Teder Licht

Zondag 24 & maandag 25 december 2017, Kerstmis (jaar B)

Deze dag gedenken wij dat op een welbepaald moment Godzelf onze geschiedenis is binnengekomen. Gedenken wij dat God, dat enorme metafysische begrip waarin wij met ons verstand nooit kunnen doordringen, zich aan ons heeft laten kennen in een mens. Een onbedoeld gevolg daarvan kan zijn dat wij God ineens allerlei menselijke eigenschappen gaan toedichten: een eigen lichaam, een eigen wil en gevoelens. Maar Jezus leerde ons van God alleen hoe Hij zich verhoudt tot ons, zijn mensen: als een Vader die onnoemelijk veel van ons houdt. En dat is ons genoeg. Verder blijft het wezen van God voor ons volkomen ontoegankelijk en kan Hij door ons hoogstens benaderd worden via dromen en vermoedens, in metaforen en poëzie. Die gedachte moet ons toch een zekere nederigheid bijbrengen. Dat God mens werd, wil nog niet zeggen dat wij daardoor ook ietsje meer geworden zijn dan mensen. Soms lees je zo’n dingen: doordat God mens werd, is de mens een beetje vergoddelijkt. Je moet oppassen met zo’n uitspraken. Want mensen die dat echt geloven gaan ons uiteindelijk in Gods naam vertellen hoe we moeten leven, gaan zelf een beetje voor God spelen. Wij zijn geen goden. En het hoogste maar ook het mooiste dat wij kunnen bereiken is dat wij uitgroeien tot echte mensen. En dat is ook precies wat God van ons verwacht: dat wij bevrijde, rechtop lopende, liefhebbende mensen zouden zijn.

Voornaamste
Voor het overige, wat betreft de kennis van God, past ons het besef dat wij heel weinig weten over Hem. Wat dat betreft houden wij ons als gelovigen beter in de buurt van de agnosten. Want die zeggen dat ze “het” eigenlijk niet weten en ook niet kunnen weten. Het is een houding die niet veraf ligt van die van de christenen wat betreft de kennis van God. Alleen onze atheïstische broeders weten alles nog heel zeker. Wij – goddank – niet (meer). Door ons geloof in Jezus vertrouwen wij erop dat God liefde is. Dat Hij van ons houdt als van de appel van zijn oog. Dat Hij ons draagt zoals een moeder haar kind draagt en dat Hij naar ons kijkt zoals een vader naar zijn zoon. En zelfs dat Hij ons voor eeuwig bij zich wil. Maar Hij alleen weet wat dat betekent. Wij niet. Maar dat hoeft ook niet! Wij kennen niet de hoe’s en de waaroms. Maar dankzij Jezus weten wij wel het voornaamste: dat God van ons houdt zoals we zijn: zijn mensen. Wij moeten God dus ook niet “verdienen “. Hij houdt zo al van ons.

Verantwoorden
Het is zoals met het geloven zelf. Omdat het bestaan van God onmogelijk rationeel en wetenschappelijk kan bewezen noch ontkend worden zeggen niet-gelovigen dan maar dat de bewijslast voor het geloof in God bij ons ligt. Maar dat is onzin. Wij hoeven niets te bewijzen. Geloof in God is wel degelijk rationeel, maar het is op de eerste plaats basaal. Dat wil zeggen: het gaat aan het redeneren vooraf. Het is spontaan. Je kan het nog het best vergelijken met het vertrouwen in onze instincten. Je vertrouwt gewoon je ogen, je oren, je reukzin en pas daarna ga je er over nadenken. Geloven was er nog voor we konden spreken en denken. Wij zijn ermee geboren. Wij zijn zelfs biologisch toegerust om te geloven. Weinig dingen zijn zo natuurlijk als geloven. En toch vraagt men ons voortdurend dat wij ons geloof zouden verantwoorden. Maar dat is nergens voor nodig. Iets wat natuurlijk is, iets wat wezenlijk bij ons mens-zijn hoort, moet niet verantwoord worden.

