Brusselse toestanden

Zondag 29 juli 2018 – 17de zondag door het jaar (jaar B)

Er is een tijd geweest dat iedereen, iedereen kende in een dorp. Er was dan wel het kleine ongemak dat iedereen ook meende alles te weten over iedereen, maar dat nam je er dan maar bij. Je moest wel. Want je kon er toch niets tegen beginnen. Radio Trottoir – dat was de Dag Allemaal van toen – zorgde ervoor dat de kennis op peil bleef. Het moest overigens niet allemaal waar zijn wat er gezegd werd. Als het maar plezant was om te vertellen. Minder leuk natuurlijk, die dorpse mentaliteit, als je er de dupe van was. Maar roddel en leedvermaak zijn nu eenmaal “des mensen“ en ze vinden hun weg in elke samenlevingsvorm.

Gemeenschap
Veel belangrijker echter dan die mindere kantjes van het dorp van vroeger was het feit dat zo’n dorp veel meer was dan een plaatsnaam, veel meer dan een statistisch gegeven, veel meer dan een optelsom van allemaal individuen die toevallig onder de zelfde toren woonden. Zo een dorp was een organisch geheel. Het leefde omdat het een gemeenschap was. Dwz. de “samenstellende delen”, de mensen kenden elkaar, ze hielpen elkaar en ze waren voor een stuk ook op elkaar aangewezen. Dat laatste is ook niet onbelangrijk omdat we de situatie realistisch moeten blijven bekijken. De mensen hielpen elkaar, niet zozeer vanuit idealistische motieven maar gewoon omdat ze elkaar nodig hadden. Voor de oorlog bestond het overgrote deel van de bevolking uit kleine boeren. En ik mocht als kleine boer nog zo hard werken als ik wilde, ik kon nooit de oogst binnenkrijgen zonder de hulp van andere boeren. En die andere boeren die kwamen mij uiteraard alleen maar helpen als ze wisten dat ze ook op mij konden rekenen als er bij hen overuren moesten gemaakt worden. De mensen hielpen elkaar voor een goed deel omdat ze op elkaar aangewezen waren, omdat ze elkaar wel moesten helpen.

Selectief
Het grote verschil met nu is dus niet dat de mensen vroeger idealistischer waren dan de mensen nu. Ze waren, door de omstandigheden alleen veel meer doordrongen van het besef dat ze elkaar nodig hadden, dat ze gewoon niet zonder elkaar konden. En het is precies dat besef van elkaar – nodig – te hebben dat vandaag zo goed als verdwenen is. Toch naar het dorp toe dat steeds meer een woon – en – slaap gemeenschap en steeds minder een leefgemeenschap geworden is. Want, hoezeer onze tijdgenoten ook overtuigd zijn van de maakbaarheid van het leven – en van de noodzaak om hun leven zelf in handen te nemen en uit te bouwen, ze weten heel goed dat ze daarbij hulp van andere nodig hebben. Maar die hulp wordt niet langer verwacht van de mensen die toevallig in hun omgeving wonen maar van vrienden en relaties die zorgvuldig worden uitgekozen. Ook de zogenaamde sociale media spelen daar een grote rol in. Men kiest heel bewust van wie men vriend wil zijn en van wie niet. Men stelt dus eigenlijk zijn eigen wereldje samen, een wereldje dat steeds minder een weerspiegeling is van de echte wereld. Met alle nare en zelfs onrustbarende gevolgen van dien. Maar dat is nog iets anders. Ons is het hier vandaag vooral te doen om het feit dat de dorpsgemeenschap, de straat en de buurt waar je woont bijna elke betekenis verloren heeft. Werken, zich ontspannen, sporten en uitgaan doen onze tijdgenoten in de stad. Slapen in het dorp. Mensen die nieuw komen wonen interesseren zich veel minder dan vroeger in hun buren. Maar hun buren interesseren zich ook steeds minder in hen, het verlies aan interesse is wederzijds. Bij de mensen die al heel hun leven in het dorp wonen overheerst bovendien de perceptie dat alle nieuwkomers jonge gezinnen zijn, fuifnummers of carrièremakers die niemand nodig hebben. Maar dat klopt niet. Onder de nieuwe inwoners zijn ook vaak oudere mensen, alleenstaanden, gescheidenen, zieke en gehandicapte mensen. En die worden bijna helemaal onzichtbaar, verdwijnen onder de radar. Wij kennen ze niet meer.

