Gezag

Zondag 30 oktober 2016, 31ste zondag door het jaar (jaar C)

Vorige week hadden we het over de nederigheid. Een toemaatje. We zagen dat het vaak onze eigen fouten zijn die we – danig uitvergroot – ontdekken bij anderen. En die we daar ook willen bestrijden. In het geval van de nederigheid is dat heel opvallend: het zijn altijd de anderen die daar een gebrek aan hebben. En dan vooral de mensen die gezag uitoefenen, die om een of andere reden boven ons gesteld zijn. Die moeten per definitie meer nederig worden en wij willen hen daar graag bij helpen. “Die is niet meer dan ik”, hoor je dan wel eens. “Ik ben niet minder dan hij”. Uiterst pijnlijk is dat. Want, erg vernederend voor de mens die zoiets zegt. Omdat het wijst op diep ingewortelde gevoelens van minderwaardigheid. Iemand die een gezond gedacht heeft over zichzelf, die heeft geen enkele behoefte om mensen die gezag uitoefenen naar beneden te halen.
Zo iemand kan dan ook heel goed leven met de gedachte dat er ook terreinen zijn waar hijzelf niet uitblinkt en waar anderen meer kunnen of bekwamer zijn dan hij. Mordicus alles wat een beetje uitsteekt willen naar beneden halen, afvlakken, belachelijk maken, duidt op . . .  jaloezie. En jaloezie is inderdaad een van de meest vernederende passies waar een mens zich aan kan bezondigen. Omdat iemand die toegeeft aan jaloezie onvrijwillig toegeeft dat hij minder waard is dan diegene waar hij jaloers op is.

Opvoeding
Ik denk dat wij daar ook als maatschappij meer moeten op letten. Een maatschappij waarin overheidsinstellingen en overheidspersonen voortdurend belachelijk gemaakt worden en men steeds minder respect opbrengt voor welk gezag dan ook, zakt onherroepelijk weg in de chaos. En dat begint uiteraard bij de opvoeding. Het is echt niet goed als je ziet hoe onbeschoft sommige kinderen die maar nauwelijks kunnen praten, omgaan met hun ouders. Ouders die daar dan vaak nog glunderend bijstaan: “Ons Lowieke zal later zijn mannetje wel staan”. Maar als Lowieke van vijf, zes jaar, heel onbeschoft is tegen zijn moeder dan moet ons Lowieke serieus gestraft worden i.p.v. dat hij de hemel in geprezen wordt en later opgroeit tot een gevaar voor de maatschappij.
Ik denk dat wij als samenleving ons daar meer moeten over bezinnen. En vooral ook ophouden met onszelf wijs te maken dat afkeer voor gezag en nivelleringsdrang te maken heeft met gezonde democratische gevoelens en opkomen voor de gelijkheid van de mensen.

Absurd
Om te beginnen zijn we niet allemaal gelijk. De ene mens is groot, de ander klein, de ene is man, de ander vrouw, de ene is mooi, de ander iets minder. Wij zijn gewoon niet gelijk. De gelijkheid die wij wel nastreven en die de hoeksteen is van onze rechtsstaat, is een politiek begrip. En dat is iets anders dan gelijk-zijn tout court. Sinds “Du contrat social” van Rousseau en “De l’esprit des lois” van Montesquieu zijn we het erover eens dat iedereen gelijk is voor de wet. D.w.z. dat niemand boven de wet staat. Concreet wil dat zeggen dat als de koning b.v. een moord zou begaan, hij op precies dezelfde wijze moet gearresteerd, verhoord en veroordeeld worden als iedere andere burger in dit land. Hij staat niet boven de wet. Maar van daaruit gaan beweren: “Die koning is niet meer dan ik”,  is absurd. Hij is wel degelijk meer dan ik: hij is de Koning. Hij vertegenwoordigt het land. En ik kan dan misschien beter radijsjes kweken dan hij, maar ook als zelfbewuste burger zal ik nooit zeggen: hij is niet meer dan ik. Want dat is hij wel: hij vertegenwoordigt het land, het gezag en de wet. En dat geldt ook voor een eenvoudige politieman. Misschien heb ik een groter huis, een mooiere vrouw, een indrukwekkender diploma dan hij, maar op het moment dat hij mij bekeurt, vertegenwoordigt hij het wettige gezag. Ik niet. Op dat moment “is” hij dus wel degelijk meer dan ik. Als we dat loslaten vervallen we in anarchie.