Idem
Iets dergelijks vindt spijtig genoeg ook plaats binnen het geloof zelf. Wij denken soms dat wij Gods liefde moeten verdienen. En dat wij ons keurig moeten gedragen om zijn liefde niet te verspelen. Maar ook dat is nergens voor nodig. Zo werkt een strenge rechter, niet de God die Jezus ons leerde kennen, niet de Vader van de verloren zoon. In de liefde gaat het er immers heel anders aan toe. God houdt van ons zoals we zijn. Niet omdat we ons onberispelijk en keurig gedragen, maar omdat we mensen zijn. God houdt van mij omdat ik een mens ben. Met al mijn gebreken en stommiteiten. Hij weet heel goed wat ik meezeul aan gebrekkige opvoeding, foute genen, onfortuinlijke omstandigheden … Misschien houdt Hij nog meer van mij naarmate het voertuig waarmee ik het moet doen om vooruit en tot bij Hem te geraken, armzalig en kramakkelig is.

Inkeer
Want zo gaat dat, niet in een rechtssysteem maar wel in de liefde, wel bij God. Een God die wij overigens niet kunnen voelen en ontmoeten in cursussen en boeken, maar alleen in de stilte van ons hart. Alleen dáár begin ik iets te vermoeden van zijn onvoorwaardelijke liefde voor mij.
En het is pas vanuit dat besef dat ik ga losbreken uit het carcan van rechtsregels en moraal, van keurig zijn en keurig willen gevonden worden. Pas dan ga ik echt liefhebben en houden van God en van zijn mensen. Alle mensen. Niet alleen diegenen die ik tof vind. Pas dan ook ga ik echt gelukkig zijn. En daarom is inkeer zo belangrijk. Omdat ik alleen in het gebed meer en meer ga beseffen dat de Grond van het bestaan echt van mij houdt. Niet omdat ik braaf en deftig ben, maar omdat ik een mens ben. Met alles wat daarbij hoort: passie, humor, liefde, stommiteiten, betrokkenheid en engagement en ook egoïsme, berouw, opnieuw beginnen. Konden wij, u en ik, dat toch diep in ons laten doordringen. Ik moet Hem niet verdienen. Hij houdt van mij zoals ik ben. God heeft plezier in mij omdat ik mens ben. Alleen vanuit dat diepe weten, kunnen wij opnieuw geboren worden en, bij alles wat ons overkomt, houden van het leven en gelukkig zijn.

Eerlijk blijven

Zondag 17 december 2017, 3de zondag van de Advent (jaar B)

“Moest er oorlog komen”, zeggen de mensen, “dan zitten de kerken terug vol”! En ze hebben gelijk. En in dezelfde zin kan je rustig stellen dat, als er een zware economische crisis komt met armoede en ellende tot gevolg, het vanzelf weer drukker wordt in gebedshuizen en bedevaartsplaatsen.
De verklaring hiervan ligt voor de hand. Wanneer men elk geloof in menselijke instellingen verloren heeft, wanneer oorlog en armoede het vertrouwen in geld, in politiek en economie vernietigd hebben, gaan mensen zich, wanhopig soms, terug wenden naar “een hogere macht” in de hoop dat die voor de ultieme redding zal zorgen. Ik denk dat iedereen het met die analyse eens is. Als je nu echter eerlijk durft doordenken dan besef je dat wat nú gebeurt in onze welvaartslanden precies het omgekeerde is, m.a.w. de andere kant van dezelfde medaille. Naarmate onze welvaart groeide verloren wij onze belangstelling voor God. Niet geloof en vertrouwen namen af, maar het voorwerp van dat geloof en dat vertrouwen.
Iemand drukte het zeer laconiek zo uit: “Het Westen is nog nooit zo gelovig geweest als vandaag maar het voorwerp van onze aanbidding is niet langer God maar Geld”.

