God: iemand anders

Zondag 24 september 2017 – 25ste zondag door het kerkelijk jaar A

Goddelijke almacht kan nooit betekenen: de macht om iets te doen dat intrinsiek onmogelijk is, dat met zichzelf in tegenspraak is. God werkt nooit onredelijk. We kunnen God wonderen toeschrijven, maar geen onzin.
Als iemand zegt: “God kan een schepsel een vrije wil geven en tegelijk het de vrije wil onthouden”, dan is dat onzin. En zinloze uitspraken worden niet ineens zinvol door er “God kan” voor te zetten. Onzin blijft onzin, zelfs als we het over God zeggen.

Redelijkheid
De schepping, de materie, is van een zodanige aard dat ze nooit altijd en overal voor ieder op elk moment als leuk en nuttig kan ervaren worden. Dat kan niet anders. De vaste eigenschappen van de materiële werkelijkheid maken dat ze niet altijd voor ieder op elk moment even gerieflijk en ideaal is. Moest hout zacht en plooibaar zijn, dan zouden wij er geen dakbalken, meubelen en werktuigen mee kunnen maken. Het feit dat hout hard is maakt anderzijds dat wij er elkaar ook het hoofd mee kunnen inslaan.
Als ik naar het dorp fiets en de wind in de rug heb, dan wil dat automatisch zeggen dat diegene die in de tegenovergestelde richting fietst tegen de wind in moet trappen. Als het waar is dat mensen een vrije wil hebben, dan is het even waar dat ze dus de mogelijkheid hebben om te kiezen voor kwaad en misdaad. En als je aandachtig de natuur bekijkt, dan kom je al vlug tot de conclusie dat leven en dood hand in hand gaan, dat het ene niet mogelijk is zonder het andere. Dit alles om te zeggen dat wij niet te vlug moeten klaarstaan met oordelen als toestanden en gebeurtenissen niet altijd voordelig voor ons uitpakken. De wereld is zoals hij is, en waarschijnlijk is dat ook goed zo. Dat de werkelijkheid zo zou kunnen worden ingericht dat ze ons allen op elk moment goed uitkomt, is absurd en onmogelijk.
Wij zouden ons veel ellende en frustraties kunnen besparen door gewoon te aanvaarden dat de wereld is zoals hij is en niet zoals wij zouden willen dat hij is. Voor christenen komt er bovendien nog iets heel belangrijks bij: voor christenen is de schepping een liefdesdaad van God. En ook al begrijpen wij niet alles, wij geloven vast dat zijn liefde en zijn goedheid aan de basis liggen van alles wat bestaat. Zijn wegen zijn inderdaad niet onze wegen en zijn gedachten niet de onze. Maar ook al begrijpen we niet altijd wat ons overkomt, noch de wegen die Hij met ons gaat, wij vertrouwen er vast op dat Hij dat wél weet. En dat Hij ons draagt en koestert en heel goed weet wat Hij doet.

Moeilijk
Geloven is een ander woord voor vertrouwen. Wij vertrouwen erop dat bij alles wat ons overkomt in onze superindividuele omstandigheden, wij geborgen zijn in zijn hand. Dat Hij ons draagt en koestert, ook als lijden vertwijfeling meebrengt en vertrouwen moeilijk maakt. Maar hoe zouden wij die goedheid van God kunnen begrijpen als ons iets ergs overkomt? Immers, ook als ons allerlei geluk te beurt valt spreken wij al vlug van “onverdiend” en “onrechtvaardig”. Denk aan de werkers van het 1ste uur en die van het 11de uur in de parabel van daarnet. Wij kunnen het gewoon niet vatten, Gods handelen stoort zich niet aan onze maatstaven en dus begrijpen wij niet altijd wat Hij doet. De bekende historicus Henri Guillemin vertelde eens hoe zijn zoon op sterven lag. De artsen hadden geen enkele hoop meer gegeven. De volgende dag echter bleek het kind op wonderbaarlijke wijze genezen. En een bevriend priester vertelde Guillemin dat hem dat niet verwonderde omdat hij, samen met anderen, de hele nacht voor het kind gebeden had. En Guillemin, nochtans gelovig katholiek, zegt daarop: “Ik kan het niet geloven. Want waarom mijn kind wel en zoveel duizenden anderen op de wereld niet?”

