Hoezo God beminnen?

Zondag 28 mei 2017 – Zevende Paaszondag (jaar A)

“God beminnen en de naaste beminnen als jezelf” dat zijn, zegt Jezus, de twee voornaamste geboden. Dat van de naaste, dat begrijpen we nog wel. Maar hoe moet je in ‘s hemelsnaam God beminnen? Wat zeg je eigenlijk als je zegt God te beminnen?

Sporen
Je kan de schepping bewonderen. De reusachtige uitgestrektheid van de kosmos én het microscopisch kleine. Je kan houden van de zeeën en de vlakten, van de dieren en de planten, de wind, de nevel, de geur van de bossen en de late roep van een vogel. Dat alles kan je beminnen. En stellig heeft dat allemaal te maken met God, maar God is het niet. En zo kan je ook de mens beminnen en zijn kracht om te scheppen, de werken van de mens.
Je kan opgaan in zijn muziek en vol bewondering kijken naar zijn kunstwerken, de computers die hij ontwerpt en de raketten die hij de ruimte instuurt. Je kan vol verbazing staan voor het menselijk brein, voor het genie van de mens en zijn mogelijkheden om kennis door te geven.
En stellig heeft dat allemaal te maken met God, maar God zelf is het niet.
Je kan vertederd kijken naar de liefde tussen mensen en zelf ook de liefde beleven, kinderen verwekken en liefdevol opvoeden. Je kan vol verwondering in elke mens de trekjes herkennen van zijn voorgeslacht, zijn ouders en voorouders en tegelijk zijn vermogen bewonderen om een eigen persoonlijkheid te vormen. Je kan de evolutie beschouwen, het streven in alles naar mooier en beter. En zeker: dit alles heeft te maken met God en je kan het zelfs beminnen als komende van God. Maar God is het niet.

Enige mogelijkheid
Het simpele feit ligt daar dat, willen wij God kunnen beminnen, God zich aan ons moet kenbaar maken op een wijze en in een gestalte die door ons kan bemind worden. Christenen geloven dat God dat inderdaad ook gedaan heeft, en wel in de mens Jezus Christus. Maar wat is dat dan, God beminnen in Jezus Christus? Kan dat wel? Echt houden van Jezus Christus kán. Natuurlijk op voorwaarde dat je gelooft dat Jezus geen historische herinnering is maar de Verrezen Christus, de levende Heer, tot wie je bidt, met wie je spreekt. En die Jezus kan je wel degelijk liefhebben. Is de kern van beminnen niet: je helemaal openstellen voor de beminde, zijn of haar wensen al vervullen nog voor ze zijn uitgesproken, je hele leven richten op die ander? Die ander je leven laten beheersen, zonder dat je persoonlijkheid daaronder te lijden heeft. Want wat voor elke echte liefde geldt, geldt des te meer voor de liefde van Christus: ze versmacht je niet en drukt je niet weg.
Integendeel, hoe meer je God bemint, hoe meer je tot jezelf komt en je eigen persoonlijkheid tot zijn recht komt.

Concreet
Maar de vraag blijft: hoe doe je dat dan in de praktijk, Christus beminnen?
Wanneer ik beslis mijn bestaan helemaal op Hem af te stemmen, dan beslis ik mijn leven helemaal af te stemmen op de liefde, dan wil ik alleen nog goed zijn voor elke mens die ik ontmoet. Dan heb ik begrepen dat God pure Liefde is. En dat ik Hem alleen kan beminnen door, zoals Jezus, liefdevol om te gaan met mensen. En het mooie is: dat liefdevol omgaan met mensen wordt steeds meer iets vanzelfsprekends. Tenminste het inzicht. Want de oude gewoonte om vooral en in de eerste plaats te zorgen voor jezelf, blijkt heel taai te zijn. En je hebt dus ook nog regelmatig last van die ouwe reflex van ikke-eerst. Maar het basisinzicht dat wij hier zijn om gemeenschap te vormen, om elkaar te helpen, om goed te zijn voor elkaar, dat inzicht staat er van dan af als gebeiteld. En het gaat steeds meer ons doen en laten kleur en richting geven.

