Vertrouwen

Zondag 13 juni 2021, Elfde zondag door het jaar (jaar B)

Er zijn mensen die God vooral zoeken (en ook vinden) in de natuur.
Ik heb daar alle respect voor, iedere mens vindt God op een heel eigen, persoonlijke manier. Maar mijn weg is het niet.
Ik kan wel ongelooflijk genieten van de natuur. Ik kan heel nostalgisch en poëtisch worden van een zonsondergang aan zee, de late roep van een vogel, de zilveren schittering van de avondlijke nevel over een meer. Ik kan enorm ontroerd worden bij een film van National Geographic, en zelfs wenen bij het zien van de ontroostbare droefheid en wanhoop -je ziet dat werkelijk- van een olifantenmoeder van wie de baby gestorven is en die zich wanhopig moet verzetten tegen de oprukkende hyena’s die haar kindje willen verscheuren. En hoe die olifantenmoeder uiteindelijk de strijd verliest. . . en ik kan in heel die wreedaardige gang van zaken God onmogelijk herkennen.

Onaf
De natuur is niet alleen mooi. De natuur is ook ongelooflijk wreed.
De wereld is duidelijk “onaf”. En je neerleggen bij de wereld zoals hij is, is je neerleggen bij wreedaardigheid en tirannie. Is onverschillig blijven bij alles wat slecht en verkeerd is. Is zo goed als instemmen met alle onrecht, ook tussen mensen en volkeren.
De wereld is onaf. En als God werkelijk liefde is—wat wij geloven—dan wil Hij dat wij medescheppers worden, dat wij ingrijpen en die wereld mooier maken. Dat wij ingrijpen in de natuur. En dat wij op de eerste plaats de verhoudingen tussen de mensen lieflijker en vredevoller maken.
Maar als wij spreken over ingrijpen in de natuur, over de wereld veranderen, dan moeten wij er ons van bewust zijn dat we hier heel omzichtig moeten tewerk gaan. Omdat wij als mensen, in tegenstelling tot de rest van de natuur, wél over een moreel besef beschikken. En dat geeft ons een enorme verantwoordelijkheid.

Beheerders
Veel te laat hebben wij ingezien dat wij in harmonie moeten leven met de natuur, waar we zelf een deel van zijn. En dat wij als goede beheerders met de aarde moeten omgaan. Dat wij respectvol gebruik moeten maken van de hulpmiddelen die de natuur ons aanreikt. Maar dan als goede beheerders, niet als uitbuiters.
Veel te lang immers hebben wij, wild en onbezonnen, de aarde uitgebuit, de lucht verpest, de zeeën bezoedeld.
Eigenlijk kunnen wij als mensen niet genoeg beschaamd zijn voor wat wij onze aarde (voorlopig alleen nog onze aarde!) hebben aangedaan.
En dat omwille van onze tomeloze hebzucht.

Wijsheid
Maar anderzijds is het ook zo dat wij niet terug in het andere uiterste moeten vervallen.
Het joods-christelijk denken heeft indertijd een einde gemaakt aan de vergoddelijking van de natuur. Misschien wel de eerste en belangrijkste vorm van secularisatie die ooit heeft plaatsgevonden.
En dat blijft een goeie zaak. Die “ont-goddelijking” van de natuur maakte bijvoorbeeld het wetenschappelijk onderzoek mogelijk. En wie zal ontkennen dat het voorkomen van overstromingen door het aanleggen van dammen en dijken, het droogleggen van moerassen, maar ook het bestrijden van infecties, kwaadaardige bacteriën en virussen, en de geneeskunde in het algemeen een goeie zaak zijn? Ook al betekenen ze een zeer duidelijk ingrijpen in de natuur.
Het is m.a.w. belangrijk dat wij in onze omgang met de natuur, altijd met veel wijsheid tewerk gaan.

Groeikracht
En er is nog iets. . .
Naast de enorme hulpmiddelen die de natuur ons biedt en de onbeschrijfelijke schoonheid waar wij voortdurend mogen van genieten, is er nog een derde zaak die ons mateloos kan verbazen en tot sprakeloze bewondering brengen.
En dat is de ongelooflijke groeikracht die zich in heel de Schepping openbaart.
De kleinste zaadjes brengen immense bossen voort, één enkel paar dieren onoverzienbare kudden en enkele eitjes van vissen krioelend leven in het water. En dan het palet van kleuren en geuren: onbeperkt, bedwelmend, mateloos schoon.
Maar bovenal die immense groeikracht, overal aanwezig, in alles kiemend, alles stuwend, onstuitbaar doorbrekend, alles vernieuwend.
En juist die groeikracht in de natuur gebruikt Jezus in de parabel van het zaad om ze toe te passen op de komst van het Rijk: ook dat is onstuitbaar.
Ik vind dat persoonlijk een van de meest kostbare parabels en toezeggingen die Jezus ons geeft.
En ook een van de meest troostvolle.

Vertrouw
Speciaal in deze tijd waarin wij ontmoedigd dreigen te geraken bij het verdampen van het geloof bij zovele mensen en de schijnbare ondergang van de Kerk in onze streken. Je zou voor minder de moed opgeven.
Maar dan staat daar Jezus, met zijn altijd herhaalde aansporing: “Wees niet bang!”
Wij moeten alleen maar zaaien. De groeikracht komt van Hem. Wij moeten alleen maar zaaien, niet de jonge plantjes uit de grond naar omhoog willen trekken.
Alleen maar zaaien en vertrouwen. Zijn Woord is sterk genoeg.
De groeikracht zit al in het zaad.
Zij komt van Hem. Wees niet bang. Vertrouw.
Het gezaaide doet zijn werk, hoe dan ook.
Denk aan de woorden van Henriette Roland Holst.
Ik zal de halmen niet meer zien.
Noch binden ooit de volle schoven.
Maar doe mij in de oogst geloven.
Waarvoor ik dien.

Alert blijven

Zondag 6 juni 2021, Sacramentsdag (jaar B)

Vandaag brengt het evangelie ons het relaas van een erg ongewone gebeurtenis: de familie van Jezus die onverwacht uit de schaduw treedt en zich over Hem wil ontfermen en Hem mee naar huis wil nemen. Om Hem “te beschermen tegen zichzelf”. Ze waren er immers stilaan van overtuigd geraakt dat Jezus -zo staat het er letterlijk- niet goed meer bij zijn zinnen was.
Onverwacht en ongewoon inderdaad, maar zeker niet onbegrijpelijk.
Ze hadden Jezus inderdaad al die jaren gekend als een van hen, een gewone jongen, de zoon van oom Jozef zeg maar.
En nu ineens begint Hij rond te trekken en allerlei ongewone dingen te vertellen.
En aandacht te trekken. De verkeerde aandacht, vreest zijn familie. De aandacht van de machtigen. En ze besluiten in te grijpen. Voor zijn eigen goed.
Ze zijn immers bezorgd. Ze menen oprecht dat er iets misgelopen is in Jezus’ hoofd.