Keuze
Inderdaad nogal cru en ongenuanceerd uitgedrukt. Maar het is zeker een feit dat de grote massa mensen God verlaten hebben omdat ze, bij de uitbouw van hun leven, veel meer verwachten van carrière en succes en van alle genietingen die je met geld kan kopen dan van een wat wazige Godheid. Omdat ze gewoon meer verwachten van concrete binnen-wereldse hulpmiddelen dan van een God die vermoed wordt achter de zichtbare werkelijkheid en die zo weinig tastbaar en concreet is, in vergelijking met al die binnen-wereldse middelen die voor het grijpen liggen. Om het heel eenvoudig te zeggen: als we arm en angstig zijn blijft alleen God nog over om op te vertrouwen. Als er welvaart is en mogelijkheid te over om overal van te genieten, geraakt God automatisch op de achtergrond. En natuurlijk is het de mensen hun goed recht om daarvoor te kiezen. Om in periodes van welvaart het genieten van die welvaart belangrijker te vinden dan het bezoeken van kerken en tempels. En zelfs om God eerder als een stoorzender te zien en het geloof met zijn vraag naar soberheid en solidariteit met de zwakken eerder als een pretbederver.

Onzin
Maar dat moet men dan ook eerlijk durven toegeven. Niemand kan het ons kwalijk nemen dat wij, na duizenden jaren schaarste, wat meer willen genieten van het materiële, nu we eindelijk de kans hebben. Maar mensen die omwille van die reden hun geloof helemaal aan de kant zetten zouden zich beter niet bedienen van de goedkope atheïstische bewering dat geloof en wetenschap elkaar tegenspreken. Dat de mensen “te slim geworden zijn om nog te geloven”. Het is hier niet de plaats om op die misvatting dieper in te gaan. Er bestaan trouwens genoeg boeken waarin bekende wetenschappers zelf brandhout maken van die opvatting. Maar je kan ze ook op een heel eenvoudige manier weerleggen. Wij bewonderen mateloos de wijze waarop de wetenschap steeds verder en steeds beter de ons omringende werkelijkheid ontrafelt, in kaart brengt en verklaart. Wanneer wij het over God hebben, dan hebben wij het per definitie over Iemand die de dragende kracht is van die werkelijkheid, die zich in die werkelijkheid soms ook laat voelen en vinden maar die er zelf geen deel van uitmaakt. God is niet aan materie, tijd of ruimte gebonden. Zijn bestaan kan je dus ONMOGELIJK via wetenschappelijke methodes ontkennen of bevestigen. Het blijft een kwestie van geloof. Dit is toch niet zo moeilijk om te begrijpen?
En toch blijven vele niet-gelovigen de dialoog en het wederzijds respect ontsieren door hardnekkig te blijven beweren dat wetenschap en geloof elkaar tegenspreken. Dat is niet alleen erg onwetenschappelijk, dat is gewoon onzin. En wat nog erger is, bij het zoeken van argumenten is men vaak ronduit oneerlijk.

Creationisme
Iets wat mij persoonlijk al jaren stoort is de manier waarop niet-gelovigen (uitermate sterk aanwezig in de media) voortdurend de indruk wekken dat wij christenen allemaal creationisten zouden zijn. Heel raar, want ik ken er geen enkele in mijn omgeving. En hoewel ik bijna zeventig ben, ben ik het creationisme ook nooit tegengekomen in het katholiek onderwijs, van in de kleuterklas tot aan de unief. Ik weet wel dat men in vroegere eeuwen de verhalen van de Schepping letterlijk nam, maar afgezien van een aantal protestantse fundamentalisten in de VS zijn wij dat ontgroeid. En wij voelen ons daar goed in. De zoektocht naar waarheid is binnen het christendom altijd bijna obsessioneel geweest, een obsessie die soms gewelddadig kon uitpakken. En natuurlijk verzet een instituut zoals de Kerk, zoals elk instituut, zich met alle macht tegen schokkende veranderingen. Tegen Luther, tegen Copernicus, tegen Darwin … Maar uiteindelijk accepteert zij de nieuwe inzichten en ziet ze die als een verrijking. De evolutietheorie is zo’n inzicht dat volledig werd opgenomen in het kerkelijk denken. Mgr. Leonard heeft prachtige bladzijden geschreven over hoe de toename van onze kennis (ook onze wetenschappelijke kennis) ons een beter inzicht in de Openbaring geeft. En in die zin kan de wetenschap (hoewel ze niet kan doordringen in God) ons behoeden voor onjuiste denkbeelden over God. (Denk aan God en de donder.)