Waarom?!
En toch geloven wij vast dat dat kan. Dat Gods goedheid zich door ons denken en door onze maatstaven niet laat inperken. Wij kunnen God nooit helemaal vatten. Niet als het ons slecht gaat, maar ook niet als het ons goed gaat. Maar toch vooral als het ons slecht gaat. Wij zeggen nogal vlug: “Waarom ik? Waarom altijd weer ik, waarom moet ik dat nu weer meemaken, hoe onrechtvaardig is dat nu!” Maar wanneer ik naar mezelf kijk en zie hoeveel mensen die veel gezonder en oplettender geleefd hebben dan ik, ziek en beperkt door het leven gaan of zelfs vóór hun jaren gestorven zijn, dan moet ik toegeven dat dát ook “onrechtvaardig” is. En dan is de waaromvraag weer groot. Het simpele feit ligt daar dat Gods wegen, gedachten en beweegredenen aan onze rede ontsnappen. Het enige wat wij hebben is ons geloof, ons vertrouwen dus, dat alles wat Hij met ons onderneemt uit liefde en goedheid geboren wordt. Wij begrijpen niet altijd de wegen die Hij ons laat gaan. Maar het zijn alleszins wegen die leiden naar Hem, de bron van alle liefde en goedheid.

Over vergeven

Zondag 17 september 2017 – 24ste zondag door het kerkelijk jaar A

Vorige week ben ik geëindigd met een soort boutade. Ik zei toen dat als je echt van iemand houdt, je vlugger geneigd zal zijn om zijn of haar fouten te vergeven.
En, sterker nog, dat een deel van jezelf opgelucht en dankbaar is dat diegene waar je van houdt ook steken laat vallen en af en toe ook al eens blundert.
Wij steken nu eenmaal psychologisch zo in elkaar dat mensen in onze omgeving die daar alleen maar volmaakt staan te wezen, ons erg onzeker maken. En dat mensen, ook vrienden, die nooit eens een foutje maken, ons heimelijk heel erg op onze zenuwen beginnen te werken.
Mensen waar we erg op gesteld zijn mogen dus al eens een steek laten vallen. Ze bewijzen daarmee alleen maar dat ze mensen zijn, en geen postkaarten.
En wij vergeven hun zonder veel moeite.

Woede
Iets heel anders wordt het wanneer een fout wordt begaan door iemand die we niet zo leuk vinden. Zeker wanneer we zelf de klos zijn en wij ons benadeeld of beledigd voelen door iemand waar we weinig of helemaal geen sympathie kunnen voor opbrengen.
In dat geval is het kot te klein en zijn wij in alle staten.
In dat geval is er geen enkele ruimte voor gedachten aan vergeving en verzoening, alleen maar voor duistere gevoelens van gekwetste trots.
Alsof er een laaiend vuur in ons brandt dat uit is op keihard terugslaan, op wraak en genoegdoening.
Ook dat zit in ons, ook dat behoort tot onze psychologische uitrusting. Ook dat hebben we te danken aan de evolutionaire krachten die ons gevormd hebben. Binnen de evolutie heeft dat zijn functie gehad en die heeft het nog steeds, maar het speelt ons ook parten.
Wat ik wil zeggen is dat wij daar geen schuldgevoelens moeten over hebben. Dat wij woedend reageren als wij zwaar tekort worden gedaan, dat is iets waar wij geen schuld aan hebben, wij steken nu eenmaal zo in elkaar. En de christelijke eis om te vergeven slaat dus nooit op het feit dat wij woedend worden. Want dat is een kracht die wij niet kunnen controleren. Maar wel is belangrijk hoe wij daarmee omgaan, wat wij ermee doen.
En dat zal natuurlijk verschillen van geval tot geval en van de grootte van het vergrijp en de intensiteit van onze woede.

Eis
Maar de christelijke eis tot vergeving is inderdaad een eis, je kan er niet omheen.
Voor Jezus is het vergeven van je naaste zelfs een voorwaarde om zelf van God vergeving te krijgen voor je eigen fouten.
Vergeving schenken is zonder twijfel de meest kenmerkende houding van een christen. Je vindt dat niet of veel zwakker terug in andere godsdiensten en levensbeschouwingen. Je vindt dat zelfs helemaal niet terug in ons rechtssysteem waar we nochtans – terecht – fier over zijn.
Ons rechtssysteem voorziet alleen in straffen voor overtreders. Het kan in die uitvoering van straffen heel laks zijn, maar “vergeven” kent het niet.
Andere godsdiensten zullen dan weer meer de nadruk leggen op rechtvaardigheid. Alleen in het christendom staat vergeven echt centraal.
André Cools bv., de vroegere leider van de Waalse socialisten, had dat heel scherp gezien toen hij indertijd, in zijn eigen typische machostijl, eens verkondigde: “Moi, je ne pardonne jamais! Je ne suis pas chrétien.”

