Het O-woord

Zondag 25 februari 2018 – Tweede zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

Eigenlijk heb ik het altijd een beetje raar gevonden dat men in de jaren zestig de woorden “Mis” en “H. Misoffer” radicaal en definitief verving door “Eucharistieviering”. Ten eerste al omdat het woord “viering” gegarandeerd verkeerde verwachtingen oproept. Je denkt daarbij aan eten en drinken, aan feesten en plezier maken. En dat valt dan wel enigszins tegen. Maar vooral ook omdat bij het opstellen van zo’n vieringen (iets wat in die tijd ook in de mode kwam) nogal eens finaal voorbij gewalst wordt aan datgene waar het in een Eucharistie wezenlijk om zou moeten gaan: het herdenken en aanwezig-stellen van het leven, de dood en de Verrijzenis van Jezus Christus. Maar, hoe raar ik het ook vond, ik begrijp natuurlijk wel waar het vandaan kwam. Het was het woord “offer” dat weg moest.

Christus
In de romantische periode van de 19de eeuw hoorde het brengen van offers helemaal thuis, maar in onze tijd is “offer” bijna een vies woord geworden. Blijkbaar riep het offer van Christus ook allerlei associaties op met een soort sadistische God, die een offer eiste om Hem goedgunstig te stemmen t.a.v. een zondige mensheid. Dat was natuurlijk een puur heidense of op z’n minst oudtestamentische gedachte, een verkeerde interpretatie van het offer van Jezus. Maar het was wel omwille van die verkeerde interpretatie dat het woord “offer” weg moest en dat men een essentieel christelijk gegeven liet vallen. Het oer-christelijk gegeven namelijk dat Jezus wel degelijk het offer bracht van zijn leven. Niet alleen toen hij stierf aan het kruis maar zijn hele leven was één grote zelfgave, één groot zichzelf wegschenken. Eén groot offer, uit liefde voor ons. Je kan dat niet zomaar wegmoffelen zonder het christendom zelf zwaar te verminken. En toch is precies dat op grote schaal en ook grondig gebeurd in de Westerse Kerk.

Lamentabel
En dat stond natuurlijk niet alleen. Het had een functie binnen het grotere geheel. En dat grotere geheel, dat was het uithollen van de Menswording en de goddelijkheid van Christus. Het herleiden van Christus tot een groot profeet, en van zijn leer tot een moraal. De gedachte dat je voor die moraal eigenlijk geen God nodig hebt, is dan niet ver meer. En al die zaken tezamen zijn voor een groot stuk verantwoordelijk voor de lamentabele toestand waarin ons geloof zich momenteel in onze streken bevindt. Wanneer geloof een ethische code wordt en de levende God een abstract principe, dan is geen mens nog geïnteresseerd. Bij geloof is het immers juist die geheimzinnige kracht die wij God noemen, die ons boeit. Die ontzagwekkende Kracht die achter het leven staat en die de hele kosmos draagt, die houdt ons bezig. Het is de mogelijkheid om met die Kracht in contact te treden die ons intrigeert. En die mogelijkheid wordt ons juist geboden in de figuur van Jezus. Wanneer dat wegvalt bij de geloofsoverdracht thuis en op school, blijft er alleen een onaantrekkelijk en zelfs slaapverwekkend moralistisch restant over waar geen mens zich nog druk over maakt.

Normaal
Waar wij het vandaag echter vooral willen over hebben is de offergedachte die altijd centraal gestaan heeft in het christelijke vasten. De gedachte namelijk dat als je je wil bekeren, als je een beter mens wil worden, als je echt iets wil betekenen voor anderen, als je echt van iemand houdt, dat het brengen van offers dan een normaal verschijnsel is. Bij een spectaculaire ommekeer, als je bijvoorbeeld met een verslaving breekt, is het nogal duidelijk dat er offers moeten gebracht worden. En ook als je allerlei negatieve of agressieve neigingen in jezelf wil overwinnen, dan zal je daar offers moeten voor brengen. Ook dat is, denk ik, voor iedereen duidelijk. Maar je kan ook offers brengen uit liefde. En dat is géén buitenissige gedachte. Je komt het voortdurend tegen in het dagelijkse leven.
Moeders bijvoorbeeld, brengen regelmatig grote en kleine offers omdat zij het welzijn van hun kind boven hun eigen gemak stellen. En hetzelfde doen vrienden en geliefden.

