Wegtrekken uit dit land van angst

Zondag 26 juni 2016, 13de zondag door het jaar (jaar C)

We hebben het nu al twee zondagen achter elkaar gehad over het feit dat mensen het in deze tijd bijzonder moeilijk hebben met toe te geven dat ze “maar” mensen zijn en dus regelmatig onder de maat blijven, fouten begaan, verkeerde dingen doen. Schuld is op zich al een vies woord geworden, maar schuld bekennen is bijna pervers. Wij moeten koste wat het kost standhouden en geen zwakte tonen. Schuldig-zijn is een zwarte piet die je d’office doorschuift naar iets of iemand anders. En als je niet zomaar direct een zondebok kan aanwijzen dan leg je de schuld maar bij de omstandigheden, bij je ouders of bij de maatschappij die helemaal verkeerd in elkaar zit, zeker niet bij jezelf. In ieder geval niet bij jezelf. Wij hebben schrik om niet meer voor vol aanzien te worden als wij fouten toegeven. Meer nog dan een mogelijke straf vrezen wij het verlies van aanzien bij de mensen. En meer dan het knagen van ons geweten vrezen wij het verlies van waardering van onze relaties. Wij leven niet langer in een maatschappij waarin opgekeken wordt naar mensen die heilig zijn of gewoon goed voor anderen. De mensen waar wij naar opkijken zijn mensen die het gemaakt hebben, mensen die succes hebben, die de top bereikten. En in een maatschappij als de onze bereik je die top niet met goed te zijn voor andere mensen, maar dikwijls juist ten koste van andere mensen.

Meedogenloos
Wij zijn een harde maatschappij geworden waarin iedereen op zijn strepen staat en niets meer wordt gelijmd of gezalfd. Denk aan de vechtscheidingen of de burenruzies waarbij beide partijen elkaar ongenadig de armoede in procederen. De verdraagzaamheid, het elkaar kunnen verdragen van mensen is er niet echt op vooruitgegaan. Wij lijken misschien wel een open, vrije en verdraagzame samenleving omdat er een paar grote instituten zijn waar wij naar hartenlust mogen tegen stampen. De Kerk is er zo één, het vorstenhuis een ander. Het zijn instituten die heel oud zijn en daardoor alleen al veel gezag uitstralen, maar waarvan wij heel goed weten dat ze ofwel geen echte macht hebben ofwel die macht nooit zullen gebruiken tegen ons. Maatschappelijke boksballen zijn het, waarop wij ons hartje eens kunnen ophalen. Maar moest ik 1/10 van wat ik over prins Laurent vertel, vertellen over mijn buurman, dan werd ik op de rechtbank uitgebeend tot er geen spaander van me overbleef. Ons samenleven is onmiskenbaar verhard, iedereen staat op zijn strepen. Zoeken naar een vergelijk, naar een oplossing is voor softies. Je ongelijk toegeven, dat is iets voor zwakkelingen.

Angst
Maar niets is wat het lijkt. Ook dit soort machogedrag vindt zijn oorsprong in onzekerheid en angst. Juist omdat de samenleving zo hard is voor elk teken van zwakheid of hulpeloosheid, verschuilen wij ons achter ons imago van kracht en onberispelijkheid. Juist omdat de samenleving geen enkel respect heeft voor mensen die hun fouten erkennen en hun gebreken niet wegstoppen, proberen wij ons zo volmaakt mogelijk voor te doen. Uit angst. Angst om het respect van onze collega’s en de genegenheid van onze vrienden te verliezen. De angst dat, nadat wij ons klein en kwetsbaar hebben opgesteld, geen mens ons nog serieus gaat nemen en wij een beetje verfrommeld achterblijven.