Gênant
Uiterst frappant bij dit alles is het lot dat Georges Lemaître in ons land is beschoren. Georges Lemaître was een Belgische wetenschapper die de grondlegger is van de Big Bang-theorie, een absoluut kernstuk binnen het evolutie-denken. De Big Bang-theorie wordt ondertussen wereldwijd onderwezen en is doorgedrongen tot in de verste uithoeken van deze wereld. Je kan dus rustig stellen: als er één wetenschapper is die België op de kaart heeft gezet, dan is het wel Georges Lemaître. En toch wordt hij hier bij ons al jarenlang bijna helemaal doodgezwegen. Er is namelijk iets heel ambetant aan Georges Lemaître: hij was naast wetenschapper ook katholiek priester. En dat past dus niet in het plaatje. Soms denk ik dat hedendaagse atheïsten en vrijzinnigen meer schrik hebben van God dan de christenen in de Middeleeuwen schrik hadden van de duivel.

Meerwaarde laten zien

Zondag 10 december 2017, 2de zondag van de Advent (jaar B)

De lezing van vandaag gaat over een van de meest typische christelijke houdingen: het hoopvol verwachten, het verwachtingsvol uitkijken naar.
En dat is natuurlijk iets anders dan gewoon wachten tot er iets gebeurt. Hoewel ook dat laatste al heel moeilijk is voor hedendaagse westerlingen.
Afrikanen hebben daar weinig last van en precies daardoor zijn ze ook zo stressbestendig. Als ze na uren geduldig wachten merken dat de trein tóch niet komt, dan gaan ze rustig naar huis: ’t zal voor morgen zijn. Van ons moet zo’n houding niet verwacht worden. Wij lopen bijna de muren op als we ergens vijf minuten moeten wachten. Wat het evangelie van ons echter vraagt is niet gewoon “wachten” maar een bijzonder actieve vorm van wachten, en dat actieve ligt ons denk ik al veel beter. Het evangelische wachten is niet alleen alert uitkijken naar een komende gebeurtenis, maar je er ook heel actief op voorbereiden, zodanig dat je dat wat staat te gebeuren zelf voor een stuk in de hand werkt. Dat je de komst van het verwachte zó optimaal voorbereidt dat het zich tenslotte kan ontplooien.

Menswording
Maar wat is het dan waar wij in de Advent, in de aanloop naar Kerstmis zo sterk naar uitkijken? Je kan moeilijk zeggen: de geboorte van Jezus in Bethlehem. Dat herdenken we met Kerstmis natuurlijk wel, maar je kan moeilijk verwachtend uitkijken naar iets dat in het verleden heeft plaatsgevonden. Waar wij tijdens de Advent hoopvol naartoe leven, is dat op Kerstmis het wonder van de Menswording zich herhaalt. Dit keer niet als een historische gebeurtenis ergens in een stal, ergens in Palestina, maar in ons eigen hart. Dat God opnieuw geboren wordt, opnieuw in de wereld komt in onszelf. Natuurlijk geloven wij dat God altijd in ons aanwezig is. Dat, om het met de woorden van Paulus te zeggen, zijn Geest in ons ademhaalt en ons bewoont. Maar die Geest van God is, om het ietwat oneerbiedig uit te drukken, latent in ons aanwezig. Hij moet – om de oneerbiedige vergelijking nog wat door te trekken – Hij moet in ons “geactiveerd” worden.

Openstellen
En dat gebeurt door een proces van bekering. God wil in ons mens worden. Maar wil zijn Geest over ons vaardig worden, dan moeten wij ons er heel bewust voor openstellen. En dat kunnen wij alleen door systematisch alles uit ons doen en laten te weren dat een hinder kan zijn voor dat komen van God. En ons te richten naar al datgene wat die komst juist vergemakkelijkt.
Concreet wil dat zeggen dat wij het evangelie serieus moeten nemen. Dat we afstand nemen van elke vorm van zondig egoïsme en echt ons best doen om mensen te worden naar Gods hart. En bovenal: dat wij biddend en hoopvol uitkijken naar dat komen van God. Maar dat kan natuurlijk alleen maar als wij er diep van overtuigd zijn dat God, de aanwezigheid van God in ons leven, een serieuze meerwaarde aan dat leven zal geven.