Vereenzaming
Langzaam maar zeker beginnen zich ook bij ons Brusselse toestanden voor te doen. De eerste gevallen zijn bekend van mensen die pas vele dagen na hun dood worden gevonden. Niemand die eens belt, niemand die eens op de deur gaat kloppen, geen enkel contact…. Dit is zó erg, zó beschamend…
Laten wij als christenen proberen daar iets aan te doen. Ik denk dat hier een bijzondere taak ligt voor Ziekenzorg/Samana: Niet alleen de “oude getrouwen” maar alle mensen van het dorp die eenzaam of hulpbehoevend zijn, in kaart brengen. Zodat we tenminste weten dat ze bestaan. Je kan jezelf natuurlijk niet opdringen. Als mensen je hulp niet willen, moet je dat uiteraard respecteren. Maar het kan niet dat wij, puur uit onwetendheid, kansen laten liggen om mensen die ons nodig hebben te helpen. Het kan gewoon niet dat in onze dorpen, mensen sterven in complete verlatenheid, als een hond, als een aangeschoten stuk wild…

Priesterloze Kerk?

Zondag 22 juli 2018 – 16de zondag door het jaar (jaar B)

Vanaf het prille begin – denk aan het verhaal van Kaïn en Abel – is de mens vaak een wolf voor de andere mensen gebleken. En van als hij zijn bestaan als eenzame jager opgaf en zich begon te organiseren kreeg je heersers en dienaars en deden uitbuiting en onderdrukking hun intrede in de menselijke geschiedenis. Mét de stadsstaten en koninkrijken verschenen wel de geschreven wetten en regels maar die bevestigden alleen maar de bestaande ongelijkheid tussen de mensen en hielden die ook in stand.
Oorlogen werden (en worden nog altijd) gevoerd, zogenaamd omwille van “hogere belangen”. In werkelijkheid gaat het altijd om strooptochten van mensen die in eigen land reeds alle macht en bezit in handen hebben en die daarbovenop nog meer macht en bezit in handen willen krijgen. Dat is het wezen van de oorlog, van elke oorlog. Machthebbers en bezitters sturen er op aan om hun macht en hun bezit te vergroten. En bezitloze kleine mensen geven er hun leven voor omdat ze daartoe verleid of gedwongen worden.

Wreedaardig
Natuurlijk waren en zijn niet alle heersers cynische tirannen. Maar macht corrumpeert. En niet weinigen onder hen begonnen aan hun taak vol goede voornemens maar mét de jaren en door de omstandigheden gedwongen (zoals dat dan heet), veranderde hun jeugdig idealisme stilaan in onverschilligheid, soms zelfs in pure mensenhaat. Bovendien, zelfs als zo’n heerser het goed meende, hij kon niet overal zelf aanwezig zijn. Hij moest zich in het bestuur laten bijstaan door gouverneurs, landvoogden en commandanten en vaak waren dát dan weer wreedaardige tirannen voor wie het leven van hun onderdanen geen enkele waarde had.
Herodes de Grote die bij de geboorte van Jezus in de naam van Rome over de Joden heerste was zo’n tiran. Als vrome Jood at hij nooit varkensvlees.
Maar ondertussen liet hij wel drie van zijn eigen zonen vermoorden.
Wat bij Keizer Augustus het commentaar ontlokte dat je maar beter het varken van Herodes kon zijn dan zijn zoon……

