Geloof en rede: aanvullend, niet verwisselbaar

Zondag 16 juni 2019, Hoogfeest van de Heilige Drievuldigheid (jaar C)

Vorige week hebben we het erover gehad dat als wij terug een hechte christelijke gemeenschap willen vormen, het noodzakelijk is dat wij in onze omgang met elkaar God terug meer ter sprake brengen. En dat wij, zeker als wij samenkomen in het kader van de parochiewerking, het spreken over ons geloof uit de taboesfeer halen. Want zelfs daar, in die bijeenkomsten, praten en overleggen en discussiëren wij over de meest uiteenlopende zaken. Maar God en geloof zijn daar heel zelden bij. Misschien is er een heel eenvoudige uitleg voor deze onwennigheid. Tot voor kort immers wisten alleen de priesters alles over het geloof en ze spraken over God of die bij hen thuis op de schouw stond.
Als je geen priester was, werd je geacht helemaal akkoord te gaan met wat de priester zei en dan was je een goede gelovige. En als je niet akkoord was, dan hield je toch maar beter je mond. Je was tenslotte een leek. Priesters noemden trouwens al de andere kerkleden: leken. En dat is natuurlijk erg handig want een “leek” is per definitie iemand die van toeten of blazen weet.
Nu zijn de priesters tot voor kort altijd wel een aparte klasse geweest binnen de Kerk en zij deden of ze alles wisten over God.

Revolutionair
Maar de gedachte dat wij God in kaart kunnen brengen, dat ons verstand bij machte is Hem te doorgronden en onze theologie bij machte alles over God te begrijpen en uit te leggen, is eigenlijk een zeer recente fantasie binnen de Kerk.
Vóór de 17de eeuw heeft altijd precies de tegengestelde mening gegolden.
Zowel de eerste kerkvaders als de latere filosofen, theologen en pausen waren er diep van overtuigd dat wij God pas kunnen kennen als, en in de mate dat, Hij zichzelf aan ons laat kennen. Christenen geloven dat God dat ten volle gedaan heeft in Jezus Christus. En dat wat Jezus ons geopenbaard heeft en wat de Geest ons persoonlijk te kennen geeft, het enige is wat wij ooit over God kunnen weten of begrijpen. M.a.w. met al het respect dat christelijke theologen en filosofen en wetenschappers altijd gehad hebben voor de rede, waren zij er anderzijds diep van overtuigd dat wij met ons verstand God niet kunnen doorgronden. Met ons verstand kunnen (en moeten) wij de natuur onderzoeken, en de geheimen ervan blootleggen omdat het ons vooruithelpt (denk aan de geneeskunde). Maar het bestuderen van de natuur kan ons niets leren over wie God is. En dat is een ongelooflijk revolutionaire gedachte, een totale breuk met elk heidens geloof. Het betekent de ont-goddelijking van de natuur. En zelfs het begin van de secularisatie.

Augustinus
En tot aan de 17de eeuw heeft men daar mordicus aan vastgehouden. En had men dat blijven doen, dan was er nooit enig conflict geweest tussen geloof en wetenschap. Al de grote kerkelijke denkers weken immers geen duimbreed af van het standpunt dat God onkenbaar was vanuit ons denken en vanuit het kijken naar de natuur en de kosmos.
Voeg daarbij het enorme respect voor verstand en rede, en je komt automatisch terecht bij het principe van Augustinus dat de hele kerkgeschiedenis (tot aan de 17de eeuw) door, standgehouden heeft: het beroemde accommodatieprincipe.
En dat komt, eenvoudig gezegd, hierop neer, dat ons verstand en de studie van de natuur ons niets kunnen leren over het wezen van God. Maar dat anderzijds ook de Bijbel niet de bedoeling heeft ons de werking van de natuur uit te leggen. Men ging er al heel vroeg van uit dat nogal wat oudtestamentische teksten volksverhalen waren. En als bewezen werd dat die in strijd waren met de rede, dan moesten ze geherinterpreteerd worden.
En dát erg modern aandoend standpunt, het uitgaan van de on-kenbaarheid van God via het onderzoek van de natuur, bleef het richtsnoer van de theologie van in het begin tot in de 17de eeuw.

Ramp
En toen gebeurde er iets heel bedenkelijks. Gedurende de 17de eeuw barstte de wetenschap uit haar middeleeuwse voegen en nam ze een geweldige vlucht.
Telescopen werden naar de sterren gericht, de natuur werd grondig onderzocht en de mens werd in al zijn facetten bestudeerd. Wetenschappelijke reuzen als Newton, Copernicus en Galilei traden op het voorplan. Maar in tegenstelling tot wat velen nu denken, hadden zij geen enkele moeite met het geloof. Integendeel. Stuk voor stuk waren zij allen ervan overtuigd dat onderzoek en wetenschap de grootheid van God beter zouden doen uitkomen.
Sterker nog: God zou absoluut vaststaand, wetenschappelijk gefundeerd worden. En de theologie trapte in de val. De verleiding was te groot. Ze liet toe dat God gefundeerd werd vanuit de wetenschap.
En dat was dus een ramp. God werd een door mensen gemaakt idool dat afhankelijk was van wetenschappelijke bevindingen. En vermits wetenschappelijke theorieën voortdurend veranderen, leek het of het geloof altijd achterliep. Praten over geloof en geloven zelf werden met de tijd zelfs gênant.

Kentering
Gelukkig zijn we daar als katholieken terug vanaf geraakt. En zijn we later ook niet meegegaan in het “Intelligent Designgedoe”, een late echo van de 17de-eeuwse vergissing. God is terug jong en fris, niet in kadertjes te vangen. En vanuit het niet-weten gaan wij terug geboeid op zoek naar Hem. Hij spreekt in ons hart. En wat wij van Hem moeten weten, heeft Hij ons laten weten in Jezus. En zo is het goed. En genoeg. Wij kunnen terug rustig praten over Hem en over onze ervaringen met Hem. . . Laten we dat dan ook terug meer doen.

Advertenties

Zelfbewuste en toch hartelijke Kerk

Zondag 9 juni 2019, Pinksteren (jaar C)

Je wordt in het Westen niet langer als christen geboren om het daarna je leven lang te blijven. Christen-zijn is hoe langer hoe meer een keuze. En dat wil zeggen dat, als wij ons niet gaan “hertrekken”, zoals we dat in het dialect zeggen, als wij niet serieus gaan evangeliseren, dat wij dan gewoon verdwijnen.
Wij hebben in onze zones Lubbeek en Glabbeek sinds kort een verantwoordelijke voor evangelisatie en de bedoeling is dat die, samen met de werkgroep die ze gevormd hebben, zich over die zaken bezinnen, strategieën bedenken en initiatieven uitwerken. Zowel in Lubbeek als in Glabbeek is men daar al mee bezig, elk met een eigen insteek. En zo is het goed. De taak van de priester is het om, vanuit zijn ervaring, enkele aandachtspunten naar voor te schuiven.

