Nieuw samengestelde wereld

Zondag 25 september 2016, 26ste zondag door het jaar (jaar C)

Wij hebben echt niet moeten wachten op de komst van sociologen en het verschijnen van marxistische analyses om te beseffen dat er een duidelijk verband bestaat tussen buitensporige rijkdom en even buitensporige armoede.
Ook in de Middeleeuwen en zelfs lang daarvoor waren er al heiligen die kortweg stelden: als je iets van je rijkdom geeft aan een arme, dan geef je niet van het jouwe maar van het zijne …

Onverschilligheid
In dit verhaal over Lazarus en de rijke vrek gaat het echter niet over het eventueel verband tussen de extreme rijkdom van de ene en de even grote ellende van de andere. (De dames van de vakbond mogen dus nog even wachten met het koffiezetten). Het gaat immers over iets dat hoegenaamd niet kan opgelost worden door structuurhervormingen of sociale omwentelingen of correcties. Het gaat over de ontstellende onverschilligheid van de rijke voor de ellende van de arme. En dat is een moreel probleem. Naar alle waarschijnlijkheid heeft de rijke in dit verhaal zelf geen schuld aan de armoede van Lazarus en heeft hij hem ook nooit kwaad gedaan. Hoe zou hij dat ook kunnen: hij merkt het met zweren overdekte hoopje ellende niet eens op. En als hij hem al opmerkt, zal hij waarschijnlijk denken: eigen schuld dikke bult. Want zelf had de rijke het gemaakt in het leven, en dat doe je niet door op je luie krent te blijven zitten. Minachting dus, áls hij de arme al had opgemerkt. Maar in ieder geval: complete onverschilligheid voor diens ellende.

Radicaal
Voor Jezus kan dit dus echt niet. Jezus vraagt zich nooit af of de mens in nood al dan niet schuld heeft aan zijn miserie. Voor Hem telt alleen de mens die moet geholpen worden. En zijn eis om te helpen neemt adembenemende proporties aan in het fresco over het Laatste Oordeel, waar Hij zich vereenzelvigt met de arme, de gekwetste, de verachte en uitgestoten mens. “Want ik had honger en gij hebt mij niet te eten gegeven, ik had dorst en gij hebt mij niet te drinken gegeven, ik was in de gevangenis en gij hebt mij niet bezocht …” Hier wordt ook heel duidelijk dat het niet-doen van het goede dat verwacht mag worden, even erg of erger kan zijn dan de verkeerde dingen doen. Kunnen helpen en het niet doen, onverschillig blijven bij het leed dat anderen wordt berokkend, kan even erg zijn als de oorzaak zijn van dat leed. Het is goed dat we daar echt alert voor zijn, want dikwijls is het zinnetje: ” ’t Is toch niet mijn schuld, zeker!” de draagstoel van ijzingwekkende onverschilligheid.

Media
Er is, speciaal in onze tijd, echter nog een nieuw gevaar in dit verband. De stormachtige ontwikkeling die de media doormaakten kan de indruk wekken dat we nu toch veel beter op de hoogte zijn van elkaars miserie, dicht bij ons en wereldwijd. Het valt te vrezen dat dit alleen maar schijn is. Want met de steeds groter wordende rol van de media en de communicatiemiddelen groeide ook de mogelijkheid om de miserie uit ons leven weg te zappen, de ellende te fotoshoppen, de mensen met wie wij contact willen zelf te kiezen en al de anderen uit ons leven weg te deleten. Wij maken voor een stuk zelf onze (droom)wereld, en dat is steeds minder dé wereld. Wij hebben steeds meer te maken met alleen maar bepaalde mensen, “de vrienden” op facebook bijvoorbeeld en dat zijn steeds minder “de” mensen. Langzaam maar zeker dreigen wij in een virtuele wereld te leven waarin wij immuun zijn voor het leed van anderen.