Belastingen
Van de andere kant is het natuurlijk ook wel zo dat de overheid alles in het werk moet stellen om het vertrouwen van de burgers te verdienen. Zoals de meesten onder u heb ik met veel interesse gekeken naar de debatten (of tenminste uittreksels daaruit) tussen Clinton en Trump. En wat mij daarvan vooral is bijgebleven is dat in de machtigste democratie van de wereld, de superrijken zo goed als geen belastingen betalen.
In theorie betalen ze ontzettend veel belasting, maar omdat ze zo onwaarschijnlijk veel kunnen aftrekken betaalt in de praktijk een arme zwarte uit de Bronx meer belastingen dan Warren Buffett, die miljarden verdient. En je vraagt je dan natuurlijk onmiddellijk af of dat hier ook zo is. Zeker als ik een bepaalde ondernemer op tv hoor zeggen dat hij op de miljoenenwinst bij de verkoop van zijn farma-bedrijf geen frank belastingen betaalt. Met als reden dat hij dat geld terug investeert. Dat klinkt misschien economisch interessant. Maar is dat ook moreel verantwoord? Dat hij dat mag en anderen niet? Er zijn misschien nog andere mensen die met hun belastinggeld aandelen in bedrijven zouden willen kopen. Investeren dus. Maar zij mogen dat niet. Anderen blijkbaar wel.

Goed beleid
Zusters en broers, christenen zijn geen jakobijnen, anarchisten of nihilisten. Wij moeten in onze samenleving terug respect binnenbrengen als wij willen overleven. Respect voor iedere mens maar ook respect voor het gezag, zowel dat van ouders als het gezag van overheden. Maar dan moet die overheid wel streven naar een rechtvaardige verdeling van rechten en plichten. Zodat dat respect niet moet afgedwongen worden zoals in een dictatuur, maar een spontaan antwoord is op een rechtschapen beleid.

Gezond schuldgevoel

Zondag 23 oktober 2016, 30ste zondag door het jaar (jaar C)

“Het gebed van de nederige dringt door de wolken heen” (Sir 35, 21).
“De Heer is de verhevene die let op de geringe, maar op de trotse neerziet van omhoog” (psalm 138). “De Heer drijft vermetelen uiteen, eenvoudigen brengt hij tot aanzien” (Lc 1, 51-52). En ” … al wie zich verheft zal vernederd worden, maar wie zich vernedert zal verheven worden (Lc 18, 14). Tot daar een losse greep citaten uit zowel het Nieuwe als het Oude Testament – je kan er nog gemakkelijk 50 of 100 soortgelijke vinden – die allemaal in dezelfde richting wijzen: God kan het echt niet op prijs stellen wanneer mensen vanuit een groot gedacht over zichzelf anderen minachten. Wat Hij dan juist wel waardeert, is wanneer mensen eerlijk naar zichzelf durven kijken om te zien wie ze werkelijk zijn: onaffe wezens met vaak lachwekkend kleine kantjes maar ook met minder onschuldige, soms zelfs heel kwalijke neigingen en handelswijzen. Bovendien lijkt God zich niet te beperken tot het waarderen van nederigheid en het verwerpen van hoogmoed. De Bijbelteksten geven ook aan dat God er behagen in schept om nederige mensen te verhogen en de hoogmoedige te vernederen.

Niet leuk
En nu weet ik niet of dat echt zo’n “blijde boodschap” is voor onze tijd.
In ieder geval geen leuke. Toch zeker niet in onze “goed-gevoel-cultuur”, die er ons voortdurend wil van overtuigen dat we juist géén gering gedacht over onszelf mogen hebben omdat dit zelfs een beetje ziekelijk zou zijn … Ik denk daarom dat we hier serieus moeten onderzoeken of die twee visies wel te verzoenen zijn. Enerzijds het standpunt verwoord in de Bijbel en aan de andere kant wat ons vandaag verteld wordt door televisiedokters en -psychologen, in populaire rubrieken in de roddelblaadjes en in allerlei voel-je-happy-artikelen en horoscopen. En die het allemaal hebben over de noodzaak van een goed gedacht over jezelf te hebben, fier te zijn op wie je bent en wat je kan. Terwijl de Bijbel juist nederig-zijn aanprijst.