Verontrustend
Ze hebben in zoverre gelijk, dat er inderdaad iets gebeurd is met Jezus.
Op het ogenblik dat Hij aan zijn openbaar optreden begint, heeft zich diep in Hem het besef uitgekristalliseerd wie Hij ten diepste is: een mens in wie God zich aan ons wil laten kennen; God zelf in de gedaante van iemand die tezelfdertijd 100% een mens is.
En Jezus mag dan al een ongelooflijk liefdevolle man zijn die al weldoende rondtrekt, die zieken geneest en bedrukten moed inspreekt, het kan niet langer worden genegeerd dat Hij ook hele opmerkelijke, zeg maar gerust “rare” dingen over zichzelf zegt.
Zolang Hij, sprekend over zichzelf, het heeft over “mensenzoon” of zelfs “zoon van God” kan je dat nog, met enige welwillendheid, plaatsen.
Binnen de Joodse cultuur worden nog wel andere mensen “zoon van God” genoemd.
Ronduit verontrustend wordt het pas als Jezus begint uitspraken te doen als: “Ik ben de alfa en de omega”; “Ik ben de Wijnstok, gij zijt de ranken, los van mij kunt ge niets”.
Allemaal verbijsterende uitspraken die culmineren in het verschroeiende: “Wie mij ziet, ziet de Vader. Ik en de Vader, wij zijn één”.

Incarnatie
En hier kan je dus echt niet meer omheen.
Iemand die dergelijke uitspraken doet, die is ofwel inderdaad wie Hij zegt te zijn, ofwel een zwaar gestoord persoon. We moeten kiezen tussen die twee. Een andere mogelijkheid heeft Jezus ons niet gelaten.
Ikzelf geloof het eerste. Het maakt de kern uit van het christendom.
Een kern die bovendien uniek is.
Je kan verschillende punten van overeenkomst ontdekken tussen ons geloof en andere godsdiensten. En dat is uiteraard goed. Maar het punt waar we het nu over hebben is absoluut uniek christelijk: het geloof namelijk dat in de mens Jezus, God zelf naar ons toekomt en met ons een relatie wil aangaan.
Voor ons is Jezus geen profeet, geen bijzonder persoon, geen grote morele leraar. . .
Voor ons is Jezus niemand minder dan God zelf. Maar dan in de gedaante van een mens, de enige mogelijkheid voor ons om te begrijpen wat God van ons wil.
En ik zou het niet anders willen. Ik zou nooit mijn hele leven kunnen toevertrouwen aan een “morele leraar”, een “wijze”, een “goeroe”. . . Jezus moet voor mij meer zijn dan alleen maar dat.
Van Plato en Aristoteles geloof ik dat het grote filosofen en zelfs leraren der mensheid waren. Maar ik kan er alleen maar over lezen, ik kan er geen relatie mee aangaan, ze zijn geen realiteit in mijn leven. Jezus wel. Jezus is de warme nabijheid van God, ook voor mensen van deze tijd.

Helaas. . .
Maar voor velen is dat besef, dat geloof, verloren gegaan in de jaren 70 en later.
Hetzelfde geldt voor het geloof in de sacramenten.
Sacramenten zijn, volgens de eeuwenoude christelijke opvatting: tekens en bewerkers van Gods nabijheid voor de mens.
Als dat geloof verdwijnt, valt alles omver en hou je gewoon niets meer over dan. . . morele richtlijnen.
Als je ophoudt met te geloven dat in de Eucharistieviering de verrezen Heer echt in ons midden komt, dat Christus daar aanwezig is, dan valt de ziel weg uit die vieringen. En dan moeten wij inderdaad van alles beginnen uit te vinden om onze missen “op te smukken”, “leuk” en “interessant” te maken.
Is het aanwezig komen van de Heer dan niet interessant genoeg?
Ik wil niemand de les spellen. Maar het is mijn diepe overtuiging dat het achteloos laten verdampen van deze 2 kernpunten van ons geloof, de voornaamste reden is van de hedendaagse geloofsafval. Wat overblijft, zijn immers alleen maar een reeks morele standpunten. Voor het diepere, het echt religieuze verlangen in de mens, blijven we op onze honger zitten.

Veranderen
Voor mij mogen een heel aantal zaken in de Kerk gerust veranderen. Ik gun de toekomstige priesters van harte dat ze gelukkig mogen zijn met vrouw en kinderen; dat vrouwen in de Kerk hetzelfde respect en dezelfde kansen krijgen als mannen, en dat er ook serieus gesleuteld wordt aan de archaïsche houding tegenover homoseksuele mensen.
Maar bij elke verandering moet je zien dat je het kind niet weggooit mét het badwater.
Het kind, dat is hier: het geloof in menswording en sacramenten. Als je dát loslaat ben je wellicht nog met heel prijzenswaardige dingen bezig. Maar niet meer met de mensnabije God van Jezus, die een echte relatie wil met elke mens.

Hoe ziet God er eigenlijk uit?

Zondag 30 mei 2021, Drievuldigheidszondag (jaar B)

Vandaag is het Drievuldigheidszondag.
De dag dat wij er meer dan anders bij stilstaan dat christenen God zien als een drie-eenheid; God zien als Vader, Zoon en Heilige Geest. En toch één God.
Het is duidelijk een niet voor de hand liggende theologische constructie, die Mohammed bijvoorbeeld deed besluiten dat christenen eigenlijk in drie goden geloven in plaats van in één. Maar dat is natuurlijk niet zo.
Een probleem wordt het maar wanneer beroepstheologen beginnen te schrijven over de Heilige Drievuldigheid en over de liefdesrelatie tussen Vader, Zoon en Heilige Geest. Wat bij gewone mensen als jij en ik, overkomt als Byzantijns gespin.
En dan blijven we nog vriendelijk, want voor hetzelfde geld kunnen we het je reinste speculatie noemen.
Want God is de Gans Andere, d.w.z. wij kunnen Hem niet vatten of doorgronden.
Wij kunnen ons geen enkele voorstelling van Hem maken.
Vandaar ook het Bijbelse verbod op het maken van beelden van God. Iets wat al te gemakkelijk gezien wordt als een verbod op het maken van afgodsbeelden.

