Over bidden

Zondag 24 juli 2016, 17de zondag door het jaar (jaar C)

Vandaag eens te meer een evangelielezing die ons niet zo lekker ligt. Niet omdat wat erin staat over het gebed moeilijk te begrijpen zou zijn.
Maar omdat, wat er over het gebed gezegd wordt, ons eigenlijk niet zint.
Het begin klinkt nochtans veelbelovend: “Wie vraagt, verkrijgt, wie zoekt zal vinden en voor wie klopt zal men opendoen”.
Maar iedereen weet dat dit niet waar is, toch niet zoals het er staat.
Hoe vaak heeft ieder van ons al niet moeten ervaren dat het zo niet werkt, dat God niet voortdurend klaar staat om op al onze vragen en wensen in te gaan. En eigenlijk is dat niet meer dan logisch. Want als God dat wel zou doen, als Hij voortdurend zou klaar staan om op al onze grillen in te gaan dan waren wij God, en dan was Hij niet meer dan ons knechtje.
Maar misschien verhoort Hij ons niet, denken we dan, omdat wij in ons bidden teveel met onszelf bezig zijn. Omdat wij vooral bidden als wij goed weer willen op onze huwelijksdag, of wanneer wij een examen moeten afleggen of naar Gasthuisberg moeten.
Maar ook dat klopt niet. Want ook als wij bidden voor andere mensen, mensen die ons dierbaar zijn of zelfs, in een bijna bovenmenselijke onthechting, voor de genezing van mensen die ons helemaal niet dierbaar zijn, is dat nog geen garantie dat we verhoord worden.

Heilige Geest
Er moet dus een andere reden zijn waarom we vaak het gevoel hebben dat ons gebed niet wordt verhoord. En die reden staat heel duidelijk in het Evangelie. Alleen onzorgvuldig lezen belet ons haar te zien.
Er staat dat je zowat voor alles kan bidden maar een formele belofte van verhoring krijg je alleen als je vraagt om de H.Geest. M.a.w.als je uitdrukkelijk vraagt dat je eigen verlangen meer en meer gaat samenvallen met het verlangen van Godzelf.
En hier zitten we bij de kern van wat bidden is. En meteen ook mijlen ver              af van de God-is-mijn-knechtje-houding. Echt bidden is net het omgekeerde.
Het is niet vragen dat God de wereld of de situatie in de door jouw gewilde zin zou veranderen. Maar is het vragen om zelf anders te worden. Het is vragen dat wat jij wil steeds meer mag samenvallen met wat God wil. Ik denk dat het, vooral in onze tijd belangrijk is om dat heel scherp te zien.
Wij weten dat God Liefde is. Hoe dichter mijn wil zich invoegt in wat Hij wil, hoe meer ik met zijn ogen naar zijn Schepping en zijn mensen zal kijken. Hoe spontaner ik ook liefdevol in het leven zal staan.
Maar dat is dus wel iets totaal anders dan te zeggen: “Kijk, beste God, ik heb hier dus een fantastisch project dat de armen ten goede zal komen. Ik weet dat Gij dat wilt, zorg dus dat mijn project een succes wordt, ’t is voor u dat ik het tenslotte doe”. Daar moeten we dus echt van af. Niet van de projecten maar van die God-mag-mijn-werk-zegenen mentaliteit.
Want uiteindelijk is dat dan toch weer God-die-mijn-knecht-mag-zijn.
Je kan wel vragen dat God je zou helpen en bijstaan. Je moet dat zelfs doen al was het maar om te tonen dat je echt in Hem gelooft. Maar je mag God nooit dicteren wat Hij moet doen, en hoe Hij het moet doen.

Dieper
Zolang we echter blijven vragen en smeken, zolang we onze vreugden en onze zorgen aan God toevertrouwen zijn we nog niet aan het echte diepe gebed toe.
Het is natuurlijk wel gebed, vanaf het ogenblik dat ik praat met God ben ik aan het bidden maar het echte diepe bidden waartoe je als christen opgeroepen wordt is het nog niet.
Het echte diepe bidden waarvoor Jezus midden in de nacht opstond om helemaal alleen te zijn met de Vader is het nog niet.
Want dat diepe echte bidden heeft maar één doel: één worden met God. En al klinkt dit misschien heel erg hoog gegrepen, ieder van ons is geroepen die éénwording al was het maar één keer, of heel af en toe of regelmatig te beleven. En de eerste voorwaarde om tot echt christelijk gebed te komen is leren je mond te houden en te luisteren.
Echt gebed begint met te luisteren. En, vanuit dat luisteren, u stilaan bewust te worden van een Aanwezigheid diep in jezelf.
Een echte Aanwezigheid. Niet één of ander deel van jezelf, niet één of andere bewustzijnstoestand. Maar je bewust worden dat God zelf diep in u aanwezig is. God zelf. God in heel zijn volkomenheid. Niet het New-Age achtige “goddelijke deel van mij”, maar de God van Jezus Christus: tegelijk barmhartige Vader en Schepper van hemel en aarde.