Kentering
Nu wil ik natuurlijk ook niet overdrijven. Er zullen ook altijd wel verantwoordelijken en heersers geweest zijn die vanuit een goede inborst tenminste probeerden mild en rechtvaardig te zijn t.a.v. hun onderdanen.
Maar wat is rechtvaardig als het recht helemaal in dienst staat van de heersers en mildheid steevast als zwakheid wordt gezien? Ik denk dat daar pas met het christendom een kentering in gekomen is. Voor echte structuurhervormingen was de tijd nog niet rijp. Slavernij werd b.v. niet formeel afgeschaft.
Maar het was wel zo dat in de christelijke gemeente de slaven voor het eerst in de geschiedenis behandeld werden als mensen. In de ogen van God waren ze immers evenveel waard als om het even welke patriciër. De oudste ledenlijsten van de Kerk die men in Korinthië terugvond bevatten bijna uitsluitend typische slavenmannen. Nooit eerder had iets of iemand hen het gevoel gegeven dat ze echte mensen waren. En in de Middeleeuwen werd je pas ridder geslagen en in de adel opgenomen als je plechtig beloofde armen, weduwen en wezen te beschermen. In de oudheid was zoiets bijna ondenkbaar.

Inspiratie
Het is duidelijk dat de visie van Jezus, dat leiding geven dienen is hier een grote rol heeft gespeeld. Onnoemelijk veel christelijke vorsten hebben hartstochtelijk gezondigd tegen dat christelijk principe. Maar evenveel hebben er zich door laten inspireren en werden precies daarom later zelfs heilig verklaard.
De Bijbelse gedachten dat iedere mens een beeld is van God, dat een echte leider een herder is en dat leiding geven dienen is, liggen aan de basis van heel de politieke ontwikkeling van het Westen. Onwijs is de mens die niet wil inzien dat ook de Verlichting en zelfs het Marxisme schatplichtig zijn aan dat Bijbelse denken. Binnen het christendom en dan meer bepaald binnen het katholicisme werd dat herder-zijn ondertussen meer en meer toegepast, niet op politici maar op priesters en bisschoppen.
Zij moesten de echte herders van het volk zijn.

En nu?
Maar wat doe je dan als er geen priesters meer zijn? In de rest van de wereld groeit het aantal priesters nog aan maar bij ons zijn er binnenkort gewoon geen priesters meer. Kan je dat oplossen met structuurhervormingen, met nieuwe raden en ploegen?
Neen! Kan je dat oplossen met eindeloos parochies aan mekaar te blijven plakken, waarbij de ouderwordende priester nog nauwelijks de namen van zijn parochies kent, laat staan de namen van zijn parochianen? Neen!
Zouden wij niet beter gewoon akte nemen van het feit dat jongeren in het Westen het celibaat er niet meer bij willen nemen. Kunnen wij ons niet beter – om te beginnen – focussen op gehuwde mannen die zich willen laten vormen tot diaken. Als tussenstap om stilaan te gaan naar een systeem dat in grote lijnen ook in de eerste Kerk bestond. Waarbij een herder in de geloofsgemeenschap spontaan komt bovendrijven en door iedereen ook erkend wordt als het “gezicht” van die gemeenschap. Later kan de Kerk dan zo iemand, na een ernstige vorming en met instemming van de gemeenschap, tot priester wijden. Ongeacht of het om een man of een vrouw gaat, gehuwd of ongehuwd.
Zou dat niet beter zijn dan het huidige lijdzaam wachten tot alles kapot is. . .?

