God ervaren

Zondag 27 maart 2016, Pasen (jaar C)

Christenen leren van jongs af aan dat contact met God op de eerste plaats gelegd wordt via het gebed. Ze moeten niet zoveel hebben van het gehuppel van de ene spirituele ervaring naar de andere, dat zoveel nieuwe religieuze en pseudo-religieuze groeperingen kenmerkt. En ze staan al helemaal argwanend ten aanzien van religieuze ervaringen die met behulp van technieken worden opgewekt. Voor een christen neemt het geloven zelf de belangrijkste plaats in.
En geloven dan als een be-amen, een voor-waar-aannemen van wat het Evangelie en de gelovige gemeenschap (de Kerk) ons vertellen over God en over hoe God zichzelf aan ons heeft laten kennen. Daar is een heel eenvoudige reden voor. Niet ieder van ons heeft de kans of de mogelijkheid om ervaringen met God op te doen. En dus zijn wij aangewezen op wat bevoorrechte getuigen, profeten en geleerden ons daarover vertellen. Op dezelfde manier heeft niet ieder van ons de kans en de mogelijkheid om aan historisch onderzoek te doen, om de wetten van wiskunde en fysica op het spoor te komen of om door te dringen in de geheimen van de muziek, de taal en de schilderkunst. Wij zijn aangewezen op wat anderen ons daarover kunnen vertellen. Wij geloven hen. En wij geloven hen des te meer naarmate onze eigen ervaringen dat geloof bevestigen.

Ontmoeting
Ook de eigen ervaring is dus van groot belang. Trouwens, wanneer wat je gelooft bevestigd wordt door wat je ervaart, kan dat alleen maar je geloof versterken. Onder de christenen is het vooral de katholieke Kerk die benadrukt dat de openbaring, het zich-laten-kennen-van-God niet afgesloten is met Jezus Christus. Dat ook vandaag God zich aan mensen laat kennen. Dat ook vandaag nog mensen ervaringen opdoen met God. En dat is een niet meer dan logische houding van de Kerk, omdat ook haar geloof steunt op ervaring. Wij geloven niet in H. Boeken die door God zelf zijn geschreven of gedicteerd. Onze Bijbel is de neerslag van de ervaringen die mensen gedurende duizenden jaren opdeden met God. En dat geldt ook voor het sluitstuk van ons geloof: de Verrijzenis van Christus. Wij geloven dat Jezus werkelijk verrezen is, omdat na zijn dood een steeds maar aanzwellende groep mensen vanuit hun ervaring is gaan geloven dat de Gekruisigde werkelijk leeft. Omdat ze de Verrezen Heer ontmoet hebben in hun leven. En omdat dat geloof 2000 jaar lang door miljoenen anderen vanuit hun ervaring is bevestigd.

Tastend
Wij kunnen God ervaren. Ik zei zojuist: “Niet ieder van ons heeft de kans om ervaringen op te doen met God”. Maar eigenlijk is dat niet helemaal juist. Wij denken dat dat zo is, wij leggen ons daar te vlug bij neer. Maar ieder van ons kan God  ervaren in zijn leven.
Wij kunnen God niet doorgronden. God overstijgt ons verstand. Maar wij kunnen Hem wel ervaren in ons leven. De voorwaarde is dat wij ons voor Hem openstellen, dat wij er echt naar verlangen om door Hem aangeraakt te worden. En vooral ook, dat wij niet gaan proberen de ontmoeting zelf in scène te zetten. Alsof het om de juiste techniek zou gaan. Of dat we beroep zouden doen op wat men vroeger noemde: “vermetel vertrouwen”. Uit het raam springen bijvoorbeeld en dan zeggen: “God, als jij me niet pakt, besta je niet”. Dat dát soort operettegod niet bestaat, daar had je ook op een veiliger manier kunnen achter komen. De God waarin wij geloven is geen theatergod maar een ontzagwekkend Geheim. Het is de diepste grond van het bestaan en van het leven, het is het Mysterie achter alles wat is, achter het microscopisch kleine en achter de sterrennevels en planeten. Het geheim achter het weinige dat wij kennen, en het vele waarvan wij niet eens het bestaan vermoeden.