Pokémon
Vooral bij een deel van onze jongeren begint dat toch een beetje zorgelijk te worden. Nu kent u mij al lang genoeg om te weten dat ik wel de laatste zal zijn om hier wekelijks staan te jammeren over “de jeugd van tegenwoordig”.
Maar ik moet eerlijk toegeven dat die huidige Pokémon-rage me toch wel een kleine schok gegeven heeft. Niet het Pokémon-spel zelf natuurlijk, want dat schijnt vrij onschuldig te zijn en de jongeren die er mee bezig zijn lijken weinig moeite te hebben met de plaatselijke inboorlingen (wij dus) die ze op hun zoektochten tegenkomen. Maar wat verontrust, is dat ik zoveel van die jongeren nooit eerder gezien heb. Niet alleen niet in de kerk, maar ook niet in de winkel, in de bank, bij de bakker of gewoon in de straat. Terwijl ze toch in mijn straat of in mijn dorp wonen. Het is duidelijk dat de tendens om steeds maar minder betrokken te zijn op de mensen die om ons heen wonen zich krachtig doorzet.
Dat kan alleen maar betekenen dat wij ons steeds meer afkeren van de echte wereld en ons steeds meer nestelen in een kunstmatige wereld, met alleen maar mensen en dingen en bezigheden die wij leuk en aangenaam vinden. En dat kan dan alleen  maar betekenen dat onze onverschilligheid voor het lijden en het onrecht in de echte wereld altijd maar groter wordt.

Voorbeeld
Het zijn echter niet de jongeren die deze manier van doen uitgevonden hebben.
Wij zijn ermee begonnen met ganse avonden achter de tv door te brengen  in plaats van met de buren te praten. En met alles weg te zappen wat geen voetbal of niet plezant was. Wij kunnen die blunder nooit terugdraaien. Maar we kunnen wel proberen het jonge volk uit te leggen dat de echte wereld en het echte leven nog altijd veel boeiender en interessanter zijn dan de “nieuw samengestelde wereld” van de media.

Rare voorbeeldfiguren

Zondag 18 september 2016, 25ste zondag door het jaar (jaar C)

Het Evangelie over de “onrechtvaardige rentmeester” is misschien wel het meest onbegrijpelijke stukje uit heel het Nieuwe Testament. Het verbijstert en het zet je – zeker bij een eerste lezing ervan – gegarandeerd op het verkeerde been. De rentmeester die hier door Jezus geprezen wordt is immers een doortrapte schurk, een door-en-door corrupte kerel. Je zou voor minder geshockeerd zijn. Want het gaat hier om een ordinaire dief en bedrieger, die geld van zijn baas verduistert en verbrast. En die, wanneer hij betrapt wordt, bliksemsnel reageert en van kwaad naar erger gaat. Opnieuw licht hij zijn baas op voor enorme bedragen, maar dit keer om vrienden te maken en die aan hem te binden voor de dag dat hij op straat zal staan. Hoewel … vrienden? Geld kent geen vrienden. Maar, als ze hem al niet helpen omdat het zijn vrienden zijn, dan kan hij hen altijd nog chanteren want hij maakt ze tot medeplichtigen. En voor geen klein beetje …

Vindingrijk
Natuurlijk kan het niet dat Jezus zo iemand tot voorbeeld stelt. Maar je moet de tekst wel enkele keren grondig lezen eer je beseft wat er echt bedoeld wordt. Jezus stelt deze man helemaal niet tot voorbeeld, en nog minder datgene wat hij doet. Ook nadat Hij een bepaald facet van zijn handelswijze onder de aandacht gebracht en geprezen heeft blijft hij de man een onrechtvaardige, een kind van de duisternis, een schurk noemen. Waar Jezus ons wil op wijzen is hoe onvermoeibaar, vindingrijk en uitgekookt “kinderen van de duisternis” hun doel zoeken te bereiken. En dát is waar het Jezus om te doen is. Kinderen van het licht kunnen daar, wat dat betreft, een voorbeeld aan nemen. Wanneer wij, Jezus’ volgelingen, ons doel willen bereiken, wanneer wij dichter bij God willen komen en later, na onze dood, helemaal bij Hem willen zijn, dan mogen wij ons echt wel een beetje meer inspannen. Wat meer vindingrijk zijn. Het niet allemaal op zijn beloop laten. En inderdaad, als wij eerlijk zijn moeten wij toegeven dat onze ijver om uit te groeien tot liefdevolle mensen het vaak niet haalt bij de ijver, de slimheid en de verbeeldingskracht van mensen die met duistere zaakjes bezig zijn. En nochtans kan gewoon alles voor het goede worden aangewend.
Zoals we twee weken geleden nog zagen: voor een christen is alles koosjer en halal, niets van het geschapene is alleen maar slecht, alles kan ten goede worden aangewend.