Hamvraag
Vorige week had ik het over het feit dat wij nooit mogen proberen onze “zaal terug vol te krijgen” met lokmiddelen die niets met het geloof te maken hebben. Wij moeten mensen terug winnen voor ons geloof, niet meer of niet minder dan dat. Het is niet zo moeilijk om aan te tonen dat ons geloof “interessant” is. Dat het een enorme rol gespeeld heeft in de beschavingsgeschiedenis van Europa en van de andere continenten. Dat het een enorme schat aan spiritualiteit te bieden heeft en dat het, iets waar vooral de laatste jaren de nadruk wordt op gelegd, dat het mensen ook gelukkig kan maken, dat het volheid van leven, levensvervulling kan schenken. Je kan dat aantonen. Maar de ultieme vraag waarop mensen een antwoord verwachten is: “Is het ook waar?”

Assertief
En om daar op een efficiënte manier te kunnen op ingaan moeten wij onszelf terug meer bekwamen. De tijd dat de pastoor de plaatselijke dorpsatheïst wel even op zijn nummer zette, is voorbij. Het is nu aan iedere gelovige om voor zijn geloof op te komen, niet brutaal en opdringerig, wel assertief. Daarom is het nodig dat wij terug meer over ons geloof praten en ook meer interessante boeken en artikels daarover lezen, meer naar voordrachten gaan, meer studeren en mekaar inzichten bijbrengen. Wij beseffen maar half hoezeer onze mensen dag na dag, via de media, blootstaan aan antigodsdienstige propaganda. Soms subtiel, soms brutaal, maar altijd vanuit dezelfde strategie: zelfs de meest absurde bewering gaat er uiteindelijk bij de mensen in als je ze maar vaak genoeg herhaalt en als je alleen maar mensen aan het woord laat die dezelfde mening delen. En de anderen niet.
Een typisch voorbeeld hiervan is de stelling dat “godsdienst leidt naar oorlog”. Het is een bewering die gewoon nergens op slaat, maar die er zo ingehamerd werd dat zelfs katholieken geneigd zijn tot een zekere bezorgdheid daaromtrent. En daarom moeten wij onszelf meer bekwamen. Zodat wij niet—zoals in de tijd van de Da Vinci Code-smurrie—het aan nobele ongelovigen als Umberto Eco moeten overlaten om ons geloof te verdedigen tegen de meest groteske verzinsels.

Jongeren
En een tweede punt dat zeker onze aandacht verdient, is het feit dat wij ons in Vlaanderen, in onze parochies, zonder dat wij er veel erg in hebben, helemaal richten op oudere mensen: ziekenzorg, gepensioneerdenbonden, bezoek in klinieken en rusthuizen. Maar voor kinderen en jongeren: niets.
Ja maar, zeggen veel oudere mensen dan, daar moet je geen eieren onder leggen, die krijg je toch niet naar de kerk. Maar ook van de oudere mensen gaat slechts een klein percentage wekelijks nog naar de kerk. Geen al te best criterium dus.
Anderzijds laat nog altijd de meerderheid van de jonge mensen hun kinderen dopen. En een zeer aanzienlijk deel daarvan doet later zijn eerste communie en wordt gevormd. Toch een duidelijk signaal dat die jonge gezinnen afgeven. Maar na die vieringen is er geen enkel contact meer met hen.
En trouwens—wat mij dit jaar bijzonder pijnlijk getroffen heeft—zelfs in die vieringen zelf vind je zo goed als niemand van de traditionele kerkgangers.
En van al degenen die een of andere verantwoordelijkheid dragen in hun parochie is er gewoon niemand aanwezig als de kinderen—de toekomst!—hun communie doen.
Dit is niet meer pijnlijk maar. . . hallucinant.
Wij mogen de oudere mensen zeker niet verwaarlozen, maar het wordt de hoogste tijd dat wij ons ook richten op de jongeren, meer voor hen betekenen. De vraag is niet: waar zitten ze op zondag? Maar: wat betekenen wij voor hen?

Levenswijze
En zo komen we bij het derde punt.
Wat betekenen wij voor elkaar? Voor al de mensen, ook de niet-kerkelijke?
Als wij terug mensen willen winnen voor ons geloof dan zullen kennis, interessante activiteiten en meer contact met jongeren niet volstaan.
Het voornaamste instrument van propaganda is ons eigen leven.
Wij mogen het geloof nog uitleggen zoveel we willen, het verpakken in blinkend papier en flashy strikken, de mensen kijken in de eerste plaats naar hoe wij leven.
Hoe wij omgaan met andere mensen, of wij opvallen omwille van ons respect en inzet voor anderen. Of wij opvallen in ons anders-zijn. Niet alleen in wat wij geloven, maar vooral in onze manier van leven.
Met de Bijbel de straten af leuren heeft in deze tijd geen zin. Wij moeten door onze manier van leven belangstelling opwekken bij mensen.
Pas dan kunnen wij hun spreken over Jezus. Eerst onszelf bekeren dus.
Zusters en broers, dit keer is het wel een echte “preek” geworden. Ik wilde u eigenlijk niet “bepreken”. Alleen maar een pleidooi houden voor een hartelijke, maar ook een zelfbewuste kerk. Een warme kerk, waar jongeren en nieuwkomers die “even komen piepen” zich direct op hun gemak voelen. Ik weet het, wij zijn Hagelanders. En ik ben misschien de nog meest hagelandse Hagelander van ons allemaal. Wij zijn wat stroever in die dingen. Maar laten we het toch maar proberen.

 

Geen truken van de foor

Zondag 2 juni 2019, Zevende zondag van Pasen (jaar C)

Ook jongeren hebben zo hun eigen, bijna rituele uitdrukkingen wanneer ze in contact komen met de Kerk. Een jong koppel bijvoorbeeld dat op ondertrouw komt, begint steevast met te zeggen: “Je ziet ons wel niet elke zondag in de kerk, maar we staan wel achter de christelijke waarden.”
En oudere tieners die je nog kent van de catechese en aan wie je vraagt waarom ze niet meer naar de Mis komen, antwoorden je gegarandeerd dat ze bedolven worden onder het werk van de school. Terwijl je natuurlijk ook wel ziet dat ze zeeën van tijd hebben voor andere dingen.
En toen ik een tijdje geleden bij een jong gezin op bezoek was en wij het hadden over de terugloop van het kerkbezoek, keek het jongetje van 6 mij aan, verbaasd over mijn ongelofelijke onwetendheid.
“Maar de mis?” zei hij, “dat is toch saai, saai, saai”.
Jongeren zeggen vaak wat ouderen denken.

Tijdsgeest
En het is zeker zo dat al de hogergenoemde opwerpingen tegen regelmatig kerkbezoek (saai, geen tijd, en ”het is goed als ik achter de christelijke waarden sta”) sterk leven bij grote delen van de bevolking. Ook zelfs bij mensen die regelmatig naar de kerk gaan.
De vraag is dan natuurlijk: hoe komt dat en wat doe je eraan?
Tijdens mijn jeugdjaren was de Parochie overal nog de bezieler van een bloeiend verenigingsleven. Dat verenigingsleven was zowat de sociale vleugel van de Kerk en het had tot doel de mensen dichter bij elkaar te brengen en een hechte gemeenschap te vormen. En omdat dit best op een prettige manier gebeurde waren taart en koffie, uitstapjes en pensenkermissen nooit ver weg.
Op dit ogenblik lijkt het er sterk op dat de parochie zelf één van de vele verenigingen geworden is. En dat zij, in deze tijd van extreem individualisme, net als die andere verenigingen wegkwijnt. Alleen die verenigingen bloeien nog, die vooral nuttig zijn voor de persoonlijke ontwikkeling of ontspanning van de leden. Jeugd- en sportverenigingen bijvoorbeeld. Maar verenigingen die mensen gewoon willen samenbrengen om samenhorigheid te beleven en elkaar belangeloos nabij te zijn en te helpen, gaan ongenadig voor de bijl. Dat is nu eenmaal de tijdsgeest: als ik mij maar goed voel, als ik maar geniet, als ik maar carrière maak.

