Vertrouwen

Zondag 29 mei 2016, 9de zondag door het jaar (jaar C)

De Romeinse aanvoerder die we vandaag in het evangelieverhaal ontmoeten is 2000 jaar na het gebeuren nog altijd een toonbeeld van onvoorwaardelijk geloof en vertrouwen in Jezus. Hij vindt het niet nodig dat Jezus naar zijn huis komt om, zoals andere wonderdoeners en gebedsgenezers uit die tijd dat deden, de zieke ter plaatse te bewerken met rituele gebaren en toverspreuken. “Één woord van u is voldoende”, zegt hij. “Ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak komt, maar één woord van u en mijn knecht zal gezond zijn”. Het geloof van de honderdman is radicaal en zonder compromis. Zijn vertrouwen onvoorwaardelijk. Hij is er zeker van dat Jezus hem kan helpen. Hij levert zich met huid en haar over aan diens  goodwill. Er is geen plan B. Als Jezus, om welke reden dan ook zijn verzoek niet inwilligt, verliest de Romein niet alleen zijn knecht maar ook zijn gezicht. Dan heeft hij zich alleen maar belachelijk gemaakt in de ogen van de Joden die als onderdrukte  schat – plichtigen aan Rome, zoal niet van hem moesten hebben.

Franciscus
De radicaliteit van het geloof en het vertrouwen van de honderdman is de eeuwen door altijd een ideaal gebleven voor alle christenen. Een moeilijk ideaal. Bijna onnavolgbaar. Wij willen wel geloven, wij willen wel vertrouwen op God en op Jezus, maar tegelijk is er ook dat beetje ongeloof dat wij nuchterheid noemen en dat ervoor zorgt dat wij voldoende zekerheden inbouwen om niet op onze bek te gaan. Misschien kan het voorbeeld van Franciscus van Assisi dat duidelijk maken. Franciscus was een veelbelovende jongeman, de enige zoon van bijzonder welgestelde ouders. Hij was aantrekkelijk van voorkomen en aangenaam in de omgang, gerespecteerd door de mannen en geliefd bij de vrouwen. En dan opeens wordt hij gegrepen door Christus en neemt hij een bocht van 180°. Denk aan de beroemde scène vóór de kathedraal van Assisi waarbij hij zelfs de kleren die hij aan heeft uitdoet en “terug geeft” aan zijn vader. Het is goed hierbij te bedenken dat Franciscus niet handelt vanuit een (plotse) afkeer van de wereld maar vanuit een heel bewuste keuze voor Christus. Hij wil gelukkig zijn. Hij is dus ook geen filosoof die zijn heil voortaan gaat zoeken in een sober en ascetisch leven. Hij wil gelukkig zijn en hij is ervan overtuigt dat hoe dichter hij bij Christus komt, hoe radicaler hij de Heer volgt, hoe voller en gelukkiger zijn leven zal zijn. En dáárom laat hij al het andere achter.

Ernstig blijven
Nu is Franciscus natuurlijk een geestelijke reus en wellicht en hopelijk wordt niet van ieder van ons een dergelijke radicaliteit verwacht in het nastreven van het evangelisch ideaal. Maar wat van elke christen in ieder geval mag verwacht worden is dat wat hij besteedt aan aandacht en geld voor mensen in nood hem toch enigszins uit zijn comfortzone haalt. Eén keer per jaar een stickertje kopen van één of ander goed werk telt niet. Je moet je natuurlijk niet zelf in de armoede storten maar het mag wel een klein beetje pijn doen. Anders ben je voor jezelf alleen maar een goed gevoel aan het kopen.