Noodzaak
Zo’n God kén je niet. Je vermoedt Hem, je gelooft in Hem. En soms ervaar je Hem ook. Maar de twijfel is ook nooit ver. Om het met een ontroerende Gerard Reve te zeggen: “Eigenlijk geloof ik niets en twijfel ik aan alles, zelfs aan U. Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft, dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam, en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt zoals ik U”.
Het is een tekst die mij altijd weer opnieuw ontroert, omdat hij op een perfecte manier weergeeft hoe de mens in onze tijd heen en weer geslingerd kan worden tussen geloof en ongeloof. Een tijd waarin een arrogant en opdringerig atheïsme de pers en het publieke debat beheerst. En waar je moeilijk weerwerk kan aan bieden door een preekje in de kerk of een artikeltje in het parochieblad.
En daarom moeten wij de mensen terug aansporen om zelf ervaringen op te doen met God. Probeer God op het spoor te komen in je eigen leven. Zoek Hem, want Hij laat zich vinden. Of beter: Hij zal je overkomen, verrassend, overhoophalend wellicht, nooit precies zoals je Hem verwacht had. Maar wel onmiskenbaar. Je achterlatend met een diep gevoel van vrede, rust, veiligheid, dankbaarheid.

Schok
Maar de ervaring zelf is natuurlijk schokkend. Het is altijd schokkend op leven te stuiten wanneer wij dachten alleen te zijn. Zoals wanneer je in het donker vlak naast je ineens hoort ademen. En dus schrikt het ook af. De ervaring van de Levende God haalt ons immers weg uit ons zelfgenoegzaam leventje van semmelen en discussiëren over God. En velen schrikken daarvoor terug.
En toch moeten we naar Hem op zoek gaan. Welk een onbeschrijflijk geluk levert het immers op als we het grauwe land van de conventies en het praatverkopen over God kunnen verlaten, om binnen te gaan in het land van de levende God.

Vergeving bevrijdt

Zondag 13 maart 2016, 5de zondag van de veertigdagentijd (jaar C)

Na de parabel van de Verloren Zoon, vorige week, brengt de evangelielezing van vandaag ons opnieuw een verhaal over barmhartigheid en vergeving.
Dit keer gaat het echter niet over een parabel, maar over een optreden van Jezus. Over de manier waarop hij een vrouw die op overspel betrapt werd in bescherming neemt tegen een groepje uitgelaten kladlopers. (Waarvan overigens niet zelden de hardste schreeuwers het meest boter op hun hoofd hebben.)
Het is precies op dat punt dat Jezus hen pakt. Er staat: “Hij schreef met z’n vinger in het zand.” Een gebaar dat je als hedendaags lezer moeilijk kan plaatsen, maar dat voor een Bijbelvaste Jood boekdelen sprak. Het gebaar gaat terug op een tekst van de profeet Jeremia (Jer. 17, 13). “Al wie van de weg van de Heer afwijken, hun namen zullen geschreven worden in het zand van de dode aarde waarin alle leven zal vergaan”. Wat Jezus hier zegt is: alleen de weg van de Heer voert naar het leven. De weg van de zonde mag dan al aanlokkelijk, tintelend en fris lijken, hij eindigt noodzakelijkerwijze in de leegte en het niets. Leven in zonde is krabbelen in het zand, het lijkt heel wat maar het stelt uiteindelijk  niets voor.

Ontnuchterend
Maar wie zijn dan diegenen die “leven in zonde”, die vergeving en bekering nodig hebben? Het antwoord is: wij allemaal. Ook de moraalridders en puriteinen onder ons. En de evangelist Johannes doet er nog een schepje bovenop door droogjes te vermelden dat “de oudsten het eerst afdropen”. Een duidelijke verwijzing naar het verhaal over de kuise Suzanna (Daniël 13). Ook daar zijn het de onberispelijk geachte oudsten die de mooie Suzanna aanklagen, niet uit eerlijke morele verontwaardiging maar omdat zijzelf hun spel met haar niet konden spelen. Terwijl ik dit alles neerschrijf besef ik dat ik moet oppassen van niet de sensatietoer op te gaan, want dit soort verhalen leent zich daar natuurlijk wel toe. Wat ik alleen maar wil zeggen is: iedereen, elke mens, ieder van ons is zondaar, wijkt af van het pad dat God voor ons uitstippelt en heeft dus ook vergeving nodig.

Rustgevend
Het is, denk ik, belangrijk dat we dat inzien. Want wie niet beseft dat hij vergeving nodig heeft kan ook nooit de warmte van Gods barmhartigheid ervaren. Veel te vlug denken wij onder invloed van een bepaald soort gevulgariseerde psychologie dat erkennen dat we fout zijn ons ongelukkig maakt, deprimerend is, ons gevoel van eigenwaarde aantast. Maar dat is in ieder geval niet zo in onze relatie met God. Integendeel. Misschien staan we er niet genoeg bij stil, maar bestaat er een groter geluk dan diep doordrongen zijn van het besef dat Godzelf je vergeeft, je in zijn armen sluit en tegen je zegt: “Ik kijk al zolang naar je uit.”? Eindelijk heb je de stap gezet. Welkom thuis. Misschien staan we daar echt niet genoeg bij stil. Welk een geluksgevoel er door je heen moet stromen als heel je wezen doordrongen raakt van het besef dat God je alles vergeeft, je omhelst en van je houdt alsof er op heel de aarde niemand anders is dan jij alleen.