Levensoffer
Wij zeggen precies hetzelfde over Jezus: dat Hij het offer van zijn leven bracht uit liefde voor ons. Om ons te verlossen. Om de weg voor ons vrij te maken of hoe je het ook wil formuleren, afhankelijk van de tijd en de christelijke Kerk waartoe je behoort. De formulering is niet belangrijk en kan verschillen. En ook over het mechanisme, de manier waarop die bevrijding in zijn werk ging, hebben wij afwijkende meningen. Maar allen geloven wij dat door het offer van Jezus de hele mensheid kind van God werd. Toen Jezus vrijwillig de dood inging, liever dan één woord over God-die-liefde-is terug te nemen, was dat plaatsvervangend. Hij deed het in onze naam. Het was een offer uit liefde, dat zijn onvoorwaardelijk vertrouwen in God, zijn onwankelbaar geloof in God bewees. En hoewel Hij, Gods zoon, volledig mens was, verzoende Hij op die manier alle mensen met God. Ik ben geen theoloog en waarschijnlijk zeg ik het allemaal niet zo goed. Maar dat is wat ik geloof als christen. Ik geloof dat Jezus de weg is naar God. En dat ook wij alleen maar door kleine en grotere offers te brengen dichter bij Hem en bij een zinvol leven kunnen geraken. En dat de vastentijd daarbij een oefentijd bij uitstek is.

Uitverkoop
Ik weet dat spreken over het brengen van offers verschrikkelijk klassiek klinkt. Zeker in een tijd dat het geloof in ons deel van de wereld wel lijkt te verdampen in een orgie van alleen maar willen genieten. Maar juist nu mogen wij geen uitverkoop houden. Ooit komt er een draai en willen de mensen terug iets diepers dan “Temptation Island”. En dan zal blijken dat alleen een onversneden christendom de storm doorstaan heeft. Niet de grijze moralistische afkooksels ervan.

Waarom vasten?

Zondag 18 februari 2018 – Eerste zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

Vorige week hadden we het erover dat in onze westerse wereld de eenzaamheid een grotere kwaal geworden is dan de armoede. En dat je als christen geroepen bent om, in navolging van Jezus, je in te zetten opdat gesloten deuren worden geopend en scheidingsmuren neergehaald zodat vereenzaamden terug in de mensenkring worden opgenomen, er weer helemaal bij horen. Tenminste als het gaat om een isolement, een eenzaamheid die hun door anderen wordt opgelegd. Omdat ze genegeerd worden, een etiket opgeplakt kregen en omdat als gevolg daarvan elk contact met hen gemeden wordt. Want er is natuurlijk ook een soort eenzaamheid die heilzaam is. Een soort eenzaamheid die we vrijwillig opzoeken om te ontsnappen aan de hectiek en het lawaai van onze moderne samenleving. Ook daarin is Jezus een voorbeeld.

Stilstaan
Aan het begin van zijn openbaar leven, als zich stilaan begint uit te kristalliseren wat Hij met zijn leven wil, trekt Hij zich veertig dagen lang terug in de woestijn. En hoe druk en zelfs slopend dat openbaar leven van Hem later ook werd, toch lees je voortdurend in het Evangelie dat Hij zich, om te bidden en om tot zichzelf te komen, regelmatig terugtrok op een eenzame plaats of in de stilte van de nacht. En dat is wat ook onze tijdgenoten zoeken in zelfgekozen eenzaamheid: tot jezelf komen, even van de draaimolen afstappen om stil te staan bij het doel van het bestaan en de zin van je eigen manier van leven. Vaak is dat ook een heel confronterend gebeuren. Iemand die het aandurft om de woestijn van stilte en eenzaamheid binnen te gaan, die merkt al gauw dat hij omringd wordt door allerlei wilde dieren die klaar staan om hem te bespringen en die dat inderdaad ook doen. Je wordt overmand door de meest wilde bekoringen en misschien is de meest verscheurende daarvan wel de vertwijfeling.
Het helemaal overhoop halende vermoeden, het akelig heldere besef dat je eigenlijk niet zelf leeft maar geleefd wordt door anderen.