Radicaal en kwetsbaar

Zondag 15 juli 2018 – 15de zondag door het jaar (jaar B)

Het aanstekelijk vertrouwen van Jezus in het leven en in God lijkt soms in de buurt te komen van roekeloos onbekommerd-zijn, van datgene wat men in de klassieke theologie “vermetel vertrouwen” noemde. “Wees niet bezorgd om uw leven, om eten en drinken en kleding. Het leven is meer dan eten en drinken en het lichaam kostbaarder dan kleding. Kijk eens naar de vogels in de lucht, ze zaaien niet en maaien niet …” U kent deze beroemde passages. Evenals trouwens het zendingsverhaal van vandaag, waarin Jezus zijn leerlingen op pad stuurt met twee keer niks aan voorzorgsmaatregelen en voorzieningen. Ze moeten gewoon de wereld intrekken en de mensen het goede nieuws brengen, zonder zich zorgen te maken over wat ze zullen eten of drinken of wie hun onderdak zal geven. Het valt zeer goed te begrijpen dat in de jaren 70 dit de geliefkoosde Bijbelteksten waren van vele hippies, omdat Jezus hen hier zeer nabij kwam.

Nuchter
Maar wat moeten wij, overgeorganiseerde en beveiligde en verzekerde en bekommerde burgers in 2018 met dit soort uitspraken van Jezus? Je kan natuurlijk zo gegrepen zijn door het evangelische ideaal dat je, zoals Franciscus van Assisi, Jezus wil volgen in al zijn radicaliteit, al je schepen achter je verbrandt en de wereld intrekt zonder enig bezit, zonder een thuis, zonder vast werk, zonder enige zekerheid. Met alleen maar je geloof en je eindeloos vertrouwen in God. Maar dat kan toch alleen maar weggelegd zijn voor enkele uitzonderlijk begenadigde personen. We kunnen dat toch niet allemaal beginnen te doen. Ook tijdens het leven van Franciscus van Assisi en van Jezus zelf, moesten er huizen worden gebouwd en wegen aangelegd.
Moest het land worden ingezaaid en de oogst worden binnengehaald. Moest iedereen beginnen rondtrekken om te prediken, dan zou de maatschappij binnen de kortste keren herschapen zijn in een puinhoop. En dat kan toch niet de bedoeling van Jezus geweest zijn.

Liefde
Maar wat betekenen zijn woorden dan voor gewone burgers zoals wij, die proberen een redelijk en geregeld leven uit te bouwen voor onszelf en tegelijk de samenleving in stand te houden en vooruit te helpen? Ik denk dat je, om Jezus te begrijpen, altijd moet teruggaan naar de kern van waaruit Hij sprak en van waaruit Hij handelde. En die kern, dat is liefde. Liefde is de sleutel om in elke situatie en in alle omstandigheden de woorden en de handelingen van Jezus te begrijpen. Alles wat Hij zei en deed vertrok van daaruit en is alleen ook van daaruit te begrijpen. De radicaliteit die hem zo vaak kenmerkt en die Hij van ons vraagt heeft dan ook niets te maken met prestatiezucht of met de drang om zich te onderscheiden van anderen, maar het is gewoon de radicaliteit die eigen is aan de liefde. Aan elke liefde. De liefde voor God en de liefde voor de mens. Liefde kent geen berekening, geen behoedzaam zoeken naar wat voor jezelf het zekerste, het veiligste en het voordeligste is. In geldzaken doe je dat wel. Daar geef je best de voorkeur aan veilige beleggingen en beperkt risico. Maar voor de liefde is zo’n voorzichtige houding moordend.

Kwetsbaar
Wie ooit een vrouw of een vriend of zelfs maar een puppy kiest op zulke voorzichtige, alles-afwegende en risicomijdende gronden, die zet zichzelf daarmee helemaal buiten de wereld van de liefde. Liefde is iets van het hart, kent geen verdeeldheid. In de liefde geef je je hart helemaal, of je geeft het niet. Liefhebben is daarom ook kwetsbaar zijn. Je geeft jezelf totaal. Je bouwt geen enkele verzekering in. Je hebt geen enkele zekerheid dat je geen verdriet zal hebben, dat er niet op je hart zal getrapt worden, dat je hart niet gebroken zal worden. Die totale kwetsbaarheid hoort wezenlijk bij de liefde. Zelfs bij de liefde tot God. Denk aan een van de laatste woorden van Jezus: “God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” Zelfs de liefde tot God biedt dus geen enkele garantie. De enige garantie tegen een gebroken hart, de enige zekerheid dat je hart nooit gebroken wordt, is dat je het ook nooit aan iemand geeft. Het zal dan niet gebroken worden. Maar het zal dan wel langzaam maar zeker onbreekbaar, ondoordringbaar, onverzoenbaar worden. En je zal uiteindelijk geestelijk wegkwijnen en sterven. De enige plaats – zegt de Engelse schrijver C.S. Lewis – waar je veilig bent voor de gevaren van de liefde, is de hel.