Verrukking
En stilaan worden onze ogen op scherp gesteld en komen wij in een “nieuwe” wonderlijke wereld binnen. Want al doende wat God in zijn liefde van ons vraagt: goed en liefdevol om te gaan met anderen, ondervinden wij meer en meer dat precies die levenshouding onszelf ontbolstert, bevrijdt en gelukkig maakt. Beseffen wij meer en meer dat het goed en liefdevol omgaan met andere mensen ook harmonie brengt in ons eigen leven. En dat kan er alleen maar op wijzen dat wat God van ons vraagt, helemaal samenvalt met wat in onszelf leeft als diepste verlangen. En dat bijgevolg alleen liefde ons heel maakt. Dat wij gemaakt zijn om te beminnen.

Europa’s “superieure” levensstijl

Zondag 14 mei 2017 – Vijfde Paaszondag (jaar A)

In haar nieuwe boek deed een Vlaamse toppolitica de nogal boute uitspraak dat onze westerse, Europese manier van leven duidelijk superieur is aan alle andere. Ze heeft daarvoor bakken kritiek over zich heen gekregen. Gedeeltelijk ten onrechte. Immers, mevrouw Rutten, want daar gaat het over, heeft volkomen gelijk als ze het heeft over de rechtstaat en over de vrijheden waar wij hier in het Westen van genieten. De vrijheid van denken en spreken. De vrijheid om ons te verenigen en vrije verkiezingen te houden. De vrijheid van keuze op gebied van levensbeschouwing. De vrijheid om je seksuele geaardheid te beleven. De gelijkheid van man en vrouw. De wettelijke bescherming tegen haat en racisme, enz. Geen zinnig mens zal ontkennen dat die rechtstaat met zijn zegen aan vrijheden, rechten en kansen superieur is aan zowat alle andere politieke regimes, die alle min of meer autoritair zijn, soms zelfs een ware nachtmerrie voor de burgers van het land.

Schaduwkant
Het gepaste gevoel van fierheid dat wij, overigens niet zonder veel strijd en ten koste van heel veel leed, zo’n maatschappij hebben opgebouwd mag ons anderzijds toch ook niet al te euforisch maken. Want er is ook een serieuze schaduwkant aan onze westerse manier van leven. Als wij het hebben over onze westerse manier van leven, dan kunnen we het mooi houden door het heel zedig te hebben over onze democratische wetten en instellingen maar dan hebben we het wel niet over datgene wat onze maatschappij op de allereerste plaats onderscheidt van al de andere. En dat is onze welvaart, onze onverzadigbare drang naar consumeren, de luxe die wij ons kunnen permitteren. En die welvaart en die luxe zijn voor een groot stuk gebouwd op … de uitbuiting van de rest van de wereld.

Zalf
Natuurlijk zijn u en ben ik daar niet persoonlijk verantwoordelijk voor. Wij hebben de wereld zo niet gemaakt, wij zijn er gewoon ingegooid en hebben hem zo aangetroffen. Maar we vinden het best fijn dat we toevallig in het leukste deel van die wereld geboren zijn. Wij zijn niet persoonlijk verantwoordelijk voor het feit dat onze samenleving in de ogen van de rest van de wereld een moloch is die al de rijkdommen van de aarde naar zich toetrekt en met dat doel niet terugschrikt voor uitputting van de natuur en uitbuiting van mensen, voor onfrisse bondgenootschappen en zelfs niet voor oorlog. Wij zijn, u en ik, inderdaad niet persoonlijk verantwoordelijk.
Maar wij weten het wel, en we liggen er blijkbaar toch niet echt van wakker. Wij doen alsof de anderen gewoon pech hebben. En wij geluk. Of beter, geen geluk. Als wij het beter hebben dan zij, hebben we dat immers aan onszelf te danken. Wij zijn gewoon meer bij de pinken, wij zijn inventiever, wij weten beter van aanpakken. Terwijl men in de rest van de wereld toch eerder traag en sloom is en liever bij de pakken blijft zitten.

Macht
En zo leggen wij ons geweten het zwijgen op en wordt elk begin van zelfkritiek omgezet in gevoelens van superioriteit. Maar het enige wat echt superieur aan ons is, is onze macht en onze invloed. De macht om grote delen van de wereld voor ons te laten werken. De macht om grote delen van de wereld in dienst te stellen van onze onverzadigbare consumptiedrang.
Maar genoeg daarover. Wij hebben trouwens allang geen patent meer op dat systeem. Ook niet-westerse grootmachten verslinden driftig de natuurlijke rijkdommen van armere landen.