Onderscheid
In feite hebben ze allebei gelijk. Maar de Bijbel heeft toch nog een beetje meer gelijk dan de rest. En wel hierom: al die programma’s en artikelen en rubrieken richten zich tot de mensen in onze samenleving die géén filmsterren of voetbalgoden zijn en dus nogal eens het gevoel hebben niet mee te kunnen. Mensen die lijden onder een laag zelfbeeld, die last hebben van dipjes, soms zelfs van depressies, dé ziekte van onze tijd. En omwille van het therapeutisch en het voorkomend karakter zijn al die boekjes en programma’s en artikelen ook waardevol voor die mensen. Ook de voortdurende aansporing om juist niet gering over jezelf te denken maar juist jezelf ervan te overtuigen dat je de moeite waard en “bijzonder” bent is, in die omstandigheden, goed. Je kan raadgevingen die mensen helpen om een gezonder beeld over zichzelf te krijgen en om hun zelfvertrouwen te versterken moeilijk strijdig met het Evangelie noemen. Zeker als je beseft dat de boodschap van Jezus juist bedoeld is om mensen te bevrijden en recht te trekken. De Bijbelse aansporing tot nederigheid geldt voor mensen die zich goed in hun vel voelen en helemaal niet gering over zichzelf denken. En die precies daardoor de kans lopen om aan de andere kant van hun paard te vallen. De kans lopen om een al té gezond gedacht van zichzelf te krijgen en andere mensen te minachten. En om door het breed uitsmeren van hun al dan niet vermeende kwaliteiten, juist gaan maken dat andere mensen in hun schelp kruipen en maar minnetjes over zichzelf gaan denken. Vandaar de altijd terugkerende Bijbelse vraag om je nederig op te stellen. D’r is echter nog een andere reden.

Naakt
En dat is het feit dat wij ons ronduit belachelijk maken wanneer wij, staande voor God, ons snoeverig en pretentieus opstellen. Wij zijn nu eenmaal, om het met een typisch religieus woord te zeggen, wij zijn nu eenmaal zondige mensen. Dat wil zeggen dat onze daden lang niet altijd zijn ingegeven door liefde en door er-willen-zijn-voor-de-anderen. Integendeel, vaak zijn ze ingegeven vanuit de sterke drang in ons om op de eerste plaats voor onszelf te zorgen. Wij kunnen dat misschien wel handig verstoppen voor andere mensen, maar voor God staan we naakt en wij stellen ons alleen maar aan als wij ons anders willen voordoen dan we zijn. Het is zeker niet de taak van het geloof om ons een vals schuldbesef aan te praten. In onze tijd is daar echter weinig gevaar voor. Wij zijn eerder in een ander bedje ziek. Alles “mag”, zolang het niet verboden is of zolang je niet “gepakt” wordt. Het is dus wel degelijk de taak van de religie om ons aan een gezond schuldbesef te helpen.

Ken jezelf
Wij zijn allen zondaars, de een wat meer dan de ander, je moet gewoon nuchter en eerlijk naar jezelf durven kijken om te beseffen dat je regelmatig zaken denkt of zegt of doet die je liever toegedekt wil houden omdat ze weinig met liefde en veel met egoïsme te maken hebben. Dat besef is dáárom zo belangrijk, omdat het ons helpt om heel wat milder te oordelen over andere mensen, om te vermijden dat we hen om hun fouten en tekorten gaan minachten. Bovendien zijn het heel vaak onze eigen fouten die wij, sterk uitvergroot, “ontdekken” en verafschuwen bij anderen. Dát durven zien maakt nederig. En ook milder en verdraagzamer …

Heeft smeekgebed zin?

Zondag 16 oktober 2016, 29ste zondag door het jaar (jaar C)

Vorige week hadden we het over de al dan niet schijnbare ongerijmdheden  tussen enerzijds het bestaan van een barmhartige en liefdevolle God en anderzijds de ervaring van het kwaad, de ellende en het onrecht in de wereld.
Over hoe ons geloof in God als Bodem van ontferming voortdurend aangevochten wordt in de confrontatie met natuurgeweld, ziekte en dood.
En het enige antwoord dat de Bijbel ons geeft op onze vragen, op onze verbijstering, is: blijf vertrouwen. Ook al staat het water je tot aan de mond, ook al zie je geen enkele uitweg meer, blijf vertrouwen: Ik zal er zijn. Ik waak over je, Ik laat je nooit los. Ook al stort je hele wereld in, Ik hou je vast. Wat er ook gebeurt, zelfs al moet je door de valleien van de dood, blijf vertrouwen: Ik en niemand anders heb het laatste woord. Zelfs over de dood heen. Je krijgt dus op geen enkele wijze de garantie op onmiddellijke hulp. Het enige wat ons op het hart wordt gedrukt is: blijf vertrouwen, God heeft het laatste woord. Dat is alles. Geen enkele toezegging dus dat ons gebed om hulp onmiddellijk zal verhoord worden. Alleen: blijf vertrouwen.