Tragisch
En zo gedragen wij ons ook t.a.v. God. En dat is zo bijzonder triest. Want als er iemand is voor wie wij niet op de tippen van onze tenen moeten lopen, als er iemand is die onvoorwaardelijk van ons houdt, die van ons houdt zoals wij zijn, zonder één enkele voorwaarde, dan is het wel God. Alles waar we bang voor zijn in onze omgang met mensen valt weg, doet totaal niet ter zake in onze omgang met God. Hij is de grond onder mijn voeten, de schoot die mij omgeeft en voedt, de arend die mij draagt op zijn vleugels. Hij houdt van mij zoals een moeder houdt van haar kind. Voor Hem moet ik mij niet groter voordoen dan ik ben. Zoals bij een moeder, gaat zijn aandacht en zijn liefde misschien juist vooral naar hen die zijn aandacht en zijn zorg het meest nodig hebben. Ik mag mij dus klein maken voor Hem, mijn fouten erkennen, tonen wie ik “maar” ben. Want, en dat is het bijna ongelooflijke, het onvoorstelbaar mooie: in onze relatie met God bewerkt het erkennen van onze kleinheid precies het tegenovergestelde van datgene wat wij normaal mogen verwachten bij mensen. In plaats van
dichtgetimmerd te worden, werkt het bevrijdend. Hoe meer wij tegenover God onze fouten, onze streken en hebbelijkheden, onze zware zonden ook, erkennen, hoe meer wij ons door Hem aanvaard en bemind weten.

Uittocht
En dit geheim gaat nog verder, het wordt nog dieper. God blijkt geen “zalver” te zijn. Integendeel. Hoe meer ik voor Hem door de knieën ga, hoe meer Hij mij helpt om nog dieper te graven en te ontdekken dat het nog veel en veel erger met mij gesteld is dan ik tot dan toe dacht. God geeft mij een kristalheldere kijk op motieven en gedragingen die ik altijd niet alleen voor anderen maar ook voor mijzelf krampachtig verborgen heb gehouden. En, in plaats van dat dat nieuwe inzicht mij verplettert, bevrijdt het mij. Want dat is God op de eerste plaats en in alle omstandigheden: de Bevrijder bij uitstek. Diegene die mij wegvoert uit Egypte met sterke hand en gestrekte arm. Wat ook de aard mag zijn van mijn eigen Egypte, mijn eigen slavenhuis.

Deemoeddeemstering

Zondag 20 juni 2016, 12de zondag door het jaar (jaar C)

Vorige week zagen we hoe de explosieve toename van de welvaart en het sterk doorgedreven democratiseringsproces de mogelijkheid, de kans om vooruit te komen in het leven voor iedereen sterk heeft doen toenemen. Het gevolg daarvan is dat de doorsnee mens veel zelfbewuster is geworden en allang niet meer zijn ‘klakske’ afneemt als een persoon van aanzien hem passeert. (Voor alle zekerheid dragen wij zelfs gewoon geen klakske meer). De opzienbarende toename van de welvaart, hoe zegenrijk die ook mag zijn op zich, heeft echter ook de concurrentie en de competitie tussen de mensen erg doen toenemen. En ook het individualisme, het egocentrisme zelfs. Vaak hoor je zeggen dat de televisie de oorzaak is van de teloorgang van de gemeenschapszin, het sociale netwerk in onze dorpen, het contact tussen de mensen. Maar de televisie is alleen maar een begeleidend verschijnsel van iets dat veel fundamenteler is. De teloorgang namelijk van het besef dat men elkaar nodig heeft.