Doenbaar
Bidden is steeds meer één worden met Hem.
Het is ondervinden dat mijn uiteindelijke voltooiing en mijn diepste geluk erin bestaat mijn wil steeds meer te voelen samenvallen met de Zijne.
Dat klinkt misschien wel als iets dat niet is weggelegd voor gewone mensen zoals wij. En toch moet je daarvoor niet over indrukwekkende capaciteiten beschikken.
Ik heb ooit eens een heel lief oud vrouwtje leren kennen. Ze zat dagenlang in haar zetel en ze kon bijna niets meer. Maar in gedachte ging ze al de huizen van het dorp af, huis voor huis. En ze haalde zich voor ogen wie daar woonden, de vader, de moeder, de kinderen, de oma en daar bad ze dan voor. En woonde daar nieuwe mensen die ze nog nooit gezien had werden die ook opgenomen in die wolk van gebed en genegenheid.
Het was een klein en onopvallend omaatje, vele dorpelingen wisten nauwelijks nog van haar bestaan.
Maar terwijl de wereld om haar heen aan haar voorbij holde besefte niemand dat, terwijl ze aan het bidden was, en dat was bijna de ganse dag, haar wil volkomen samenviel met die van Hem die sterren en planeten in hun baan houdt en de loop van de geschiedenis bepaalt.

Smoesjes

Zondag 17 juli 2016, 16de zondag door het jaar (jaar C)

Op de vraag “wie is mijn naaste?”, antwoordt Jezus: Van ieder die mijn hulp nodig heeft wordt ik de naaste. Het is een radicale stellingname die helemaal ingaat tegen onze diep ingewortelde neiging om zelf te bepalen voor wie we goed willen zijn en voor wie niet.
Niet ik bepaal wie mijn naaste is, zegt Jezus, maar de mens in nood maakt mij tot zijn naaste. Ik wordt gewoon zijn naaste door het feit dat hij hulp nodig heeft en ik hem die kan geven.
Het is inderdaad een radicale opvatting want het betekent dat de ellende, de armoede, het verdriet en de pijn van alle mensen die op mijn weg komen en die ik zou kunnen helpen, mijn zaak wordt.

Schuld
Het betekent dus ook dat het feit dat ik niet verantwoordelijk ben voor de ellende van een medemens mij niet ontslaat van de plicht om hem te helpen.
En laat dát nu net het punt zijn waar wij altijd op terugkomen als wij naar redenen zoeken om mensen niet te moeten helpen: het is niet onze schuld dat die mensen arm zijn of ziek of vervolgd of uitgebuit worden zeggen we dan.
Een raar argument eigenlijk als je bedenkt dat als mijn zoon of mijn dochter ziek is, ik hemel en aarde beweeg om hen te helpen, terwijl het toch ook niet mijn fout is dat ze ziek zijn. En op dezelfde manier help ik een goeie vriend die financieel aan de grond zit en bezoek ik mijn oma die wat stilletjes zit weg te kwijnen bij haar thuis of in het bejaardentehuis, hoewel het ongeluk van die mensen niet mijn schuld is.
Het is duidelijk dat het argument “het is niet mijn schuld” niet klopt en alleen maar de echte reden moet verhullen: het feit namelijk dat ik mij veel minder betrokken voel bij het leed van kinderen in Bangladesh dan bij dat van mijn eigen kinderen.
En hoewel Jezus dat juist in vraag stelt (wij zijn allen broeders en zusters) is die houding wel begrijpelijk omdat ze in onze natuur ligt. Het hemd is altijd nader dan de rok.

Naïef
Er zijn echter andere en veel kwalijker argumenten om niets te moeten doen voor mensen in nood.
Eén ervan is (en dat is eigenlijk hetzelfde als het vorige maar een beetje aangepast): laat diegenen die via uitbuiting, oorlog en tirannie schuld hebben aan de ellende van zovele mensen, laat die ervoor opdraven.
Maar, hoe onzinnig is toch dat argument. Eigenlijk zeggen we dan, als we even teruggaan naar het verhaal van de barmhartige Samaritaan, laat de rovers die de ongelukkige reiziger overvallen, bestolen en voor dood achtergelaten hebben, laat die terugkomen en hun slachtoffer verzorgen en alles weer goedmaken. Dat is een nogal naïeve redenering.
Er zijn nu eenmaal naast goede mensen ook rovers, bandieten, uitbuiters en tirannen. Dáár moet je uiteraard geen medelijden van verwachten. Die moeten alleen maar met kracht bestreden en gestraft worden. Maar ondertussen is het aan goede mensen om het leed dat die anderen aanrichten zoveel mogelijk te lenigen.