Klopt niet
Ook de lezing van vandaag, over de goddeloze rechter die uiteindelijk toch besluit om de opdringerige weduwe te aanhoren, brengt weinig soelaas wat dat betreft. Want wat daar gezegd wordt strookt niet met onze ervaring. Er staat dat zelfs een rechter die zich om God noch gebod bekommert uiteindelijk zwicht voor het volhardend aandringen van de weduwe en haar recht verschaft. Hoe veel te meer dan zal God geen recht doen aan gelovige mensen die dag en nacht tot Hem roepen? Dat is wat er staat. Maar onze ervaring zegt toch iets anders.
Want dagelijks zijn er op de wereld ontelbare mensen die wanhopig hun handen naar de hemel uitstrekken, maar de tegenslagen houden aan, de geliefde gaat tóch weg, het kindje gaat toch dood. Het blijft een verbijsterend maar ontegensprekelijk gegeven, dat al ons smeken, hoe vurig, hoe onophoudelijk, hoe vol geloof en passie ook, geen enkele garantie krijgt op verhoring. Het enige waarop wij vanuit ons geloof mogen vertrouwen, is dat God aandachtig en vol liefde luistert naar ons gebed.

Meer niet?
Oké. Eigenlijk wordt op die manier al in zekere zin recht aan ons gedaan. Wanneer ik de hemel bestorm met mijn smeekgebed, dan komt een deel van mijn radeloosheid voort uit de angst helemaal alleen te staan in mijn ellende. Als ik dan mag beseffen dat er Iemand vol liefde naar mij luistert, dat er Iemand is bij wie ik gehoord wordt, Iemand van wie ik er helemaal mag zijn in al mijn ellende, in al mijn murw-geslagen zijn, dan wordt op die manier al voor een stuk recht aan mij gedaan. Maar de vraag is dan natuurlijk wel: is dat alles? Is er nooit echt verhoring, krijgen wij nooit echt wat wij vragen? De enige zekerheid op verhoring die in het Evangelie te vinden is, is de stellige belofte dat wij de H. Geest krijgen als wij erom vragen. Is dat dan alles? De H. Geest. Een andere kijk op de situatie dus? En het gevoel van een Aanwezigheid die naar ons luistert. Is dat alles? Grijpt God nooit echt in? Ik bedoel: in een situatie, in de geschiedenis, in onze ellende. Kan God alleen maar ingrijpen in onze geest, in onze psyche? En is Hij onmachtig op het gebied van het fysische? Maar als dat zo is, bestaat Hij dan wel echt? Is Hij dan zelf niet een product van ons brein, een creatie van onze hersenen om ons rustig te houden? Ik stel het met opzet zo cru omdat een bepaald theologisch gekwebbel dat duidelijk schatplichtig is aan het wetenschapsfundamentalisme, die richting uitgaat …

Formeel
Ik ben christen. En omdat ik christen ben geloof ik dat God wel degelijk kan ingrijpen in de fysieke wereld en dat inderdaad soms ook doet. Er zijn niet alleen de ontelbare berichten van gebedsverhoringen, soms heel spectaculair, over de hele wereld en uit alle tijden. Maar er is vooral ook dit: in de olijfhof vroeg Jezus zelf, ten prooi aan diepe doodsangst: “Vader, als U wil, laat deze kelk aan mij voorbijgaan”. Oké, onmiddellijk voegde Hij er aan toe: niet mijn wil maar uw wil geschiede. Maar het feit dat Hij die vraag stelde bewijst dat de mogelijkheid bestond dat God zou ingrijpen. Dat God inderdaad iedere situatie op een opzienbarende manier kan keren. Maar de tragedie in de olijfhof herinnert er ons tevens aan dat God, God is. God kan heel goed op onze smekingen ingaan. En Hij zal dat ook doen. Als het past in wat Hij met ons voorheeft. Maar Hij is God. Niet wij.