Doel(tjes)
Waar het ons hier vandaag vooral om te doen is, is de vraag: hebben wij westerlingen nog echt een doel in ons leven? En dan bedoel ik niet onze kleine korte-termijn-doelen zoals de volgende vakantie, de reis naar de Bahama’s, onze nieuwe pergola of tweede woonst. Want eigenlijk zijn dat allemaal mini-doeltjes die alles te maken hebben met ons voortdurend uitkijken naar nieuwe koopjes, het bezit van nieuwe hebbedingen, het ervaren van nieuwe sensaties. M.a.w. met het voortdurend huppelen van de ene consumptie naar de andere. Dat is natuurlijk ook een manier van leven, maar heeft zo’n leven ook een echt doel? Iets dat al je doen en laten kleur geeft, iets waaraan je al je handelingen toetst? Wij lopen inderdaad van het ene korte-termijndoel naar het andere. Maar is er nog een alles overkoepelend streven of zijn wij alleen nog bezig met wat de reclame ons voorschrijft: het consumeren van genietingen?

Grondhouding
Toen mijn moeder jaren geleden genoeg gespaard had voor een badkamer begon ze daarna vol frisse moed opnieuw te sparen, maar nu voor een nieuwe veranda. Ze genoot zelf ook wel van die dingen, maar haar grootste plezier was toch het welzijn van haar gezin … Elke mens wil eigenlijk alleen maar gelukkig zijn. Dat is het eigenlijke doel van elke mens. Het christendom leert ons – tegen de pletwals van de moderne reclame in – dat je alleen gelukkig wordt door te proberen anderen gelukkig te maken.
Het is je inzet voor anderen die je gelukkig maakt. Pas als je gelukkig bent vanuit je inzet voor anderen, wordt genieten van je vakantie, de reis naar de Bahama’s of de nieuwe pergola de kers op de taart. Maar er moet eerst een taart zijn. Van alleen maar kersen eten word je ziek in plaats van gelukkig.

Dat moeilijke vergeven

Zondag 7 mei 2017 – Vierde Paaszondag (jaar A)

Het kruis van Christus, zegt Paulus, is voor joden een ergernis en voor heidenen een dwaasheid. Wij christenen echter, zijn al 2000 jaar lang zo vertrouwd met dat kruis dat wij nog nauwelijks stilstaan bij het ongerijmde, het absurde zelfs van een Zoon van God, Godzelf in een gedaante van een mens, die door mensen wordt gehoond en gemarteld, en uiteindelijk ook op de meest vernederende wijze omgebracht. Pas in deze tijd heeft het toegenomen contact met moslims ons het verbijsterende daarvan opnieuw leren inzien. Moslims zien Jezus als een profeet. Maar zijn kruisdood ontkennen ze. Zij kunnen niet aannemen dat een profeet van God zich zo zou laten doen door mensen. Voor niet-christenen is een gekruisigde Christus inderdaad een loser, een mislukkeling … Maar ook bij de apostelen moet die kruisiging toch enorm veel weerzin en weerstand opgeroepen hebben. Zij hadden vurig in Jezus geloofd en alles voor Hem achtergelaten. Zij geloofden dat Hij inderdaad de Zoon van God was. Maar toen ze Hem hoorden roepen aan het kruis, toen ze Hem zagen sterven, moederziel alleen, door God en mens verlaten, stortte hun wereld in.

Verrijzenis
Er moet toen iets formidabels gebeurd zijn. Iets zo geweldig dat het moeilijk onder woorden te brengen is. De evangelies proberen ons met de verrijzenisverhalen iets te laten vermoeden van de overhoophalende ervaringen die de apostelen na Jezus’ dood opdeden en die de totale metamorfose moeten verklaren. Van schichtige beunhazen, benauwd van hun eigen schaduw, werden zij ineens de onverschrokken verkondigers van een leer die op korte tijd het machtige Romeinse Rijk op vreedzame wijze overwon. Het is duidelijk dat voor de leerlingen de verrijzenis van Jezus een feit is, en meteen ook het sluitstuk van hun verkondiging. Nog straffer is echter het feit dat ze die geblokte overtuiging bijna moeiteloos weten over te brengen op de menigte, die precies door dat geloof de eerste Kerk zou gaan vormen. Belangrijk is het daarbij te zien dat niet de idee van een leven na de dood voor de toehoorders onverteerbaar was. De meeste mensen, in die tijd, geloofden in een voortbestaan na de dood.