Solidair
Onze voorouders, en voor bijna ieder van ons waren dat boeren, waren helemaal doordrongen van de gedachte dat ze op elkaar aangewezen waren, elkaar nodig hadden. Dat besef was geen gevolg van filosofische overwegingen maar van pure noodzaak. Elke boer had andere boeren nodig, al was het maar om zijn eigen oogst binnen te krijgen. En dat schiep natuurlijk een sterk solidariteitsgevoel, niet zozeer uit idealisme maar uit noodzaak. De mensen waren diep doordrongen van het besef dat je het alleen niet redt. En precies dat besef maakte mensen ook nederig, bewust van eigen onmacht en beperktheid.
En ze bewonderden de trekkers die zich inzetten voor meer solidariteit, minder ongelijkheid, meer hulp voor hulpeloze mensen. Het is ter gelegenheid van de wereldmarkt tijdens het Octaaf in Lubbeek weer opgevallen hoeveel mensen er eigenlijk – zowel binnen als buiten de Kerk – bezig zijn met projecten en solidariteitsacties ten voordele van mensen uit de derde en de vierde wereld. Wij vinden dat doorgaans prima, maar zijn deze mensen die zich niet-aflatend inzetten voor hulpbehoevende medemensen, zijn dat tegenwoordig nog altijd onze idolen, zijn dat de mensen waar we naar opkijken, waar we echt willen op lijken?

Omslag
Neen. Onze idolen zijn sporthelden, mediafiguren, dat zijn mensen als Marc Coucke en Fernand Huts, mensen die succes hebben, die het maken. Onze echte idolen zijn niet mensen die goed zijn voor anderen maar die zich juist onderscheiden van anderen, die specialer zijn dan anderen, die meer kunnen, meer schitteren dan anderen. Dat zijn onze goden, onze ongenaakbare helden, hoog verheven boven gewone stervelingen. En wij spiegelen ons eraan, diep in ons hart willen wij zijn zoals zij … Is dat de reden waarom wij het zo moeilijk hebben met deemoed, met het toegeven dat we zwak en zondig zijn? Ik weet het niet. Misschien zijn de redenen die ik aanhaal niet sluitend, maar het fenomeen zelf is in ieder geval onmiskenbaar: de moderne mens heeft het enorm moeilijk om voor zijn klein-zijn uit te komen.

Biecht
Dat is ook de reden waarom de mensen de biecht radicaal afgeschaft hebben. Zelfs sterk overtuigde christenen laten het biechtsacrament helemaal links liggen. “Omdat het zo’n karikatuur geworden was”, zeggen ze. Sorry, maar dat is onzin. De manier waarop je biecht heb je volledig zelf in de hand. Wat je daar zegt en hoe je het zegt, hangt volledig van jezelf af. Als wij een lint met een strikje rond de biechtstoel gedaan hebben, dan heeft dat denk ik gewoon te maken met het feit dat wij het vertikken om minnetjes over onszelf te praten. Wij leven in een klimaat waarin je vooral moet tonen wat je kan, wat je waard bent. Jezelf op de borst kloppen en zeggen dat je eigenlijk toch maar een kluns bent, wordt zelfs als ziekelijk ervaren … Soms zeggen mensen, en dát lijkt dan wél een serieus argument, dat ze het er moeilijk mee hebben om de priester te zien als de directe vertegenwoordiger van God, en dat ze daarom de “directe lijn” verkiezen en wat ze op hun kerfstok hebben met Godzelf zoeken uit te praten. De vraag is dan alleen maar of dat praten met God zoveel anders is dan ons praten onder mensen. Of we ook in het gesprek met God het bekennen van schuld niet verwarren met het aandragen van verontschuldigen en verzachtende omstandigheden.

Essentieel
Misschien denkt u wel: is dat allemaal zo belangrijk? Als ik nu doe wat ik moet doen en het Evangelie probeer in praktijk te brengen, volstaat dat dan niet? Is dat “gezond schuldgevoel” dan zo belangrijk dat je er twee zondagen aan besteedt en volgende week nog een derde? Ik denk het wel. Omdat we hier raken aan de essentie van het godsdienstig-zijn. De religieuze mens is per definitie op zoek naar het oneindige, het absolute. Biddend probeert de christen zich open te stellen en zich te laten aanspreken door een God die absolute schoonheid is, absolute goedheid, absolute Liefde. Het spreekt vanzelf dat in Zijn nabijheid gevoelens van deemoed, berouw en de vaste wil om anders te leven normaal zijn. Je kan je dus afvragen of je überhaupt wel godsdienstig kan zijn zonder besef van eigen kleinheid. En of in de huidige goddeloosheid, het onvermogen van de hedendaagse westerse mens om zich op de borst te kloppen niet een grotere rol speelt dan de aanbidding van het geld.

