meer het vertrouwen in de geldgod groeit, hoe meer zijn aanhangers zich afkeren van elke andere vorm van godsdienst.
En wie zou durven ontkennen dat de aanbidding van de Mammon—zij het dan onofficieel—de grootste godsdienst in het rijke westen geworden is?
Dat, zoals iemand mij onlangs nog zei, de Westerse mens nog nooit zo godsdienstig geweest is als vandaag.
Alleen is de verering van de Bijbelse God vervangen door de aanbidding van het geld.

Pijnlijk
Het is een uitspraak die ons erg onrustig maakt en korzelig, ons zelfs ronduit kwaad maakt. Wij willen dat niet geweten hebben. Wij willen dat niet horen. Wij kunnen het zo moeilijk onder ogen zien dat wij westerlingen, christenen en ex-christenen, sinds de komst van welvaart en rijkdom, de God van Jezus tenminste gedeeltelijk geruild hebben voor de god van het geld.
En persoonlijk denk ik zelfs dat daar de reden ligt waarom christenen zich zo weinig weerbaar opstellen tegenover al de antigodsdienstige bagger die wij dagelijks over ons heen krijgen. Dat dát de reden is waarom de media, die alleen maar negatief “nieuws” brengen over het geloof en politici die dat geloof gewoon willen afschaffen, zo weinig tegenspraak ondervinden. Ik denk: omdat zij een soort verontschuldigende functie vervullen.
Hun voortdurende kritiek geeft mensen het geruststellende gevoel dat ze toch niet helemaal fout zijn als ze hun boontjes niet meer voor 100% bij het christelijke geloof te weken leggen. Als ze niet doen wat het geloof van hen vraagt, en ze op de eerste plaats voor zichzelf aan het zorgen zijn.

En wij?
Zusters en broers, ik kom ook niet van een andere planeet. Ook ik draai mee in onze maatschappij en wat ik zeg tegen u, zeg ik ook tegen mezelf. Omdat het evenzeer geldt voor mij als voor u.
O.K., stel dat de geldgod een beeld zou hebben in een tempel, dan gaan wij hem daar zeker niet de ganse dag op de aarde uitgestrekt aanbidden.
Maar we gaan er wel kaarsjes branden.
Denk aan de definitie van daarstraks: onze god dat is diegene of datgene waar wij al ons vertrouwen in stellen, al onze hoop op veiligheid en geborgenheid, waar al onze verwachtingen, al ons uitzien naar geluk op gericht staan.
Is dat voor ons de God van Jezus, of is dat toch ook niet, of misschien zelfs vooral, de god van het geld?
Voor Jezus is geld niet vies op zich. Geld dient niet noodzakelijk alleen maar om te voldoen aan onze onverzadigbare eigen verlangens. Je kan er ook goed mee doen. Je kan er ook mensen mee helpen, je kan er hongerigen mee voeden en armen een duw mee geven. Je kan er prachtige initiatieven mee steunen en vriendschap en vrede mee bewerken.
Dat is wat Jezus zegt: “Het geld van de onrechtvaardige Mammon, dat oorzaak is van zo onnoemelijk veel kwaad, je kan daar ook veel goed mee doen”.
“Doe dat dan”, zegt Jezus.

Dat andere spijt

Zondag 15 september 2019, vierentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

Het verhaal van de Verloren Zoon is zo gekend, zit zo sterk in ons collectieve geheugen gebeiteld, dat het een stuk van onze cultuur geworden is.
Het heeft dan ook weinig zin om in een preek voor de zoveelste keer de voortreffelijkheid te prijzen van de jongste zoon, die, hoewel hij van zijn leven een puinhoop had gemaakt, uiteindelijk toch tot inkeer kwam en gered werd.
Terwijl de oudste zoon zich helemaal vastgereden had in een mengeling van eigen gelijk en heimelijke jaloezie. We hebben dat immers al zo vaak gehoord.
Wat anderzijds niet genoeg kan verteld, bezongen en met dankbaarheid overdacht worden, is dat God een barmhartige Vader is, dat je bij Hem altijd vergeving krijgt als je spijt hebt over wat je misdaan hebt. Hoe zwaar je misdaad ook was.