Rijken
Een ander zeer vaak gehoord argument is: laat de rijken ervoor opdraaien, die kunnen dat beter doen dan wij. Het is een populistisch argument dat gevoed wordt door de mythe dat de mensheid bestaat uit edelmoedige gewone mensen aan de ene kant en hardvochtige rijken aan de andere kant. En ook dat is natuurlijk onzin.
Er zijn bijzonder edelmoedige rijke mensen en er zijn bijzonder vrekkige en hebzuchtige “gewone” mensen. En omgekeerd.
Bovendien is van enkele superrijken in ieder geval geweten dat zij het allergrootste deel van hun bezit besteden aan het bestrijden van de armoede. En dat doen maar weinige “gewone mensen” hen na.

Plakken
Een ander vaak gehoord argument is: als ik wist dat de mensen het echt in handen kregen zou ik geven. Maar om die reden niets geven is ook niet juist. Want zelfs al moet je rekenen op 8 à 10% administratiekosten, en zelfs al zou er van mijn 100 euro , door de corruptie in de arme landen maar 10 of 20 euro tot bij de mensen geraken dan is dat altijd nog veel beter dan niets.
Ook met het argument dat bvb. na de tsunami in Zuid-Oost Azië , het ingezameld geld niet uitgedeeld werd aan de getroffen mensen maar dat men er allerlei infrastructuurwerken mee heeft gefinancierd, en “het geld dus toch weer naar de rijken is gegaan”, houdt geen steek.
Geld uitdelen kan je maar één keer. Maar heropgebouwde hotels en fabrieken zorgen voor de toekomstige broodwinning van de getroffenen en dat is veel duurzamer.

Kerkschatten
En dan is er, nu we toch bezig zijn, natuurlijk ook nog de koningin van alle dooddoeners: Waarom verkoopt de Kerk niet al haar kunstschatten om de opbrengst aan de armen te geven? Het antwoord is: omdat dit een onnozel en zelfs misdadig gebaar zou zijn.
Een onnozel gebaar: Omdat zij met de opbrengst ervan al de armen van de wereld misschien één keer een deftig maal zou kunnen geven. En dat was het dan. Alles op en gedaan met zingen.
Neen dan is de rol die de Kerk nu al 2000 jaar speelt in het bewust maken en het vormen van mensen die zich helemaal geven aan het lenigen van nood, oneindig veel belangrijker.
Maar het zou bovendien ook een misdadig gebaar zijn: Al die kunstschatten zijn wereld- erfgoed, ze zijn van ieder van ons, de Kerk beheert ze alleen maar. Ze kan ze trouwens ook niet verkopen.
Moesten die kunstschatten toch verkocht worden en in privécollecties en kluizen van filmsterren en oliebaronnen terechtkomen dan zou dat een misdaad tegen de mensheid zijn.

Lieve mensen, hier stop ik. Ik weet dat ook op mijn argumenten af te pingelen valt.
Wat ik alleen maar wil zeggen is: Welk argument ook wordt aangevoerd om onze broeders en zusters in nood niet te moeten helpen, het wordt, allemaal ontmaskert als cafépraat als wij Jezus recht in de ogen durven kijken….

Hoeder van mijn broeder

Zondag 10 juli 2016, 15de zondag door het jaar (jaar C)

Het verhaal van de Barmhartige Samaritaan is het antwoord van Jezus op de vraag van een schriftgeleerde: “Wie is mijn naaste?”. Het is een bijzonder interessante vraag.
Dat we bij wijze van vuistregel onze naasten moeten beminnen als onszelf, daarover zal iedereen het wel eens zijn.
Ik denk dat zo ongeveer elke godsdienst en elk menswaardig filosofisch systeem dat principe huldigt: behandel een ander zoals je zelf wil behandeld worden.
Maar de vraag van de schriftgeleerde is interessant omdat wij allen, hoezeer ook akkoord met het principe “je naaste beminnen als jezelf”, spontaan geneigd zijn om toch te werken met rangschikkingen en gradaties als het erop aankomt te bepalen wie vóór gaat.  De ene naaste is blijkbaar toch wat meer naaste dan de ander….