Geldgod
Zelfs geld, deze onrechtvaardige mammon, deze bron van zovele ruzies, haat, jaloezie en ellende, zelfs geld kan worden aangewend om mensen te bevrijden, om hen te helpen, om hen een menswaardig leven te geven. Maar omdat Jezus ons door en door kent, zegt Hij er uitdrukkelijk bij: “Je kan niet God dienen en de mammon”. Je moet geld gebruiken in plaats van het te aanbidden.
En dat is dan speciaal bedoeld voor de slimme jongens onder ons. En meer bepaald de vrome slimme jongens onder ons. Ik herinner mij dat er bij ons op het seminarie een man was, een late roeping, die in het burgerleven keukens verkocht. Hij had zich ernstig voorgenomen die activiteit later als priester rustig verder te zetten. “Want van de armoepree van een pastoor kan je nauwelijks leven”, zei hij. “En als ik wat kan bijverdienen heb ik tenminste wat geld om aan goede werken te besteden”. Kijk, met dat soort redeneringen kan je misschien veel mensen beduvelen en misschien ook jezelf wat wijsmaken, maar niet de Kerk. Want die is ervaringsdeskundige in dat soort dingen. En je eigen zwakke plekken herken je altijd onmiddellijk en feilloos bij een ander. De man is dan ook geen priester geworden. Geld is een handig en zelfs noodzakelijk ruilmiddel, maar ook niet meer dan dat. En het mag zeker niet je leven beheersen.

Verslindend
Nu zijn er natuurlijk maar heel weinig mensen die bereid zijn om toe te geven dat hun leven door geld en geldzucht beheerst wordt. En toch, als we heel eerlijk zijn en scherp naar ons doen en laten durven kijken, moeten we toegeven dat we er allemaal min of meer door aangetast zijn. Min of meer. Natuurlijk zijn wij allemaal geen geldwolven. Maar in deze door-en-door materialistische samenleving van ons, zijn wij allemaal een beetje gebeten door dezelfde hond.
Alleen is onze verering van de Mammon heel vaak verborgen achter een “Nobel Doel”. We zijn daar heel vindingrijk in. Maar zelfs het oude vrouwtje dat heel karig leeft om toch zoveel mogelijk “achter te laten” voor haar erfgenamen heeft, ondanks de schijn, God geruild voor de Mammon. Ze verwacht eigenlijk nog iets van haar geld. Dat haar geld haar, zij het dan postuum, toch nog een beetje waardering en dankbaarheid zal opleveren. En dat is helemaal niet verwonderlijk. Want geld is inderdaad een god. Heel duidelijk. Een god met goddelijke allures en ambities. Een god die uiteindelijk elk facet van je leven doordringt. Een god die geen enkele andere god en zeker niet de God van Jezus naast zich duldt. Waar de geldgod gediend wordt, sterft de christelijke God in het hart van de mens. En sterft uiteindelijk ook de mens in de mens …
Je kan inderdaad niet God dienen en de Mammon.