Lokmiddelen
Oké. Wij gaan dat niet in één, twee, drie veranderen. Maar wij moeten er in ieder geval zorg voor dragen dat wij als parochie, als Kerk, niet in een levensgrote valkuil trappen. Een valkuil die erin bestaat dat wij zouden proberen de Kerk en de liturgie terug aantrekkelijk te maken met de middelen die traditioneel door de verenigingen werden gebruikt. Iets wat je regelmatig ziet gebeuren.
Natuurlijk moeten wij er voor zorgen dat de mensen die naar de Mis komen zich welkom voelen. Dat het gebouw aantrekkelijk aangekleed is, het onthaal hartelijk, de muziek mooi en ontroerend, de preek inspirerend en de teksten en gebeden zinvol en beklijvend. En als een glas schuimwijn of een kop koffie meehelpen om de samenkomst een warm en hartelijk cachet te geven, dan is dat meegenomen. En zelfs een zeker showelement mag niet ontbreken. Wij zijn tenslotte katholieken, geen steenrijke quakers die, gezeten in houten banken, sobere liturgieën vieren. Wij hebben altijd gehouden van muziek en wierook en kleurrijke kazuifels. Maar we moeten daarin niet overdrijven. Wij mogen nooit proberen de mensen daarmee te lokken. Het doel is niet “de zaal terug gevuld te krijgen”. Wij mogen nooit vergeten dat het voornaamste doel van de liturgie is, mensen helpen om contact te leggen met God. Ik heb ooit eens, bij wijze van boutade, gezegd: als wij alleen maar de kerk terug vol willen krijgen, dan kunnen we beter ineens een paaldanseres laten optreden. Ik blijf daarbij. Met koffie en taart of met een paaldanseres moeten wij de mensen niet terug naar de kerk proberen te krijgen. Geen truken van de foor!

Propaganda
Wij hebben een tijdje geleden verkiezingen gehad. Het is niet aan mij om u vóór de verkiezingen enig advies daaromtrent te geven en ook niet om er u na de verkiezingen minzaam op te wijzen hoe juist of hoe verkeerd u wel gestemd heeft. Maar wij kunnen wel wal leren van de politieke partijen in het algemeen.
In hun propaganda proberen politieke partijen ons ervan te doordringen dat hun overtuiging, hun doelstellingen, hun programma en de uitvoering ervan broodnodig zijn voor ons.
Het eerste wat hier opvalt, is het woord propaganda. Een beetje een vies woord in kerkelijke kringen. Noem het dan voor mijn part maar evangelisatie of missie, maar propaganda is nodig. Wij moeten de boer op, wij moeten onze ideeën aan de man brengen en mensen overtuigen. De tijd dat men als christen geboren werd is voorbij. Propaganda is dus nodig.

Geloof
En wat moeten wij dan propaganderen? Gewoon: ons geloof.
Stel u een politieke partij voor die folders uitgeeft met ongelooflijk mooie foto’s en bijeenkomsten organiseert met gratis champagne voor iedereen, en waar de beste zangers optreden en je tombolalotjes krijgt waar je snoepreisjes en dure elektronische spullen mee kan winnen. Maar ze hebben als partij geen visie en geen programma. Dat zou toch absurd zijn.
Evenzo is dat bij ons het geval als wij het houden bij lokmiddelen om “onze zaal opnieuw vol te krijgen”. Wij moeten terug ons geloof promoten.
Laten we daar met z’n allen eens grondig over nadenken.

Volgende week gaan we daarover verder.

De Hemel

Donderdag 30 mei 2019, Onze-Lieve-Heer Hemelvaart (jaar C)

Wat ouder wordende mensen zeggen je graag: “Er zijn tegenwoordig toch geen zonden meer, meneer”. En als het mannen zijn die je dat zeggen dan kunnen ze het niet laten om daarbij even te gniffelen.
Zowel het ene als het andere heeft te maken met het feit dat vroeger het begrip “zonde” bijna automatisch gekoppeld werd aan seksualiteit.
En toen kwamen de jaren 60 en 70, die grondig afrekenden met de Victoriaanse preutsheid. Elke hindernis die de seksuele vrijheid in de weg stond werd op een drafje genomen. En eeuwenoude taboes werden in geen tijd opgeruimd. Achteraf moest zelfs de meest verstokte tegenstander toegeven dat een gevoel van opluchting en bevrijding er het gevolg van was.
En zonde werd iets van vroeger.

Maar…
Zonde is niet iets dat zich situeert op een schaal die gaat van preutsheid naar losbandigheid. En dus, als iemand mij zegt dat er geen zonde meer bestaat, dan vraag ik altijd: “Leest u dan geen krant of kijkt u nooit naar het journaal?”
Onze wereld kreunt onder oorlogen, uitbuiting, corruptie en onderdrukking.
En terwijl in onze westerse wereld het woord “genieten” hét ordewoord geworden is, sterven in de rest van de wereld elke dag ontelbare mannen, vrouwen en kinderen van de honger.
Als Jezus het over zonde heeft, dan gaat het dáár over. Over ons collectief egoïsme, dat de relatie tussen groepen en volkeren verzuurt. En over de jaloezie en de drang om te heersen, die de relatie tussen individuele mensen voortdurend verstoort en soms zelfs onmogelijk maakt.

Vergeving
Het is belangrijk te zien dat het niet de bedoeling van Jezus is om ons die dingen alleen maar onder de neus te wrijven. Dat is trouwens ook niet nodig.
Want wij wéten het. En maar al te goed zelfs.
Waarom zouden wij anders zo vindingrijk zijn in het vinden van een uitleg die de schuld van alles wat misloopt bij anderen legt?
Ook al lachen wij met het woord “zonde”, wij weten maar al te goed dat wij zondaars zijn.
En in plaats van vindingrijk te zijn in het uitvinden van excuses zouden wij moeten leren dat wij vergeving nodig hebben, geen excuses. Want het besef niet echt OK te zijn, laat zich niet ompraten door goedkope excuses.
Het zit dieper. En het vreet aan ons.
Alleen echte vergeving helpt ons. En het is precies dát wat Jezus ons biedt.
“Ga en verkondig aan alle volkeren de vergeving van zonden”.

Bevrijdend
Eigenlijk kan God ook moeilijk anders dan ons vergeven: Hij heeft ons zo gemaakt dat wij vrij zijn, dat wij kúnnen zondigen en dat de verleiding om het ook te doen sterk is en de zonde zelf, aantrekkelijk.
Als Hij alles geschapen heeft zoals het is en Hij houdt van ons, dan moet Hij ons ook onze misstappen vergeven. Anders zouden wij niet langer kunnen ademen en platgedrukt worden onder het besef van onze fouten.
Dat is de betekenis van die wat ongewone zending bij Hemelvaart. “Verkondig de vergeving van zonden”. Zoals altijd bij Jezus, gaat het ook hier om een woord van bevrijding. Voor iemand met een normaal moreel besef, en dus ook met schuldgevoelens, is niets zo gezond en bevrijdend als te weten dat er ook vergeving is en dat je altijd met een nieuw leven kan beginnen.