Beelden
Maar dat verbod geldt voor het maken van alle beelden, ook voorstellingen in ons hoofd. Omdat God voor ons Mysterie is. En elk beeld dat we van Hem maken per definitie meer zegt over ons dan over Hem.
En daar moeten wij gewoon mee leren leven.
De hele Bijbel gaat alleen maar over wat God doet, over wat God kan betekenen voor een mens, over hoe Hij naar mensen op zoek gaat, wat Hij van mensen verlangt en, vooral: hoe Hij mensen bevrijdt.
Maar in heel de Bijbel vind je geen enkele beschrijving van God. Wie of wat Hij is. Behalve 1 keer, bij Johannes, waar Jezus zegt dat God liefde is.
Dat is alles wat we hebben. Maar dat is natuurlijk wel bijzonder veel.
Want dat wil zeggen dat alles wat niet in overeenstemming is met de liefde, ook niet van God komt. En dat, omgekeerd, alles wat wij wel uit liefdevolle overwegingen doen, volkomen in harmonie is met Gods bedoelingen.
Dit weten is natuurlijk oneindig veel belangrijker dan welk vermoeden ook over “hoe God er misschien wel uitziet”.
Nu is het natuurlijk wel zo, dat diepe waarheden zoals het inzicht dat God liefde is, in heel hun draagwijdte slechts zeer langzaam doordringen tot en aanwezig blijven in het bewustzijn van de mensen. Dat heeft tijd nodig.

Evolutie
Zelfs in de Bijbel zelf zie je evolutie in het denken van de mens over God.
De joodse oerervaring was dat God een bevrijdende God is. “Die ons gered heeft uit Egypte, het slavenhuis”. En ze beseffen met de tijd ook meer en meer dat die bevrijdende God ook een oneindig rechtvaardige en liefdevolle God is.
Maar omdat er in die dagen nog geen spoor was van globalisatie betrokken ze God in de eerste plaats op hun eigen joodse volk, Gods volk. Vaak nog in oppositie met andere volkeren. Jahweh was eigenlijk nog altijd een soort stamgod. Hún stamgod.
Pas in het christendom worden die enge grenzen doorbroken. En wordt God de liefdevolle Vader voor elke mens.
Blijft dan natuurlijk nog altijd de vraag: “Wat moeten wij met die Heilige Drievuldigheid?” Is dat iets om bij het oud papier te zetten of bestaat daar ook een “moderne uitleg” voor?
Ik denk dat het hier niet gaat over oud of modern. Maar dat wij daar wat minder ingewikkeld moeten over doen. Ik denk dat we hier een goede regel uit het wetenschappelijk onderzoek kunnen hanteren: van alle mogelijke verklaringen is de eenvoudigste meestal de juiste. Laat me dus bij dezen een poging doen.

Één God
Omdat Jezus God een liefdevolle Vader noemt, is God-de-Vader niemand anders dan God zelf.
Omdat wij ons, zoals gezegd, over die God geen enkele voorstelling kunnen maken, heeft God zich laten kennen in een mens: Jezus.
Het was de enige manier die God had om zich aan ons op een voor ons begrijpelijke manier kenbaar te maken.
Jezus toonde ons in zijn woorden en in zijn manier van leven op een voor mensen begrijpelijke manier, wie God is: een liefdevolle, zorgzame en bevrijdende God.
En de Heilige Geest, dat is geen “geest”, geen spookachtige entiteit.
De Heilige Geest, dat is gewoon: God zoals Hij rechtstreeks tot ons spreekt in ons binnenste.
Zoals God tot ons spreekt in Jezus en zoals wij Hem kunnen ervaren in de natuur, in schoonheid en in mensen, zo spreekt God ook rechtstreeks tot ons in ons hart, ons verstand en ons geweten. En dát is, denk ik, de Heilige Geest.
Misschien moeten we het allemaal niet te ver gaan zoeken. . .

De Geest die alles nieuw maakt

Zondag 23 mei 2021, Pinksteren (jaar B)

Pinksteren wordt algemeen gezien als het stichtingsmoment van de Kerk.
Het moment waarop de apostelen, die zich sinds Jezus’ dood als bange wezels gedeisd hadden gehouden, hun angst lieten varen en onverschrokken naar buiten kwamen om te getuigen van de Verrijzenis.
Hoewel ze heel goed wisten, zoals we vorige week al zagen, dat wat zij verkondigden door velen, niet op applaus zou worden onthaald.
Toen niet en nu niet.
Omdat “de wereld” gewoon niet zit te wachten op een leer die jezelf-geven de plaats wil laten innemen van alleen maar bezig zijn met het zorgen voor jezelf.
Ze weten dus heel goed dat ze op tegenstand en cynisme zullen botsen.
En wellicht vermoeden ze al dat uiteindelijk geen van hen het er levend zal afbrengen. Maar ze zetten door. Want ze beseffen nu dat ook massaal veel mensen juist wél zitten te wachten op het goede nieuws dat Jezus brengt.

Universeel
En dat is meteen de betekenis van Pinksteren. Al die markante, wonderlijke gebeurtenissen die dag: of je ze nu letterlijk aanneemt of liever kijkt naar de symbolische betekenis ervan, ze wijzen in beide gevallen in dezelfde richting.
Eén, het geloof dat Jezus brengt doorbreekt de joodse omknelling, het wordt meteen van in het begin universeel: bestemd voor iedere mens, in elk land, in elke tijd, of hij nu rijk is of arm, blank of zwart, geleerd of eenvoudig: de verlossing die Jezus brengt is voor elke mens bestemd.
En twee, nog meer opzienbarend, is het besef, de ervaring dat al die zo verschillende mensen er ook voor open kunnen staan.
De mensen die op dat moment in Jeruzalem verbleven om de verbondssluiting op de Sinaï te gedenken kwamen uit alle volkeren en culturen.
En “ze hoorden de apostelen spreken in hun eigen taal”, d.w.z. ondanks hun totaal verschillende achtergrond begrepen ze zeer goed wat hun over Jezus gezegd werd, m.a.w. ze bevestigden de universaliteit van het evangelie, het ongeëvenaarde vermogen van het evangelie om door elke mens begrepen en aanvaard te worden.

Inzicht
Ik denk dat dit inderdaad de kern is van het pinkstergebeuren: er is niet alleen de opdracht om het evangelie van Jezus te verkondigen tot aan de uiteinden der aarde. Er is ook het besef, de zekerheid zelfs dat het evangelie kan begrepen worden door elke mens. Dat mensen uit elke cultuur en in elke tijd erdoor gegrepen kunnen worden.
En die zekerheid, dat inzicht wordt de apostelen geschonken door God zelf.
En dat is nu precies wat wij de werking van de Heilige Geest noemen.
Inzicht, licht, klaarheid die je geschonken wordt. En waarbij je heel goed voelt en weet: dit komt niet van mij, dit is echt een geschenk.