De Christelijke waarden

Zondag 11 september 2016, 24ste zondag door het jaar (jaar C)

Nog altijd zijn er, binnen het katholiek onderwijs, mensen die vinden dat het doel van het vak godsdienst, het doorgeven van christelijke waarden moet zijn.
En alleen maar dat. Er wordt nog weinig kennis van het geloof doorgegeven, en het geloof zelf al helemaal niet meer. Jarenlang heeft het godsdienstonderwijs onze jongeren voorgehouden dat geloven-zelf niet zo belangrijk is, als je maar achter de “christelijke waarden” staat. Het mag een bijzonder geslaagde operatie genoemd worden. Want zo goed als alle jongeren die dat godsdienstonderwijs volgden, zeggen nu dat ze wel niet echt geloven maar dat ze wel achter de christelijke waarden staan. Een volgende fase in dit religieus ontbossingsproces was voorspelbaar en is ondertussen inderdaad ook al ingezet: steeds vaker hoor je nu zeggen dat de christelijke waarden eigenlijk “algemeen menselijke waarden” zijn. Waarmee dus in twee eenvoudige bewegingen het hele christendom in de kast is gezet. Alleen … geen van de twee beweringen heeft ook maar één poot om op te staan.

Niet verwisselbaar
Om te beginnen kan geloof nooit zomaar vervangen worden door moraal. Het kennen van een aantal morele waarden kan nooit een geloof, een levenshouding vervangen die de beleving van die waarden juist stimuleert en zinvol maakt.
Alle campagnes, acties, instructies en programma’s tegen het pesten op school bijvoorbeeld hebben niet kunnen verhinderen dat er nog nooit zoveel gepest werd als vandaag. Op het eerste gezicht mag dit onbegrijpelijk lijken maar eigenlijk is het dat allerminst. Kinderen worden van bij hun geboorte heel sterk beïnvloed door fundamentele signalen die de maatschappij afgeeft. Vroeger waren die fundamentele signalen christelijke, evangelische signalen. Ook toen waren er de “christelijke waarden”, maar die waren van het begin af aan ingebed in het christelijk geloof, in een christelijke levenshouding die in z’n geheel werd doorgegeven aan de volgende generaties.

Helemaal anders
Het fundamenteel signaal dat tegenwoordig vanuit de maatschappij op de kinderen afkomt is er daarentegen een van competitie, van niet op je kop laten zitten, van vooruitkomen in het leven, van materialisme, individualisme en zelfs van egoïsme. En dat signaal komt van alle kanten op hen af. Vanuit de media natuurlijk op de eerste plaats. (Niet het minst vanuit de wereld van de sport). Maar ook vanuit de vrienden, de omgeving. En zelfs vanuit de praktische levenshouding van de ouders … Je kan daar niet tegen opboksen, gewoon met het aanprijzen van enkele waarden. Waarden die bovendien nog naïef en wereldvreemd lijken, in een wereld waarin zowat alle idolen een levenswandel promoten die daar helemaal haaks op staat. Ik zie niet goed in hoe je in zo’n wereld de christelijke waarden echt kan en durft beleven zonder de steun van een sterk christelijk geloof, zonder de steun van je gebed en de steun van Godzelf, die wil dat je zo leeft en die aan dat beleven van de christelijke waarden ook zin geeft. Want je mag tenslotte niet vergeten dat die waarden dwars tegen onze spontane neigingen ingaan! Een maatschappij zonder God kan die waarden alleen maar doordrukken met altijd maar meer politie en repressie.

Diep-menselijk
Wat nu betreft die andere bewering: dat de christelijke waarden eigenlijk algemeen menselijke waarden zijn. Het zou er nog aan mankeren dat die christelijke waarden van een andere planeet zouden komen. Ik heb dat persoonlijk altijd als een van de sterkste argumenten voor het christendom gevonden: dat wat het geloof van ons vraagt, helemaal samenvalt met wat wij zelf willen in het diepste van ons hart (voorbij onze primaire driften). In het Evangelie vind je geen enkele wet of ritueel voorschrift dat vreemd, buitenissig of onnatuurlijk overkomt. Voor exotische rariteiten moet je niet bij ons zijn. Alles in het christendom is diep-menselijk en voor iedereen die wat dieper graaft, herkenbaar.