Oproepend
Misschien is het geen onnodige luxe om hier toch nog even bij te vermelden dat vergeven iets heel anders is dan “verontschuldigen”. Jezus zegt tot de vrouw die overspel gepleegd heeft: “Ik veroordeel u niet, ga vrijuit en zondig voortaan niet meer.” Dat laatste is belangrijk. Hij zegt dus niet: ’t is allemaal zo erg niet, je bedoelt het wel goed, je hebt een goed hart en dat is tenslotte wat telt. Hij zegt ook niet: je moet niet teveel naar die pezewevers luisteren, een mens mag al eens een verzetje hebben, ik begrijp dat je ook reden hebt om te doen wat je doet …
Jezus zegt dat niet. De vrouw heeft haar man bedrogen en het geluk van de gezinsleden in gevaar gebracht. Wat ze deed was gewoon fout. En Jezus vergoelijkt dat niet. Hij veroordeelt haar niet, maar hij zegt haar wel klaar en duidelijk: wat je deed was verkeerd. Doe het niet meer. Vergeven is totaal iets anders dan verontschuldigen, toedekken, wegzalven. Velen zien God tegenwoordig graag als een lieve opa die vol begrip de ogen sluit voor wat we fout doen en zelfs ons ergste kwaad door de vingers ziet. Maar als ergens de wens de vader is van de gedachte, dan wel hier. God vergeeft ons zelfs ons ergste kwaad, ook datgene wat mensen ons niet kunnen of willen vergeven.
Maar dan moeten we wel ophouden met naar verontschuldigingen te zoeken en onszelf eruit proberen te praten. God vergeeft ons alles. Maar dan moeten wij wel eerst de wapens neerleggen, door de knieën gaan, schuld bekennen, om vergeving vragen.

Bevrijdend
Om te besluiten nog dit. Elk kwaad dat ik een ander mens berokken is wegens zijn gebrek aan liefde ook een zonde tegen God en moet ook en zelfs op de eerste plaats door Hem vergeven worden. Soms echter is er alleen nog God om mij te vergeven, omdat de mens die ik benadeelde of deed lijden, overleden is bijvoorbeeld. Welk een genade is het dan naar God te kunnen gaan. En in plaats van langzaam aangevreten te worden door woekerende schuldgevoelens, verdringing en ontkenning, diep overtuigd te geraken dat Godzelf je vergeven heeft. Vergeving vragen en krijgen is helemaal niet iets zieks of vernederends.
Het is integendeel een van de meest bevrijdende ervaringen die een mens kan meemaken. Ook als het zich afspeelt tussen mensen onderling trouwens.

Vergeven: bovenmenselijk

Zondag 6 maart 2016, 4de zondag van de veertigdagentijd (jaar C)

Toen Herman Van Rompuy nog president van Europa was vroeg men hem eens in een interview of je gelovig moet zijn om moreel te leven. U kent dat gesnor, die grijsgedraaide plaat. Die extreem-demagogische vraag (?) of iemand die niet gelooft niet evengoed een goed mens kan zijn als iemand die wel gelooft. Maar Herman Van Rompuy, die niet alleen een overtuigd christen maar ook een intelligent en wijs man is, antwoordde: “Natuurlijk kan je ook als niet-gelovige een moreel leven leiden. Maar ik heb God nodig om mij daarbij te helpen. Ik denk niet dat de president van Europa zichzelf ziet als een wat zielige man die, méér dan anderen, hulp nodig heeft om moreel te kunnen leven. Maar dat hij hier de vinger legt op wat het echte verschil uitmaakt tussen gelovigen en niet-gelovigen. Mensen die niet geloven maar die toch een humaan en door ethische regels gedragen leven willen leiden, die vragen zich – vaak zelfs een beetje korzelig – af waarom katholieken daar altijd “God” willen bijhalen. Wij hebben praktisch dezelfde normen en waarden, zeggen ze (kan ook moeilijk anders, heel het Westers denken, zowel van ongelovigen als van gelovigen, is doordrongen van het christendom). Waarom die waarden niet gewoon beleven zonder al die religieuze “rimram” waar zij zo’n moeite mee hebben? Maar die “religieuze rimram” maakt voor ons juist het hele verschil.