Heilige Geest
De Heilige Geest, dat is God zoals Hij spreekt in ons hart. Zoals Jezus God is in de gestalte van een mens, zo is de Heilige Geest God zoals Hij tot ons spreekt via ons hart, ons verstand en ons geweten.
De Heilige Geest kan dus nooit in tegenspraak zijn met de Geest van Jezus.
Het IS immers de Geest van Jezus die via ons zijn aardse leven verderzet, zijn evangelie gestalte geeft en uitdraagt, ons aanneemt als zijn lichaam op aarde!
Als je die betekenis echt tot je laat doordringen word je daar heel stil van.
Wij zijn momenteel het lichaam van Jezus. Wij. Hoe ongelooflijk verscheiden en onwaardig we ook zijn, wij zijn het lichaam van Christus op aarde, als wij ons laten leiden door zijn Geest.
En omdat de Geest uitgaat van God zelf, mogen wij onze eigenheid bewaren, omdat Gods Geest niemand tot slaaf maakt maar juist iedere mens wil bevrijden van alles waarin hij gevangen zit.

Stimuleren
Iedere mens heeft bepaalde vaardigheden en talenten.
De Geest gaat niet van je vragen dat je die inlevert. Zoals Hij ze je ook niet plots gaat schenken. Het gaat om aanleg en kunde die je bij de geboorte hebt meegekregen. Maar de Heilige Geest gaat je stimuleren die in dienst van het Evangelie te stellen. Hij gaat de mens dus aanmoedigen om zijn super individuele gaven te ontwikkelen en ze dan aan te wenden voor het evangelie.
Niemand van ons moet dus een kopie worden van iemand anders.
Vandaar dat de Kerk een bonte wemeling moet zijn van allemaal verschillende mensen, maar die allemaal met hun eigen talenten werken aan het Rijk Gods.
Een gemeenschap waar je geven voor anderen de hoogste deugd is en liefde, vrede, vriendschap en respect de norm.
En voor ieder die dat wil komt de Geest niet enkel als een flits op Pinksteren, maar blijft Hij “stand-by”.
Ook op andere dagen. Voor ieder van ons.

Hemelvaart

Donderdag 13 mei 2021, Onze-Lieve-Heer Hemelvaart (jaar B)

In een van de (overigens pretentieloze, maar degelijke) preekboeken van pater Jos Lammers van eind de jaren 80 lees ik: “Het verhaal van de Hemelvaart van Jezus is niet het verslag van iemand die de dampkring doorboort.
Wij hoeven de hemel trouwens niet boven ons hoofd te zoeken, ook al is die een mooi beeld.”
Ik blijf hier wat langer bij stilstaan omdat er een oud en hardnekkig misverstand ter sprake komt. Het misverstand dat de mensen van nu denken dat de mensen vroeger naïever waren dan wij nu. Dat is níet zo. De mensen wisten minder dan wij nu, omdat de wetenschap zich altijd verder ontwikkelt. Maar de voorstellingen die de mensen zich vroeger maakten over de werkelijkheid waren heel aannemelijk.
Ze waren het gevolg van vragen, vermoedens en gedachten die opwelden bij alles wat hun zintuigen hun vertelden. Nu nog steeds het begin van elke wetenschap.

Naïef?
De gedachte dat de aarde plat was en de hemel daarboven het huis van God of van de goden, is daarom eerder logisch dan naïef.
En in ieder geval was er geen enkel middel om die voorstellingen te onderzoeken of tegen te spreken.
Maar toen later die beelden niet langer houdbaar bleken, het beeld bijvoorbeeld van 2 tronen boven de wolken met in de ene God de Vader en in de andere Jezus (gezeten-aan-zijn-rechterhand), denk ik niet dat dit grote ontreddering onder de gelovigen teweegbracht. Ik denk eerlijk dat de mensen vroeger vooral begrepen dat ze in Jezus een machtig voorspreker hadden bij God. Maar dat ze veel minder naïef waren, veel minder verknocht aan het letterlijk nemen van voorstellingen en metaforen dan wij nu graag willen geloven. . .
Wat mensen de Kerk in de jaren 60/70 wel bijzonder kwalijk hebben genomen is dat ze, bij monde van allerlei “moderne” predikanten, nogal meesmuilend begon te doen over allerlei “naïeve voorstellingen”. Voorstellingen die de vorige generaties predikanten de mensen jarenlang hadden onderwezen. Dát pikten ze niet. En ze hadden gelijk.

En nu?
Op dit ogenblik echter is het christelijk geloof zodanig verschraald tot alleen maar moraal dat mensen (ook jongeren) die eerlijk willen geloven en als christen willen leven, op hun honger blijven en nauwelijks nog antwoord krijgen op hun vraag naar de inhoud van het geloof.
Ze willen weten wat Hemelvaart nu precies inhoudt. Wat Pasen betekent en Pinksteren, menswording, sacramenten, door God bemind worden, eeuwig leven.
Wat houdt dat allemaal precies in? En wat betekent dat voor mijn leven? Het kan toch niet dat dit concept, heel die grandioze visie kan verpieteren tot “een beetje lief zijn voor elkaar”. Dáár moet echt iets aan gedaan worden.
Goed. Een beetje jammeren over wat er allemaal misgelopen is mag, als dat maar niet te vaak gebeurt want daar schiet je ook niets mee op.

Over Hemelvaart dus
Ik herinner mij dat ik ooit bij A. Lewis iets las dat mij erg bevreemdde. Pasen, schreef Lewis, had geen zin als er geen Hemelvaart bijkwam.
Later begreep ik dat als Jezus (zoals Lazarus) alleen maar was opgewekt om daarna zijn leven gewoon verder te zetten in Palestina, dat voor ons nu weinig of geen betekenis zou hebben gehad. Maar zo is het niet gegaan.
In plaats van een gereanimeerde dode werd Jezus “de verhoogde Christus, zetelend aan Gods rechterhand”.
De betekenis daarvan is duidelijk.
Tijdens zijn leven als mens onder ons was de werkzaamheid van Jezus eerder beperkt. Zowel in ruimte als in tijd. Hij had maar een kleine groep volgelingen, die Hem van heel nabij kenden. Waar Hij kwam verzamelden zich soms grote menigten om naar Hem te luisteren.
Maar ik kan mij moeilijk voorstellen dat ook buiten Palestina, vele mensen van Hem hadden gehoord. En zelfs binnen de grenzen van dat kleine land kon Hij niet overal tegelijk zijn.

Lammers
Door zijn hemelvaart worden de beperkingen opgeheven. De verrezen Heer kan nu aanwezig zijn voor iedereen. Hij die in zijn zichtbaar leven zeer beperkt gekend was door enkelen, kan nu intiem aanwezig zijn voor miljoenen mensen die Hem nooit hebben gezien, Hem nooit hebben horen spreken.
“Door de hemelvaart”, zegt Jos Lammers, “verwijdert zich zijn gestalte, maar verwijdt en verhoogt zijn tegenwoordigheid”. Zijn Geest kan iedereen vervullen die zich voor Hem openstelt. En Hij wordt de vertrouwde vriend en gids en tochtgenoot van miljoenen mensen in alle tijden.
Ineens begrijp ik wat Lewis bedoelde toen hij zei dat Pasen zonder Hemelvaart geen betekenis zou hebben.