Verruimend
Vergeven mag overigens wel een beetje soft klinken, volgens nogal wat geleerden ligt die typisch christelijke vergeving aan de grondslag van het feit dat juist binnen de westerse cultuur de wetenschap zo’n hoge vlucht genomen heeft.
Want vergeven is natuurlijk oneindig veel meer dan alleen maar zeggen: zand erover.
Vergeven doorbreekt een patstelling. Vergeving doorbreekt het totaal onvruchtbare gebekvecht om het eigen gelijk. Vergeving doorbreekt de verstarring, schept toekomst, gooit horizonten open. En schept daardoor kansen voor nieuwe inzichten, voor het integreren van andere opvattingen en voor het nuanceren van wat tot dan toe voor absoluut vaststaand werd gehouden. Het is eigenlijk een heel erg wetenschappelijke houding …

Lakmoesproef
Oké. Maar wat dan met mensen die geen vergeving willen? Je weet bv. telkens als je er als priester een parochie bijkrijgt, dat daar enkele mensen rondlopen die je niet moeten hebben. Ook al hebben ze je nog nooit gezien en nog minder met je gesproken. Gewoon omdat je, puur door daar te komen, op een of andere manier hun eigen plannen dwarsboomt.
Ieder van u kan hier in z’n eigen werkkring voorbeelden van terugvinden. Zulke mensen kunnen je grondig haten zonder dat je ze ooit bewust een strobreed in de weg gelegd hebt. Zo iemand kan je moeilijk vergeven, want dat vraagt hij ook niet.
Ik denk dat voor mensen die absoluut niet zitten te wachten op je vergeving, die absoluut geen verzoening willen en bij wie elk gebaar van jouw kant de woede bij hen alleen maar doet toenemen, hen negeren de enige weg is.
Negeren klinkt zwak en passief. Maar in het negeren ligt ook de essentie van vergeven. En dat is: geen wraak nemen.
Soms is dat het enige christelijke wat je kan doen: geen wraak nemen.
Maar dat moet je dan ook doen. Geen wraak nemen is niet alleen essentieel bij het vergeven, het is ook het bewijs dat je echt vergeven hebt.

Je broer terechtwijzen

Zondag 10 september 2017 – 23ste zondag door het kerkelijk jaar A

Misschien kunnen wij eens nader ingaan op die eerste zin uit de evangelielezing van vandaag: ‘Als uw broer gezondigd heeft, wijs hem dan terecht’. De typisch christelijke verplichting om je broeder te vergeven (‘7 maal 70 maal!’) heeft dus niets vandoen met de hedendaagse toegeeflijkheid (’t is allemaal niet zo erg, het is waarschijnlijk zelfs niet eens zo slecht bedoeld). Laten wij echter, om elk misverstand te vermijden, beginnen met te bevestigen dat vergeving, misschien nog meer dan de liefde, het meest kenmerkende begrip van het christendom is.
Geen enkele andere godsdienst of levensbeschouwing hecht zoveel belang aan vergeving als het christendom. Vergeving schenken aan wie tegen je misdeed is zelfs een voorwaarde om zelf vergeving te krijgen bij God.
‘Want als gij niet de mensen hun fouten vergeeft, zal ook uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven’ (Matteüs 6, 15). Zo staat het er onomwonden. Je kan er niet omheen.

Breed?
Dit gezegd zijnde echter is het duidelijk dat je de fouten, ook die van anderen, serieus moet nemen. Je mag er je niet zomaar vanaf maken met te zeggen: ’t is allemaal zo erg niet, zand erover, propere lei. Want die erg moderne houding mag dan al heel breeddenkend lijken, in feite is het een toedekoperatie, een gemakkelijkheidsoplossing die alleen maar in schijn een oplossing is. Men dekt de fouten van anderen toe, men ‘stapt erover’, uit praktische overwegingen. Je moet immers verder kunnen leven en werken met die ander en hem zijn fouten voorhouden hypothekeert de toekomstige samenwerking. Maar als je iemands fouten toedekt, zonder dat je ze vergeven hebt, dan zal die manier van doen de samenwerking of de relatie nog veel meer belasten. Je moet hier een moeilijke keuze maken.
Iemand terechtwijzen, iemand vlakaf zeggen: ‘Dit kan niet wat jij doet’, dat valt zelden in goede aarde, je wordt daar niet populair van. Op termijn is het echter zonder de minste twijfel het beste dat je kan doen. En dat geldt trouwens voor alle ogenschijnlijk harde eisen en aanbevelingen van Jezus. Zij geven altijd de meest wijze weg en de beste keuze aan. Zowel voor het individu als voor de samenleving.

