Je eigen mening vormen

Zondag 27 augustus 2017 – 21ste zondag door het kerkelijk jaar A

Onlangs zei iemand mij: eigenlijk is het feit dat je christen bent iets heel relatiefs. Als jij in Japan geboren was, dan was je nu naar alle waarschijnlijkheid een boeddhist of een shintoïst. Dat is ongetwijfeld juist. Als Etienne Vermeersch in Djakarta geboren was, dan was hij nu vermoedelijk een vrome moslim. En als mijn huisdokter in het Braziliaanse regenwoud geboren was, dan was hij daar bijna zeker de plaatselijke tovenaar. En -om het met een echt Zoutleeuwse boutade af te sluiten- als mijn moeder met de koning was getrouwd, dan was ik nu prins Lucien.
En dat is allemaal juist. Maar dat zijn allemaal vaststellingen en beweringen, maar geen argumenten. Het hedendaagse atheïsme staat overigens helemaal bol van dat soort beweringen die geen argumenten zijn.

Overtuiging
Natuurlijk heeft het feit dat ik geboren ben binnen een christelijke cultuur en in een christelijk gezin, iets waar ik niet voor gekozen heb, een enorm grote rol gespeeld in het tot stand komen van mijn christelijke overtuiging.
Maar – en misschien staan wij daar niet genoeg bij stil – dat geldt voor al onze overtuigingen. Wij hebben er niet voor gekozen ze te hebben.
Natuurlijk is de beginsituatie, het milieu waarin ik geboren ben, sterk oriënterend. Maar daarna komen de mensen die ik ontmoet, de boeken die ik lees, de positieve en de nare ervaringen die ik opdoe in het leven, en al die dingen te samen vormen mijn eigen overtuigingen. En die kunnen zeer goed helemaal ingaan tegen wat je normaal gezien van mijn “afkomst” zou mogen verwachten. Zeker in een maatschappij als de onze, waar je volop de kans en de mogelijkheid krijgt om vertrouwd te worden met andere levensopvattingen en overtuigingen, kan je intellectueel volkomen eerlijk kiezen voor je christelijke overtuiging. Ook al is je familie al katholiek van in de tijd van Asterix en Obelix.

Kiezen
Het is zelfs gemakkelijker om overtuigd christen te zijn als je de kans kreeg om andere overtuigingen beter te leren kennen. Zolang een levensopvatting onbekend is kan ze intrigeren en kan je geneigd zijn, afhankelijk van je karakter, om er allerlei positieve dingen in te vermoeden. Maar hoe beter je ze leert kennen, hoe meer je terug geboeid kan geraken door je eigen christelijk geloof. Bij mij was dat althans het geval. Ik ga nu niet de fout maken van Gwendolyn Rutten en zeggen dat onze eigen opvatting superieur is. Maar het is wel duidelijk dat het christendom met zijn centraal stellen van liefde, vergeving en zorg voor mensen, uniek mag genoemd worden. Samengevat: je kan dus wel degelijk heel bewust kiezen voor het christelijk geloof. Ook als je uit een christelijk milieu komt en christelijk bent opgevoed. Hoe meer je andere levensopvattingen leert kennen en ze vergelijkt met je eigen geloof, hoe meer je beseft dat het christelijk geloof wel een heel aparte plaats inneemt in dat bijzonder kleurrijke geheel. En hoe groter de kans dat de schoonheid ervan je zo aanspreekt dat je er heel bewust voor kiest.

Doel
Volgens het christendom is God, Liefde. En dat is meer dan zomaar een statement. Daaruit volgt immers de centrale stelling dat het doel van het leven van een mens, zijn ultieme ontplooiing, ligt in het uitgroeien tot een liefdevol wezen. En dat uitgroeien tot een liefdevol wezen, dat wordt niet bereikt door het naleven van allerlei geboden en verboden, niet door ascese, door jezelf te pijnigen, noch door het ontvluchten van elke pijn via meditatie, maar door je open te stellen voor God. Je door Hem beetje bij beetje te laten omvormen tot iemand die zijn levensgeluk vindt in het liefdevol omgaan met mensen en met de hele schepping. Om je echter voor God te kunnen openstellen, moet er eerst nogal wat puin geruimd worden. Er steekt, vanaf onze kindertijd, zoveel opgehoopte pijn en kwaadheid in ons, dat wij gewoonlijk niet bekwaam zijn om zomaar te functioneren als liefdevolle wezens. En ook op dat punt moet God ons helpen.