Samengevat
Het smeekgebed heeft wel degelijk zin.
1. Er is Iemand die aandachtig en vol liefde naar me luistert.
2. Ook al stort mijn hele wereld in, uiteindelijk zal Hij mij recht verschaffen. Hij heeft het laatste woord.
3. De kans blijft reëel dat ik ook onmiddellijk verhoord wordt. Hij is God. Voor Hem is niets onmogelijk.

Gered én genezen

Zondag 9 oktober 2016, 28ste zondag door het jaar (jaar C)

Wanneer iemand je geheel onterecht slecht en onrechtvaardig heeft behandeld, wanneer een vriend zich tegen je keert en je verraadt en in de rug steekt of wanneer je partner waar je zielsveel van houdt al sinds geruime tijd een dubbel leven leidt en iemand je de ogen daarvoor opent, dan valt er aan vergeving niet te denken, zeker niet de eerste tijd. Vergeven kan ik het, zeggen mensen dan, maar vergeten nooit. En iedereen zal daar begrip voor opbrengen want elkaar vergeven is gemakkelijk als het over prullen gaat, maar als men ons werkelijk pijn heeft gedaan is het een aartsmoeilijk iets.

Dankbaarheid
Waar veel minder wordt bij stilgestaan, is dat dankbaar zijn als mensen goed voor ons geweest zijn even moeilijk is. Toch als het gaat om echte dankbaarheid. Want daar zijn natuurlijk ook gradaties in. Zoals bij vergeven.
Wanneer iemand echt zwaar op je ingereden is kan hij daarna misschien wel sorry zeggen en jij kan – even formeel en beleefd als hij – doen of je de excuses aanvaardt (je moet tenslotte verder), maar allebei weet je dat geen van beiden het meent. Bij dankbaarheid is dat ook zo. Wanneer iemand echt goed voor je geweest is kan je heel beleefd en lief en blij om wat er voor jou gedaan werd merci zeggen, misschien zelfs met een fles wijn of een bloemetje erbij, maar daarmee is de kous ook af. Je zou bijna kunnen zeggen: daarmee is het incident gesloten. Jij hebt iets voor mij gedaan, ik heb je bedankt, zelfs een geschenkje gegeven of een wederdienst bewezen en nu zijn we terug effen. En hiermee is het grote woord gevallen: wij zijn terug effen. Wij gaan verder met een propere lei: jij kan geen claim op mij uitoefenen, ik sta niet langer bij jou in het krijt, ik ben terug een vrij man. Daar draait het om!

Haat
Wanneer echt dankbaar zijn zo moeilijk is dan is dat omdat wanneer iemand goed voor ons is, wij daar wel heel blij om zijn, maar tegelijk ervaren we de situatie op een of andere manier als een aanslag op onze onafhankelijkheid.
Wij staan in de schuld. En bij iemand in de schuld staan, moeten merci zeggen, er misschien op aangekeken worden, geeft ons een verschrikkelijk onaangenaam gevoel. Vandaar waarschijnlijk het – op het eerste gezicht merkwaardig – verschijnsel dat je beste vrienden van weleer soms je ergste vijanden kunnen worden, zonder dat er echt erge dingen zijn gebeurd. Vandaar dat je in die dingen ook altijd met tact en overleg te werk moet gaan. Als je erg goed voor iemand geweest bent, hem een grote dienst hebt bewezen, dan moet je er altijd zorg voor dragen dat die ander iets terug kan doen, hoe klein of weinig ook. Systematisch elke wederdienst weigeren onder het mom van: “Ik moet daar niets voor terug hebben, het was graag gedaan” lijkt wel genereus, maar dat is het niet. Want op die manier kweek je schuldgevoelens bij de anderen en dat wekt wrevel op. En die wrevel kan langzaam maar zeker haat worden omdat men geen enkele kans krijgt er zich van te bevrijden.