Vergeven
Dit gezegd zijnde is het anderzijds wel zo dat het christendom wel degelijk eigen accenten legt en eigen waarden benadrukt. Als dat niet zo was, dan zouden de mensen gelijk hebben die zeggen dat “alle godsdiensten gelijk zijn omdat ze het over dezelfde God hebben”. En dat is natuurlijk niet zo. Want hoewel er maar één God is, is dit van kolossaal belang: hoe die God door de mensen gezien wordt. De christelijke God is in ieder geval een liefdevolle, barmhartige en vergevende God. En, wat nog veel belangrijker is en absoluut exclusief christelijk, Hij eist van de mensen dat zij eveneens barmhartig en vergevend met elkaar omgaan. Zonder de minste twijfel is “vergeving” het meest exclusief christelijk-godsdienstig item. Ik denk zelfs, een item van wereldhistorische betekenis. Het besef dat je ergste fouten kunnen vergeven worden en dat je zelf ook anderen moet vergeven, slaat een dynamiek los in mens en maatschappij die met niets anders te vergelijken valt.

Zegen
Wanneer de Westerse cultuur de cultuur geworden is van de vooruitgang, de wetenschappen, de zorgverlening, het alsmaar grensverleggend bezigzijn, dan heeft dat denk ik vooral ook daarmee te maken. Culturen die alleen rechtvaardigheid betrachten stagneren, lopen uit op stilstand, blijven steken in “eindeloze vendetta’s” van oog om oog, tand om tand. Alleen vergeven schept toekomst, gooit deuren open, maakt het nieuwe mogelijk. Vergeven is voor een christen overigens een plicht. Het is jammer van de gemiste kans bij de nieuwe vertaling van het Onzevader. Want in de grondtekst, in het Onzevader zoals het uit Jezus’ mond kwam, staat: “… en vergeef ons zoals ook wij anderen vergeven hebben”. Vergeven is dus zelfs een voorwaarde om zelf vergeven te worden.
Vergeven is voor een christen een plicht. Omdat de Heer het ons oplegt. En het is leven gevend voor anderen en voor onszelf.

Genieten én gelukkig zijn

Zondag 4 september 2016, 23ste zondag door het jaar (jaar C)

Het is u zeker al opgevallen hoe vaak tegenwoordig in de media het woordje “genieten” valt. Ik heb nog nooit de proef gedaan om eens een ganse avond van 6 tot 12 naar een van de tv-zenders te kijken en dan op te tellen hoe vaak – vooral in praatprogramma’s – het woordje “genieten” valt. Maar, in ieder geval zó vaak dat het niet genietbaar meer is en het je integendeel behoorlijk op de zenuwen begint te werken. Nu wil ik hier niet de nauwgezette asceet uithangen. Ik heb niets tegen genieten! Oké, ik heb nooit een partner gehad en ook geen kinderen. En dat blijft natuurlijk een gemis, hoe oud ik ook word. Maar er zijn ook duizend andere dingen waar ik wél intens van kan genieten. Van echte kameraadschap bijvoorbeeld of gewoon van lekker eten en drinken. Van op reis gaan en ontspanning, maar ook van  zinvol werk; van de kleine succesjes die je af en toe mag halen en van de waardering die je dan krijgt. Maar ook, als alles tegenslaat, van de vrienden die dan om je heen staan en die je nooit laten vallen.
D’r is absoluut niks mis met genieten. Ook niet voor een christen, zeker niet voor een christen! “Ik ben gekomen opdat ze leven zouden hebben en wel in overvloed”, zegt Jezus.