Probleem
Bij dat alles moeten we er wel voor oppassen dat wij het geloof niet verengen tot een moraal, tot een kwestie van je sociaal opstellen en je inzetten voor het welzijn voor anderen. Dát hoort erbij, is een natuurlijk uitvloeisel van het geloof, maar het is niet het geloof zelf. In het Christendom gaat het in de eerste plaats om een persoonlijke relatie en een vertrouwvol omgaan met God.
Als christen vertrouw je erop dat niet materieel welzijn maar je geloof in God je leven zinvol, vruchtbaar en ook gelukkig maakt. En hier stelt zich duidelijk een probleem voor mensen zoals wij die leven in een welvaartstaat (die overigens voor een groot stuk door christenen gemaakt is). Wij moeten niet meer zoals de honderdman naar Jezus gaan voor onze zieke knecht. Wij hebben geld en wij beschikken over zowat de beste gezondheidszorg van de hele wereld. En zo zijn er nog vele andere problemen waarvoor men zich vroeger naar het geloof keerde maar die nu door de welvaart en het sociale netwerk grotendeels worden opgevangen.

Baken
Voor een christen komt het er nu op aan nuchter te blijven en een klare kijk op de dingen te behouden. En niet te bezwijken onder de druk die van alle kanten wordt uitgeoefend om mensen te laten geloven dat geluk hetzelfde is als welvaart. En dat een voldoening gevend en zinvol leven met geld kan worden gekocht. Gelovigen in deze tijd zijn mensen die, genietend van de zegeningen van de welvaartstaat, ondertussen zeer goed beseffen dat het consumentisme van deze tijd, mensen juist degradeert, misbruikt en leeg en verfrommeld achter laat. Ze beamen ten volle dat welvaart een zegening is. Maar ze weten ook heel goed dat je om een voldoening gevend, zinvol en gelukkig leven te leiden je beter naar de raadgevingen van Jezus luistert dan naar die van de reclame.

Er is (meer dan) iets

Zondag 22 mei 2016, Feest van de H. Drie-eenheid (jaar C)

Vandaag vieren wij het feest van de Heilige Drie-eenheid. De Drie-eenheid is altijd een van de meest geheimzinnige begrippen in ons geloof geweest. Ontzettend moeilijk ook om te begrijpen. Misschien vooral omdat het ook altijd werd uitgelegd door theologen. En theologen wekken nogal eens de indruk dat ze denken niet goed bezig te zijn als gewone mensen begrijpen wat ze zeggen.
Laten we daarom eens proberen “het probleem” wat eenvoudiger te benaderen.

Grond
Het grote verschil met atheïsten is dat wij, gelovigen, ervan overtuigd zijn dat er méér is dan datgene wat wij zien en horen en voelen en tasten. Dat de werkelijkheid zoals wij die ervaren in het dagelijkse leven, gedragen wordt door een andere, een diepere en onzichtbare werkelijkheid. Af en toe licht die onzichtbare werkelijkheid op in het gewone leven, en wanneer we dat ervaren zeggen we: “Er is iets”. Mensen kunnen het bij die vaststelling laten en er niet verder op ingaan. En dan vervoegen zij de dichtbevolkte rangen van de “ietsisten”. Wanneer je dat soort ervaringen echter vasthoudt en er dieper op ingaat, ga je meer en meer merken dat dat “iets” je draagt en van je houdt.
Dat “iets” wordt dan duidelijk “iemand”. Ons geloof gaat zelfs zo ver, die dragende en liefdevolle grond Vader te noemen. God als Vader.

Spreekt
Typisch nu voor een vader, is dat hij spreekt met zijn kinderen. God doet dat ook. Jezus is het Woord van de Vader. Omdat wij ons als mens geen enkele voorstelling kunnen maken van God, sprak Hij tot ons in een mens. Jezus is de Logos, het Woord van God. Als wij God willen kennen, hoeven we maar naar Hem te kijken. Als wij willen weten wat God van ons wil, hoeven we maar naar Hem te luisteren. De Heilige Geest tenslotte, is geen “geest” en nog minder een spook. De Heilige Geest = God, zoals Hij tot ons spreekt in ons hart, zoals wij Hem tot ons horen spreken in ons binnenste, in ons gebed vooral. Je hebt dus God, de Ene God, die zich uitgesproken heeft in Jezus en die nog altijd tot ons spreekt in ons hart. Als wij Hem tenminste zoeken en ons voor Hem openstellen.
Als God nu één is, als het bij Vader, Zoon en Geest gaat om één en dezelfde God, dan kunnen die drie – laat het ons noemen – “verschijningsvormen” van God uiteraard niet met elkaar in tegenspraak zijn. En dat zijn ze inderdaad ook niet.