Levensvervulling
Het geven van je hart, het geven van jezelf aan een ander, aan een mens of aan God (het liefst aan allebei), is voor een mens de enige manier om het land van de grijze conventies en veiligheidszones achter zich te laten en het volle leven binnen te gaan. Het is de enige manier om de kleurloze grauwheid van angst en berekening te verwisselen voor de warme kleuren van het land van de levende God.

Er geen rommeltje van maken

Zondag 8 juli 2018 – 14de zondag door het jaar (jaar B)

Vorige week heb ik mij een klein beetje knorrig opgesteld ten aanzien van sommige hedendaagse theologen die de indruk wekken dat ze het christendom willen terugbrengen tot een geheel van waarden en normen. Jezus wordt daarbij herleid tot een moralist, iemand die ons gewoon enkele waardevolle levensregels heeft nagelaten. En die misschien ook beschikte over enkele opvallende therapeutische vaardigheden. (Hoewel dat laatste helemaal niet zeker is, er werden immers zoveel verhalen over hem verteld.) Dat is zowat de mening van sommige hedendaagse theologen.
Oké, misschien is dat hun oprechte overtuiging. Maar is dat ook het christelijke geloof?

No way!
Het is in ieder geval niet het geloof dat eertijds de kathedralen uit de grond deed oprijzen. En in ieder geval was het ook niet dat soort geloof dat missionarissen de wereldzeeën opjoeg om tot in de meest achtergebleven gebieden Jezus Christus te verkondigen. Het waren geen morele principes die duizenden jonge Vlamingen in de 19de eeuw als missionaris naar Kongo deden vertrekken, terwijl ze heel goed wisten dat ze na hun aankomst nog hoogstens 10 jaar te leven hadden eer ze door ziekte geveld zouden worden. Als ze hun jonge leven opofferden, dan was dat omdat zij zoveel mogelijk mensen het goede nieuws wilden brengen dat er een God is die onnoemelijk veel van ons houdt en niet liever wil dan ons voor altijd opnemen in zijn eigen onbegrensde leven.

Godsgeloof
Dat was hun geloof. En het was dat godsgeloof dat aan de basis ligt van onze beschaving en dat heel het westerse denken doortrokken heeft.
Ter wille van dat geloof schreven Augustinus, Dostojewski en Tolstoi hun meesterwerken, ter wille van dat geloof schilderde El Greco en componeerde Bach. Omwille van dat geloof besteeg Thomas More het schavot en zongen tientallen jonge koptische arbeiders een ode aan Jezus Christus vóór ze vorig jaar op een strand door IS werden onthoofd.
Geen van deze, en van duizenden soortgelijke uitzonderlijke mensen, verrichtte datgene wat ze deden omwille van een aantal normen en waarden. Alles wat ze ooit hebben betracht, nagestreefd en bereikt, deden ze vanuit hun geloof in de levende God, vanuit hun liefde voor de God die zich liet kennen in Jezus Christus. Je kan er moeilijk naast kijken dat iemand die het christelijk geloof wil herleiden tot een geheel van waarden en normen, het christelijk geloof daarmee al achter zich gelaten heeft.