Oprukkend heidendom

Zondag 9 mei 2021, Zesde Paaszondag (jaar B)

Beide lezingen vandaag gaan over het centrale christelijke thema dat God liefde is. Wij hebben die woorden al ontelbare keren gehoord. En ze vloeien ook zo gemakkelijk uit onze mond en onze pen, ze klinken voor ons zo gewoon en vertrouwd dat ze bijna banaal geworden zijn.
Maar dat zijn ze allerminst. De gedachte, de boodschap, de overtuiging dat God liefde is, was destijds zo revolutionair dat wij ons dat nu nog maar moeilijk kunnen voorstellen.

Angst
Tot aan de komst van het christendom waren God en de goden redelijk onbetrouwbare wezens. Ze hadden macht en konden je helpen, maar ze konden je met hetzelfde gemak de vernieling indraaien.
Het kwam er dus voor de mens in al zijn miserie op aan om de goden gunstig te stemmen. En dat probeerde je dan met gebeden en vooral met offers.
Het ging dus om een godheid die moest helpen om onze angsten tot bedaren te brengen, maar die zelf ook angstaanjagend was.
En een deel van die vreeswekkende God is via het Oude Testament ook het christendom ingeslopen.
Omdat Jezus zelf joods was, en de eerste leerlingen eveneens, hebben de christenen naast het evangelie van Jezus ook het Oude Testament in “hun” Bijbel opgenomen. En je zou dat nog enigszins kunnen verantwoorden. Omwille van het respect voor hun eigen origine: het joodse denken en het kordaat verwerpen van het veelgodendom en van alle mogelijke astrologische rimram.
Bovendien heeft het Oude Testament ons onmiskenbaar niet alleen enkele van de prachtigste verhalen uit de wereldliteratuur geschonken, maar ook indrukwekkende beelden en getuigenissen over de liefde, de trouw, de tederheid van God.
En toch kan je, wat Oosterhuis ook moge vertellen, de God van het Oude Testament niet echt de God van de christenen noemen.

God is liefde
Want de joodse God is niet alleen teder en trouw en liefdevol. Hij noemt zichzelf ook een jaloerse God, die zonden bestraft tot in het zoveelste geslacht, die mensen scherp in het oog houdt of ze zijn wetten wel naleven en die vuur spuwt naar de vijanden van zijn vrienden. Dit is niet de God van Jezus.
En als christelijke ouders mij zeggen dat ze hun kinderen stimuleren de Bijbel te lezen, dan raad ik ze altijd aan om hun het evangelie van Jezus te geven en het Oude Testament te laten voor later.
Voor als hun keuze voor Jezus al vaststaat.
Want de God van Jezus is pure liefde. En alles wat over Hem verteld wordt en dat daarmee niet strookt is larie. Elke bladzijde van het evangelie bevestigt dat.
Elke bladzijde in het evangelie leert ons dat dit het onbetwistbare centrale punt is in ons geloof: dat God oneindig veel houdt van iedere mens. En dat hij ons wil nodig hebben om zijn liefde door te geven. En ook al kunnen wij die liefde die God voor ieder van ons heeft niet wetenschappelijk bewijzen, wij kunnen ze in ieder geval wel zo sterk ervaren dat het een vaste zekerheid wordt in ons leven.

Vragen
Ook al begrijpen wij God niet altijd. Ook al stelt bijvoorbeeld de vreselijke gang van zaken in de natuur (vreten en opgevreten worden) ons voor een raadsel. En stellen wij ons vragen bij alle vreselijke dingen die onszelf in het leven overkomen.
Maar juist dan moeten wij als christenen blijven vasthouden aan dat centrale gegeven dat God liefde is en dat wij die liefde willen doorgeven.
Ook al zijn er dingen die wij niet begrijpen. God blijft nu eenmaal voor een groot deel mysterie.
Misschien is zijn liefde anders dan de onze? En bovendien weet en ziet en voorziet God ook dingen waar wij geen weet van hebben. Maar laat ons liever toegeven dat wij een aantal zaken niet begrijpen dan dit centrale thema, dat God liefde is, los te laten.
Liever die liefde niet altijd te begrijpen dan dingen te “verklaren” met mumbo jumbo, met “straf van God” bijvoorbeeld.

Prechristelijk
In streken waar het christelijk geloof achteruitboert wordt de leemte maar heel gedeeltelijk opgevuld met seculier denken. Het is vooral pseudoreligiositeit (ook in sport, politiek, entertainment enz.) die de plaats inneemt. Die pseudomystiek noemen ze in Engeland mumbo jumbo. En ze weten daar waar ze het over hebben.
In het hedendaagse Engeland alleen al zijn er duizenden geregistreerde en door de overheid erkende heksen en tovenaars. Je kan erom lachen. Maar het is gevaarlijker dan je denkt. Laatst zei iemand: neem de eerste de beste stupide mythe, plak er wat racistische complottheorieën tegenaan, overgiet het geheel met de bombastische muziek van Wagner en je krijgt . . . Hitler en zijn SS.
Het is allemaal niet zo zielig en ongevaarlijk als het lijkt.
Als het gaat om dit soort dingen moeten christenen zich rationeler opstellen dan de meest rabiate rationalisten. God is liefde, en wij moeten in onze manier van leven die liefde doorgeven aan onze broeders en zusters.
Elke leer die daarvan afwijkt, hoe religieus, mystiek of wereld-verbeterend ze ook lijkt, is niet-christelijk.

Contact met God

Zondag 2 mei 2021, Vijfde Paaszondag (jaar B)

Enkele weken geleden vond je op de eerste pagina van ons blad (K&L Glabbeek – Week 16, red.) een artikel van de hand van Dennis Vanden Auweele, auteur van “Bekentenissen van een afvallige atheïst”. De jonge filosoof heeft het daarin over het feit dat iemand die niet wil geloven door geen enkel verstandelijk argument of miraculeus gebeuren zal overtuigd worden.
Bewijs, zegt Vanden Auweele maakt geen geloof. Je moet op de eerste plaats willen geloven, d.w.z. de angst om bij de neus genomen te worden, laten varen.
“Bewijzen” doen weinig of niets ter zake. “Iemand die gelooft, ziet mirakels waar anderen bedrog en hallucinaties vermoeden”.