Diepe genezing
God moet ons helpen om te vergeven. En zo komen we bij het tweede basisbegrip van het christendom: de vergeving. God moet ons steeds meer bekwaam maken om heel diep te vergeven, al de mensen die ons ooit hebben pijn gedaan, vernederd, belachelijk gemaakt en ons daarmee hebben getekend voor het leven. Wij moeten hen oprecht vergeven. Ook diegenen waarvan wij ons niet eens bewust zijn dat zij ons ooit hebben pijn gedaan. Wij kunnen pas uitgroeien, worden zoals wij bedoeld zijn, als wij iedereen vergeven die ons ooit heeft pijn gedaan. Vergeven, niet verontschuldigen of vergoelijken, maar vergeven. Alleen dan kunnen wij echt liefdevolle mensen worden, ons helemaal ontplooien en gelukkig zijn.
Hoe uniek is dit toch, vergeleken met andere geloven. En hoe helemaal haaks staat dit toch op de leegte die ons dagelijks tegemoet walmt vanuit de media: altijd maar bezig zijn met jezelf. Ik vind die christelijke visie op liefde en vergeving zo mooi dat ik daarom alleen al volgeling van Jezus zou worden. Jezus – en dat is het sluitstuk van ons geloof – van wie wij aannemen dat Hij niet zomaar een groot leraar of profeet was maar Godzelf is, in de gestalte van een mens.

De cultuur van het narcisme

Zondag 20 augustus 2017 – 20ste zondag door het kerkelijk jaar A

Misschien is het selfie-verschijnsel, het nemen van foto’s van jezelf, wel het meest onthullende symbool van het groeiend narcisme in de westerse samenleving. Ik werd er voor het eerst met mijn neus op gedrukt, enkele jaren geleden op het Sint-Pietersplein te Rome toen wij daar met een groep parochianen op bedevaart waren.

Raar
Zoals paus Franciscus dat blijkbaar gewoon is reed hij in zeer kleine rondjes door de menigte om toch maar zoveel mogelijk mensen bijna persoonlijk te ontmoeten. Maar tot mijn verbazing keerden, op het moment dat de paus langskwam, opvallend veel mensen zich met hun rug naar hem en namen ze met hun toestel op zo’n metalen staaf een foto. Want een foto van mij met daarachter de paus is blijkbaar veel opwindender dan de ontmoeting zelf. Ik denk dat dat de kern van de zaak is: “Ik ben ongelooflijk belangrijk”. En bekende personen en monumenten worden herleid tot decorum, tot achtergrond bij mijn optreden. Tegenwoordig zie je ook mensen in restaurants foto’s nemen van wat ze gaan eten en dat doorsturen via facebook. Want buiten zitten velen natuurlijk ademloos te wachten op deze belangrijke informatie. Je kan daar misschien de schouders voor ophalen, maar als ons individualisme nog verder afzakt naar puur narcisme, dan gaat uiteindelijk heel het sociale weefsel kapot en stort onze samenleving in.

Oplossing?
Je kan het natuurlijk ook meer stoïcijns bekijken, zoals onlangs nog een filosoof en hoogleraar in de psychiatrie verklaarde: uiteindelijk lost dat zichzelf op. Het probleem is té veel welvaart en een té lange periode van vrede, zei hij. Het Romeinse Rijk heeft hetzelfde meegemaakt. Als er straks weer oorlog komt zijn de mensen wel verplicht om opnieuw zorg te dragen, zich zelfs op te offeren voor elkaar. Dat doet me denken aan diegenen die zeggen: als er morgen oorlog is zitten de kerken terug vol. Maar moeten wij niet juist met al de kracht en vindingrijkheid die in ons is werken om die oorlog te voorkomen, juist door dat krankzinnig hollend individualisme tegen te gaan en niet alleen oog te hebben voor het lachwekkende maar ook voor het gevaar van ons groeiend narcisme?

Mythe
Want naar alle waarschijnlijkheid staan we veel dichter bij oorlog dan wij doorgaans denken. En dan heb ik het niet over president Trump of over de gevaarlijke gekken die op vele plaatsen in de wereld aan de macht zijn.
Maar over het feit dat onze altijd stijgende welvaart, dat altijd-maar-meer niet kan blijven duren. Over het feit dat onze westerse rijkdom voor een groot stuk gebouwd is op vervuiling, uitputting van de natuur en uitbuiting van mensen. Zelfs als je daar geen morele bedenkingen zou bij maken, weet je gewoon dat dit niet kan blijven duren. Wij zijn de laatste generatie die het beter heeft dan de vorige. Die ná ons komen zullen het met minder moeten doen. Ik vind dat niet zelf uit. Gezaghebbende economen zijn daarin formeel: de mythe van de eindeloos stijgende welvaart tot in de eeuwen der eeuwen, dat is inderdaad een mythe. De werkelijkheid die er aankomt is anders. Je kan je bang afvragen wat die werkelijkheid van “vanaf nu moet het met minder” gaat aanrichten bij een generatie die van in de wieg als het ware geprogrammeerd is om te consumeren en te genieten, om altijd maar meer en altijd maar beter te verwachten. Als wij niet heel sterk gaan werken aan een andere mentaliteit, dan komt dat niet goed.