Anders
En met dat “nieuwe leven” komen we bij het tweede luik van Hemelvaart.
Jezus is niet langer onder ons in een normale natuurlijke gestalte, als een mens van vlees en bloed. Maar dankzij de werking van de H. Geest is Hij nu nog veel sterker aanwezig dan toen je Hem als een fysiek persoon kon aanraken en met Hem praten en eten.
Tenminste toch als je je voor de Geest openstelt, je laat be-geesteren.
Als je een getuige wordt van Jezus’ vriendschap voor alle mensen. Een getuige zijn houdt meteen ook in dat je zelf die vriendschap, die liefde en die goedheid van God gestalte geeft en uitstraalt. Dat je je hart openstelt, helemaal en onvoorwaardelijk, ook voor zwakke, zieke, eenzame en vergeten mensen.
Als je vanuit die sterke verbondenheid met Jezus je helemaal inzet voor de vestiging van zijn Rijk. Een hemel op aarde.

Hemel
Ook letterlijk. Want er bestaat immers geen strikte scheiding tussen de hemel en het leven op aarde. De hemel is geen plaats.
De hemel, dat is Gods aanwezigheid.
De hemel, dat is de ervaring van zijn nabijheid.
De hemel, dat is de verrukking van je opgenomen te weten in Gods bedoelingen, terwijl je met alles wat je kan en hebt, je inzet voor de vestiging van zijn Rijk van liefde, vrede en rechtvaardigheid.
Om de hemel te ervaren hoeven we echt niet te wachten tot we dood zijn. . .

Onze Joodse neven

Zondag 25 mei 2019, Zesde zondag van Pasen (jaar C)

Toen Paulus aan zijn missiereizen begon, bleek al vlug dat hij heidenen in de Kerk opnam, zonder dat die verplicht werden de joodse gebruiken (zoals de besnijdenis bijvoorbeeld) over te nemen. Iets wat natuurlijk wrevel opwekte bij de joodse christelijke gemeenten. Er werd dan een vergadering bijeengeroepen in Jeruzalem (zeg maar, het eerste concilie) en daar werd definitief beslist dat een christen die uit het heidendom kwam zich niet aan de joodse wetten moest onderwerpen. De pil werd voor de joden wat verguld: de besluiten werden gegoten in een vorm die op een compromis leek, maar het was een beslissing van wereldhistorische betekenis. Het christendom maakte zich los van het Jodendom. En in plaats van een joodse sekte werd het het geloof dat als een storm over het Romeinse rijk zou gaan. Van dan af was de scheiding definitief.

Vechtscheiding
Vanuit het standpunt van de christenen tenminste. Want de joden bleven de christenen nog lange tijd zien als afvalligen en ketters. En overal waar joodse gemeenschappen woonden, ook in Griekenland en in Rome, gebruikten ze hun invloed om de christenen tegen te werken en te vervolgen. Denk aan Paulus die tot in Damascus in Syrië volgelingen van Jezus moest opsporen om hen als gevangenen naar Jeruzalem te voeren.
Later, toen het christendom steeds meer aan macht en aanzien won, was het de beurt aan de joden om kennis te maken met vervolging en uitsluiting. Met als trieste hoogtepunt het Spanje van de middeleeuwen waar joden de keuze kregen tussen zich bekeren of emigreren. En als ze “hervielen” kregen ze te maken met de meest perfide instelling van de alles centraliserende en gelijkschakelende moderne staat-in-wording: de inquisitie.

Joodse ouders
Als je dat nu allemaal op een rijtje zet kan je je natuurlijk afvragen waarom christenen dat Oude Testament toch blijven meezeulen. Een Oud Testament dat toch eigenlijk een soort geschiedenisboek van Israël is, een soort logboek van de eeuwenoude wederwaardigheden van het joodse volk.
Ik denk dat dat komt omdat wij de joden, ondanks alle antipathieën langs weerskanten, altijd zijn blijven beschouwen als onze geestelijke voorvaderen.
Zij waren de eersten die een klaar besef hadden dat er maar één God is.
En uit hen is tenslotte Jezus voortgekomen. En de apostelen en de eerste christenen waren nu eenmaal joden. Wij kunnen dus hun “ouderschap” gewoon niet loochenen.

Anders
Van de andere kant is het wel duidelijk dat je ook serieuze breuklijnen kan vaststellen tussen het Nieuwe en het Oude Testament. En dat, wat een Huub Oosterhuis bijvoorbeeld ook mag beweren, er toch wel een hemelsbreed verschil ligt tussen de joodse Jahweh van de hemelse legerscharen en de barmhartige Vader die door Jezus gepredikt en belichaamd werd.
En natuurlijk vind je ook in het Oude Testament (net zoals in de heilige boeken van om het even welke religie) hele mooie en poëtische passages over de liefdevolle en barmhartige kant van God. Maar dat kan niet verdoezelen dat de geest die spreekt uit het evangelie en het godsbeeld dat daar naar voor komt toch wel erg verschilt van dat van de joodse Bijbel.

IJkpunt
Waarom vertel ik dat nu. Uiteraard niet om een beetje stemming te maken tegen onze joodse neven. Maar wel om een andere, maar wel belangrijke reden. Vooral mensen die via de liturgie of via persoonlijke lezing vaak in contact komen met de teksten zowel van het Oude als van het Nieuwe Testament stuiten op een steeds terugkerende moeilijkheid.
Ze merken dat het beeld van God dat uit het ene boek naar voorkomt niet echt correspondeert met dat uit het andere deel van de Bijbel.
Welnu, wij zijn christenen. Dat wil zeggen dat voor ons de persoon van Jezus Christus centraal staat. Dat Hij ons ijkpunt is.
En dat wij onze opvattingen en ons handelen helemaal afstemmen op Hem.
En op Hem alleen. Dat is belangrijk omdat je regelmatig moet kiezen.

Tegenstrijdigheden
De Bijbel is niet in de hemel maar door mensen geschreven. Heilige mensen, diepgelovige en geïnspireerde mensen maar toch: mensen.
En mensen interpreteren, leggen accenten. Soms leggen ze zelfs hun eigen opvattingen in wat ze menen waar te nemen. Iets wat overigens ook schering en inslag is bij niet-religieuze berichtgeving. Vaak spreken verschillende waarnemers en schrijvers elkaar zelfs tegen terwijl ze over hetzelfde fenomeen heel eerlijk proberen te berichten. Daardoor komt het dat je zelfs in de evangelies sommige tegenstrijdigheden tegenkomt.
Maar dan nog hebben we in ieder geval een zeer duidelijk en samenhangend beeld van Jezus en van zijn opvattingen. En Hij is voor ons de norm.
Een voorbeeld om af te ronden: voor Jezus kan het absoluut niet dat je wraak neemt in plaats van te vergeven. Nogal wat figuren uit het Oude Testament, en niet van de minsten, prijzen wraak nemen juist aan en vinden vergeven maar niets. Als christen twijfel je er geen moment aan wie je hier moet volgen.