Jongeren
Ik probeer dát altijd mee te geven aan kinderen en aan jongeren telkens als ik contact met hen heb via schoolmissen, communies en catechese.
Ik vind dat enorm belangrijk.
Velen van hen verliezen met de tijd het contact met Kerk en geloof.
Sommigen van hen zullen al zeer vroeg foute keuzes maken in hun zoeken naar geluk. En ze zullen ondervinden dat de wereld onbarmhartig hard voor hen is.
Sommigen zullen stormlopen tegen muren, tot hun dromen helemaal in flarden liggen. Anderen zullen langzaam wegzinken in berusting en apathie. Of wegvluchten in het roezen, met alle gevolgen van dien: stigma van onbetrouwbaarheid, kapotte relaties, stelen zelfs.
Het is van ongelooflijk groot belang dat als iedereen je mijdt, niemand nog contact met je wil, dat als iedereen je je fouten maar blijft nadragen en maar blijft herhalen dat het alleen maar je eigen schuld is, dat je je dan herinnert dat er toch één iemand is die je wil vergeven, die je vanuit een onvoorwaardelijke liefde wil vergeven. Iemand die al je fouten kent, maar die al zolang op je wacht om je in zijn armen te sluiten en te zeggen: “Welkom thuis, mijn kind”.

Geschenk
Misschien is dat wel de belangrijkste boodschap van het geloof voor onze maatschappij van vandaag. Een maatschappij die zeer snel aan het verruwen is en die geneigd is om heel haar heil te zoeken in “meer blauw op straat”, meer politie en strengere straffen. Christenen zijn ervan overtuigd dat straffen nodig zijn, maar ook dat straf altijd moet gevolgd worden door vergeving en heling. Maar daar kan de staat niet voor zorgen. Dat is onze persoonlijke verantwoordelijkheid, de verantwoordelijkheid van de burgers.
Wij moeten onze nek durven uitsteken en mensen nabij zijn die door velen met de nek worden aangekeken omwille van vroegere fouten. Als er iets uniek christelijks is, dan is het wel die eis van Christus om te vergeven. Een eis die voortvloeit uit de overtuiging dat God zelf vergevend en barmhartig is.
Die opvatting en die eis zijn misschien wel het grootste geschenk van het christendom aan de mensheid. In een maatschappij die achter de breed lachende welvaartsfaçade mét de dag harder wordt en hartvochtiger, mogen wij onze mensen dat christelijk geschenk niet onthouden.

Tragisch
Er is echter nog een ander en even dramatisch fenomeen in dit verband dat onze aandacht verdient en op heling wacht.
Tegenwoordig kom je nogal wat ouder wordende mensen tegen die spijt hebben over wat ze met hun leven gedaan hebben. Maar dan niet zozeer spijt omwille van allerlei foute dingen die ze zouden gedaan hebben. Maar spijt omdat ze, bij wijze van spreken, die foute dingen juist niet gedaan hebben.
Spijt omdat ze de indruk hebben te hard gewerkt en te braaf geleefd hebben en daardoor nu het gevoel hebben helemaal niet geleefd te hebben.
Ik vind dat niet gewoon maar jammer. Het doet me altijd echt heel veel pijn als ik iemand zo hoor praten. Ik vind het verschrikkelijk. Maar je kan wel raden hoe dat komt. Wij worden voortdurend geconfronteerd met fakeopvattingen over wat een geslaagd leven is: een leven dat bol staat van succes en macht en geld en seks en luxe en verre reizen. De media houden ons dat beeld voor, misschien zelfs ongewild. Het zijn misschien wij die dat veel te serieus nemen.
Op dezelfde manier is er momenteel die gekte onder jongeren om op de sociale media selfies rond te sturen met daarop de juiste looks en lichaamsmaten. Waardoor velen van hen doodongelukkig worden om hun uiterlijk en de weg vinden naar plastische chirurgie. Terwijl dat toch nergens voor nodig is.