Spontaan aanvoelen
In je directe nabijheid staan dan de mensen die je het meest nabij zijn, waar je het meest van houdt, die je het dierbaarst zijn: je vrouw, je kinderen, je ouders. Een beetje verder staan de mensen van je familie, je vrienden, de mensen waar je het liefst mee samenwerkt.
Nog wat verder: de buren, de mensen van je parochie, van je dorp.
Daarachter allen die landgenoot van je zijn, hetzelfde beroep uitoefenen, enz.  Het is duidelijk dat hoe verder iemand zich bevindt van het centrum dan ikzelf ben, hoe minder hij mijn naaste is.
En op zich is dat een heel natuurlijk en normaal aanvoelen. Het is nogal wiedes dat ik beter niet helemaal opga in acties voor de derde wereld als ik ondertussen mijn eigen moeder laat verkommeren en mijn kinderen verwaarloos.
Wij zijn nu eenmaal beperkt in onze mogelijkheden, wij moeten dus wel prioriteiten stellen. En dan is het gewoon mijn plicht om goed voor mijn gezin te zorgen vooraleer ik mij buig over de nood van anderen.

Omwenteling
Maar het gevaar dat die manier van denken met zich meebrengt is dat ik mij dan steeds minder verantwoordelijk voel naarmate  de mens die in nood verkeert, zich “ver” van mij bevindt.
Het gevaar is dat ik dan wel goed ben voor mijn kinderen, maar mij al veel minder aangesproken voel door de nood van een verre buurman en al helemaal niet door die van een hongerend kind in Soedan.
Het revolutionaire van Jezus zit hierin dat Hij stelt dat niet wij bepalen wie onze naaste is maar dat een mens, door het feit zelf dat hij in nood is en ik hem zou kunnen helpen, mij tot zijn naaste maakt.
Ik kan dus volgens Jezus niet eigenmachtig zeggen, die is mijn naaste, en die is het al veel minder.
Voor Jezus wordt ik inderdaad de naaste van elke mens die hoe dan ook door mij zou kunnen geholpen worden.
Ook hier weer dat onthutsende radicalisme van Jezus: Voor elke mens in nood wordt ik de naaste.

Consequenties
Het is een verbijsterende stellingname .
Want dat betekent dat ook de armoede van Indiase boeren en de ellende van kindsoldaten in Afrika en kindslaven in Chinese fabrieken mij niet onberoerd mag laten.
Natuurlijk moeten wij ook niet alle ellende van de wereld op ons nemen en natuurlijk moeten wij geen schuldgevoelens hebben omwille van  het feit dat de wereld voor een groot stuk draait op uitbuiting van de ene mens door de andere. Dat is niet onze fout.
Maar wij mogen ons nooit zomaar bij die toestanden neerleggen. Ieder van ons heeft de plicht om van op zijn plaats, met de bekwaamheid en de middelen waarover hij kan beschikken, iets te doen om het lot van de uitgebruikte zwakken overal in onze wereld te helpen verbeteren.

Decency
Het is waar, het feit dat op een paar uur vliegen hier vandaan kinderen sterven van de honger is niet onze schuld. Maar wanneer onze manier van leven bijna alleen nog draait rond restaurantbezoek en reizen, rond voetbal en rockfestivals, waarbij het moto is zoveel mogelijk genieten , genieten en nog eens genieten en goede – doel – acties een soort excuus geworden zijn; wanneer de ellende van anderen geen enkele emotie meer oproept, dan scheelt er iets serieus aan onze levensstijl.
Als wij bij ieder teken van lijden en ellende van mensen in nood onmiddellijk de andere kant opkijken of de beelden resoluut wegzappen, dan is die manier van leven zelfs ziek en beschamend.
Toch zeker voor mensen die zich christen noemen.
Het is waar, het is allemaal niet onze schuld maar het gaat wel over onze broeders en zusters, kinderen van dezelfde Vader. Wij zijn hun naaste. Wij moéten hen helpen.

Geen eenzame ridders

Zondag 3 juli 2016, 14de zondag door het jaar (jaar C)

De evangelielezing van vandaag is niet direct de gemakkelijkste. Niet omdat ze moeilijk te begrijpen zou zijn. Maar eerder omdat ze moeilijk te verteren is. Ze heeft het in niet mis te verstane bewoordingen over de radicaliteit die van een christen verwacht wordt. Een radicaliteit die het “een beetje goed voor elkaar zijn” ver achter zich laat. Het gaat trouwens niet eens over goed zijn voor elkaar. Het gaat niet over concrete daden maar over een fundamentele ingesteldheid. Werken aan het Rijk Gods, en dat is de taak van iedere christen, is je inzetten voor een wereld waarin mensen liefdevol en bevrijdend met elkaar omgaan.
Wat Jezus ons vandaag zegt is dat die inzet totaal moet zijn, dat die inzet geen halfslachtigheid duld.