Barmhartig
De Vader die Jezus ons leerde kennen is een oneindig liefdevolle Vader.
Hij is de herder die geen enkele moeite schuwt om het verloren schaapje terug in veiligheid te brengen. Hij is de Vader die met eindeloos veel geduld op wacht staat tot zijn zoon, die van hem wegliep, terug naar huis keert. En die hem als een prins verwelkomt, ook al heeft hij al zijn geld verbrast. Hij is de barmhartige Samaritaan die zich vol liefde buigt over de man die uitgeplunderd, neergeslagen en door mensen in de steek gelaten is. Zo is God, zo is de diepste Grond van het bestaan. En Jezus die het Woord van God is, vertelt ons niet alleen hoe God bestaat, wie Hij is, maar eveneens hoe wij moeten leven als wij in eenklank willen zijn met die Vader. Omdat God, juist omdat Hij liefde is, wil dat wij gelukkig zijn. En hoe kan je als mens in ’s hemelsnaam gelukkig zijn al je ingaat tegen de Grond van het leven, de Bron van alles wat leeft? Wat Jezus ons dus vooral leerde is dat wij allen maar zinvol leven en gelukkig worden als wij, net zoals de Vader, liefdevol en barmhartig in het leven staan. En de Heilige Geest is dan de Stem van God die spreekt in ons hart en die een krachtige helper is om het erop te wagen liefdevol in het leven te staan.

Antikracht
Want dat is inderdaad een waagstuk, het vraagt veel moed. Het is zeker niet vanzelfsprekend. Om te kunnen leven zoals God dat van ons vraagt, moet er inderdaad het een en ander in onszelf overwonnen worden. Diep in ons zit er immers nog een andere, bijzonder sterke kracht die ons voortdurend lokt en aanmaant om alleen maar voor onszelf te zorgen. Die kracht is geen ziekte of afwijking, ze zit ingebakken in onze natuur. Ze is zelfs de motor van de hele biologische evolutie. Ze heeft ons triomfantelijk gebracht van het oerbegin van leven tot wie we nu zijn. Biologisch een geweldig positief gegeven dus.
Maar voor onze geestelijke gezondheid én voor onze omgang met medemensen een ronduit destructieve kracht. Wie besluit in te gaan op wat Vader, Zoon en Geest van ons willen, wacht daarom een serieus gevecht met zichzelf. Maar voor wie doorzet is die egoïstische, tegen God ingaande kracht, hoe sterk en aantrekkelijk ook, geen partij voor Hem die genoemd wordt Vader, Zoon en Heilige Geest.

Bruggen of muren?

Zondag 15 mei 2016, Pinksteren (jaar C)

Vorige week hadden we het over wat genoemd wordt het “Hogepriesterlijke gebed”. Jezus bidt daarin dat zijn volgelingen, zijn broeders – wij dus – dezelfde eenheid zouden mogen beleven als de eenheid die er bestaat tussen Hem en zijn Vader. Omdat je heel deze kwestie niet in één keer kan behandelen heb ik het toen alleen gehad over de eenheid tussen Jezus en de Vader. Vooral ook omdat dat een-zijn van Jezus met zijn Vader een beetje de mist dreigt in te gaan in het hedendaags christendom. Vooral dan in de wishy-washy versie ervan, waarin Jezus een groot moreel leider wordt en het geloof verpietert tot een aantal “christelijke waarden”…