Libertijns
De gemakkelijkste en leukste weg is zelden de goeie weg. Je ziet dat ook met de moraal in het algemeen. In onze tijd wordt enorm veel gepraat over normen en waarden. In de praktijk echter glijden wij steeds meer af naar het puur libertijnse ‘alles moet kunnen en alles moet mogen’. Concreet houdt dat in dat je verleid wordt om zowat alle vroegere regels van moraliteit te zien als inderdaad iets van vroeger: oubollige hindernissen, die je beletten van het leven te genieten. En dat je nu volledig vrij bent om te genieten van alles wat je meent nodig te hebben voor je persoonlijke ontplooiing en je persoonlijke pleziertjes. Leve de vrijheid. De enige beperking die je hebt is de vrijheid van anderen. Doe wat je wil, je bent daar helemaal vrij in, maar je mag niet anderen hinderen in hun vrijheid om ook te doen wat zij leuk vinden. Dat ziet er natuurlijk allemaal heel aantrekkelijk uit, maar je moet niet heel slim zijn om in te zien dat een maatschappij waarin iedereen vooral met zijn eigen pleziertjes bezig is uiteindelijk helemaal instort. En dat ook het individu en zijn relaties er aan kapot gaan.

Beide
De levenshouding die Jezus aanprijst daarentegen, heeft zijn duurzaamheid bewezen. En een van zijn adviezen is dat je je broeder die tegen je misdaan heeft ook terechtwijst, i.p.v. te doen of je neus bloedt en het feit te negeren.
De reden is deze: je moet voorkomen dat de ander inderdaad ook gaat geloven dat wat hij deed helemaal niet erg is. En zijn fouten herhaalt.
En je moet ook voorkomen dat jij wel doet of je het allemaal zo erg niet vindt, maar je hem niet hebt vergeven en onderhuids de wrok groeit …
Om het dus gezond te houden is het noodzakelijk dat je:
1. De ander duidelijk wijst op zijn fout: wat jij deed kan echt niet.
2. Maar daarna moet je hem of haar ook echt vergeven.
De twee horen wezenlijk samen. Tezamen (en alleen tezamen) breken zij de toekomst open en kunnen we echt met een propere lei verdergaan. Het spreekt natuurlijk vanzelf dat we het hier hebben over ernstige fouten. Je moet ook niet over elke prul struikelen en vragen om het ‘uit te praten’. Over sommige dingen moet je gewoon heenstappen. Maar voor ernstige zaken is vergeven echt belangrijk.

Echt vergeven
Eigenlijk kan je alleen maar vergeven als je leert te houden van mensen zoals ze zijn, met al hun fouten en gebreken. Als je leert leven met de gedachte dat zelfs je beste vriend, dat zelfs het meest aanbeden wezen, fouten maakt en gebreken heeft. Als je die fouten en gebreken insluit in je genegenheid voor haar of voor hem, pas dan kan je ook de moed opbrengen om eerlijk die fouten ter sprake te brengen en ze ook echt te vergeven.
Wat is echt vergeven? Echt vergeven, dat is de fout nooit meer ter sprake brengen, ze de ander niet nadragen, maar je hoeft ze ook niet per se te vergeten. Integendeel, je sluit, zoals gezegd, de fout in, in je genegenheid.
Je bent er bijna blij om omdat je weet: ik hou van een mens. Niet van een beeld of een schilderij, maar van een mens.

De veiligheid van de hel

Zondag 3 september 2017 – 22ste zondag door het kerkelijk jaar A

Enkele dagen geleden, op 28 augustus, vierden wij het feest van de heilige Augustinus. De gedachten van deze reus uit de kerkgeschiedenis zijn tijdloos en zijn werken lezen duizendzeshonderd jaren na zijn dood nog altijd of ze gisteren zijn neergeschreven. Beroemd zijn de woorden van hem: “Wij dorsten naar u omdat Gijzelf ons dorstig hebt gemaakt”. En: “Onrustig is ons hart, tot het rust gevonden heeft in U”. Misschien is dit wel de beste omschrijving van wat een christen en een gelovige in het algemeen, bezield en gaande houdt. Een gelovige, die per definitie ook een Godzoeker is, is iemand die in zijn diepste wezen een verlangen heeft ontdekt naar God, naar Iemand die hem volledig overstijgt. Iemand waarop zijn diepste kern gericht staat en waardoor hij wordt aangetrokken, die hem intrigeert en bezighoudt. Iemand waarvan hij vermoedt dat Hij het antwoord is op zijn laatste vragen en de vervulling van zijn diepste verlangens.