Vechten tegen het kwaad in ons

Zondag 19 mei 2019, Vijfde zondag van Pasen (jaar C)

Een van de vragen van de vroegere Mechelse catechismus luidde: wat is het teken van de christenmens? En het antwoord was: het teken van een christenmens is het kruisteken. En dat is natuurlijk ook zo, als je met een teken een herkenbaar ritueel gebaar bedoelt. Maar als je bedoelt: wat is nu tekenend voor de manier van leven van een christen, waarin verschilt zijn leven, waarin zou zijn leven moeten verschillen van het leven van andere mensen, dan is het antwoord: dat ze elkaar (moeten) liefhebben.
U kan zich dan natuurlijk afvragen: “Kunnen andere mensen dan niet liefdevol in het leven staan?” en “Zijn christenen dan altijd zo lief voor elkaar?”
En dus haast ik mij erbij te zeggen dat het liefdevol in het leven staan bij christenen een formeel gebod is. Bij mijn weten trouwens het enige gebod dat Jezus ons heeft opgelegd. Maar inderdaad een gebod, een verplichting.
En dat is toch wel heel speciaal en uniek.

Wil
Ook de aard van de liefde waar het christelijk geloof het over heeft is niet voor de hand liggend. De liefde die Jezus van ons verlangt heeft weinig of niets van doen met gevoelens, verlangens of driften. Het liefdesgebod van Jezus doet beroep op onze wil. Het eist van ons een wilsact, een blijvende ingesteldheid, waarbij wij de anderen goed willen doen of hun tenminste en van harte het goede toewensen. Bovendien wordt Jezus’ gebod gekenmerkt door een ongekende radicaliteit. Zowat elk beschaafd religieus en filosofisch systeem is vertrouwd met de zogenaamde “gulden regel”: “Wat ge niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”. Dat is natuurlijk heel mooi. En als we ons daar allemaal aan zouden houden, stonden we al een heel eind verder.
Maar het heeft iets kleinburgerlijks, iets van “voor wat hoort wat”, iets van “als jij lief bent voor mij, zal ik het ook zijn voor jou . . .”
Wat Jezus van ons vraagt is veel ingrijpender.

Onbegrip
Hij vraagt zijn leerlingen dat ze zouden liefhebben zoals Hij hen heeft liefgehad, dat wil zeggen: onvoorwaardelijk, zonder eerst zorgvuldig af te wegen of ze onze liefde wel verdienen. En om het helemaal duidelijk te maken zegt Hij dat we zelfs onze vijanden moeten beminnen, dat we moeten bidden voor hen die ons haten. En op het kruis gaf Hij zelf het voorbeeld door te bidden voor zijn beulen. En de eerste martelaren, Stefanus voorop, deden hetzelfde: ze vroegen vergiffenis aan God voor hen die hen vervolgden en doodden.
Voor ons, mensen van deze tijd, hoort dit soort epische grootmoedigheid thuis in romantische verhalen. Aan navolging valt gewoon niet te denken.
Hoe kan je nu in godsnaam houden van mensen die je haten, je misschien zelfs dood wensen. Ik denk dat veel onbegrip voortkomt uit onze neiging om liefde te associëren met gevoelens. Maar Jezus vraagt niet dat we zo’n mensen sympathiek zouden vinden. En Hij vraagt ook niet dat wij over ons heen laten rijden. Hij vraagt niet dat we naïef of laf zouden zijn en positieve gevoelens zouden koesteren voor mensen die ons alleen maar kwaad willen berokkenen. De liefde die Hij van ons vraagt voor die mensen, is dat wij hen niet met gelijke munt betalen. Dat wij geen kwaad met kwaad vergelden. En dat wij hun, op hun oprechte vraag, van harte vergeven.

Vluchten
Misschien is het hier het moment om even dieper in te gaan op dat merkwaardig verschijnsel dat mensen zo vaak geneigd zijn om andere mensen kwaad te berokkenen. Laten we even de gebruikelijke excuses (erfelijk belast, ongelukkige jeugd, moe getergd, enz. ) laten voor wat ze zijn en gewoon nuchter kijken naar de vijandigheid zelf. Als je dat doet ga je al vlug beseffen dat andere mensen pijn doen, benadelen, bekladden, of zelfs vermoorden, niets anders is dan toegeven aan lagere driften in jezelf. Het is capituleren voor het kwaad in ons. Een nederlaag dus. Maar diegenen die er zich aan bezondigen zien dat heel vaak als iets superieurs, als een teken van kracht en sterkte.
Adolf Hitler bijvoorbeeld dacht, toen alles verloren was en de Russen al in Berlijn stonden, dat hij toch tenminste iets had dat niemand hem kon afnemen en dat hem eeuwige roem zou bezorgen: hij had nooit, in geen enkele omstandigheid, medelijden getoond, zei hij trots. Hij besefte duidelijk niet dat juist dat erop wees hoe ziek en ontmenselijkt hij was.

Sterk zijn
Vergiffenis schenken, medelijden tonen, aan verzoening werken behoren tot de meest nobele houdingen die een mens kan aannemen. Als je daar niet toe in staat bent, past alleen het nederig makend besef dat je daar te zwak voor bent, dat je de laagste driften in jezelf niet de baas kan, niet in de hand hebt.
Alleen domme en moreel zwakke mensen gaan daar prat op, i.p.v. zich ervoor te schamen en eraan te werken. En dat is nochtans precies wat Jezus van ons vraagt. Hij vraagt van ons geen sentimenteel gedweep, zo van “alle mensen menen het goed”. Want dat is onzin. Wat Jezus van ons vraagt is dat wij sterk zouden zijn. Dat wij zouden inzien dat toegeven aan het kwaad een teken van zwakheid is. En dat wij het kwaad ook in de ander duidelijk zouden zien. Maar dat we er doorheen zouden gaan, zonder zelf in dat zwakke en lage gedoe te vervallen.

Roepingen

Zondag 12 mei 2019, Vierde zondag van Pasen (jaar C)

Vandaag is het de roepingenzondag. Een dag waarop er in de kerken over de hele wereld traditioneel gebeden wordt voor nieuwe roepingen.
Als God echt van ons houdt, zoals wij geloven, dan kan het niet anders of Hij roept vandaag evengoed als vroeger, mensen die zijn woord willen uitdragen, zijn liefde gestalte geven en de gelovigen willen voorgaan in het gebed.
Het probleem is dus niet dat er minder mensen geroepen worden, maar dat er, hier bij ons althans, bijna geen gehoor meer aan gegeven wordt.

Niet overdrijven
Dat er “minder gehoor aan gegeven wordt” is misschien niet de juiste uitdrukking. Het niet-ingaan op Gods roeping gebeurt niet bewust of moedwillig. Het probleem is eerder dat die roep niet meer gehoord wordt. Wij leven niet langer in een maatschappij die helemaal doordrongen is van het geloof. Niet alleen de kennis van het geloof is in Vlaanderen heel erg achteruitgegaan, maar bovendien speelt dat geloof nog maar een zeer kleine, bijna verwaarloosbare rol in het leven van de meeste mensen. Kardinaal Danneels sprak in dat verband over de “religieuze ontbossing” van Vlaanderen.
En zelfs pratikerende christenen hebben God heel vaak een welbepaalde, beetje afgebakende plaats in hun leven gegeven: tot hier en niet verder.
Zij leven niet naast onze maatschappij maar er middenin; ook zij zijn dus niet ongevoelig voor de vanzelfsprekend geworden hang naar consumeren en genieten, naar carrière en bekend zijn. En wanneer hun zoon of hun dochter blijk geeft van een opvallende religieuze belangstelling, krijgen die nogal vlug te horen dat ze maar beter gewoon moeten doen.
“Iets mag het hebben, maar je moet niet overdrijven”.