Gekruisigde God
Wat zo onvoorstelbaar, bijna uitzinnig moet geklonken hebben, en toch werd aanvaard, was dat de verrezene niet zomaar de geest van een overledene was, maar dat de verrezen Christus de opgestane Zoon van God was, de Heer over levenden en doden. Dat deze Jezus, deze Zoon van God, liever vrijwillig de dood inging dan geweld te gebruiken, dat in deze geslagen en vernederde mens, Godzelf was gekruisigd. Nog eens, wij zijn door 2000 jaar christendom zo vertrouwd met dat geloof dat het bijna absurde van die gedachte ons ontgaat. Wij staan er niet bij stil dat het woord “God” in alle andere gevallen juist staat voor “ongenaakbaar”, “hoog verheven” en “almachtig”. Zelfs in het gewone spraakgebruik: als wij het hebben over filmgoden of sportgoden dan hebben wij het over wezens die zo knap zijn in hun vak dat ze torenhoog verheven zijn boven de gewone stervelingen … Dat God zich in de Mens Jezus aan ons liet kennen als Iemand die liever zelf stierf dan iets af te doen aan zijn boodschap van geweldloosheid, barmhartigheid en liefde, is een bijna onnatuurlijke, door geen mens te bedenken gedachte.

Geweldloosheid
En dat brengt ons dan bij de vraag, het probleem eigenlijk, van hoe geweldloos een christen moet zijn. Moet je nu echt je andere wang aanbieden als iemand je een mep verkoopt? U begrijpt dat dit een ongelofelijk belangrijke kwestie is die je zo maar niet in een kort stukje kan behandelen. Maar in grote lijnen zou je, denk ik, dit kunnen stellen.
Jezus breekt met het oeroude beginsel van “oog om oog, tand om tand”.
Je mag volgens hem kwaad niet met kwaad bestrijden. Een christen zoekt geen vergelding, geen wraak, maar heeft de plicht om het kwaad dat hem wordt aangedaan te vergeven. Het is de enige manier om de duivelskring van agressie, wraak en weerwraak te doorbreken. Maar dat vergeven is een van de moeilijkste punten uit Jezus’ leer. En hoewel vergeven gemakkelijk als een zwakte kan worden gezien, moet je over een ijzersterke persoonlijkheid beschikken om het te kunnen.

Rechtvaardigheid
Het spreekt natuurlijk vanzelf dat die aansporing om te vergeven geen uitnodiging is om je neer te leggen bij onrechtvaardigheid. Zelfverdediging, opstand tegen tirannie en zelfs bepaalde oorlogshandelingen om erger onheil te voorkomen, zijn voor een christen volkomen gerechtvaardigd.
Maar altijd zullen wij voor ogen moeten houden dat God zich niet aan ons getoond heeft als een almachtige en wraakzuchtige albeheerser. Maar in de gestalte van een mens die een en al liefde en barmhartigheid was. Die het geknakte riet niet brak en de kwijnende vlaspit niet doofde. Die zieken genas en verschoppelingen terug binnenhaalde. En die zelfs van op dit kruis gebeden heeft voor zijn beulen. Van zijn volgelingen wordt eigenlijk niets anders verwacht. Maar of dit haalbaar is voor mensen als u en ik … ? Een christelijk advies in deze zou kunnen zijn: eis rechtvaardigheid, ook voor jezelf. Maar neem geen wraak. Nooit. Geen wraak nemen is – hoe moeilijk het ook is – een vorm van vergeven die voor ieder van ons haalbaar is.

Uit de kast komen

Zondag 30 april 2017 – Derde Paaszondag (jaar A)

Vorige week hadden we het over het vrij recente verschijnsel dat sommige (gelovige) ouders hun kinderen niet laten dopen omdat ze “later zelf maar moeten kiezen”.
We zagen toen echter dat een gelovige opvoeding de beste garantie is om later echt te kunnen kiezen.
Vandaag zou ik het graag hebben over de noodzaak om ons geloof regelmatig onder elkaar ter sprake te brengen.
In de weken na Pasen ademt heel de liturgie het paasgeloof uit en draaien de gebeden en de lezingen uiteraard allemaal rond de Verrijzenis van Christus.
Die verrijzenis van Christus en het geloof in die verrijzenis staan als een massief gegeven in het centrum van het christelijk geloof.