Loze verwachting
En hier wringt nu juist het schoentje bij de mensen van onze tijd.
Je kan je afvragen hoe het komt dat onze kerken maar blijven verder leeglopen. Daar zijn natuurlijk verschillende redenen voor. Maar enkele belangrijke daarvan zijn zeker deze. Al tientallen jaren lang concentreert het katholiek godsdienstonderwijs zich op het “doorgeven van waarden”. Zonder dat daarbij ook maar in het minst duidelijk gemaakt wordt hoe het geloof nodig is of minstens helpt om die waarden te beleven. En zonder dat er ook maar iets van het geloof zelf wordt doorgegeven. Het Bisdom lijkt dan weer alles te verwachten van grotere parochies, federaties, zones en dekenaten. Om de zoveel jaar rond Sinterklaas kapoentje legt het Bisdom een nieuw structuurtje in ons schoentje. En wij allemaal blij, want nu gaat het beter gaan. En dan zijn er nog gewone mensen binnen de Kerk die echt bekommerd zijn om haar toekomst, en die zien dan weer alle heil in meer hedendaagse teksten en gezangen. Dat gaat de jongeren naar de kerk brengen. En al die mensen menen het goed, maar ze houden de leegloop niet tegen. Kan ook niet.

Meerwaarde
Want uit serieus onderzoek blijkt dat de echte reden waarover de mensen de zondagsmis en zelfs het geloof de rug toekeren deze is: ze zien er geen meerwaarde meer in voor hun leven. Ze zien niet (meer) in wat Kerk en liturgie kunnen toevoegen aan hun levensgeluk. En dus moeten wij de mensen dat tonen door onze manier van leven en onze manier van gelukkig zijn. Wij moeten op de eerste plaats uiteraard veel meer voor ons geloof uitkomen. En voor ons geloof uitkomen is nog wat anders dan alleen maar afgeven op de leegheid van een leven van alleen maar “genieten”. Wij moeten vooral met onze manier van leven getuigen, laten zien hoe ons geloof zin geeft aan ons leven. Laten zien hoezeer leven zoals Jezus dat van ons vraagt, ons ook gelukkig maakt. Wij moeten met onze manier van leven de mensen tonen dat wij ook genieten van eten, drinken, reizen en seks. Wij zijn niet van een andere planeet. Ook wij kennen die behoeften, uiteraard. En ook wij genieten van het bevredigen ervan. Maar levensvervulling en geluk komen van ons geloof in God en van ons houden van mensen. Niet van het bevredigen van behoeften. Misschien moeten wij, ouder wordende mensen, aan jongeren wat minder willen tonen hoezeer wij mee zijn met hun computerspelletjes en wat meer laten zien hoe ons geloof zin, evenwicht en levensvervulling aan ons leven geeft. Want dat is wat jongere mensen vaak niet zien.

Over de hel

Zondag 3 december 2017, 1ste zondag van de Advent (jaar B)

Soms probeert je onderbewustzijn je via een droom iets duidelijk te maken. En zolang er mensen zijn bestaat het geloof dat ook God die weg nogal eens wil gebruiken. Dat zou best kunnen natuurlijk. Maar zelf hecht ik weinig belang aan dromen omdat ik mij zelden realiseer dat ik er een gehad heb. En als dat wel zo is, dan ben ik het nachtelijk uitstapje al onmiddellijk na het ontwaken vergeten. Een tijdje geleden echter was dat anders. Ik had een heel duidelijke droom. Ik was aan het wandelen en ik voelde mij ongelooflijk gelukkig. Alles viel enorm mee: het werk, de vrienden. Het leek wel of ik niets kon wensen of het was al vervuld. Het landschap was betoverend, de rust was zalig en zelfs de ingeademde lucht was opwindend. Om nog meer te genieten van het intens geluksgevoel besloot ik te gaan liggen op de berm naast de weg. Om met een grassprietje in mijn mond gelukzalig naar de wolken te staren. En toen kwam ineens een vrachtwagen uit de bocht en die reed me gewoon dood. Ik werd wakker en tot mijn eigen verbazing was ik volkomen kalm. Geen spoor van angst of paniek. Ik was ongelooflijk rustig. Maar vóór mij stond daar als gebeiteld: “Hoe goed en gelukkig je je ook voelt, hoe heerlijk het leven je ook toelacht, in één ogenblik kan alles voorbij zijn”. En het is precies dat wat Jezus bedoelt met zijn voortdurende aansporingen tot waakzaamheid. Wat Jezus ons zegt is: maak op een zinvolle manier gebruik van de tijd die je wordt gegeven. Het leven is kort, en vooral: het kan heel onverwacht gedaan zijn. Verdoe het niet met vodden. Laat je niet verrassen en loop niet achter dat eeuwig gejengel over genieten aan. Maak iets zinvols van je leven en wees echt gelukkig.