Vervreemding
Dat je jezelf alleen maar wijsmaakt dat je een eigen levensproject hebt, eigen keuzes maakt en beslissingen neemt. Maar dat in werkelijkheid je leven voor een groot stuk bepaald wordt door je omgeving, je vrienden, je werk, de sociale conventies, de mode en de reclame. Steeds vaker ook door de dictatuur van de vergaderingen, de e-mails en de gsm’s. Het zijn anderen die voortdurend bepalen wat ik moet doen. Laat dát dus de eerste bedoeling zijn van de Vasten, de periode van stilte en bezinning die we zopas zijn binnengegaan: een heldere kijk krijgen op wat er allemaal leeft in en buiten onszelf aan impulsen, bekoringen, aanvechtingen en verplichtingen.
En hoe ons leven meer daardoor bepaald wordt dan door wat wij ten diepste zelf willen. Het is de bedoeling dat we dáár achter komen. Dat wij een klare kijk krijgen op wat wij ten diepste zelf willen. Dat wij in contact komen met ons diepste verlangen … En dat diepste verlangen in ons is niets anders dan het verlangen naar liefde. Liefde geven en liefde krijgen. Het is uiteindelijk het verlangen naar God zelf. God is trouwens de enige die ons echt kan bevrijden van al de nepverlangens die ons diepste verlangen toedekken. Van de verwachtingen die wij stellen in bevredigingsmiddelen, in al die vervangingsmiddelen die ons verlangen naar echt geluk doen opdrogen.

Meegenomen
Het christelijke vasten heeft bovendien ook een aantal zeer positieve “profane” bijverschijnselen. Op de eerste plaats betekent 40 dagen lang je matigen in eten en drinken een zegen voor je ingewanden, een weldaad voor je hele lichaam. Maar ook voor onze geestelijke gezondheid is het een onvolprezen middel. Je matigen helpt je inzien dat je in het leven niet alles kan hebben. Speciaal voor een generatie die in welvaart is opgegroeid, is het belangrijk in te zien dat geluk niet ligt in “veel” of “alles” hebben, maar dat je moet leren dat je gewoon niet alles kán hebben in het leven en dat je met die beperking best gelukkig kan leven. Dat dat besef zelfs een voorwaarde is om gelukkig te zijn. Maar, zoals gezegd, hoe belangrijk deze “bijverschijnselen” ook zijn, het zijn inderdaad bijverschijnselen.
Het echte doel van het vasten ligt elders.

God
Eigenlijk vast je voor God en voor niets of niemand anders. Het is normaal dat je als christen in deze periode van soberheid en bezinning een deel van je overvloed geeft aan Broederlijk Delen. Maar de idee dat wij moeten vasten om van het uitgespaarde iets te kunnen geven aan de armen is gewoon flauwe kul. Om iets te kunnen geven moeten wij, hedendaagse westerlingen, echt niets uit onze mond sparen. Wanneer wij dan toch vasten, ons iets ontzeggen, sober leven, dan is dat voor God. Het is een manier om onze liefde te tonen voor Hem. En ons geloof in Hem. Het is een manier om Hem te tonen dat wij geloven dat Hij alleen ons volheid van leven kan schenken. Niet genot en comfort, en niet eten en drinken. Maar Hij alleen.

ONAANRAAKBAREN

Zondag 11 februari 2018, 6de zondag door het kerkelijk jaar B

Melaatsheid is een afschuwelijke ziekte. Niet alleen omdat ze het lichaam op een gruwelijke wijze misvormt. Maar ook omdat ze extreem overdraagbaar is. En het is juist dat bijzonder reële besmettingsgevaar dat gemaakt heeft dat men van in de vroegste tijden lepralijders uit de gemeenschap verdreef. Ze leefden soms in een hut of een spelonk, ver van de bewoonde wereld. Meestal echter op een speciale locatie waar ze gedwongen waren samen te verblijven. Denk aan Pater Damiaan en het eiland Molokai.
En als ze die gedwongen verblijfplaats een enkele keer noodgedwongen verlieten, dan moesten ze luid roepend en met ratels en bellen de andere mensen waarschuwen dat ze eraan kwamen.

Extreem isolement
Melaatsen waren in de meest strikte zin van het woord “onaanraakbaar”.
Omwille van de volksgezondheid waren de andere mensen bij wet verplicht zich uit de voeten te maken als een van hen zich ergens vertoonde. Er mocht geen enkel contact met hen zijn. Wij kunnen ons waarschijnlijk nauwelijks een idee vormen van de extreme eenzaamheid waartoe deze mensen veroordeeld waren. Gewone zieken werden in de regel geholpen, vaak konden ze zelfs rekenen op een liefdevolle verzorging door verwanten. Maar melaatsen waren rond strompelende, levende doden. Elk contact met hen was verboden. Het evangeliestukje van vandaag vertelt ons over een melaatse die op een of andere manier toch tot bij Jezus geraakt is en Hem vanuit een diep geloof smeekt hem te genezen. En Jezus geneest hem van zijn melaatsheid. En dát is uiteraard het meest spectaculaire in het verhaal.
Maar het belangrijkste zijn de woorden: “Door medelijden bewogen stak Hij de hand uit en raakte hem aan (…)”.