Zoeken
Vaak zeggen mensen: eerst zien en dan geloven. Maar inzake het al of niet bestaan van God is het net andersom: eerst geloven en dan zien.
Het is pas wanneer je alle innerlijke weerstand hebt laten varen en het geloof een kans geeft, dat de waarheid ervan zich aan je zal ontvouwen. Niet eerder.
Dit houdt dus ook in dat je op zoek moet gaan. Niet, en dat is heel belangrijk, niet naar argumenten, maar naar contact. Contact met God.
Uitkijken naar God. Wachten op God. Een wachten dat soms het karakter aanneemt van een “Waiting for Godot” van Samuel Beckett (die maar niet komt), maar God komt niet op bevel. Uiteindelijk zal blijken dat God meer op zoek is naar ons dan wij naar Hem, maar dat “contact” is absoluut noodzakelijk. Omdat een theoretisch geloof dat alleen gebaseerd is op opvattingen en argumenten of alleen het gevolg is van opvoeding en omgeving, niet beschut is tegen aanvallen van buitenaf.
Een geloof dat stoelt op een relatie met de Heer is dat wel.
Een geloof dat vertrouwelijke omgang met de verrezen Heer inhoudt, leidt tot de ervaring dat Hij er inderdaad is. En zo’n geloof valt niet zomaar omver bij de eerste de beste theoretische tegenwerpingen. Omdat zo’n geloof vaak is uitgegroeid tot een diepe, innige relatie met iemand waarvan je gewoon weet dat Hij onnoemelijk veel van je houdt en alleen maar het beste voor je wil.

Via mensen
Maar hoe zit het dan met de “Goede Werken”, de caritas, mijn liefde voor de mensen?
Uiteraard blijft dat een van de belangrijkste uitingen van ons christen-zijn.
Vaak is het zelfs de enige manier om onze liefde voor God te tonen.
Maar wij zijn er ons wel van bewust dat wij daar geen alleenvertoningsrecht op hebben.
Ook als niet-gelovige kan ik mij inzetten voor de medemensen. Uit politieke of filosofische overwegingen. Of gewoon omdat ik een toffe peer ben.
En dat kan natuurlijk ook gelden voor mensen die wel geloven.
Maar bij christenen speelt toch vooral de gedachte een rol dat God niet alleen van mij houdt, maar van iedere mens. En dat Hij via mij die liefde gestalte wil geven. Dat Hij voor het uiten van zijn liefde mij wil nodig hebben.
Je kent die spreuk wel: God heeft geen andere handen dan de onze.
Zijn liefde voor elke mens werkt bij voorkeur door mensen heen naar anderen.
Hij wil ons nodig hebben en wij willen er bewust op ingaan.
Zowel bij het handelen als bij het willen is er een samenwerking tussen God en mens.
Ik had bijna gezegd: als gelijken. Zo intiem is dit samenspel.

Verbonden
Dit alles houdt natuurlijk ook in dat er een sterke band moet zijn tussen de gelovige mens en de verrezen Heer. Jezus zelf heeft het in het evangelie van vandaag over de ranken die verbonden moeten blijven met de wijnstok.
Een niet mis te verstane vergelijking. De wijnstok is immers leven gevend voor de ranken. De rank die loskomt van de wijnstok verdort.
Los van mij kunt ge niets, zegt Jezus. Een erg boude uitspraak voor mensen zoals wij, die overtuigd zijn van de maakbaarheid van de wereld en van het eigen kunnen.
Maar Jezus mag dat zeggen omdat Hij inderdaad alles voor ons wil en kan betekenen.
Hij wil een tochtgenoot voor ons zijn in het leven, Hij wil ons helpen.
Hij wil een vriend voor ons zijn.

Vragen
Maar vrienden moeten niet alleen maar lief zijn voor elkaar, ze moeten je op tijd ook iets durven vragen. Laatst nog was ik erg teleurgesteld en zelfs een beetje kwaad toen ik ondervond dat een vriend van mij gegeneerd was om mij iets te vragen (iets wat ik graag had willen doen).
Wij mogen er absoluut niet voor terugschrikken om Jezus te vragen ons te helpen.
Wij moeten onze vragen misschien niet al te concreet maken (behalve in hoge nood).
Maar ik kan de Heer wel uitdrukkelijk vragen mij te helpen bij de uitbouw van een zinvol en gelukkig leven. En om, telkens als het leven pijn doet, mij toch te laten voelen dat Hij bij me is, van mij houdt en mij nooit zal laten vallen.
Wij mogen dat vragen want Hij geneert zich ook niet met zijn vraag aan ons.
Jezus vraagt dat wij ons openstellen, opdat doorheen ons, Zijn liefde kan worden doorgegeven aan alle andere mensen.
Wij mogen Hem dus ook wat vragen voor onszelf.
Wat Hij van ons verwacht is ook niet niks.

De Goede Herder

Zondag 25 april 2021, Vierde Paaszondag (jaar B) – Roepingenzondag

Het zal niemand verbazen dat de lezingen in de dagen en weken na Pasen uitsluitend gaan over de Verrijzenis van Christus. Over het groeiend besef bij de leerlingen dat de Jezus die ze hadden zien sterven, nu door hen ervaren wordt als de Levende Heer, die via hen zijn zending wil verder zetten. En dat is natuurlijk ook niet meer dan normaal. Want als de verrijzenis werkelijk heeft plaatsgevonden dan is dat meteen het meest gigantische feit, het meest centrale punt in de hele mensengeschiedenis. En dan kan je daar moeilijk over zwijgen.

Opmerkelijk
Twee belangrijke zaken vallen hierbij meteen op.
Ten eerste: de apostelen trekken niet meteen de wereld in om te preken of, erger nog, een eigen leer te verspreiden of een eigen kerkje of sekte te stichten. Neen. Ze komen voortdurend bij elkaar om hun ervaringen naast elkaar te leggen, de betekenis ervan te onderzoeken. Om niet met hun vragen alleen te staan. Om elkaar te versterken in het geloof.
En ten tweede: hun groeiend geloof blijft geen theoretische spielerei.
Integendeel: het verandert hun leven radicaal. Van schichtige beunhazen worden de apostelen onverschrokken verkondigers van een geloof dat als een storm over de wereld zal gaan. Hoewel het van in het prille begin tegengewerkt en vervolgd zal worden. Omdat het precies het tegenovergestelde zegt van wat “de wereld” graag wil horen. En laat het nu precies deze twee zaken zijn waar christenen in onze tijd het blijkbaar nogal moeilijk mee hebben. Laat ons daar even op ingaan.