Strijd
Vandaag kunnen we het dan hebben over de eenheid onder de christenen onderling, die Jezus blijkbaar bijzonder dierbaar is en waarvoor hij ook zo uitdrukkelijk heeft gebeden. Ondertussen weten we wel waarom.
Die eenheid is inderdaad allesbehalve vanzelfsprekend. De geschiedenis van het christendom kent heerlijke bladzijden van broederlijke verbondenheid en eendrachtig werken aan een betere wereld in het zorg dragen voor mensen die op welke manier ook in nood verkeren. Maar die geschiedenis kent ook bladzijden van diepe onenigheid, scheuringen, wederzijds verketteren van elkaars geloof, vervolgingen zelfs … En eigenlijk hoeft ons dat niet te verwonderen. Ondanks de enorme expansie van de islam, blijven ook vandaag de verschillende christelijke kerken elkaar bekampen of het om concurrerende merken van waspoeders gaat. En zelfs in onze eigen Vlaamse kerk, die toch niet direct een geweldige bloeiperiode doormaakt, gaat de strijd tussen “progressieven” en “conservatieven” rustig verder. Minder openlijk dan twintig jaar geleden, maar toch.

Respect
Zeg nu eerlijk, is er nu iets belachelijker dan onder christenen mekaar te beplakken met etiketten om vervolgens, al naargelang het etiket, elkaar vriendelijk dan wel heel vies te gaan bekijken? Is er nu iets minder christelijk dan dat? Paus Franciscus heeft het onlangs nog gezegd tegen een van de betere Amerikaanse presidentskandidaten: “Je kan jezelf geen christen noemen als je muren wil bouwen tussen mensen”. Christenen zijn er in de eerste plaats op uit om bruggen tussen mensen te bouwen, geen muren. Dat er überhaupt bruggen moeten gebouwd worden, komt doordat er nu eenmaal verschillen bestaan tussen mensen. En als het nu alleen maar ging over hoe je je biefstuk gebakken wil hebben, saignant of à point, dan was dat niet echt een probleem. Maar mensen, hele volkeren zelfs, verschillen bijvoorbeeld ook qua staatkundige en politieke opvattingen. Ze belijden verschillende godsdiensten en er zijn de diepgaande culturele verschillen. Het zijn allemaal heel gevoelige zaken en wie op dat terrein mensen dichter bij elkaar wil brengen moet met heel veel tact en respect te werk gaan. Dat wil niet zeggen dat je je eigen opvattingen moet inslikken of moet knielen voor principes waar je absoluut niet mee akkoord kan gaan. De ander moet voor jou hetzelfde respect opbrengen als jij hebt voor hem. Maar hoe traag en moeizaam het werk ook vordert, je moet met hart en ziel blijven werken aan het doel: mensen dichter bij elkaar brengen, de vrede bevorderen.

Schande
Nu spreekt het vanzelf dat die vredesopdracht voor christenen in de wereld, veel eenvoudiger zou zijn als zij zelf onder mekaar een toonbeeld van gelijkgezindheid en samenhorigheid zouden zijn. Helaas …! Er zijn niet alleen de levensgrote ego’s van nogal wat leiders van de verschillende kerken, je vindt diezelfde stevig uit de kluiten gewassen ego’s terug tot in het kleinste parochietje, kerkfabriekje, parochieploegje of kloostertje. Op zichzelf is dat niet iets om weg te kruipen van schaamte. Opgeblazen ego’s, meterslange tenen, uit de pan swingende geldingsdrang en een zorgvuldig gecultiveerd gevoel voor achterdocht en jaloezie, het is allemaal des mensen en je komt het echt niet alleen in de Kerk tegen, maar overal om je heen. Het feit echter dat je al die leuke houdingen even vrolijk in de Kerk aantreft als daarbuiten, is een regelrechte schande en zou een voortdurende bron van bezinning en bekering moeten zijn. Want ons geloof gaat precies over het tegenovergestelde.