Heling
Wij laten ons veel te veel opjagen door al dat nepgedoe. Of je leven al dan niet geslaagd is, hangt niet af van de vorm van je rechterneusvleugel en ook niet van de vraag of je elke week op tv komt of niet.
Of je leven geslaagd is of niet, weet jijzelf beter dan wie ook als je het gewoon rustig overloopt en je niet laat overdonderen door de gebakken lucht die overal verkocht wordt. Het is toch zo jammer dat zoveel mensen lijden onder al dat nietszeggend getoet en geblaas. Mensen die in hun leven gewerkt hebben voor hun gezin, die hielden van hun man, hun vrouw en van hun kinderen. Die echt iets betekend hebben. Die iets opgebouwd hebben en goed geweest zijn voor anderen. Die echt, zoals het lied het zegt, een steentje verlegd hebben in de rivier. En die met al hun zorgen en problemen ook echt tevreden en gelukkig zijn geweest. Wij moeten zo’n mensen nabij zijn en hen op andere gedachten brengen. Niet, zoals ik zelf heb moeten leren, niet door tekeer te gaan tegen de hedendaagse idealen of tegen de media, maar door rust te brengen en te helen. Door die mensen echt te laten voelen dat je hen enorm waardeert om wie zij zijn en om wat ze met hun leven hebben gedaan. En hen te helpen er achter te komen dat ze wel degelijk echt geleefd hebben, met alles erop en eraan. En dat ze alle redenen hebben om tevreden op hun leven terug te kijken.

Toch even schrikken

Zondag 8 september 2019, drieëntwintigste zondag door het jaar (jaar C)

In de evangelielezing van vorige week had Jezus het met die onmiskenbaar milde ironie van Hem, over onze neiging om ons belangrijker voor te doen dan we zijn. En hoe wij ons daarmee regelmatig zelf in nesten werken én op onze plaats worden gezet.
Soms ook letterlijk, zoals in het verhaal over de bruiloftsgasten die op de ereplaatsen gingen zitten. En die wat later, beschaamd en vernederd, moesten verhuizen, plaats moesten maken voor gasten die blijkbaar belangrijker waren dan zij.

Liefdeloos?
En dan verandert ineens de toon. Als Jezus het heeft over de eisen die Hij stelt aan diegenen die Hem willen navolgen. Die eisen zijn ronduit verbijsterend, wekken zelfs een zekere weerzin op.
Je kan bijvoorbeeld de eis om radicaal te breken met je vader en moeder, je vrouw en je kinderen, totaal niet in overeenstemming brengen met de persoonlijkheid van Jezus, een man die volmaakt liefdevol in het leven stond.
Je kan die uitspraak alleen maar verstaan als: je mag een familieband nooit tussen jou en mij laten komen. Als je familiale of vriendschapsbanden je verhinderen om beschikbaar te zijn voor God, dan moet je ermee breken.
Kloosterlingen bijvoorbeeld hebben die eis altijd in al zijn radicaliteit omarmd.
De vraag blijft dan natuurlijk hoe wij, de minder radicale volgelingen van Jezus, toch gehoor kunnen geven aan zijn oproep en zijn eisen, die immers ook voor ons bestemd zijn. Misschien moeten wij wat meer van onze familie- en gezinsleden dezelfde verdraagzaamheid eisen die zij van ons verwachten.

Respect
Als er verschillende meningen onder één dak leven, is het niet noodzakelijk de gelovige kant die altijd moet inbinden. Al lijkt het daar vaak op.
Je kan bijvoorbeeld niet geloven hoeveel overlast en narigheid en hinder het geeft voor de overige bewoners van het huis, als vader zondagmorgen vroeger opstaat om naar de Mis te gaan. Heel anders dan wanneer hij opstaat om te gaan joggen of om de poes uit te laten of het ontbijt klaar te maken. Want dat kan rekenen op ieders sympathie. Maar opstaan voor de Mis, je kan niet geloven hoe pijnlijk storend en hinderlijk dat is voor de andere mensen.
Wat Jezus ons vandaag zegt, is: je moet in die dingen niet te tam zijn. Vraag respect. Laat de liefde voor je gezin en je familie geen dam opwerpen tussen jou en de Bron van alle liefde. Dat zou al te gek zijn.
God is immers geen concurrent van “onze menselijke” liefde. God is er de Drager van.

