ONAANRAAKBAREN

Zondag 11 februari 2018, 6de zondag door het kerkelijk jaar B

Melaatsheid is een afschuwelijke ziekte. Niet alleen omdat ze het lichaam op een gruwelijke wijze misvormt. Maar ook omdat ze extreem overdraagbaar is. En het is juist dat bijzonder reële besmettingsgevaar dat gemaakt heeft dat men van in de vroegste tijden lepralijders uit de gemeenschap verdreef. Ze leefden soms in een hut of een spelonk, ver van de bewoonde wereld. Meestal echter op een speciale locatie waar ze gedwongen waren samen te verblijven. Denk aan Pater Damiaan en het eiland Molokai.
En als ze die gedwongen verblijfplaats een enkele keer noodgedwongen verlieten, dan moesten ze luid roepend en met ratels en bellen de andere mensen waarschuwen dat ze eraan kwamen.

Extreem isolement
Melaatsen waren in de meest strikte zin van het woord “onaanraakbaar”.
Omwille van de volksgezondheid waren de andere mensen bij wet verplicht zich uit de voeten te maken als een van hen zich ergens vertoonde. Er mocht geen enkel contact met hen zijn. Wij kunnen ons waarschijnlijk nauwelijks een idee vormen van de extreme eenzaamheid waartoe deze mensen veroordeeld waren. Gewone zieken werden in de regel geholpen, vaak konden ze zelfs rekenen op een liefdevolle verzorging door verwanten. Maar melaatsen waren rond strompelende, levende doden. Elk contact met hen was verboden. Het evangeliestukje van vandaag vertelt ons over een melaatse die op een of andere manier toch tot bij Jezus geraakt is en Hem vanuit een diep geloof smeekt hem te genezen. En Jezus geneest hem van zijn melaatsheid. En dát is uiteraard het meest spectaculaire in het verhaal.
Maar het belangrijkste zijn de woorden: “Door medelijden bewogen stak Hij de hand uit en raakte hem aan (…)”.

Aanraking
De melaatse wordt van veel meer dan alleen maar van zijn etterende zweren verlost. Hij wordt verlost uit zijn isolement, uit zijn gruwelijke eenzaamheid. De on-aanraakbare wordt aangeraakt. Het hoopje ellende dat bij andere mensen alleen maar afkeer, walg en angst opwekt wordt door Jezus behandeld als een mens. Zoals 1000 jaar later de H. Franciscus het zijn Heer zal nadoen, omarmt Jezus de melaatse en geeft hem daardoor zijn menselijke waardigheid terug. Hij neemt hem terug op onder de mensen: de diepst mogelijke genezing voor deze man. En natuurlijk rijst daarbij dan ook, zoals altijd, de vraag: hoe zit dat nu met ons, wij die ons volgelingen van Jezus noemen? Proberen wij ook iets te betekenen voor mensen die uitgestoten zijn en gemeden worden? Wie zijn trouwens “onze” melaatsen? Wie zijn de on-aanraakbaren in onze tijd? En ik spreek met opzet over on-aanraakbaren, want het draait hier inderdaad om lichamelijk contact. Misschien daar toch even op ingaan.

Zoethouders
Onze samenleving organiseert opvallend veel groots opgevatte liefdadigheidsacties, vanuit of minstens gesteund door de overheid en de grote economische actoren. Dat is niet toevallig. Die acties vervullen een belangrijke maatschappelijke rol. Meer nog dan het geld dat ze opbrengen en dat zeker ook goed besteed wordt en een weldaad betekent voor de betrokkenen, moeten dergelijke acties ons geruststellen: “Wij zijn goed bezig.”
Onze samenleving wordt steeds individualistischer. De motor ervan, de economie, draait helemaal rond alsmaar meer consumeren. En dus werkt de reclame voortdurend in op onze hebzucht. Zoals men in de vroegere eeuwen beroep deed op onze religieuze en humanistische gevoelens, zoals de Nazi’s beroep deden op onze haat- en wraakgevoelens, zo doet ons huidig systeem voortdurend beroep op onze hebzucht. In zo’n klimaat kan het niet anders dan dat egoïsme, onverschilligheid en zelfs hardvochtigheid t.a.v. het leed van anderen hand over hand toenemen. En binnen dat brede kader vervullen al die weldadigheidsacties dan een maatschappelijke rol als zoethouder. Ze moeten ons een goed gevoel geven. “Hoezo hardvochtig? Ik heb pas gegeven voor de armen”.

Confronterend
Heel goed. Maar mag je ook met een arme mens gezien worden, mag je ermee bevriend zijn? Want dat is niet goed voor je status. Mag een arme bij mij in de canapé? Haal ik voor hem ook de fles porto uit de kast? We moeten daar niet romantisch over doen. Echt arme mensen ruiken, hun conversatietalent is bijzonder pover en ze stellen je ook altijd teleur: vanuit hun nood blijken ze altijd weer veel meer geïnteresseerd in je geld dan in je persoon. Kan je dat aan? Durf je, zoals Jezus, zo iemand echt omarmen, rechttrekken, echt genezen? Hem of haar laten voelen: je bent een mens en ik zie je graag? Durf ik ook bij echt zware zieken op bezoek? Of is dat te confronterend? Laatst nog zei een zieke vriend mij: eens de mensen doorhebben dat je echt ziek bent en nooit meer kan genezen, blijven ze stilaan weg. Vaak sterven zo’n mensen, ondanks alle voortreffelijke palliatieve zorgen, met het gevoel van in-de-steek-gelaten-zijn.
“Ja maar, ik weet niet wat ik tegen zo iemand moet zeggen”. Wel, zeg dát dan tegen de zieke, hij zal het begrijpen en hij zal het nog meer appreciëren dat je toch gekomen bent.

Warmte
Mensen die arm of ziek zijn hebben, méér dan ons geld, onze nabijheid nodig. Een mens wordt alleen maar rechtgetrokken door het respect, de warmte en de nabijheid van een andere mens. Zielig is hij die denkt dát te kunnen afkopen met een centje voor het Goede Doel.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s