Transcendent
Er is nog zoiets. Iemand die vanuit het immanent, het-ook-in-ons-aanwezig- zijn-van-God, komt tot de vergoddelijking van de mens, die is gewoon atheïst geworden. Dat is de tweede zaak waar ik het vandaag met u wil over hebben. Een van de meest wonderlijke vermogens die wij als mens hebben, is dat wij ons kunnen openstellen voor God en God in ons en door ons laten werken. Als je daar te ver in gaat kom je uiteindelijk tot de gedachte dat God niets anders dan een kracht, een vermogen is van de mens. Maar dan ben je atheïst. Voor een christen is God geen kracht maar Iemand, een persoonlijk wezen, die in ons diepste ik kan waargenomen worden maar die ook soeverein en buiten ons bestaat.

Ongrijpbaar
Wij kunnen met ons verstand wel zijn Schepping begrijpen maar niet de Schepper, die ons volledig overstijgt en die wij alleen maar kunnen kennen in de mate dat Hij zich laat kennen aan ons (openbaring). Alle getoet en geblaas over “geloof en wetenschap” heeft dus totaal geen zin als we het niet eerst daarover eens zijn. Voor een gelovige is zijn geloof niet iets dat tegen zijn verstand ingaat. Maar even duidelijk is het voor hem dat hij niet alles wat hij als komende van God ervaart, ook helemaal kan vatten.
Iemand die beweert dat alles wat het verstand en de wetenschap niet kan begrijpen gewoon niet bestaat, heeft (in onze ogen) niet alleen een heel beperkte visie, maar is ook atheïst. Voor een gelovige is, juist door het bestaan van God, de werkelijkheid veel grootser en dieper dan wij kunnen vatten. Een theoloog die dus alles verwerpt wat niet rationeel kan verklaard worden, is een atheïst. En zijn werk, alleen maar tijdverlies voor wie oprecht op zoek is naar God.

Er is iets

Zondag 1 juli 2018 – 13de zondag door het jaar (jaar B) 

Het gaat u wellicht niet verbazen als ik zeg dat ik in preken graag eigen inzichten verwerk, er eigen accenten in leg en nooit iets afschrijf uit een boekje.
Van de andere kant is het echter ook zo dat ik zelden iets zal neerpennen zonder eerst mijn licht eens op te steken bij wat anderen over het onderwerp denken.
Om te weten wat mensen die veel meer onderlegd zijn dan ik, kerkvaders, heiligen maar ook hedendaagse theologen, daarover schrijven.
Vaak kan ik daarbij heel verrassende en vooral ook deugddoende inzichten opdoen waar ik zelf nooit zou zijn opgekomen.
Hier geldt trouwens wat geldt in alle domeinen van het leven. De dag dat je meent dat je zelf alles weet, dat niemand je nog iets kan bijbrengen, ben je niet volleerd maar eerder rijp voor een instelling.

Voorspelbaar
Omdat ik denk (en hoop) dat het met mij nog niet zover is, las ik dus ook nu weer een stukje van een (waarschijnlijk Leuvense) theoloog, om te zien wat die dacht over de wonderen in het evangelie van vandaag.
Ik had me eigenlijk de moeite kunnen besparen. Want – volkomen voor- spelbaar – begon hij al met te zeggen dat we die wonderverhalen niet letterlijk mochten nemen.
Om te beginnen is dat een erg gratuite bewering, want hij kan dat onmogelijk zeker weten.
Van de andere kant is het natuurlijk wel zo dat we met de tijd zijn gaan inzien dat de Bijbel vaak een evocatieve taal gebruikt, een taal die niet een wetenschappelijke beschrijving wil geven van feiten maar die, zoals poëzie, beelden gebruikt om een diepere werkelijkheid op te roepen. Een diepere werkelijkheid, die ons te boven gaat en die we niet in gewone woorden kunnen vatten.
Omdat God ons volledig overstijgt, valt alles wat met Hem te maken heeft in deze categorie en kunnen we dus ook niet anders dan naar beelden grijpen om het onbeschrijflijke proberen te beschrijven.