Dwangmatig
Het enige waar je je serieuze vragen bij stelt, is dat geforceerde dat vanuit de media op je afkomt. Genieten is blijkbaar een plicht geworden. En in ieder geval ben je toch wel wat achterlijk als je niet beseft dat genieten, van uur tot uur en van dag tot dag, het doel van het leven is. Een opdracht waar je je niet aan onttrekken kunt. Een plicht, iets wat je voortdurend moet organiseren. Eigenlijk klopt hier iets niet. Want ieder van ons weet uit ondervinding dat echt genieten ons vaak overvalt als een geschenk. Het intens genieten van iets in de natuur bijvoorbeeld. Je kan dat natuurlijk wel een beetje in de hand werken. Als je nooit buitenkomt zal je ook nooit getroffen worden door de zilveren schittering van een vijver bij valavond. Maar in wezen overkomt de genieting je vooral.
En zo gaat dat vaak ook met uitstapjes met een vereniging, een feestje met vrienden, een restaurantbezoek of een gewone vergadering: de evenementen waar je het meest genoegen aan beleeft zijn vaak die waar je dat het minst van verwacht had. Genieten laat zich maar heel gedeeltelijk “organiseren”. Omdat we heel complexe wezens zijn en er zoveel komt bij kijken. Als je bijvoorbeeld bij warm weer houdt van een frisse pint en een goeie babbel en je komt een vriend tegen die helemaal van hetzelfde “geloof” is, dan moet je natuurlijk een terrasje met hem doen. Maar een terrasje moet je niet doen, alleen maar omdat de weerman zegt dat het terrasjesweer is: je zit daar dan voor aap en je verveelt je te pletter.

Vluchtig
Die terrasjesaffaire brengt ons bij een ander fenomeen dat toch wel enige aandacht verdient. Het feit namelijk dat in de media het genieten van het leven merkwaardigerwijs helemaal samenvalt met de belangen van de horeca en het bedrijfsleven. In deze tijden van economisch fundamentalisme kan je daar wel enig begrip voor opbrengen. De media worden tenslotte betaald door de bedrijfswereld. Maar je merkt ondertussen wel dat op die manier de mensen een heel egoïstische levenshouding wordt aangepraat. Leven, dat is genieten, genieten en nog eens genieten. Dat is de boodschap. En dan uiteraard niet zozeer genieten van een koetje in de wei, maar van alles wat met geld te koop is en dat op een of andere manier genot voor jezelf oplevert. Het soort genieten dat ons wordt aangepraat gaat dus eigenlijk over het bevredigen van behoeften. Een bijzonder vluchtig soort genieten overigens. Vaak is het krampachtig achternalopen van dat soort genietingen trouwens een onmiskenbaar teken dat men niet gelukkig is.

Diepe voldoening
Er is echter ook een ander soort van genieten dat veel duurzamer is. Je kan bijvoorbeeld genieten van het feit dat je iemand echt vooruit geholpen hebt, van het feit dat je een moeilijke opdracht tot een goed einde hebt gebracht of iemand waar je van houdt uit een hachelijke situatie hebt gehaald. Je kan daar dan een glas op drinken of de goeie afloop vieren met een etentje. Maar het genoegen dat je uit die “beloning” puurt is bijna banaal, vergeleken met de diepe voldoening die je haalt uit het feit dat je iets bereikt hebt door je te geven.
En hier zitten we volop in de christelijke sfeer en meer bepaald bij de fundamentele keuze die van ons gevraagd wordt. Misschien kunnen we de typisch christelijke levenshouding nog het best verduidelijken door te zeggen wat ze niet is. Een christen zoekt zijn levensvervulling niet in een leven dat zoveel mogelijk genotsmomenten probeert aaneen te rijgen. Maar hij zoekt die ook niet in complete onthouding en verachting van al het lichamelijke.

Levensvervulling
De zelfverloochening die Jezus van ons vraagt betreft het radicaal afzien, niet van genieten, maar van elke vorm van egoïsme. En dat is iets heel anders.
Een christen is dus iemand die geniet (binnen bepaalde ethische grenzen) van alle goeie dingen van het leven. Van alle goeie dingen van het leven. Maar zijn fundamentele levenshouding is er een van dienstbaarheid, van zich inzetten. Voor armen en kleinen op de eerste plaats. En het is vooral dáárin, in dat er-willen-zijn-voor-anderen dat hij zijn vreugde, zijn voldoening en zijn levensvervulling vindt. Ook al gaat zo’n levenshouding nogal eens gepaard met lijden en verdriet. Een christen staat met zijn levenshouding dus ook niet ergens tussen extreem egoïstische genotszucht enerzijds en even extreme ascese en onthouding anderzijds. Zo van “een beetje van dit en een beetje van dat, maar niet te veel”. Hij staat daar niet ergens tussenin. Hij staat daar tegenover.