Het ondraaglijk compliment

Zondag 10 januari 2016, Doop van de Heer (jaar C)

Omdat alleenheersers en tirannen hun mensonterend handelen nooit op een rationele of gewoon menselijke manier kunnen verantwoorden, grijpen ze daarvoor altijd terug naar een “hoger doel”.  Zij noemen zich de verpersoonlijking van de natie; ze beweren te denken en te ademen en te leven alleen maar voor het welzijn van het volk; of, nog beter, zij zijn het beeld en de stadhouder van God op aarde. Bespottelijk arrogante claims, inderdaad, maar de bedoeling ervan is veel minder lachwekkend: wie dwarsligt begaat een misdaad tegen het Algemeen Belang, een misdaad tegen God zelf. Vorige week zagen we dat dit echt niet kan, zeker niet binnen de christelijke levenssfeer. Als wij in de loop van onze geschiedenis rijkelijk voorzien zijn geweest van machthebbers met mijters, kronen en tiara’s die allemaal regeerden “bij de gratie Gods”, dan stond dat toch wel heel erg haaks op het Evangelie. (Al gebiedt de eerlijkheid wel er onmiddellijk aan toe te voegen dat onze gezalfde en gekroonde vorsten niet te vergelijken zijn met vele wreedaardige en meedogenloze tirannen uit andere culturen).

Appel
Vorige week zagen we hoe de manier alleen al waarop Jezus in onze wereld verscheen, een aanfluiting was van de idee dat machthebbers God vertegenwoordigen. Hij kwam als een kind, geboren in een stal. Vragend zoals elk kind en elke weerloze om wat voedsel, wat aandacht en zorg, wat genegenheid en warmte. Sinds die geboorte in Bethlehem weten wij dat niet de machthebber, maar juist de weerloze de vertegenwoordiger van God is in deze wereld. Nu moeten we daar toch ook even dieper op ingaan, om misverstanden te vermijden. Als wij zeggen dat de weerloze de vertegenwoordiger van God is in onze wereld, dan bedoelen we het appel om hulp dat van die weerloze mens uitgaat, de vraag om hulp. Als God liefde is dan gaat van elke arme, zwakke, elke mens op de sukkel een appel van God uit om liefdevol te helpen. Als Jezus zegt: “Wat ge aan de minste van de mijnen hebt gedaan, hebt ge aan mijzelf gedaan”, bedoelt Hij precies hetzelfde.

Onderscheid
We mogen God en de arme echter niet vereenzelvigen, ze gaan niet in elkaar op, het blijven twee verschillende entiteiten. Ik denk dat het belangrijk is dat te zien.
Ik heb ooit eens gelezen over een grote heilige die heel haar leven gegeven heeft aan de armen en enorm veel voor die mensen heeft betekend, dat bij haar de vreugde van het dienen toch wel enigszins getemperd werd door een stil verdriet. De teleurstelling namelijk dat ze in al die ontelbare behoeftigen die ze geholpen had, Jezus nooit echt (als Jezus zelf) had ontmoet. We moeten daar dus nuchter in blijven. God blijft God en de arme blijft de arme. God doet vanuit de behoeftige een rechtstreeks appel aan onze liefde. Maar de arme blijft een heel concrete mens. En als je niet oppast maakt hij misschien ook nog misbruik – wie kan het hem kwalijk nemen – van je goedhartigheid. Trouwens, uiteindelijk gaat het om hulp aan een concrete mens, iemand die jou nodig heeft om in zijn waardigheid hersteld te worden. Als je in die arme dan té letterlijk Jezus wil zien en in hem Jezus wilt dienen, doe je natuurlijk tekort aan die mens. Het is die bepaalde concrete mens die moet geholpen worden, van harte geholpen worden.

Verantwoordelijk
Maar het is Jezus die ons daartoe oproept en ons daarin sterkt. En die dán, onder die voorwaarde, zegt: “Wat je aan die mens hebt gedaan, heb je aan mij gedaan.”
Jezus, God, wil ons nodig hebben om zijn liefde zichtbaar te maken onder de mensen. Dat is niet zomaar een vrome boutade. God wil ons nodig hebben. Het is een bijna ondraaglijk compliment. Ik denk dat de werkelijkheid echt zo in elkaar steekt: wij moeten het doen, God doet het niet in onze plaats. Ik zal de laatste zijn om mij inzake geloof strikt rationalistisch op te stellen, God beperkingen op te leggen en te zeggen: dit kan, en dit kan niet. Eens dat je erkent dat je God met je verstand niet kan vatten, moet je ook nederig genoeg zijn om aan te nemen dat het mogelijk is dat God op onverklaarbare wijze ingrijpt in ons leven en in de geschiedenis. Het is trouwens pas als je die mogelijkheid openlaat dat je zo’n zaken ook af en toe ervaart. Maar dat rechtstreeks ingrijpen van God is, meen ik, vrij uitzonderlijk. Wij weten, zegt Herman Servotte, dat God ons de wereld heeft toevertrouwd. Hij zal niets doen in onze plaats, onze vergissingen niet ongedaan maken, onze mislukkingen niet opvangen. “Wat wij binden, bindt Hij. Wat wij ontbinden, ontbindt Hij”.
Hoewel ik er altijd toch nog graag de geruststellende gedachte aan toevoeg: Hij is wel God. En voor Hem is niets onmogelijk.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s