Groei
Maar dat geloof is niet als een monoliet uit de hemel komen vallen.
De eerste berichten over de verrijzenis werden aanvankelijk door de apostelen resoluut afgedaan als beuzelpraat van vrouwen.
Naderhand, toen de meldingen erover bleven aanzwellen en de getuigenissen toenamen en die getuigenissen de eigen ervaringen van de leerlingen steeds meer bevestigden, lieten ze hun angst voor inbeelding varen.
De ommekeer was zelfs zo sterk dat op zeer korte tijd het aanvankelijk gefluister aanzwol tot de triomfantelijke kreet: Christus is verrezen.
God is geen hersenschim, maar een ontzagwekkende werkelijkheid.
En een mensenleven heeft wel degelijk zin en betekenis als het een gegeven leven is zoals dat van Jezus. Omdat, ondanks schijnbare ondergang, de dood op zo’n leven blijkbaar geen vat heeft.
Maar dat geloof is gegroeid. Heel snel en heel sterk. Zo sterk zelfs dat het als een vreedzame storm over wereld zou gaan. Gebracht en verspreid door mensen die zo overtuigd waren dat ze er stuk voor stuk hun leven voor gaven.

Erover spreken
Maar het is gegroeid, het is niet uit de hemel komen vallen.
Het groeide omdat mensen met elkaar erover praatten. Hun ervaringen deelden, elkaar hielpen om dingen te zien en te interpreteren, elkaar bevestigden in het geloof.
Ik denk dat het de hoogste tijd wordt dat we daar terug meer aandacht aan besteden.
Geloof kan alleen gedijen, groeien en sterker worden als het ook ter sprake wordt gebracht. En blijkbaar doen we dat in onze tijd veel te weinig.
Geloof is niet iets dat je eens en voor altijd bezit. Het is meer ook dan kennis.
Het is iets dat je beleeft en dat kleur en warmte en diepte geeft aan je leven.
En dat moet gevoed, bevestigd en gedeeld worden.
Hoeveel deugd doet het toch als iemand, waar je het niet van had verwacht, je vertelt over het geloof dat in zijn binnenste leeft. Wij hebben nood aan zo’n diepe ervaringen van herkenning en verbondenheid.

Andere tijd
De tijd dat onze maatschappij helemaal doortrokken was van het geloof, dat je bijna geen artikel of boek kon lezen, geen film kon bekijken of je kwam dat geloof tegen, de tijd dat de Kerk heel het verenigingsleven bezielde, bijna alle tijdschriften en kranten katholiek waren en jongeren ervan droomden missionaris te worden, die tijd is voorbij.
Geloof komt in de publieke ruimte nog zelden ter sprake.
En als erover gesproken wordt is het meestal in de negatieve zin.
Juist daarom is het zo belangrijk dat wij terug spreken over ons geloof.
Wij moeten niet met bijbels langs de deuren trekken, maar laat ons tenminste in onze eigen kring ons geloof terug ter sprake brengen, bij ons thuis, onder vrienden en, als het pas geeft, waarom niet, op het werk en zelfs op vakantie.
Laat ons toch minstens beginnen met het geloof terug ter sprake te brengen als wij in kerkverband samenkomen. Want zelfs daar gebeurt dat niet meer of hoogstens zijdelings.

Outen en ontmoeten
Ik kan als priester bijvoorbeeld een gans jaar bijna elke avond naar vergaderingen gaan zonder daar ooit iets te horen over geloof. Alleen maar over bouwplannen, verkoop van gronden, kasverslagen en rekeningen.
En over mediaberichten, over sport en politiek.
Vaak merk je wel, goddank, een sterke betrokkenheid op de mensen van het dorp. Maar zelden of nooit heeft iemand het over z’n geloof, over een diepe ervaring of een nieuw verworven inzicht.
En dan vraag je je toch af: waar zijn we eigenlijk mee bezig?
Mensen die zich vanuit hun christen-zijn willen geven, hebben nood aan diepe verbondenheid met gelijkgezinden. Aan warmte, diepe contacten en echte ontmoetingen op een dieper niveau.
Wij kunnen als christenen nooit nog iets betekenen voor de mensen om ons heen, als wij niet een sterke thuisbasis hebben waar wij onze geloofsbatterij kunnen opladen.

Concreet
Laat ons er iets aan doen. Laten we bijvoorbeeld vanaf nu elke vergadering in parochieverband terug beginnen met een kort geloofsgesprek, een kleine bezinning, een gezamenlijk gebed. Als Christus het middelpunt en de bezieler van onze werking en onze inzet is, dan moet Hij ook regelmatig ter sprake komen in ons midden. Anders zijn we niet goed bezig.