Eenzijdig
U weet dat iedere tijd het Evangelie op zijn eigen wijze interpreteert.
Een middeleeuwer bijvoorbeeld zag Jezus’ waarschuwingen vooral als bedoeld om ons te behoeden voor de hel. In die tijd stonden handel en economie nog zo goed als nergens. En zelfs als er geen misoogsten waren bracht het land maar heel weinig op. Bijgevolg was schaarste en armoede eerder regel dan uitzondering. In die situatie was seks zowat het enige wat de mensen overbleef om toch een beetje van het leven te genieten. Opdat het echter niet helemaal een beestenboel zou worden, dreigde de Kerk dan weer met hel en verdoemenis voor al wie daar te zeer aan toegaf. De middeleeuwer, zei mijn vroegere leraar geschiedenis altijd, was geobsedeerd door seks en door de hel. En schilderijen uit die tijd lijken dat te bevestigen. Biechten was dan ook heel belangrijk. De koppeling tussen seksualiteit en zonde was zo sterk dat vandaag, na de seksuele revolutie van de jaren 60, oudere mensen nog altijd schamper opmerken dat er geen zonden meer zijn. “Wie doet nu nog zonde”, zeggen ze dan. Alsof we, na het wegvallen van een aantal taboes in het geslachtelijk verkeer, nu als vanzelf in een zondeloze en moreel hoogstaande samenleving zijn terechtgekomen.
Ieder van ons weet wel beter.

Vuur?
Een andere verkeerde zienswijze die uit die tijd stamt is de associatie van verworpen zijn met hel en hellevuur, met zwavel en pek. Jezus gebruikt wel de uitdrukking: “Strafbaar met het vuur van de hel”. Maar voor een Jood uit zijn tijd was de hel niet iets dat verwees naar een toestand in het hiernamaals. De hel was iets heel concreets, dat was een afschuwelijk gebruik dat de Joden zeer goed kenden. Dat was de vuurpoel waar de aanhangers van de sekte van Baäl hun tegenstanders levend inwierpen. Het was het meest afschuwelijke wat Joden zich konden voorstellen.
En Jezus gebruikt soms dat beeld om te benadrukken hoe verschrikkelijk onze situatie is als wij door eigen schuld het vermogen verspelen om eeuwig te leven, de kans lopen definitief afgesneden te worden van God.
Jezus gebruikt dat beeld om te wijzen op de grote ernst van de situatie. Maar het is een beeld van een afschuwelijk bestaand gebruik dat een Jood uit die tijd nooit zou koppelen aan het hiernamaals, een hiernamaals dat meer gezien werd als een eerder mistroostige bedoening. Jezus gebruikt dit afschrikkend beeld duidelijk om te shockeren en wakker te schudden. Zoals Hij elders zegt: als je hand je ergert, hak ze af. Als je oog je ergert, ruk het uit. Het zijn meer dan gewone aansporingen, het zijn zweepslagen die ons moeten wakker schudden en opjagen.

De echte hel
Jezus gebruikt graag retorische stijlfiguren. Voor hem is het ergste wat ons kan overkomen, veel erger dan hellevuur, het voor altijd afgesneden zijn van God. Want dat is de hel: de afwezigheid van God, de ijzingwekkende leegte. “De hel”, zei Schillebeeckx, “dat is echt dood zijn, geen enkele toekomst meer hebben, amen en uit, alsof je er nooit bent geweest”.
Want voortbestaan doe je per definitie in het aanschijn van God. Waar God niet is, besta je ook niet meer. En je hebt daar dan zelf voor gekozen. Daar wil Jezus ons voor waarschuwen: verdoe je korte leven niet met onnozelheden. De eeuwigheid ligt voor je open: maak de juiste keuzes.