Religieuzen
Jezus heeft het wat verder over nog twee andere voorwaarden waaraan moet voldaan worden als wij Hem willen navolgen: je kruis opnemen en afstand doen van al wat je bezit. Ook niet iets om onmiddellijk vrolijk van te worden. Het zal wel meteen duidelijk zijn dat het ook hier gaat om voorwaarden die, in al hun radicaliteit, alleen maar goed beleefd kunnen worden door mensen die gekozen hebben voor een leven als religieus en die verschillende geloften hebben afgelegd.
Mensen die gewoon in de wereld leven—en die moeten er toch ook zijn—kunnen dit onmogelijk in al zijn consequenties beleven.
Als monnik of als zuster kán je zo leven omdat je niet moet voorzien in je gewone levensonderhoud, daar zorgt de gemeenschap voor. En dus kan je, als je dat wil, je helemaal geven aan het religieuze leven van gebed en verdieping, van sociale inzet en zorg.
Als kloosterling kan je, als je dat echt wil, de navolging van Jezus in al zijn radicaliteit beleven.

Iedereen
Maar het kan gewoon niet dat Jezus het maken van die keuze van iedere mens verlangt. Dat blijkt trouwens al uit zijn eigen leven. Jezus was bijvoorbeeld bevriend met het gezin van Martha en Maria en Lazarus; voor zover we dat kunnen nagaan, een normaal huishouden. En wanneer Hij iemand bevrijdt, geneest, een nieuwe toekomst geeft, vraagt Hij aan de betrokkene alleen maar niet meer te zondigen en anders te leven. Maar Hij legt hun, zoals in het concrete geval van de tollenaar Zacheüs, niet op dat ze hun gezin moeten verlaten, dat ze van beroep moeten veranderen of als kluizenaar gaan leven . . .
Er is dus overduidelijk ruimte gelaten voor gewone mensen zoals u en ik, om Jezus na te volgen op een manier die bij onze situatie past.
Jezus vraagt ons alleen dat we dat serieus zouden doen. Dat we geen wishy-washy-christenen zijn. Dat we het Franse “catholique avant tout” niet vertalen met: “katholiek, af en toe”.

Eigen verantwoordelijkheid
Ieder van ons moet hier zijn verantwoordelijkheid opnemen. Er bestaat geen vooraf uitgestippelde weg. Ieder moet voor zichzelf uitmaken hoe hij die navolging van Jezus in zijn eigen situatie het best gestalte kan geven.
Maar dan -binnen onze mogelijkheden- toch zo radicaal als het maar kan.
Uit andere passages in het evangelie blijkt overduidelijk dat Jezus beter overweg kan met zondaars dan met lauwe mensen, noch warm, noch koud, met mensen die nogal rap content zijn.
Dat wij geen religieuzen zijn, ontslaat ons op geen enkele wijze van de verplichting om het ideaal zo dicht mogelijk te benaderen.

Wijsheid en “wijsheid”

Zondag 1 september 2019, tweeëntwintigste zondag door het jaar (jaar C)

Bijna altijd als het komkommertijd is voor de pers, duiken er links en rechts artikelen op over zogenaamd pas ontdekte evangeliën. Het evangelie van Thomas, van Maria Magdalena, van Judas en van weet ik veel wie nog allemaal.
En altijd weer lijkt het erop dat de schrijver van het artikel het bewuste evangelie nauwelijks gelezen heeft. Maar hij weet wel dat het gaat om belangrijke, geheime informatie die de Kerk voor de mensen altijd verborgen heeft gehouden, omdat het haar niet goed uitkwam. In werkelijkheid gaat het altijd over pseudodiepzinnige gnostische abracadabra waar je in je leven niets mee kan aanvangen.
Uit oude geschriften (Ireneüs van Lyon bijvoorbeeld) blijkt duidelijk dat men in de vroege Kerk op de hoogte was van deze “evangelies”, maar dat men ze verachtelijk van de hand wees wegens . . . onnozel. Uiteindelijk zijn ze waarschijnlijk “verdwenen” omdat niemand er nog belangstelling voor had.

Onzin
Ook hedendaagse geleerden ontdekken bij de studie van die teksten dat ze geschreven zijn een paar eeuwen na Christus en, vooral, dat ze duidelijk niet-christelijk zijn, maar eerder een laatste poging van het heidendom om het oprukkende christendom in te palmen en onder te brengen in het eigen huis.
Gewone mensen hebben daar geen uitgebreid onderzoek voor nodig.
Wanneer gewone mensen dingen lezen als: “Gezegend de leeuw, die de mens zal verslinden zodat de leeuw menselijk wordt”, dan beseffen ze onmiddellijk dat het hier niet gaat om een diep mysterie, maar gewoon om een beetje onzin.
Dat doet me denken aan die Kung Fu films uit de jaren 70. Er was toen op tv ook een veel bekeken feuilleton waarin David Carradine, tussen het uitdelen van rake klappen in, ons voortdurend vergastte op diepzinnige oosterse uitspraken. Later vertelde Carradine daarover in een interview dat de stunts en de gevechtsscènes hem minder moeite kostten dan het niet mogen lachen als hij zijn “diepzinnige” praat aan het verkopen was.
Waarom vertel ik dat nu allemaal?