Modellen
Wij moeten terug leren om aanzien te halen uit wat wij betekenen voor de gemeenschap in plaats van het te zoeken in wat ons onderscheidt van de gemeenschap, in wat ons onderscheidt van de andere mensen. De grootte van onze wagen, ons huis en ons zwembad. Wanneer een hedendaagse westerse toerist op vakantie een rijkelijk versierde kerk binnengaat, dan zijn daar onmiddellijk gevoelens van verontwaardiging: moet dat nu, al die rijkdom? Die verontwaardiging is om te beginnen veel minder nobel dan ze lijkt, maar bovendien heeft ze vooral te maken met onbegrip. De moderne westerling kan er niet meer bij dat een rijke koopman heel veel geld gaf aan een schilderij van een heilige, omdat het de patroon was van zijn gilde.
Of dat een schoenmaker die goed geboerd had een glasraam betaalde, omdat het de kerk van zijn parochie was. Of een welstellende boer de voetbalkantine, omdat het de ploeg van zijn dorp was. Ze schonken dat niet aan de Kerk of aan het dorp, maar aan onze kerk, onze ploeg, ons dorp.
In Zoutleeuw (waar ik ooit uit de bloemkool ben gekomen) is er in de 19e eeuw ooit een volksopstand geweest toen een pastoor een volgeladen kar zilverwerk uit de kerk wilde verkopen om God weet wat voor werken te bekostigen. Die kar is nooit buiten het stadje geraakt. Na een welverdiend pakske slaag heeft die pastoor al het zilver netjes terug op z’n plaats moeten zetten.

Gemeenschap
Ik vermoed dat tegenwoordige opstandelingen onder het mom van “revolutie” en “de Kerk is rijk genoeg” dat zilverwerk gewoon mee naar huis zouden nemen. Toen niet. De mensen toen droomden niet zoals wij nu van een eigen jacht of een villa in Toscane maar die kerk, dat was hun kerk. En daar bleef iedereen vanaf, ook de pastoor. De mensen toen hadden een geweldig gemeenschapsgevoel. Als wij willen overleven moeten wij die gemeenschap terug herwaarderen. Een oud Chinees spreekwoord zegt: “Als er gras groeit in de tempel, bereid je dan voor op oorlog”. Overdreven individualisme leidt altijd naar jaloezie en agressie. Wij moeten ons terug veel meer richten op wat ons individueel persoontje overstijgt: wij moeten ons terug meer richten op ons gezin, onze familie, onze gemeenschap, op de natuur en op God. En eigenlijk weten we dat wel, en om je heen zie je stilaan tekenen die wijzen in die richting. En dat geeft hoop.

Vrees niet, Ik ben het

Zondag 13 augustus 2017 – 19de zondag door het kerkelijk jaar A

De eerste lezing brengt ons vandaag het verhaal van de godsontmoeting die de profeet Elia heeft op de berg Sinaï, de Horeb, de berg waarop Mozes de 10 geboden ontving. Het is een merkwaardig verhaal, zeker voor het Oude Testament. Een Oud Testament, dat bijwijlen helemaal zwanger lijkt van overweldigende tekenen en gewelddadige scènes, van indrukwekkende natuurlijke en tegennatuurlijke fenomenen en ijzingwekkende oorlogstaferelen. Midden al dat kolkende gewoel blijkt de godsontmoeting zelf van een totaal andere orde te zijn. Al die indrukwekkende verschijnselen, al die uitingen van natuurlijk geweld en menselijke macht, zijn duidelijk begeleidende verschijnselen. Dáárin is God niet. Hier wordt duidelijk dat ze alleen maar opgevoerd worden om dát uitdrukkelijk te zeggen: daarin is God zeker niet.