Dr. Phil
Tot daar enkele bedenkingen die zeker de moeite waard zijn maar die eigenlijk meer thuis horen in een programma van Oprah of Dr. Phil dan in een kerk. (Ik heb het grootste respect voor de skills van Oprah Winfrey en Dr. Phil en ik denk overigens dat het ook voortreffelijke christenen zijn.) In de kerk gaat het om meer dan een paar psychologische weetjes en trucjes. Al die beslommeringen van “ik moet de kans krijgen om iets terug te doen” en “ik wil bij niemand in het krijt staan” of, erger nog, “ik moet aan niemand merci zeggen”, zou een religieus mens gewoon achter zich moeten gelaten hebben.
Een christen is iemand die niet alleen probeert om goed te zijn voor anderen, maar die ook echt kan toelaten dat anderen goed zijn voor hem. En
die echt dankbaar kan zijn voor wat anderen voor hem doen. Maar om dat te kunnen zijn moet je er natuurlijk op de eerste plaats van doordrongen zijn dat je zo goed als alles aan anderen te danken hebt. Te beginnen met je leven zelf.

Redding
Ik denk zelfs dat het een van de voornaamste voorwaarden is om een religieus mens te kunnen zijn: beseffen dat je zo goed als alles te danken hebt aan anderen : aan de genade en de barmhartigheid van God en aan het vernuft van de mensen. En aan al de initiatieven, instellingen en uitvindingen die daar het gevolg van zijn. Kunnen dankbaar zijn, dat is ophouden jezelf wijs te maken dat het goede dat anderen je doen voor jou een recht en voor hen een plicht is. Dat is kunnen genieten, niet alleen van het goede dat ze aan je doen maar ook van het feit zelf dat mensen goed voor jou zijn. Als je dat kunt ben je zoals die tiende melaatse. Alle tien waren ze “genezen”, maar hij alleen was gered: hij was dankbaar, hij was helemaal een ander mens geworden. Dankbaar kunnen zijn maakt diepere, echtere en ook meer aimabele mensen van ons.

Zieken
Dat geldt ook en misschien vooral voor zieke mensen die op de hulp van anderen aangewezen zijn. Soms zegt een zieke je, doelend op de kinderen: “Ze zorgen goed voor mij meneer, maar dat mag ook wel. Ik ben ook altijd goed geweest voor hen en ook voor na mijn dood heb ik voor hen gezorgd. Ze zullen geen kou hebben”. Zo iemand zit nog altijd op het niveau waar Oprah en Dr. Phil opereren. De diepe genezing die God hen kan geven hebben ze nog niet toegelaten. Echt dankbaar kunnen zijn is een geschenk. Je geniet dubbel. Je geniet van het goede dat men je doet. En je geniet van het feit zelf dat mensen goed voor je zijn. En ook al word je door velen beklaagd om je ziek-zijn, je leeft misschien dieper en intenser dan ooit tevoren.

Verrijst de hele schepping?

Zondag 2 oktober 2016, 27ste zondag door het jaar (jaar C)

Vandaag worden wij er door de profeet Habakuk weer eens aan herinnerd dat de wereld nu eenmaal niet in elkaar steekt zoals wij dat zouden willen en dat ons leven lang niet altijd even idyllisch verloopt. We horen die eeuwig terugkerende en misschien zelfs vooral voor religieuze mensen uiterst pijnlijke vraag naar het waarom van lijden en onrecht. Als God bestaat, waarom moeten dan zoveel onschuldige mensen sterven? Waarom is er zoveel onrecht? Waarom steekt de natuur zo wreed in elkaar? Waarom is er überhaupt ziekte, honger en dood? En waarom altijd ik? Waarom lijkt het ongeluk mij wel te achtervolgen? Ik doe niemand kwaad, ik probeer als een goed mens te leven en ik krijg de ene dreun na de andere te verwerken. Waarom eigenlijk? En hoelang nog? Het antwoord dat God geeft in Habakuk is: blijf vertrouwen. Geef de moed niet op. Blijf geloven in de toekomst: Ik kom. Ook al zie je nu geen enkele uitweg meer, blijf geloven, vertrouw op mij, uiteindelijk zal u recht worden gedaan en wordt elke duisternis teruggedreven.