Versnelde veranderingen
Je kan dus zeker niet zeggen dat priester of religieuze worden op dit ogenblik goed in de markt ligt. En eigenlijk is dat ook niet zo’n ramp.
Want het beeld dat wij hebben over priesters en religieuzen hangt nog helemaal vast aan een tijd die voorbij is. En terwijl de wereld op korte tijd helemaal veranderd is en in steeds sneller tempo altijd maar verder verandert, hebben wij er geen flauw vermoeden van hoe de Kerk van de toekomst er zal uitzien. Zo hoor je gelovigen nogal eens zeggen: wij mogen onze kerken ook niet te vlug sluiten of verkopen, want stel dat er een opleving komt . . .
Dát die opleving er komt, daar mogen we zeker van zijn. De mens is fundamenteel religieus en echte atheïsten zullen altijd een kleine minderheid blijven. Maar wie zegt dat de Kerk van de toekomst nog gebouwen-in-eigendom nodig heeft? Dat kan zijn, maar dat is helemaal niet zeker.

Wending
Die onzekerheid geldt trouwens voor heel de wending die Kerk en christendom aan het nemen zijn. Dat die wending -zoals er maar weinige geweest zijn in de geschiedenis- bezig is, mag voor iedereen duidelijk zijn. Maar zelfs vage contouren van wat het ooit worden zal, zijn voor niemand al zichtbaar.
Het enige wat we hebben is ons vertrouwen dat de Geest van God hier aan het werk is en dat Hij weet wat Hij wil. En dat Hij, wiens naam is: “Ik zal er zijn” met ons en met de hele mensheid meetrekt. En -ondanks alle schijnbare ondergang- ons nooit in de steek zal laten.

Vertrouwen
Het is wel geen comfortabele situatie als je niet precies weet waar je naartoe moet werken. Het enige wat we dan kunnen doen is wat we altijd hebben gedaan, in tijden van crisis: helemaal teruggaan naar de bronnen van ons geloof. Naar de eenvoud van het vroegchristelijk geloof en vertrouwen.
Telkens wanneer wij geconfronteerd werden met abrupte en onverwachte wendingen, hebben wij dat gedaan. Zowel bij de invallen van de barbaren als toen we gesteld werden voor de uitdagingen van de Renaissance, de confrontatie met de Verlichting, de explosie van de wetenschappelijke kennis.
Telkens was er, na aanvankelijke (en begrijpelijke) weerstand, altijd een terugvallen op de kern van ons geloof: een liefdevol leven leiden, in vertrouwen op God. En dan rustig overwegen wat van de nieuwe inzichten een verrijking betekent, waar we onze eigen ideeën moeten uitzuiveren, en wat we zeker moeten bewaren en meenemen naar de komende eeuwen. En omdat we op dit ogenblik nog niet precies weten waar we naartoe gaan, moet de Kerk zich momenteel vooral bezighouden met iets waar ze goed in is: studie en gebed. We moeten ons openstellen voor de werking van de Geest. En ons helemaal focussen op vertrouwen. Vertrouwen in een nieuwe bloei van het christelijk geloof in de tijden die komen. En ons niet langer verliezen in het krampachtig in stand willen houden van zaken waarvan we zelf weten dat ze geen enkele toekomst hebben.

Nieuwe herders
Wij weten nog niet precies hoe de Kerk van de toekomst er zal uitzien. Maar wij kunnen ons wel al een beeld vormen van de nieuwe voorganger, de nieuwe herder. Het zal een man of een vrouw zijn, gehuwd of ongehuwd, maakt niet uit. Het moet niet per se iemand zijn met opzienbarende talenten op gebied van leiderschap, geleerdheid of redenaarskunst. Maar het zal iemand zijn met een diep geloof in de God van Jezus en met een even diep respect voor de mensen. Vooral dat laatste was in het verleden niet altijd evident.

Hoezo, verrezen?

Zondag 28 april 2019, Beloken Pasen (jaar C)

Vorige maandag bracht de zender Q2 de film “Risen”. Het is het relaas van de zoektocht naar het lichaam van Jezus op bevel van keizer Tiberius.
“Want” -zo stond in de programmaboekjes- “de Romeinen deden er alles aan om dat lichaam te vinden, omdat de Verrijzenis zo cruciaal is dat het hele geloof van de christenen er mee valt of staat”. En dat is natuurlijk ook zo.
Voor christenen is de Verrijzenis van Christus niet alleen het centrale gegeven in hun geloof, het paasgebeuren vormt zelfs het middelpunt van de menselijke geschiedenis, die van dan af -zo geloven zij- een andere wending heeft genomen.

Ontmoetingen
Maar het lichaam van Jezus, het “stoffelijk overschot” van de gekruisigde, begraven, weggehaald, verstopt of teruggevonden heeft daar weinig mee te maken. Bij verrijzenis denken wij spontaan aan een spectaculair, Hollywoodachtig gebeuren met heel veel licht en geluid en aan de ontzetting van de bewakers die angstig wegkruipen. Maar onze bijna exclusieve aandacht voor dit opstandingsgebeuren zelf, zou de apostelen en de eerste christelijke leraren heel erg verbaasd hebben. Als zij beweerden dat zij de opstanding hadden “meegemaakt” dan beweerden zij niet dit te hebben gezien of meegemaakt.
Wat zij beweerden was dat zij, in de weken die volgden op de kruisiging, op een gegeven moment Jezus hebben ontmoet. En die ontmoetingen verliepen voor iedereen anders. Maar ze drukten wel een onuitwisbare stempel op hun leven. En elk van hen was er diep van overtuigd dat de Jezus die ze hadden zien sterven aan het kruis, verrezen is en leeft. En elk van hen stierf liever de marteldood dan het getuigenis van die verrijzenis af te zweren.

Bestaanswijze
Waarom is het niet-belangrijk zijn van Jezus’ lichaam zo belangrijk?
Omdat het bij de verrijzenis om iets totaal anders gaat dan bij de opwekking van Lazarus. Bij Lazarus ging het om een ontzield lichaam dat terug tot leven kwam. Om later weer te sterven. Bij de verrijzenis van Jezus is daar geen sprake van. De verrezen Heer laat zich kennen in een heel nieuwe bestaanswijze.
Vandaar ook dat de leerlingen Hem in de regel niet onmiddellijk herkennen. Het duurt altijd een beetje voordat een eerste aarzelend vermoeden aanzwelt tot het bijna extatische besef: het is de Heer!
Er is nog iets opvallends: de joden in Jezus’ tijd geloofden in een vaag soort voortbestaan, een schimmenbestaan eigenlijk, na de dood.
En daarom wordt ons in de verrijzenisverhalen ook duidelijk gemaakt dat het hier niet gaat om een geestverschijning: een spook legt geen houtskoolvuurtje aan en eet geen vis, zoals de Verrezene dat doet.