Magertjes
Op zich is het dus zeker niet verkeerd dat een theoloog ons waarschuwt dat we, lezend in de Bijbel, niet te vlug alles letterlijk moeten nemen.
Wat mij vooral interesseerde was het vervolg van zijn betoog, en te vernemen hoe wij volgens deze godgeleerde man die wonderverhalen dan wél moesten begrijpen.
Maar jammer genoeg bleek ook die uitleg erg voorspelbaar.
Eigenlijk kwam het erop neer dat Jezus een soort “super-coach” was, iemand die anderen moed en zelfvertrouwen gaf en hen ertoe bracht hun grenzen te verleggen, boven hun beperkingen uit te stijgen. “Plus est en vous”, weet je wel. Jezus als therapeut.
Natuurlijk was Jezus dat ook.
Ik kan me hem moeilijk anders voorstellen dan als een ongewoon krachtige man, die met zijn indringende en tegelijk liefdevolle blik mensen ertoe brengt om voluit te leven.
Maar Jezus is méér dan een goeroe of een coach. En een wonderlijke genezing is meer dan een psychotherapeutisch feit.

Toeval?
Theologen die alles willen terugbrengen tot wat voor mensen begrijpelijk en verklaarbaar is, trappen in de levensgrote valkuil van het atheïsme.
Wij kunnen echter met ons verstand en onze wetenschap wel de Schepping doorgronden maar niet de Schepper ervan. Al vraagt het wel wat moed om dat te erkennen.
Bijbel en evangelie proberen ons iets bij te brengen van een werkelijkheid die wij met ons verstand niet helemaal kunnen vatten, maar waar wij (bijna instinctief) weet van hebben.
Als mensen zeggen “dat er iets is” dan hebben ze het dáárover. Dan hebben ze het over het diepe weten dat wij niet de laatste werkelijkheid zijn. Dat er iets is dat ons helemaal overstijgt.
Dat ons misschien zelfs geschapen heeft en ons draagt. En dat laatste ervaren mensen ook regelmatig. Gebeurtenissen, situaties in je leven die je niet kan blijven afdoen met “toeval”.
“Er is iets” zeggen mensen dan.
Welnu, het is op dat algemene aanvoelen van dat “iets” dat wij ons moeten concentreren als wij in onze tijd terug willen evangeliseren. Als wij in onze tijd mensen over ons geloof willen spreken laten wij de “christelijke waarden” beter nog even in het kastje zitten.
Wie echt gelooft zal allicht ook wel geneigd zijn de waarden te beleven. Maar omgekeerd is vanuit het kennen van de waarden nog nooit iemand gelovig geworden.

Evangeliseren
Laten wij ons dus concentreren op dat “iets”. Dat iets heeft bovendien het grote voordeel dat bijna iedereen er op een of andere manier weet van heeft, er al ervaring mee heeft opgedaan.
Deze dagen kijken wij meer dan anders naar het voetbal op tv. Het is op z’n minst opmerkelijk als je zo’n wereldsterren ziet een kruis slaan, op hun knieën vallen, er ingetogen bidden met een overtuiging die ik nog maar zelden bij nonnetjes en paters heb waargenomen.
De jongens van de pers, die je niet elke zondag in de kerk ziet, die roepen dan natuurlijk in koor “bijgeloof” en “ritueel”.
En dat zal uiteraard wel meespelen. Zolang wij niet voor God staan van aangezicht tot aangezicht zal ons bidden nooit helemaal zuiver zijn.
Maar het is duidelijk dat deze wereldsterren, die zelf door miljoenen aanbeden worden als halfgoden, er diep van overtuigd zijn dat er een Kracht is die alle coachen, sponsors, supporters, roem en geld overstijgt.
Het is die Kracht, het is God-zelf die wij terug ter sprake moeten brengen als wij in deze tijd opnieuw willen evangeliseren.