Duivel
Ik heb weer te veel uitgeweid, daarom gaan we hier volgende week dieper op in.
Nu alvast enkele grote lijnen. Voor christenen is God pure Liefde. Mensen die zich op Hem beroepen moeten proberen om zo vriendelijk en liefdevol mogelijk met elkaar om te gaan. De Geest van God is per definitie een geest die mensen samenbrengt. De geest die mensen verdeelt en tegen elkaar opzet wordt in de Schrift ‘diabolos’ genoemd, de duivel, het absolute kwaad …
Duidelijker kan het niet.

God en mens

Zondag 8 mei 2016, 7de zondag van Pasen (jaar C)

Johannes is een wat aparte evangelist. “Wat apart” is overigens nog zacht uitgedrukt. De drie anderen, Markus, Matheus en Lukas, brengen een vrij nuchter verslag van de gebeurtenissen in het leven van Jezus; over wat hem bezielde, hoe hij tot mensen sprak en wat hij in mensen teweegbracht. Hoe hij mensen genas en terug op de been hielp. Hoe hij hun zonden vergaf en hun warmte en liefde in de plaats gaf. Ze hebben het over de parabels die hij vertelde, over zijn twistgesprekken met de farizeeën en over zijn bidden, zijn helemaal opgaan in God. Johannes daarentegen is veel ingewikkelder omdat het verslag dat hij brengt al helemaal doordrongen is van zijn eigen theologie, zijn eigen kijk op Jezus. Daardoor kan het gebeuren dat de tekst nogal moeilijk en langdradig overkomt en je, door de vele herhalingen, vanwege de bomen het bos niet meer ziet. In het stukje dat we vandaag gelezen hebben gaat het, onder andere, over de eenheid tussen Jezus en God. Hoezeer de schrijfstijl van Johannes de hedendaagse lezer ook enigszins ongemakkelijk kan maken en hem zelfs op de heupen kan werken, wat hij wil duidelijk maken is, denk ik, fundamenteel voor het christendom. De overtuiging namelijk dat wij, in Jezus, Godzelf aan het woord horen, dat wij in Jezus Godzelf aan het werk zien. Of, om het met Jezus’ eigen heldere maar tegelijk ook adembenemende woorden te zeggen: “Ik en de Vader, wij zijn één”.

Kiezen
Hier kan je geen speld tussen krijgen. Je neemt het aan of je verwerpt het. Maar je kan er niet aan friemelen, het een beetje “aanpassen”, het een beetje “breed interpreteren”. Hoewel we dat maar al te graag doen. Jezus wordt dan een groot moreel leraar, een uitzonderlijke profeet. En dat klinkt dan wel mooi, maar die mogelijkheid heeft Hij ons niet gelaten. De gedachte dat in de mens Jezus Godzelf onder ons kwam, is geen theologisch aardigheidje dat later is toegevoegd, ze komt van Jezus zelf. “Wie mij ziet, ziet de Vader”. Als Jezus niet is wie Hij zegt te zijn: Godzelf in de gestalte van een mens, dan is Hij geen groot leraar maar een onevenwichtige, een gek. Te vergelijken met iemand die van zichzelf zegt dat hij Napoleon is. Trouwens, de idee van de menswording – God die de gestalte aanneemt van een mens – lijkt alleen maar op het eerste gezicht een beetje raar. Hoe meer je echter over die gedachte nadenkt, hoe minder buitenissig ze wordt. Hoe meer je zelfs geneigd bent te denken: het moét wel waar zijn. Wie anders dan God zou de dingen van ons durven vragen die Jezus van ons vraagt? Dat wij ons leven moeten prijsgeven om het te winnen. Dat wij alles wat ons bindt moeten loslaten om ons kruis op te nemen en hem te volgen? Wie anders dan Godzelf zou zoiets van ons durven vragen?