De Heer
Het gaat dus wel degelijk om de gekruisigde Jezus—Hij toont zijn wonden—en Hij is ook niet zonder een zekere lichamelijkheid. Denk aan de geheimzinnige woorden: “Houdt mij niet vast”. De Verrijzenis gaat dus ook niet om een soort omgekeerde Menswording: de mens Jezus die terug God wordt. Neen. Bij de Verrijzenis gaat het om de Mens Jezus die door God is opgewekt tot een heel nieuwe bestaanswijze. Van dan af is Hij: de Heer. Waarom is Hij de Heer?
Omdat God zich in Hem heeft laten kennen en wij—buiten Hem om—niets over God kunnen zeggen. Gewoon niets.
Ons verstand en onze wetenschap kunnen nooit doordringen in het Mysterie dat God is. Wanneer God echter Jezus heeft laten verrijzen, kan dat alleen maar geïnterpreteerd worden als een soort “goedkeuring” van Jezus’ woorden en daden. (En ik schrik een beetje van de bijna banale bewoordingen die ik moet gebruiken, maar ik denk dat het zo is). Wij kunnen God zelf nooit vatten, op geen enkele manier. Maar wanneer wij zeggen dat wij geloven in Jezus, dan zeggen wij dat wij er op vertrouwen dat Jezus een icoon, een “vertaling” is van God, een vertaling die wij wél kunnen begrijpen.

Twijfelen
Iets anders nu.
Als je gelooft, mag je dan niet kritisch zijn, niet twijfelen?
Natuurlijk wel, maar je moet ook zorgen dat je er geen permanente houding, geen spelletje van maakt. Een alibi om niet te hoeven leven naar dat geloof. Geloven heeft nu eenmaal gevolgen, voor je manier van leven, voor je gedrag en je moraliteit. En het kan bijzonder handig zijn om, telkens als het doen of laten van iets je moeilijk valt, geloofstwijfels in te roepen. “Dan moet je er toch nog eens goed over nadenken”, zeg je dan. Dat is zoals “morgen ga ik op dieet”, vaak alleen maar dient om vandaag nog eens goed te kunnen schransen. En datzelfde spelletje kan je spelen met “geloofstwijfels”. Maar eens dat je iets voor waar aanneemt, op grond van kritisch verstandelijk onderzoek, dan moet je je daar ook aan houden, totdat er een grondige reden opduikt om de zaak opnieuw te overwegen. Wat je eens rationeel voor waar hebt aangenomen, mag je ook niet voortdurend door je emoties of zelfs door een slechte spijsvertering in vraag laten stellen.
“Eeuwig-zoekend” zijn is vaak niet anders dan de onwil en de angst om je te binden. Het heeft iets van vlinderen, iets playboyachtig.
Daarom ook is geloof, tot onze verwondering misschien, ook één van de 7 deugden. . .

Pasen

Zondag 21 april 2019, Pasen (jaar C)

Religie is zo oud als de mensheid zelf.
Het was er vanaf het allereerste begin. Al in de prehistorische schilderingen in de grotten van Lascaux zie je hoe religie een poging is om een zin te geven aan het bestaan. In het aangezicht van de aanhoudende pijn en onrechtvaardigheid van dat bestaan. Het is zoeken naar een diepere eenheid en samenhang achter een schijnbaar zinloze werkelijkheid, waarin elk leven blijkbaar afhankelijk is van het vernietigen van ander leven. Religie is dus niet iets dat werd toegevoegd aan onze menselijke conditie, niet iets dat ons werd opgedrongen en aangepraat. Integendeel. Het verlangen naar transcendentie, naar het overstijgen van onszelf en van de vaak gruwelijke werkelijkheid, is misschien wel de meest karakteristieke eigenschap van de mens. En als de religieuze riten ons niet meer aanspreken, dan zoeken we het in muziek en dans, in sport en zelfs in drugs. Vaak gaat het dan om een vlucht, om een compensatie voor een bestaan dat als zinloos en pijnlijk ervaren wordt. En ook bepaalde vormen van godsdienstigheid zijn duidelijk een vlucht. Maar goed begrepen en op de juiste manier toegepast, brengen alle grote religies echte bevrijding. Precies omdat zij ons bewustmaken van het bestaan van die diepere zin en eenheid.

Een klank
Religie is, naar het woord van Karen Armstrong, dé hedendaagse specialiste, “een praktische discipline, die ons leert nieuwe vermogens te ontdekken van onze geest en van ons hart”. En zowel christenen als brahmanen, Griekse filosofen en Chinese wijzen komen, onafhankelijk van elkaar, tot het bestaan van die diepere zin en eenheid achter de verwarrende, zichtbare werkelijkheid zoals wij die dagdagelijks ervaren. Sommigen noemen die diepere werkelijkheid God, anderen noemen ze anders. Maar allen hebben ze het over die Diepere Eenheid, die ons inspireert om die eenheid ook zelf te beleven. Om tegen onze oppervlakkige driften in, te streven naar eenheid en vrede met andere mensen en elke andere vorm van leven te respecteren. Om rechtvaardigheid en mededogen na te streven.

Harmonie
Het christelijk geloof gaat daarin misschien het verst. Voor het christendom is God liefde. En dus kan een zinvol leven alleen maar een leven zijn van strijd tegen alles wat tegen het leven en de liefde ingaat en het bestaan verduistert.
Strijd tegen alles wat mensen vervreemdt, gevangenhoudt en onderdrukt.
En is een leven van alleen maar bekommerd zijn om je eigen pleziertjes, zinloos en waardeloos. Het is natuurlijk een geloof. En geloof kan je evenmin bewijzen als ongeloof. Maar je kan de waarheid van dat geloof wel op het spoor komen door het te doen, door het te beleven. Het is pas als je probeert van je te geven aan anderen, dat je ervaart dat dit het meest zinvolle is dat je ooit gedaan hebt. En dat je er zelf ook gelukkig van wordt. Precies omdat wat je dan doet in harmonie is met je diepste kern, met wat je ten diepste zelf wil. Met de Geest van God die diep in jou aanwezig is.

Hedonisme
Het is jammer dat in onze huidige samenleving mensen al bijna van in de wieg geleid worden in precies de tegenovergestelde richting. Opvoeding, media en reclame duwen ons voortdurend in de richting van individualisme en hedonisme. Ze zeggen ons dat echt leven, zorgen voor jezelf is en genieten van zoveel mogelijk dingen. Die houding wordt momenteel op de meest vanzelfsprekende manier doorgegeven van de ene generatie op de andere. Ze is het nieuwe “normaal” geworden. Ze wordt nauwelijks nog in twijfel getrokken. Wij mogen het kritische en alternatieve karakter van het geloof in deze kwestie niet wegmoffelen. Wij mogen niet toegeven aan de druk naar levensbeschouwelijke eenheidsworst. Wij moeten onze eigenheid bewaren en openlijk blijven zeggen waar het voor ons op staat.