Erover spreken
Om te beginnen zag je bij de eerste leerlingen inderdaad die onmiskenbare behoefte om samen te praten over het geloof. Om ervaringen uit te wisselen, om onduidelijkheden uit te klaren en tot inzicht te komen. Om elkaar te helpen, te bemoedigen en te bevestigen. Hoe weinig kom je dat nog tegen vandaag. Wij vergaderen ons in de Kerk bijna te pletter. Maar het draait daar altijd rond het bespreken van projecten, het plannen van activiteiten en, in het beste geval, het uitwerken van een visie rond een of ander onderwerp. Maar komt daar soms ook al eens het persoonlijk geloof van de deelnemers ter sprake? Nooit! Het antwoord is niet: weinig of zelden. Het antwoord is gewoon: nooit. En dat kan dus niet. Wij moeten echt komaf maken met dit soort gêne.
Met die schrik om met elkaar over ons persoonlijk geloof te spreken. Ik begrijp dat je geloof iets heel intiems is. Maar wij moeten het tóch veel meer onder elkaar ter sprake te brengen. Gewoon om elkaar te helpen. Om elkaar te bevestigen en te sterken. Een van de belangrijkste taken van christenen in deze tijd is terug serieus werk maken van evangelisatie in een zwaar geseculariseerde omgeving. Maar wij moeten daar niet eens aan denken als wij zelfs in onze eigen religieuze biotoop er niet toe komen enthousiast en aanstekelijk te spreken over wat ons bezielt.

Afstand
En een tweede punt waar het in onze tijd blijkbaar misloopt, is de steeds groter wordende afstand tussen je “outen” als gelovige en leven als gelovige. Regelmatig zeggen mensen mij: “Je ziet me wel zelden in de Mis maar ik geloof wel”. Maar vaak verschilt hun leven ook in alle andere opzichten niet van dat van mensen die niet geloven. (Iets wat overigens soms ook opgaat voor mensen die wel naar de Mis gaan). Het lijkt erop dat wel of niet gelovig-zijn meer en meer een verstandelijk beamen of verwerpen is van een aantal gedachten en opvattingen, zonder dat dit ook een invloed heeft op je concrete leven. En dat kan voor een christen dus niet. Als je gelooft in de God van Jezus dan moet dat geloof wel degelijk heel veel invloed hebben op hoe je in de wereld staat. Op elk gebied. Anders neem je God en geloof totaal niet serieus.

Dieptepunt
En dan kom je gegarandeerd in situaties dat je heel goed weet wat je volgens je geloof moet doen, maar het toch niet doet. Gewoon omdat je je helemaal laat leiden, niet door wat God van je wil maar door wat jou op dat moment het beste uitkomt. Als je daar niet hard tegen optreedt, gaan dit soort situaties vaker en vaker voorkomen, totdat ze uiteindelijk heel gewoon geworden zijn en je er zelfs geen seconde nog bij stilstaat. Met als absoluut dieptepunt: je beloftes aan God gedaan in benarde tijden zonder het minste ongemak “vergeten” wanneer de situatie opklaart. Nog lager kan je als christen niet vallen. Je maakt jezelf dan nog wel wijs dat je christen bent, maar God heeft geen enkele betekenis meer voor je.

Ontzag
Ontzag en respect voor God (wat men vroeger de “Vreze des Heren noemde”) is nochtans een van de belangrijkste kenmerken van een echte gelovige. En dat respect uit zich in (minstens proberen te) doen wat God van je vraagt.

Ontzag voor God

Zondag 18 april 2021, Derde Paaszondag (jaar B)

Het zal niemand verbazen dat de lezingen in de dagen en weken na Pasen uitsluitend gaan over de Verrijzenis van Christus. Over het groeiend besef bij de leerlingen dat de Jezus die ze hadden zien sterven, nu door hen ervaren wordt als de Levende Heer, die via hen zijn zending wil verder zetten. En dat is natuurlijk ook niet meer dan normaal. Want als de verrijzenis werkelijk heeft plaatsgevonden dan is dat meteen het meest gigantische feit, het meest centrale punt in de hele mensengeschiedenis. En dan kan je daar moeilijk over zwijgen.

Opmerkelijk
Twee belangrijke zaken vallen hierbij meteen op.
Ten eerste: de apostelen trekken niet meteen de wereld in om te preken of, erger nog, een eigen leer te verspreiden of een eigen kerkje of sekte te stichten. Neen. Ze komen voortdurend bij elkaar om hun ervaringen naast elkaar te leggen, de betekenis ervan te onderzoeken. Om niet met hun vragen alleen te staan. Om elkaar te versterken in het geloof.
En ten tweede: hun groeiend geloof blijft geen theoretische spielerei.
Integendeel: het verandert hun leven radicaal. Van schichtige beunhazen worden de apostelen onverschrokken verkondigers van een geloof dat als een storm over de wereld zal gaan. Hoewel het van in het prille begin tegengewerkt en vervolgd zal worden. Omdat het precies het tegenovergestelde zegt van wat “de wereld” graag wil horen. En laat het nu precies deze twee zaken zijn waar christenen in onze tijd het blijkbaar nogal moeilijk mee hebben. Laat ons daar even op ingaan.

Erover spreken
Om te beginnen zag je bij de eerste leerlingen inderdaad die onmiskenbare behoefte om samen te praten over het geloof. Om ervaringen uit te wisselen, om onduidelijkheden uit te klaren en tot inzicht te komen. Om elkaar te helpen, te bemoedigen en te bevestigen. Hoe weinig kom je dat nog tegen vandaag. Wij vergaderen ons in de Kerk bijna te pletter. Maar het draait daar altijd rond het bespreken van projecten, het plannen van activiteiten en, in het beste geval, het uitwerken van een visie rond een of ander onderwerp. Maar komt daar soms ook al eens het persoonlijk geloof van de deelnemers ter sprake? Nooit! Het antwoord is niet: weinig of zelden. Het antwoord is gewoon: nooit. En dat kan dus niet. Wij moeten echt komaf maken met dit soort gêne.
Met die schrik om met elkaar over ons persoonlijk geloof te spreken. Ik begrijp dat je geloof iets heel intiems is. Maar wij moeten het tóch veel meer onder elkaar ter sprake te brengen. Gewoon om elkaar te helpen. Om elkaar te bevestigen en te sterken. Een van de belangrijkste taken van christenen in deze tijd is terug serieus werk maken van evangelisatie in een zwaar geseculariseerde omgeving. Maar wij moeten daar niet eens aan denken als wij zelfs in onze eigen religieuze biotoop er niet toe komen enthousiast en aanstekelijk te spreken over wat ons bezielt.