Essentieel
Voor de mensen die het altijd maar hebben over “de christelijke waarden” en het geloof zelf het liefst wat tussen haakjes zetten, toch ook even dit.
Een tijdje geleden vertelde een vriend van me die niet gelooft: “Ik begin meer en meer te denken dat geloof toch met iets essentieels moet bezig zijn, anders was het al lang verdwenen.” “Meer dan ooit”, zei hij, “beseffen wij in onze tijd dat ideologieën een zeer beperkte levensduur hebben. En dat moraal en normen en waarden cultureel gebonden zijn en sterk evolueren met de tijd. Maar zelfs al zien godsdiensten de morele gedragingen die ze altijd hebben voorgeschreven vervagen of zelfs helemaal verdwijnen, het geloof zelf leeft verder.
Dat geloof moet dus wel met iets essentieels bezig zijn. Je kan dat gewoon niet reduceren tot een onwezenlijk verlangen of een psychologische rariteit. Het kan bijna niet anders of er moet een werkelijkheid zijn die aan dat geloof beantwoordt.” Dat zei mijn vriend die niet gelooft …

“Waarden”
Net zoals in de Romeinse tijd zijn er nu ook weer vele, vaak hoogontwikkelde christenen die terugglijden in een vorm van Arianisme. Christus is voor hen een uniek en uitzonderlijk hoogstaand mens en zijn leer een voortreffelijk geheel van normen en waarden. Ze denken op die manier het geloof meer verstandelijk aanneembaar en dichter bij de tijd te brengen. Ik denk dat ze zich vergissen.
Onze westerse wereld baadt momenteel in een zee van positivistisch rationalisme. Uiteraard komen we daar ooit wel een keer uit. En dan zal blijken dat het christendom als ethische leer zo goed als verdween in de smeltkroes van duizenden concurrerende systeempjes. Maar dat het christendom als geloof overeind is gebleven. En dan niet als een vaag geloof van “er is iets”, maar geloof in de Menswording. Geloof in God die op een welbepaald moment in onze geschiedenis de gestalte van een kwetsbare mens heeft aangenomen: Jezus Christus.

Leven na de dood?

Donderdag 5 mei 2016, zondag van Pasen (jaar C)

Omdat de bezorgdheid van mijn pastorale broeders en zusters om mijn dagen gevuld te krijgen heel af en toe een dipje kent, zijn er soms ook avonden dat ik niet naar een vergadering moet. Ik kan dan, net zoals iedere normale Belg, gewoon een boekje lezen of de tv aanzetten. En telkens merk ik dan dat ik toch nogal wat mis door zo weinig te kijken. Een tijdje geleden mocht ik zo, in gezelschap van Jani, op bezoek in een Amerikaans stadje dat helemaal bleek vol te zitten met helderzienden, spiritisten, dames met kristallen bollen en gediplomeerde spokenjagers. Nu zeggen vrienden van mij dat de heer Jani als hét restylingsfenomeen van Vlaanderen best te pruimen valt. Het schijnt dat die man van een echte “Coronation Street-slons” zomaar een mooie vrouw kan maken. Chapeau daarvoor. Maar op z’n acteertalent valt toch wel wat af te pingelen.
Zijn respect voor een helderziende en zijn angst voor spoken was te duidelijk gespeeld, ook al zei hij een half uur lang bijna niets anders dan “O my God, o my God, o my God”, en al gebruikte hij wel vijfhonderd keer het bekende F-woord …