Iemand
God is immers geen geheel van regels, waarden en normen, geen gedragscodex, geen wetboek. Voor een gelovige is God een Levende Werkelijkheid. Een persoon waar je mee omgaat. God is Iemand. Iemand die je vraagt om op een bepaalde manier in het leven te staan en die je daar ook bij helpt. Als God bovendien de diepste grond van het bestaan is, dan houdt dat ook in dat een leven dat niet in harmonie is met wat Hij van ons vraagt, betekenisloos en zinloos is. Moreel leven is voor ons: leven zoals God-die-Liefde is dat van ons vraagt.
Wat die God die Liefde is van ons vraagt ontdekken we via Openbaring (de Bijbel) en gebed, en via ons geweten en ons verstand. Geestelijk leven is voor ons niets anders dan omgaan met God, ervaren hoe Hij ons helpt om ethisch, dit wil zeggen zinvol te leven.

Bijstand
Een christen gaat er wel van uit dat het al of niet liefdevol en menslievend in het leven staan bepalend is voor de (eeuwigheids)waarde van een leven. Denk aan de Laatste Oordeelsscène: “Wat ge aan de minste van de mijnen hebt gedaan hebt ge aan mij gedaan”. Niet het gelovig of ongelovig zijn is dus bepalend. Wel de manier waarop je geleefd hebt. Maar de gelovige heeft het grote voordeel dat hij openstaat voor hulp van Godzelf. Omdat hij vertrekt vanuit het nederig besef het niet alleen klaar te spelen. Een mens die niet gelooft en toch ethisch juiste beslissingen wil nemen en zijn egoïsme onder controle wil houden, die staat er helemaal alleen voor. Bovendien vermoed ik dat zo iemand, meer dan een gelovige, geconfronteerd wordt met de vraag of hij niet naïef bezig is, of dat allemaal wel zin heeft, of hij niet beter gewoon voor zichzelf zou zorgen.
Een christen daarentegen wordt niet alleen gesteund door de gedachte dat zijn moreel handelen overeenkomt met de bedoeling van de diepste grond van het leven zelf. Maar hij weet zich ook werkelijk gedragen en effectief geholpen in zijn streven.

Vergeven
Vandaag hebben we het Evangelie van de Verloren Zoon gelezen. Of, zoals het verhaal steeds vaker genoemd wordt: de parabel van de barmhartige Vader.
Het is een verhaal dat ons probeert een idee te geven van de oneindige en bijna onbegrijpelijke barmhartigheid en vergevingsgezindheid van de Vader. Met daarbij natuurlijk, zoals steeds, de oproep om zelf ook te vergeven zoals Hij.
We kunnen hier precies dezelfde redenering volgen als met betrekking tot het gewoon ethisch handelen in het algemeen. Voor een christen is God de grond van alle vergeving. Als wij proberen vergevingsgezind in het leven te staan dan is dat niet omwille van een of andere morele school of filosofische overtuiging, maar omdat wij diep onder de indruk zijn van de vergevingsgezindheid en de barmhartigheid van de Vader. En omdat ons geloof ons zegt dat wij bijgevolg ook niet anders kunnen dan proberen hetzelfde te doen, dan te proberen ook zelf die barmhartigheid en vergevingsgezindheid te beoefenen.

Aartsmoeilijk
Maar ook hier geldt, evenzeer en misschien nog meer dan bij het ethisch handelen in het algemeen, onze nood aan hulp. Mensen vergiffenis schenken die tegen ons misdaan hebben, zeker als het volledig onterecht was, is een bijna onmenselijke opgave. Het is trouwens alleen het christendom dat daar zoveel nadruk op legt. Joden en moslims hebben het eerder over rechtvaardigheid en straf. Over oog om oog, tand om tand. Maar christenen kunnen er niet omheen. Het gebod om te vergeven staat midden in ons geloof. En ook hier weer: goddank dat God ons niet alleen zegt dat wij moeten vergeven, als een soort morele eis, maar dat Hij ons ook werkelijk helpt om het te kunnen. Want er moet wel wat overwonnen worden om dat te kunnen. De angst om onnozel en naïef te handelen is nergens zo sterk als hier. Denk maar aan de vernedering wanneer je iemand grootmoedig vergeeft en je geste alleen maar op hoongelach en sarcasme wordt onthaald. Je staat daar dan wel mooi te blinken. En toch wordt het van ons gevraagd. Wat ons dan kan helpen is het besef dat de vraag om te vergeven komt van de Man die over ons zei: “Vader vergeef het hen want ze weten niet wat ze doen”. Ofschoon we het wel weten, en maar al te goed zelfs.