Hemel?
Het boek Habakuk is grotendeels geschreven in een tijd dat de joden nog niet geloofden in een persoonlijk voortbestaan na de dood. In die richting lagen de verwachtingen dus niet. Maar intussen gingen mensen wel dood aan ziekten, rampen, oorlogen en uitbuiting. Wat de joden van Gods ingrijpen verwachtten moet dus meer een soort marxistische heilsverwachting geweest zijn: ook al ga ik nu persoonlijk ten onder, ooit zal ons volk het beter hebben. Je kan het vergelijken met de miljoenen immigranten die de voorbije eeuwen in de Verenigde Staten aan land gingen. Velen van hen waren doordrongen van de Bijbel. Ze waren de armoede en de slavernij van hun vroeger land ontvlucht en Amerika was voor hen het Nieuwe land van Belofte. Ze wisten zeer goed dat ze bijzonder hard zouden moeten werken en duizend moeilijkheden overwinnen. Ze zouden zelf nog heel veel armoede en ontbering kennen, maar hun kinderen en kleinkinderen zouden het goed hebben. En dat geloof en dat vertrouwen hield hen recht, dat maakte dat ze doorzetten.

Individueel
Zeshonderd jaar na Habakuk verscheen het Christendom. En mét het Christendom maakte ook de persoon, het individu, zijn opwachting in de geschiedenis. En meteen werd ook de heilsverwachting meer individueel ingekleurd. De vraag werd ineens veel meer: hoe zit dat met mij? Dat het volk, de mensheid het morgen beter zal hebben is goed. Maar als ik nu, volkomen onschuldig, aan ziekte, oorlog en onrecht ten onder ga is er dan ook voor mij persoonlijk gerechtigheid? En ook als ik veel minder tragisch maar heel gewoon doodga, is er dan ook een hemel voor mij? Want ook mijn leven was hard en lang niet altijd even prettig. En is die hemel er dan automatisch of moet ik die verdienen? Het zijn vragen waar het christelijk geloof genuanceerd op antwoordt.
Deels bevestigend: ja, dankzij het leven, de dood en de verrijzenis van Jezus ligt voor iedereen de weg open naar eeuwig leven. En, neen, het is geen automatisme. Als je voortdurend kiest voor het kwaad en elke kans op bekering bewust van de hand wijst, kies je zelf voor niet-leven, kies je zelf voor de dood.

Vermenselijking
Ik denk dat het belangrijk is om daarbij te zien dat, zowel bij Jezus als in het Oude Testament, goed en kwaad alles te maken hebben met onze houding t.a.v. anderen. “Ik had honger en je hebt me (niet) te eten gegeven, ik was naakt en je hebt me (niet) gekleed”, enz. Je zit dus niet goed of slecht te wezen in jezelf. Het is je houding tot andere mensen, tot de natuur en tot God die bepaalt of je goed leeft of slecht. M.a.w. waardig om opgenomen te worden in het eeuwig leven ben je in de mate dat je hebt bijgedragen tot het ‘vermenselijken’ van de grote wereld, of tenminste van je eigen kleine wereld, je eigen omgeving. Heb je er tenminste af en toe voor gezorgd dat Gods licht en warmte konden doordringen in de kleine stukjes duisternis van je eigen wereldje? Maar als dat zo is, moeten we dan de Verrijzenis niet een beetje minder zien als een super-individueel gebeuren, moeten we de collectieve dimensie ervan dan niet serieus herwaarderen?

Schepping
Ik denk dan aan Paulus, die – zoals 2000 jaar later Teilhard de Chardin – gans de schepping op weg zag naar verrijzenis en voltooiing. Ik denk aan Jean-Luc Dehaene die altijd zei: het gaat in het eeuwig leven niet over individuele heiligen maar over de ‘Gemeenschap van de heiligen’. En ik denk dan aan de ontwapenende eenvoud van paus Franciscus, die tegen een jongetje dat ontroostbaar was over het verlies van zijn hondje zei: “Maar beste jongen, je hondje is ook in de hemel …” Zusters en broers, als je hier en nu werkt aan het ‘vermenselijken’ van de betrekkingen van de mensen onderling, aan de strijd tegen alle lijden en onrecht en aan het goed beheer van de schepping, dan maak je het jezelf niet gemakkelijk. Je moet dan rekenen met tegenkrachten. Maar het helpt je enorm, als je kan geloven dat dit het doel is van elk mensenleven, meewerken aan de opgang van de hele schepping naar God. En het maakt je helemaal sterk als je gelooft dat het dát is wat God van je wil én dat Hij je zal helpen als je daaraan werkt. Totdat ooit het einddoel onweerstaanbaar doorbreekt en God alles in allen zal zijn. Dat Hij dan bij je is, ook als het moeilijk wordt. Ook als je het gevoel hebt van nergens hulp te krijgen. Hij is er, je bent nooit alleen.