Surrogaat
Blijkbaar was het de bedoeling van Jani en van de programmamakers om de draak te steken met heel die wereld van het “occulte”, het “astrale”, de wereld waarin het geloof in en het oproepen van geesten centraal staat. Voor ons niet gelaten. Christenen hebben zich nooit met die onzin beziggehouden. Het valt trouwens op dat de interesse in dat soort dingen toeneemt naarmate echt religieus geloof vermindert of verdwijnt. Blijkbaar fungeert het als een soort drug voor mensen die hun christelijk geloof verloren, maar die gekweld worden door angst voor de dood en het niets. Ik vond het helemaal niet erg dat het programma duidelijk wilde maken dat de “rare snuiters” die in deze schemerwereld rondlopen zo goed als altijd bedriegers zijn die geld slaan uit de goedgelovigheid van zwakke mensen. Niet zelden zijn dat mensen met een schrijnend verdriet, die op zoek zijn naar een teken van leven van een gestorven geliefde. Wat mij wel verbijsterde was dat de programmamakers daar dan maar meteen de grote les uit trokken dat er “dus geen leven is na de dood”. Voorwaar een sterk stukje logisch redeneren. Maar zo waren we wel meteen weer helemaal thuis. Voelden we ons weer helemaal bij de Vlaamse televisie en haar o zo neutrale opstelling inzake geloof. Christenen geloven totaal niet in al dat schemerig gedoe waar dit programma over ging. Maar ze geloven wel degelijk in het leven na de dood. Sterker nog, de Verrijzenis van Christus en als gevolg daarvan de mogelijkheid op eeuwig leven voor iedere mens, is heel belangrijk in ons geloof. En dat is voor christenen nogal normaal denk ik. Het schijnt dat er ook mensen zijn die zich christen noemen en die in God geloven maar niet in het leven na de dood, niét in het eeuwig leven. Ik begrijp dat niet. Als er geen eeuwig leven is, geen oordeel, geen ultieme rechtvaardigheid, geen soort rechtzetting voor al het lijden en alle pijn, dan zou ik nooit in God kunnen geloven. En áls ik in hem geloofde, zou ik hem alleen maar kunnen verachten.

Onverteerbaar
Eigenlijk kunnen wij ons slechts met de grootste moeite verzoenen met een schepping die alleen maar voor romantische zielen mooi en idyllisch oogt. In werkelijkheid zit er heel veel wreedaardigheid in die schepping. Natuurrampen, ziekten, struggle for life, met altijd weer als onverbiddelijke hekkensluiter: de dood. En overal om je heen die verschrikkelijke onrechtvaardigheid die blijkbaar heel normaal en natuurlijk is. Je zal maar in Somalië geboren zijn, of met een zware handicap, of ergens in Azië als buitenechtelijk kind, achtergelaten op een vuilnisbelt. Je kan je met heel die situatie alleen maar verzoenen, als er inderdaad uitzicht is op leven na de dood. Want veel van die dingen kunnen wij zelf niet oplossen, ondanks onze goede wil, en we zijn er ook niet verantwoordelijk voor. Wij zijn geworpen, volledig buiten onze wil, in een onaffe, soms heel wreedaardige en vijandige omgeving die we niet zelf gemaakt hebben. Wij kunnen ons daar alleen maar mee verzoenen als wij dat geworpen zijn in deze wereld kunnen zien als een kans om op de juiste manier te reageren, de juiste keuze te maken bij alles wat ons overkomt. Om van ons leven toch iets moois weten te maken. En om daarna voor altijd opgenomen te worden in de Liefde van God. Waarbij ons aardse leven, als het ons slecht verging, niet meer dan een flits zal blijken te zijn, een boze droom die verdwijnt bij het ontwaken.

Oordeel
Hoe dat eeuwig leven er zal uitzien, daar kunnen wij ons zo goed als niets bij voorstellen. Maar het moet in ieder geval ook een soort oordeel inhouden.
“Ja maar, God is toch oneindig liefdevol” zeggen sommigen dan. Dat is ook zo, maar liefde kan niet bestaan zonder rechtvaardigheid. Sterker nog, om in deze wereld – met zijn soms gruwelijkste ervaringen – te kunnen geloven in een liefdevolle God, is het absoluut noodzakelijk dat die God uiteindelijk recht zal verschaffen. Want rechtvaardigheid en recht zijn hier op aarde maar al te vaak helemaal zoek. Als God liefde is, en dat geloven we, dan moeten er in het eeuwig leven toch enkele dingen worden “rechtgezet”.