Buitengewone
God is inderdaad van een heel andere orde, hij transcendeert volledig onze werkelijkheid, alles wat wij kunnen kennen of onderzoeken. Hij is de Gans-Andere. Hij is diep in ons en tegelijk overstijgt Hij ons volledig. Al van in de oertijd zoeken mensen Hem in buitengewone verschijnselen, in donder en bliksem. Ze zoeken Hem in opvallende natuurfenomenen of in verschijnselen die juist helemaal tegen de natuur ingaan en die als wonderbaarlijk en miraculeus worden ervaren. Bij Mariaverschijningen vind je dat ook altijd terug. Een donderslag bij heldere hemel, een bron die uit het niets begint op te wellen, de zon die naar beneden lijkt te tuimelen, een nooit geziene stortbui die onmiddellijk opdroogt, het zijn voor mij even zovele knipoogjes van de hemel. God weet dat wij rare snuiters zijn die houden van sensatie. Hij kent ons, Hij heeft ons tenslotte zelf gemaakt.

Poëtisch
Maar het is een soort hemelse mise-en-scène, al die verschijnselen zijn aandachttrekkers en hebben op zich geen enkele betekenis. Elia laat ze allemaal kalm aan zich voorbijgaan: donder en bliksem, storm, lawaai en gedruis: het beroert hem allemaal niet. Hij weet dat je in die dingen God niet moet gaan zoeken. Maar dan hoort hij het zachte suizen van een bries. En dan bedekt hij zijn gelaat, want hij weet dat God op dat moment
voorbijgaat. Het is een wondermooie en poëtische omschrijving van een godsontmoeting. Als God voorbijgaat word je helemaal vervuld van zijn aanwezigheid. Een omvormende aanwezigheid die je raakt tot in het diepste van je ziel. En toch lijkt het op het suizen van een zachte bries. Het is het meest overhoophalende, meest sensationele wat ons ooit kan overkomen, en tegelijkertijd in niets en op geen enkele wijze vergelijkbaar met iets wat wij doorgaans onder sensatie verstaan.

Gêne
En terwijl ik dit neerschrijf overvalt mij plots de drang om u op het hart te drukken dat ik in geen geval de indruk wil wekken dat ik regelmatig grote godsopenbaringen heb. En dat is verkeerd. Dit soort gegeneerd zijn van mij wijst erop dat die ouwe bombastische voorstellingen van godsopenbaringen taaie knapen zijn. We moeten daar komaf mee maken.
Mensen hoeven zich helemaal niet te generen om te zeggen dat ze soms Gods aanwezigheid in hun leven voelen. Via een gebeurtenis, een plots inzicht, een onverwachte troost. Moest God zich niet af en toe laten voelen in ons leven, dan zou hij ook gewoon weinig belang voor ons hebben. Wij moeten alleen maar ophouden met zijn aanwezigheid te verbinden met bombastisch vertoon want precies dáárdoor, door onze verkeerde verwachtingen, mislopen wij vaak de momenten dat Hij echt voor onze deur staat. Wij zien en voelen en horen Hem niet, gewoon omdat wij Hem heel anders verwachten.

Onmacht
Vaak denk ik zelfs dat verslaggevers van godsopenbaringen en godsontmoetingen, waaronder de evangelisten, zich nogal eens verliezen in het beschrijven van een wonderlijk decor omdat de ontmoeting zelf zo moeilijk te beschrijven valt. Iets gelijkaardigs vind je in de beschrijving van het leven van een heilige. Omdat de schrijver zelf geen heilige is, kan hij ook niet onder woorden brengen wat er omgaat in het hoofd en het hart van de heilige. En dus verliest hij zich maar in het uitgebreid verslag brengen over allerlei wonderlijke of op zijn minst opmerkelijke gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in het leven van een heilige. Dát kan je tenminste plastisch beschrijven en bovendien weet je dat dát vooral ook je lezers interesseert. Maar dat is zeker niet de kern, dáár gaat het niet om.

Nabijheid
Wanneer Jezus over het water wandelt of met één enkel dwingend gebaar de storm op het meer tot bedaren brengt, dan tart hij daarmee zowat alle wetten van de fysica, een heel knap stukje dus van magie en tovenarij.
Maar in werkelijkheid is het allemaal puur decorum. Wat de verhalen ons écht willen zeggen is dat Jezus ons altijd nabij is, ons nooit in de steek laat.
Ook als onze wereld lijkt in te storten, ook als wij van het ene ongeluk in het andere rollen, ook als het liefste in ons leven ons wordt afgenomen, ook als wij gekweld worden door ontroostbare bitterheid, dat dan, dat dan vooral, Hij ons nabij is, ons heel nabij is, ons draagt en van ons houdt.
En dat niet, dat nooit onze ellende het laatste woord heeft, maar Hij alleen.