Celibaat
Diezelfde radicaliteit vind je ook bij Paulus die zelfs zo ver gaat te stellen dat, als je je echt wil geven voor het Rijk Gods, je eigenlijk beter ongehuwd blijft. Het is duidelijk dat Paulus dit niet letterlijk bedoeld want even verder stelt hij dat té lange onthouding ook niet goed is (1 Kor 7.5). Wat hij wil zeggen is dat je als gehuwde op de eerste plaats moet zorgen voor je gezin. En dat de liefde voor je nabestaanden en allerlei familiale bezigheden en aandachtspunten prima zijn op zich, maar toch ten koste gaan van je inzet voor het bredere plaatje. Dat, met andere woorden, de radicaliteit die het Evangelie van ons vraagt nog veel meer moeite kost voor iemand die gehuwd is dan voor iemand die wel niet het geluk kent van een warm gezinsleven, maar die er ook niet de eisen en de zorgen van kent. Maar het gaat hier inderdaad om een nuchtere vaststelling van een erg praktisch ingestelde Paulus.  Mensen die hierin persé een pleidooi willen zien voor het verplichte celibaat verwijs ik naar diezelfde nuchtere Paulus die stelt dat te lange onthouding de bekoring tot ontucht alleen maar groter maakt en dus niet aan te raden is.

Hulp
Maar goed, het gaat hier vandaag niet over de voor- en nadelen van het celibaat maar over de radicaliteit die verwacht wordt van diegenen die zich willen inzetten voor het Rijk Gods. En, nogmaals, het gaat niet zozeer om het stellen van grote daden maar om een innerlijk gericht zijn op de totstandkoming van dat Rijk. Met hart en ziel gericht zijn op die vredevolle wereld waarin mensen liefdevol zorg dragen  voor elkaar is veel belangrijker dan af en toe geld geven aan een goed werk en voor de rest een leven leiden waarin jij het middelpunt bent van je salon. En hier komen we in aanraking met een religieus fenomeen dat je moeilijk kan begrijpen als je doordrongen bent van de hedendaagse opvatting dat je als mens zo ongeveer alles zelf in handen hebt. En dat je niet alleen verantwoordelijk bent voor je daden, maar dat ook je ingesteldheid door je opvoeding, je omgeving en vooral ook door jezelf gestalte wordt gegeven.
Het is een opvatting die volledig voorbijgaat  aan de mogelijkheid dat ook God daarin een rol kan spelen. Ook mensen die godsdienstig zijn opgevoed moeten daarvoor oppassen. Vaak zijn ze zo doordrongen van de gedachte dat ze moeten werken aan zichzelf, dat ze zichzelf van alles moeten ontzeggen om via wilskracht en discipline te komen tot een grotere inzet en een evangelische levensstijl. Ook zij houden veel te weinig rekening met wat men traditioneel ” Genade” noemt. Het directe ingrijpen van God in je leven.

Geschenk
Vorige week hebben we het gehad over het opmerkelijk verschijnsel dat wanneer je naakt en berouwvol voor God gaat staan, Hij je diepste roerselen ogenschijnlijk ongenadig aan het licht brengt. Ogenschijnlijk ongenadig. Want, omdat deze “operatie – ontluistering” door God wordt geleid, is het een bijzonder bevrijdend gebeuren. En je ervaart het ten diepste als een genade: een gave, een geschenk. Zo mogelijk nog meer wonderlijk is het feit dat God ook je ingesteldheid fundamenteel verandert. God. Niet jijzelf. Zolang je probeert je natuurlijke gerichtheid op jezelf af en toe te doorbreken en anderen op de eerste plaats te stellen, blijft het een timmeren aan een moeilijke weg, blijft het een zaak van inspanningen, van vallen en opstaan, van wilskracht en telkens opnieuw beginnen. Het kan echter gebeuren dat je op een dag merkt bij jezelf dat je – zo maar ineens – fundamenteel anders gericht bent: dat je, met heel je persoon, alleen nog maar wil goed zijn voor anderen. Niet af en toe iets doen voor anderen, neen, fundamenteel er willen zijn voor anderen. Waarbij, zonder de minste inspanning, ineens een bron van geluk wordt wat je tot dan zag als een opgave. En dat is Genade. Dat bewerk je niet zelf. Dat “gebeurt” aan je. En je kan er alleen maar in verwondering en dankbaarheid naar kijken. En er voor bidden.