Afstand
En een tweede punt waar het in onze tijd blijkbaar misloopt, is de steeds groter wordende afstand tussen je “outen” als gelovige en leven als gelovige. Regelmatig zeggen mensen mij: “Je ziet me wel zelden in de Mis maar ik geloof wel”. Maar vaak verschilt hun leven ook in alle andere opzichten niet van dat van mensen die niet geloven. (Iets wat overigens soms ook opgaat voor mensen die wel naar de Mis gaan). Het lijkt erop dat wel of niet gelovig-zijn meer en meer een verstandelijk beamen of verwerpen is van een aantal gedachten en opvattingen, zonder dat dit ook een invloed heeft op je concrete leven. En dat kan voor een christen dus niet. Als je gelooft in de God van Jezus dan moet dat geloof wel degelijk heel veel invloed hebben op hoe je in de wereld staat. Op elk gebied. Anders neem je God en geloof totaal niet serieus.

Dieptepunt
En dan kom je gegarandeerd in situaties dat je heel goed weet wat je volgens je geloof moet doen, maar het toch niet doet. Gewoon omdat je je helemaal laat leiden, niet door wat God van je wil maar door wat jou op dat moment het beste uitkomt. Als je daar niet hard tegen optreedt, gaan dit soort situaties vaker en vaker voorkomen, totdat ze uiteindelijk heel gewoon geworden zijn en je er zelfs geen seconde nog bij stilstaat. Met als absoluut dieptepunt: je beloftes aan God gedaan in benarde tijden zonder het minste ongemak “vergeten” wanneer de situatie opklaart. Nog lager kan je als christen niet vallen. Je maakt jezelf dan nog wel wijs dat je christen bent, maar God heeft geen enkele betekenis meer voor je.

Ontzag
Ontzag en respect voor God (wat men vroeger de “Vreze des Heren noemde”) is nochtans een van de belangrijkste kenmerken van een echte gelovige. En dat respect uit zich in (minstens proberen te) doen wat God van je vraagt.

Thomas de zoeker

Zondag 11 april 2021, Beloken Pasen (jaar B)

Vandaag lezen we in het evangelie het verhaal van de apostel Thomas. De “ongelovige Thomas” wordt hij vaak genoemd. Omdat hij bij de eerste geruchten over de Verrijzenis weigerde om zomaar te geloven wat ook door sommige anderen werd afgedaan als “beuzelpraat van vrouwen”. Thomas verlangde zekerheid.
Hoe krijg je die? Dat is heel belangrijk ook voor ons vandaag. Wij die voor de immense taak staan, de liefde van God ter sprake te brengen in een tijd die alleen maar geïnteresseerd lijkt in materiële dingen.
Je weet wellicht dat in het Westen, de groep dogmatische atheïsten getalsmatig evenzeer pluimen verliest als de groep van gebetonneerde christenen. Wij mogen niet de fout maken van al diegenen die weggaan zowel bij de enen als bij de anderen, te rekenen bij de apatheïsten: mensen die totaal niet meer geïnteresseerd zijn in diepere vragen. Dat is niet zo.

Zoekers
Er is immers de sterk groeiende groep van zoekers. En die mensen moeten wij (blijven) aandacht schenken. Zij staan ook dicht bij ons. Ook gelovigen blijven immers voor een stuk zoekers omdat God zelf mysterie is. Absolute zekerheid bestaat niet in het geloof. Niemand van ons gelooft bovendien iedere dag even sterk.
Meer dan we misschien zelf willen toegeven, weten wij heel goed wat ongeloof is. Daarom zijn mensen die eerlijk zoeken onze natuurlijke gesprekspartners.
De vraag blijft dan hoe je die zoekende mensen kan interesseren in ons geloof?
Want de meeste mensen die zich vandaag ongelovig noemen, die kennen dat geloof niet meer van binnenuit. Het godsdienstonderwijs dat ze kregen was vaak beperkt tot “niet pesten op school” en “centjes geven voor het goede doel”.
Velen van hen kennen alleen nog de vooroordelen en de tegenwerpingen tegen het geloof, niet meer het geloof zelf.
Vroeger was de situatie helemaal anders.
Toen vroeger in het zwaar-katholieke Vlaanderen mensen het geloof de rug toekeerden, wisten ze heel goed waar ze afstand van namen. Kleppers als Marnix Gijsen, Gerard Walschap en Vermeersch bijvoorbeeld, hadden een soliede katholieke opvoeding gehad. Ze kenden het geloof van binnenuit.
Mensen van vandaag, speciaal ook veel jongeren, kennen vaak over het geloof alleen nog datgene wat ze er af en toe over horen of lezen in een pers die het, zacht uitgedrukt, niet zo begrepen heeft op het christelijk geloof.
Hoe bereiken wij die mensen?

Anders
Moeten wij, naar het oude vertrouwde recept, “geloofsavonden” inrichten en daar “sprekers” op uitnodigen? Ik denk het niet.
Een theoloog, een bijbelspecialist of zelfs een bisschop programmeren trekt tegenwoordig alleen nog de usual suspects aan, niet de zoekers die wij willen bereiken.
Bovendien zijn wij ook op dat punt een arme Kerk geworden: de begenadigde, enthousiasmerende sprekers lopen momenteel eerder dun in onze Kerk.
Wij hebben natuurlijk een Rik Torfs, die met zijn wondere mengeling van humor, kennis en diepgang een waar godsgeschenk is voor onze Vlaamse stijve-harken-kerk. Een man die voor onze plaatselijke Kerk bijna even kostbaar is als paus Franciscus dat is voor de wereldkerk.
Maar laat Rik Torfs gewoon datgene doen waar hij ook door niet-gelovigen sterk om gewaardeerd wordt: zijn opmerkelijke bijdragen in panelgesprekken en korte interviews op tv en zijn onovertroffen stukjes in Het Laatste Nieuws.
Je mag zo’n man in ieder geval nooit aandoen wat we vroeger veel te veel gedaan hebben met kardinaal Danneels: hem verslijten door de man van het ene gammele parochiezaaltje naar het andere te sleuren.

Voorleven
Neen, wij zullen het zelf moeten doen.
Als wij in onze tijd terug mensen willen interesseren voor ons geloof, dan zullen we zelf onze duit in het zakje moeten doen. En dan niet zozeer door het evangelie zo goed mogelijk uit te leggen, maar door het te beleven.
Wij moeten de mensen terug nieuwsgierig maken naar het christendom.
En dat kan het best door onze manier van leven.
Wij moeten ons geloof zo serieus nemen dat het af te lezen valt uit onze daden, uit ons omgaan met elkaar en met andere mensen.
Als christenen zich keren naar de God van liefde i.p.v. naar de goden van geld en macht, dan kan het niet anders of zij leven ook anders dan anderen.
En dat valt op, dat maakt nieuwsgierig.
Zoals ook de eerste christenen destijds indruk maakten op de Romeinse heidenen door hun anders-in-de-wereld-staan. Dát valt op.
Wij moeten gewoon hetzelfde doen.
Er is wat dat betreft niet zoveel veranderd in de wereld.
Het zijn alleen wij die moeten veranderen.
Om terug op te vallen.