Wending
Gewoon om nog eens op te frissen dat het christendom ons juist van dat mysterie- en orakelgedoe verlost heeft. Het christendom heeft een dikke streep getrokken onder heel die santenkraam van onverstaanbare teksten en boodschappen, die dan door “uitverkorenen” moesten geduid worden, met alle kansen van dien natuurlijk om er een eigen kleurtje aan te geven.
De komst van het christendom markeerde meteen ook het einde van orakeldames die—meestal zo stoned als het maar kon—uitspraken deden die niemand begreep en waar je dus alle richtingen mee uit kon. En ook de wichelaars en de zieners, die uit ingewanden van dieren de toekomst van de mens voorspelden, moesten noodgedwongen een andere handel opzetten. Want met het christendom sloegen geloof en religie een heel nieuwe weg in.
Het evangelie van Jezus maakte een einde aan de verpletterende rol van het lot en de spelletjes van de wispelturige goden en legde, in plaats daarvan, een enorme verantwoordelijkheid bij de mens.

Helder
En een andere revolutionaire doorbraak was de taal. De evangelies brengen geen pseudomystiek gebrabbel zoals de “geheime boodschappen voor ingewijden” in de gnostische geschriften. De taal van het evangelie is klaar, direct en voor iedereen begrijpelijk. En vooral: de evangelies hebben het over ons leven, niet over het verborgen leven van engelen, geesten en demonen.
Ze gaan over dingen die het dagdagelijkse leven van de mensen aangaan.
Neem nu het evangelie van vandaag. Jezus heeft het daar over hoogmoed.
En dan meer bepaald over de potsierlijke en vernederende situatie waarin pretentie ons kan brengen. Gewoon alleen maar dat. Een heel gewone, menselijke observatie. Ook dat is Jezus.

Behoeden
Jezus had natuurlijk nog heel andere registers kunnen opentrekken. En bij momenten doet Hij dat ook. Want hoogmoed (de fameuze hybris bij de Grieken) kan tot verschrikkelijke drama’s leiden. Maar vandaag heeft Hij het gewoon over dat onnozele kantje aan onze persoonlijkheid dat ons in Louis-de Funèsachtige situaties kan brengen. Omdat wij ons nogal eens belangrijker willen voordoen dan we zijn. En als we dan op de een of de andere manier op onze plaats gezet worden, dan is dat nogal pijnlijk.
Eigenlijk geeft Jezus hier gewoon wat goede raad om ons voor narigheid te behoeden, om te voorkomen dat we onszelf belachelijk zouden maken.
Daarna wordt het wel serieuzer. Als Hij zegt dat je er niet per se voor moet zorgen dat je goed staat bij belangrijke mensen. Dat je geen feestmalen moet aanrichten om een wit voetje te halen bij mensen die daar helemaal geen nood aan hebben. Dat je beter je geld kan geven aan zaken die niet direct je status verhogen, maar die wel ten goede komen aan mensen die je hulp echt nodig hebben.

Vreemd
Maar misschien onthouden we uit de evangelielezing van vandaag toch vooral dat de Boodschap die Jezus ons bracht, gesteld was in een klare en voor iedereen begrijpelijke taal. En dat ze gericht was aan elke mens. Dat ze ons wil helpen om ons gewone dagelijkse leven zin en betekenis te geven. En dat bijgevolg alles wat zweemt naar meegedeelde geheimen of mysterievolle inzichten voor ingewijden, wezenlijk vreemd is aan het evangelie en vreemd aan de persoon van Jezus Christus.
Bovendien hebben we onze handen meer dan vol met het “gewone evangelie”!
Geheime Boodschappen zijn in feite “spielerei”. Het zijn boeiende speeltjes die ons vaak juist afhouden van datgene waar het in het leven werkelijk om gaat.