Probleem
Als er nu iets is dat alle mensen gemeen hebben, alle mensen, gelovigen en niet-gelovigen, dan is het wel hun verlangen naar vrijheid, ontplooiing en gelukkig zijn. Als je dan, wat christenen doen, gelooft dat onze ziel, onze wezenskern, helemaal gericht staat op Hem die ons geschapen en gewild heeft, dan geloof je ook dat onze vrijheid, onze ontplooiing en ons geluk helemaal gelegen zijn in het in overeenstemming brengen van ons leven met datgene wat God van ons wil. En dat zorgt uiteraard wel voor een probleem. Tenminste als het gaat om de God van Jezus. Zolang je immers een volgeling bent van Bacchus, de God van de wijn, of van Venus, de godin van de lichamelijke liefde, of van Mammon, de god van het geld, geloof je graag dat godsdienstig zijn je vrijheid, je ontplooiing en je geluk bevordert.
Heel anders wordt dat natuurlijk als je volgeling van Jezus bent. Volgeling van iemand die van je vraagt dat je je levensgeluk zou vinden in het beminnen van je medemensen. En die zelf de dood inging opdat wij zouden leven …

Vragen
Wat dat betreft kan niemand het je natuurlijk kwalijk nemen dat je met serieuze vragen zit. Kan het nu echt dat ik op die manier gelukkig wordt?
Is dat niet een beetje masochistisch? Het zijn vragen die je niet alleen zelf stelt maar waar ook alle andere mensen mee zitten. Vooral nu de welvaart, het comfort en de geneeskunde er voor zorgen dat je niet langer gedwongen “beperkt” bent. In vroeger eeuwen móest je gewoon sober leven en moesten de mensen elkaar helpen. Een schaarste-economie laat je geen andere keuze. Een vriend van mij zei vroeger altijd: “Je moet niet roemen op je kuisheid als je zo lelijk bent als de nacht”. En zo moet je ook niet prat gaan op je matigheid als de omstandigheden je dwingen om met weinig rond te komen. Maar in een tijd van toegenomen welvaart en comfort is matigheid een echte keuze en, zoals onze tijd heel duidelijk laat zien, weinig aantrekkelijk.

Levenslustig
Wij gaan daar als christenen zeker niet knorrig of afkeurend over doen. Het is heel begrijpelijk dat mensen, nu ze de kans hebben, ten volle willen genieten van de mogelijkheden die de welvaart hun voor het eerst in de geschiedenis te bieden heeft. Christenen moeten zelfs de laatsten zijn om daar moeilijk over te doen. Speciaal de katholieken onder hen hebben altijd een nogal “brede” kijk gehad op “les bonnes choses de la vie”. Als we er te veel en te vaak van genoten was (en is) dat wel zonde maar we zijn daar nooit echt zwaar onder gebukt gegaan, want er was ook altijd nog de Biecht.
En de heiligen die wij bewonderen mogen dan al sterk geweest zijn in zelfverloochening en ascese, maar al van in het begin hebben wij hen jaarlijks gevierd met optochten, kermissen en danspartijen. En al hebben wij dan van onze joodse broeders het vasten overgenomen, wij hebben er ook onmiddellijk karnaval tegen aangeplakt. Katholieken hebben van nature een levenslustige kijk op de dingen, een eerder joyeuze kijk op de goede dingen van het leven. Geen enkel van de aardse genietingen is voor hen slecht op zich. Geen enkel voedsel, geen enkele drank d’office verboden.

Hel
Maar juist daarom moeten wij dubbel zo goed opletten dat wij dáár onze boontjes niet op te weken leggen. Want het echte doel van ons leven, onze ontplooiing en ons geluk, ligt bij God. Het doel van ons leven kan alleen maar zijn: steeds dichter te naderen tot God, d.w.z. uit te groeien tot mensen die hun diepste geluk vinden in het liefdevol omgaan met anderen. Ook als dat soms pijn doet. Want je openstellen voor de liefde brengt onvermijdelijk ook lijden met zich mee. Liefde gaat niet zonder pijn. Het alternatief is echter een leven alleen maar voor jezelf. Leegheid en eenzaamheid, bedolven onder glitter en lawaai. De enige plaats, zegt E.S. Lewis, waar je veilig bent voor het leed dat liefde met zich meebrengt is … de hel. En, hoe vreemd dat ook moge klinken, alles wijst erop dat het inderdaad zo is: de enige manier om veilig te zijn voor het leed dat liefde met zich meebrengt is je volledig afschermen van elke vorm van liefde. En dat is de hel.