Keuze maken
Als wij terug jongeren willen evangeliseren – en wij zullen daar werk moeten van maken, willen wij hier in West-Europa niet helemaal verdwijnen – dan moeten wij dat doen met open vizier. Hen niet willen lokken met Tomorrowland-achtige toestanden. Of met een avondje religieuze clips, met misschien nog een jointje achteraf. Wij moeten van het begin af aan duidelijk zeggen dat je een fundamentele keuze moet maken. Dat je als christen ervan uitgaat dat alleen maar voor jezelf leven, waardeloos is. En dat, als je zo leeft, je dat ook zelf als eerste zal ervaren. En dat alleen een gegeven leven, een leven van inzet voor anderen, zin en betekenis geeft aan je bestaan. Klinkt dat niet een beetje saai, zeker voor jongeren? Dat klinkt afschuwelijk saai. Maar wie er durft op ingaan, die merkt dat het gewoon zo is. Die verlaat het land van zoeken naar genietingen als doel op zich. Om te ontdekken dat zorg dragen voor anderen, voor je vrouw, voor je kinderen, voor je ouders, en zelfs voor wildvreemde mensen, je eigen leven zin geeft. En je dus ook gelukkig maakt.

Bevestiging
En, gaande-de-weg ontdek je iets wat nog belangrijker is dan zingevend en gelukkig-makend: je ontdekt dat het wáár is. Dat die diepere eenheid waar geloof het over heeft er wel degelijk is. Dat God echt bestaat.
En dat Hij met je meegaat en op een heel geheimvolle manier van je houdt als van de appel van zijn oog.

Excuseren en vergeven

Zondag 7 april 2019, 5de zondag van de Veertigdagentijd (jaar C)

Een vrouw is op overspel betrapt en wordt vóór Jezus gebracht. Het is de bedoeling dat hij een oordeel over haar uitspreekt. Jezus doet dat niet.
Hij laat integendeel haar hypocriete aanklagers één voor één afdruipen. Zodat de vrouw, de facto, vrijgesproken wordt. Dit verhaal is geliefd bij twee groepen mensen. De eersten zien er vooral een bewijs in van de mildheid en de oneindige vergevingsgezindheid van God. De anderen, je zou ze “relativisten” kunnen noemen, zien er vooral een bewijs in dat Jezus heel “breed” is in die dingen. Dat wijzelf zwaarder tillen aan onze zonden dan God. Maar dat laatste is, denk ik, wishful thinking. Jezus zegt aan het eind heel uitdrukkelijk tot de vrouw: zondig voortaan niet meer. Duidelijk toch niet zó breed. . .

Zonden
Je zou hier ook het verhaal kunnen naast leggen van de publieke zondares die na een ontmoeting met Jezus, tranen van berouw stort. Tranen ook van dankbaarheid en geluk omwille van de uitweg, het nieuwe leven dat Jezus haar toonde. Tot de verbouwereerde omstaanders zegt Jezus: “Haar zonden zijn haar vergeven, al zijn het er velen, omdat zij veel heeft liefgehad”.
Dat deze vrouw “veel heeft liefgehad” slaat uiteraard op haar oprecht berouw en op de dankbare en tedere genegenheid waarmee ze Jezus benaderde.
Er staat immers: ze waste Jezus’ voeten met dure balsem en met haar tranen. En ze droogde ze af met haar haren. In dit geval zijn er zelfs mensen die bij dat “omdat ze veel heeft liefgehad” denken aan haar vroegere activiteiten met haar klanten. Je kan bij het uitleggen van de Bijbel allerlei sprongetjes maken zoals lammetjes dat doen in de voorjaarsweide. Maar het moet niet al té dol worden.

God
In ieder geval is de strekking van heel het evangelie: God verafschuwt de zonde, maar Hij bemint de zondaar. Want die blijft zijn geliefd kind, hoe groot zijn fouten ook zijn. En daarom vergeeft Hij ons ook telkens als wij erom vragen.
Zijn barmhartigheid is onbegrensd, zijn liefde onvoorwaardelijk. Hij is, ook hierin, zo totaal anders dan wij, zozeer zelfs dat het bijna onbegrijpelijk voor ons is. Voor ons is iemand echt vergeven het moeilijkste dat er bestaat.
Maar het is al veel als wij duidelijk zien dat God anders is dan wij.
Ons hele rechtssysteem bijvoorbeeld, waar we terecht fier op zijn, is helemaal gebaseerd op onze zin voor rechtvaardigheid. En dat houdt dus ook in dat misdrijven bestraft worden. En zo is het goed. En ook nodig. Je kan geen samenleving in stand houden als je misdaden ongestraft laat.
Maar God moet geen maatschappij in stand houden. Hij kan zich de luxe permitteren van fouten te vergeven. Als God kan Hij dat en als liefdevolle Vader, zoals wij Hem in Jezus leren kennen hebben, doet Hij dat ook.

Excuseren
Op dit punt gekomen is het belangrijk dat wij zien dat er een zeer duidelijk onderscheid bestaat tussen iemand vergeven en iemands excuses aanvaarden.
Iemand excuseren wil zeggen: “Ik begrijp dat je er eigenlijk niets kan aan doen, dat je het zo niet bedoeld had, dat het eigenlijk jouw schuld niet was”. Bijna altijd als wij vergeving vragen, zijn wij eigenlijk bezig met ons te excuseren. Zelfs tegenover God, zelfs in de Biecht. Je krijgt dan zoiets van: “Heer, ik weet het, wat ik deed was grondig fout. Maar ze hebben het wel een beetje uitgelokt.” Of: “Mijn geduld met hun eindeloos getreiter raakte op. Ik ben tenslotte ook maar een mens”. Dat is: niet vragen om vergeving, maar je excuseren. En wij doen dat zo gemakkelijk, omdat er inderdaad ook vaak “verzachtende omstandigheden” aan te voeren zijn. Vaak kunnen wij verkeerde daden van ons inderdaad gedeeltelijk of zelfs geheel ver-ont-schuldigen.
Maar als het eigenlijk onze schuld niet was, dan valt er ook niks te vergeven.
Vergeving slaat wezenlijk op dat deel van de handeling waar je geen enkel excuus kan voor aanvoeren. Echte vergeving betekent heel scherp de zonde, het vergrijp, de fout te zien, dat deel van de zonde waarvoor geen enkel excuus bestaat, hoe welwillend je ze ook wil benaderen. Alle verschrikking, laagheid en venijn ervan te zien en toch geheel verzoend te zijn met de mens die het gedaan heeft.

Ondoenbaar
Dat, en niets anders dan dat, is vergeving. En die vergeving kunnen wij altijd van God krijgen als wij erom vragen. En dat maakt blij natuurlijk. En toch, ik denk echt dat wij, mensen, niet tot dat soort vergeving in staat zijn. Niet uit onszelf. Wanneer iemand echt zwaar tegen mij misdaan heeft, dan kan ik mijzelf misschien zo ver krijgen dat ik begrip kan opbrengen voor “verzachtende omstandigheden”, de dader minstens gedeeltelijk kan excuseren.
Maar het niet-excuseerbare, het naakte kwaad in al zijn smerigheid vergeven, dat kan ik niet. Toch niet zonder Gods hulp. En dus weet ik wat mij te doen staat. Want over die dingen staat er iets heel schokkends in het Evangelie. Je kan er gewoon niet omheen.
Van Gods liefde mogen wij goddank aannemen dat ze onvoorwaardelijk is.
Maar over zijn vergeving staat er -zwart op wit- dat wij ze alleen maar krijgen als wij ook zelf bereid zijn onze broeders en zusters te vergeven.