Westerse radicalisering

Zondag 12 juni 2016, 11de zondag door het jaar (jaar C)

Ik heb ooit eens op tv een merkwaardig verhaal gehoord uit de mond van een Engelse journalist die, hoewel zelf ongelovig, voor een reportage in Rome een Mis bijwoonde van de paus. Hij wist natuurlijk wel – we hebben het nu over de jaren 60 – dat de paus op de meest plechtstatige wijze zijn intrede maakte in een draagstoel, omgeven van waaiers met struisvogelpluimen, een ritueel dat helemaal leek afgekeken van het hofceremonieel bij de farao’s. En misschien moest hij er als ongelovige alleen maar een beetje om grinniken. Maar wat wel een verpletterende indruk op hem maakte was dat de man die zojuist nog was binnengedragen als een God, even later bij de Consecratie zichzelf vernederde en knielde als een slaaf voor een stukje brood. En de journalist besefte dat voor katholieken dit kleine stukje brood hemelhoog verheven is boven iedereen en alles wat op aarde macht en aanzien heeft. Omdat in dit kleine stukje brood Jezus zelf in ons midden komt. En omdat iedere gelovige, staande voor de oneindige liefde en barmhartigheid, voor de absolute heiligheid van God, diep doordrongen raakt van zijn eigen schamelheid en onwaardigheid.

Moeilijk
Tenminste, dat was zo tot voor kort. Mensen van vandaag hebben nogal wat moeite met het uiten van gevoelens van schamelheid en onmacht, van onwaardigheid, schuld en zonde. Laatst nog zei een dame me dat ze het echt niet leuk vond om telkens vóór de communie te moeten zeggen: “Heer ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt”. En eigenlijk is dat toch wel eigenaardig. Want als je gelooft dat God inderdaad pure Liefde is, wat is er dan moeilijk aan om te erkennen dat je als mens meestal zwaar onder de maat blijft? En toch kost het ons veel moeite om dat te erkennen. Een eerste verklaring is misschien dat, onder invloed van protestantisme en jansenisme, mensen in het verleden nogal eens opgezadeld werden met een vals schuldbewustzijn. Een tijdje geleden kreeg ik nog een parochieblad uit de jaren 50 in handen met daarin een “stichtelijk woordje” over de “straffende goddelijke rechtveerdigheid” en het noodzakelijk geachte “uitboeten van de zonden”. Als je nu zo’n tekst leest kan je moeilijk een glimlach onderdrukken. Maar tegelijk besef je dat de mensen in die tijd daar niet vrolijk van werden. Het is niet meer dan gezond dat we op die zaken momenteel een alleszins mildere kijk hebben. Niet het minst omdat ons godsbeeld een grondige wijziging heeft ondergaan. Al kan er geen liefde zijn zonder rechtvaardigheid, toch is het in onze dagen vooral de barmhartige kant van God die ons aanspreekt en waar wij ons bij voorkeur op richten.
Misschien dat ook daarom dat “Heer ik ben niet waardig” een beetje raar voor ons klinkt. En wellicht zijn er nog vele andere redenen waarom wij zo moeilijk met schuld en onmacht kunnen omgaan, want de mens is nu eenmaal een complex wezen.