Aanraking
De melaatse wordt van veel meer dan alleen maar van zijn etterende zweren verlost. Hij wordt verlost uit zijn isolement, uit zijn gruwelijke eenzaamheid. De on-aanraakbare wordt aangeraakt. Het hoopje ellende dat bij andere mensen alleen maar afkeer, walg en angst opwekt wordt door Jezus behandeld als een mens. Zoals 1000 jaar later de H. Franciscus het zijn Heer zal nadoen, omarmt Jezus de melaatse en geeft hem daardoor zijn menselijke waardigheid terug. Hij neemt hem terug op onder de mensen: de diepst mogelijke genezing voor deze man. En natuurlijk rijst daarbij dan ook, zoals altijd, de vraag: hoe zit dat nu met ons, wij die ons volgelingen van Jezus noemen? Proberen wij ook iets te betekenen voor mensen die uitgestoten zijn en gemeden worden? Wie zijn trouwens “onze” melaatsen? Wie zijn de on-aanraakbaren in onze tijd? En ik spreek met opzet over on-aanraakbaren, want het draait hier inderdaad om lichamelijk contact. Misschien daar toch even op ingaan.

Zoethouders
Onze samenleving organiseert opvallend veel groots opgevatte liefdadigheidsacties, vanuit of minstens gesteund door de overheid en de grote economische actoren. Dat is niet toevallig. Die acties vervullen een belangrijke maatschappelijke rol. Meer nog dan het geld dat ze opbrengen en dat zeker ook goed besteed wordt en een weldaad betekent voor de betrokkenen, moeten dergelijke acties ons geruststellen: “Wij zijn goed bezig.”
Onze samenleving wordt steeds individualistischer. De motor ervan, de economie, draait helemaal rond alsmaar meer consumeren. En dus werkt de reclame voortdurend in op onze hebzucht. Zoals men in de vroegere eeuwen beroep deed op onze religieuze en humanistische gevoelens, zoals de Nazi’s beroep deden op onze haat- en wraakgevoelens, zo doet ons huidig systeem voortdurend beroep op onze hebzucht. In zo’n klimaat kan het niet anders dan dat egoïsme, onverschilligheid en zelfs hardvochtigheid t.a.v. het leed van anderen hand over hand toenemen. En binnen dat brede kader vervullen al die weldadigheidsacties dan een maatschappelijke rol als zoethouder. Ze moeten ons een goed gevoel geven. “Hoezo hardvochtig? Ik heb pas gegeven voor de armen”.

Confronterend
Heel goed. Maar mag je ook met een arme mens gezien worden, mag je ermee bevriend zijn? Want dat is niet goed voor je status. Mag een arme bij mij in de canapé? Haal ik voor hem ook de fles porto uit de kast? We moeten daar niet romantisch over doen. Echt arme mensen ruiken, hun conversatietalent is bijzonder pover en ze stellen je ook altijd teleur: vanuit hun nood blijken ze altijd weer veel meer geïnteresseerd in je geld dan in je persoon. Kan je dat aan? Durf je, zoals Jezus, zo iemand echt omarmen, rechttrekken, echt genezen? Hem of haar laten voelen: je bent een mens en ik zie je graag? Durf ik ook bij echt zware zieken op bezoek? Of is dat te confronterend? Laatst nog zei een zieke vriend mij: eens de mensen doorhebben dat je echt ziek bent en nooit meer kan genezen, blijven ze stilaan weg. Vaak sterven zo’n mensen, ondanks alle voortreffelijke palliatieve zorgen, met het gevoel van in-de-steek-gelaten-zijn.
“Ja maar, ik weet niet wat ik tegen zo iemand moet zeggen”. Wel, zeg dát dan tegen de zieke, hij zal het begrijpen en hij zal het nog meer appreciëren dat je toch gekomen bent.

Warmte
Mensen die arm of ziek zijn hebben, méér dan ons geld, onze nabijheid nodig. Een mens wordt alleen maar rechtgetrokken door het respect, de warmte en de nabijheid van een andere mens. Zielig is hij die denkt dát te kunnen afkopen met een centje voor het Goede Doel.