Egocentrisme
Maar de voornaamste reden van ons degout is zeker wel het feit dat wij leven in een maatschappij waarbinnen de geest van competitie zo onvoorstelbaar sterk is toegenomen dat we ons geen deemoed meer kunnen permitteren. Het “ik” heeft de indruk dat het van alle kanten belaagd wordt en het wil vooral staande blijven en zichzelf op de kaart zetten. Natuurlijk heeft die geest van competitie en concurrentie altijd wel al bestaan, zeker in onze joods-christelijke cultuur. Die geest is trouwens ook altijd de motor van de vooruitgang geweest. Maar hij was nooit zo algemeen, zo onbarmhartig en verstikkend als vandaag. Uiteraard  vond een boer het 100 jaar geleden ook wel fijn als hij bekend stond voor zijn prachtige kalveren of als iemand die de rechtste voren met zijn ploeg kon trekken, of het beste fruit afleverde of als niemand anders in het dorp met paarden kon omgaan zoals hij. Daar was hij dan trots op. Maar daar bleef het dan ook bij. Hij moest daarbovenop niet ook nog eens het grootste huis, de snelste wagen en de meest adembenemende schoonheid tot echtgenote hebben.
De competitie en de concurrentie was niet totaal. Ik kon als boer best hebben dat mijn buurman wijd en zijd bekend was voor zijn kennis van de witloofteelt. Zolang iedereen maar wist dat je voor een malse big niet bij hem maar wel bij mij moest zijn.

Radicalisering
Op dit ogenblik heeft de consumptiemaatschappij en de mentaliteit die daar het gevolg van is gemaakt dat wij strijders geworden zijn op vele fronten. De reclame die ons inpompt dat wij recht hebben op het beste op elk terrein maakt dat het leven één grote competitie geworden is en dat wij geruisloos veranderen in concurrenten van elkaar op zowat elk denkbaar gebied. O.K., ik ga hier weer geen pees spannen tegen de consumentenmaatschappij. Straks gaat iemand nog denken dat ik terug wil naar vroeger en dat wil ik helemaal niet. Ik wil er alleen maar op wijzen dat dit ook enorme gevolgen heeft voor het geloof. In een maatschappij van concurrentie en competitie is het voor iedereen zaak geen krimp te geven, staande te blijven, je sterk voor te doen, de ander te overtroeven. Het spreekt vanzelf dat in zo’ n klimaat naakt en nederig en om vergeving vragend voor God te gaan staan volkomen absurd wordt.
We zitten dus met een probleem. Volgende week gaan we daar dieper op in.

Schepper van toekomst

Zondag 5 juni 2016, 10de zondag door het jaar (jaar C)

Vandaag twee, op z’n zachtst gezegd, opzienbarende verhalen. Zowel in het verhaal van Elia en de zoon van de weduwe van Sarefat als in dat van Jezus en de zoon van de weduwe uit Naïm gaat het om een dode die terug tot leven gebracht wordt.
Of u nu die verhalen letterlijk aanneemt of eerder kiest voor een meer symbolische verklaring, dat maakt gewoon niet uit, omdat het hier gaat om het teken dat gesteld wordt en dat teken overstijgt beide interpretaties. Ik vind dat een geruststellende gedachte.

Aanwijzing
Waar het om gaat is dat die verhalen ons iets proberen mee te geven over het wezen van God en over zijn relatie tot zijn mensen. Op de eerste plaats leren ze ons iets over de oneindige barmhartigheid van God. Over hoe Hij naar ons kijkt met ogen vol liefde en genegenheid. Hoe Hij in al onze miserie ons wil helpen.
En in het geval van deze twee weduwen doet Hij dat op een opzienbarende manier. Weduwen die geen zonen hadden waren in het Israël van die tijd veroordeeld tot een bedelstaf. Bij al het immense verdriet van een moeder die haar zoon verliest kwam dus ook nog eens het afschuwelijk uitzicht op het moeten verder leven als een paria. Maar het gaat dus om een teken. In het Israël van die tijd waren er immers duizenden weduwen en velen onder hen hadden geen kinderen of hadden hun kinderen zien sterven door ziekte of oorlog.
Zoals er ook ontelbare blinden, kreupelen en melaatsen waren waarvan er dan enkele door Jezus genezen werden. Al de anderen niet … U ziet meteen het probleem.

Exemplarisch
Als God zijn liefde had moeten bewijzen via dodenopwekking en genezing, dan had Hij iedereen moeten genezen en dan had Hij er moeten voor zorgen dat er niet eens zoiets als lijden en dood zou bestaan. Maar zo is het duidelijk niet. Hij stelt gewoon een teken. Bij een enkeling. Als wil Hij zeggen: “Ook al kan je dit als mens moeilijk begrijpen omdat je voortdurend geconfronteerd wordt met lijden en dood en kan je daar zo moeilijk een liefdevolle God achter zien, toch is het zo, ik hou zielsveel van jou”. En het teken dat Hij stelt aan een enkeling is niets anders dan een daad van Hem die wij herkennen en die ons wel degelijk doet denken aan een barmhartige en liefdevolle Vader. Het is een teken waarmee Hij zegt tegen ieder van ons: “Er is zoveel onbegrijpelijk voor jou. Maar ondanks de hardheid van het leven en dus de schijn van het tegendeel, Ik hou wel degelijk hartstochtelijk van jou, wat je ook overkomt. Ik ben je Vader, jij bent mijn oogappel, Ik laat je nooit in de steek.”

Uitweg
En het tweede kenmerk, de tweede eigenschap van God waarvan deze opwekkingsverhalen een teken zijn, is dat God in de meest uitzichtloze situatie toekomst voor ons openbreekt. Als mens worden wij voortdurend geconfronteerd met onze eindigheid, botsen wij voortdurend op onze grenzen.
Als wij in onze joods-christelijke traditie God vooral zien als Bevrijder, dan heeft dat daarmee te maken. Met de ervaring namelijk dat er voor God geen muren bestaan waar geen opening kan in gemaakt worden. Al lijkt de situatie waarin wij ons bevinden reddeloos verloren, al is ons elk zicht op redding ontnomen, al is de laatste vluchtweg dichtgeslibd, God schept onverwacht weer nieuwe mogelijkheden; brengt licht aan in de diepste duisternis; laat koren groeien op grond die helemaal verdord was. God is diegene die ons verlossen kan uit elke kerker waarin wij, vaak door eigen toedoen, dreigen weg te kwijnen.
En het is belangrijk dat mensen dit soort ervaringen opdoen tijdens hun leven.
Dat ze ervaren dat vertrouwen op God altijd op een of andere manier uitredding brengt. Heel vaak niet op de manier die wij gewild en verhoopt hadden.
God laat zich niet door ons dicteren hoe Hij ons helpen moet. Maar Hij helpt ons wel degelijk. Alleen begrijp je het vaak alleen maar achteraf, soms zelfs behoorlijk lang na de feiten. Maar het is dus heel belangrijk dat wij die ervaring opdoen. Dat wij in ons eigen leven of in het leven van mensen die ons dierbaar zijn heel duidelijke momenten kunnen aanwijzen waarin God ons reddend nabij is geweest. Waarom is dat zo belangrijk?

Muur
Omdat we ooit in ons leven voor een muur komen te staan waar niemand overheen kan kijken. Zolang er leven is, is er hoop, zeggen de mensen.
En van die hoop kunnen ze zich een voorstelling maken. Als je ziek bent heb je een zeer goed beeld van de gezondheid waar je naar verlangt. En als je arm bent kan je je heel goed voorstellen wat welstand betekent. En bovendien is het ook allemaal heel goed mogelijk: een zieke kán gezond worden en een arme moet niet noodzakelijk heel zijn leven arm blijven. Er is dus hoop. Maar de dood is de ultieme muur. Daar is geen kruid tegen gewassen. En niemand die de achterkant gezien heeft keerde ooit terug. Het is dus van het grootste belang dat wij, uit eigen ervaring of van heel betrouwbare getuigen weten: God is een bevrijdende, barmhartige God die altijd nieuwe toekomst voor ons schept. Een God die zo van me houdt, die laat me niet vallen, ook niet als ik sterf.