Zien mét en doorheen je ogen

Zondag 28 oktober 2018 – 30ste zondag door het jaar (jaar B)

Een tiental jaren na het Vaticaans Concilie, trokken honderden Vlaamse jongeren naar Leuven om daar godsdienstwetenschappen te studeren. In plaats van dat ons dat een omvangrijk, goed gevormd en wetenschappelijk onderlegd korps godsdienstleerkrachten opleverde, verloor een groot deel van hen daar in Leuven hun geloof. Blijkbaar werd hun op een pedagogisch weinig verantwoorde manier verteld dat wat in de Bijbel stond allemaal verhalen waren die je zeker niet letterlijk moest nemen, die symbolisch bedoeld waren. Het was niet alleen pedagogisch onverantwoord, het was bovendien ook gewoon niet waar.

GENEZINGEN
Indien Jezus geen spectaculaire dingen had gedaan, zouden we nooit over Hem gehoord hebben. Jezus heeft heel zeker genezingen verricht. Maar het is wel zo, dat die genezingen geen doel op zich waren. Indien het Jezus’ bedoeling geweest was zoveel mogelijk mensen te genezen, dan was hij een genezer, een dokter of een therapeut, meer niet. En dan nog een van de eerder bescheiden soort. Want het aantal zieken dat Hij genas was miniem (er waren in Israël in die tijd tienduizenden blinden, lammen en melaatsen). En Hij heeft ook geen enkele ziekte definitief uit de wereld gebannen. Als Jezus dus wonderen verrichtte, waren dat met andere woorden tekenen die naar iets anders, iets meer fundamenteels verwezen. Jezus wil voortdurend onze aandacht vestigen op die diepere werkelijkheid die met God te maken heeft. En het spectaculaire van het wonder dient alleen maar om zijn woorden kracht bij te zetten en te verduidelijken.

TEKENEN
Ik blijf hier wat langer bij stilstaan, omdat het toch wel belangrijk is om een wijdverspreid misverstand te helpen rechtzetten. Het is niet of-of maar eerder en-en. Het is niet zo dat een wonder in het evangelie ofwel echt gebeurd is, ofwel alleen maar een verzonnen verhaal is met een symbolische betekenis. Ik ben ervan overtuigd dat Jezus wonderlijke, spectaculaire daden heeft verricht, maar dat waren geen op zichzelf staande bravourestukjes. Ze verwezen naar iets anders: het waren tekenen. En het zijn niet de hedendaagse theologen en exegeten die dat hebben uitgevonden. Het waren de evangelisten zelf die hun verslagen over de wonderen zó opbouwden dat je er niet naast kon kijken dat elk van die wonderen verwezen naar iets diepers. Laten we nu eens het voorbeeld nemen van de genezing van Bartimeus. Het hele verhaal gaat wezenlijk over “zien”. Over blind zijn en geholpen worden om te zien. Waar Jezus ons wil op wijzen is dat de werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet een diepte heeft die wij met onze gewone ogen niet kunnen zien. En Hij wil ons helpen om die diepte te zien en er mee in contact te komen. Maar we moeten dat ook echt willen, de vraag moet van ons komen. “Heer, maak dat ik zien kan”. Dat lijkt niet veel, maar in werkelijkheid is het heel wat. Want vragen “maak dat ik zien kan”, is tegelijk zeggen dat je tot nu toe blind was. En dat is een bijzonder pijnlijke onderneming voor een mens in deze tijd. Wij weten en kennen immers al alles. Ook op godsdienstig vlak.

OPENSTAAN
Het valt mij altijd op als wij vergaderen, dat wat wij dan zeggen over God, ook in het inleidend gebed, altijd stellingnamen zijn, beweringen over God die uit onszelf komen, die we ergens gelezen hebben en “waar we kunnen achter staan”, of die we bediscussiëren of verwerpen. Maar dat is toch niet bidden.
Waarom beginnen wij niet met het stil te maken, niets te zeggen en ons open te stellen voor God? Hem te vragen dat hij ons overkomt, ons aanraakt en ons in verwondering en dankbaarheid achterlaat. Een mens kan gewoon geen zinnig woord over God vertellen als hij geen weet heeft van die diepere werkelijkheid die ons volledig overstijgt en die tezelfdertijd ook onze werkelijkheid is, d.w.z. de diepere, dragende grond ervan.

GEBORGENHEID
En dat besef “overkomt” ons inderdaad. Je kan dat niet opwekken. Maar wil je er iets over weten, moet je er wel voor openstaan. Het is alsof, met een klik, je ogen ineens op scherp worden gesteld en de wereld om je heen plots een diepte onthult die je voorheen niet eens vermoedde. Soms gebeurt dat bijna voorspelbaar, zoals bij de geboorte van je kind. Ook al kan je het hele proces wetenschappelijk tot in de puntjes verklaren, toch besef je met al de vezels in je lijf dat hier meer aan de hand is: een wonder dat je helemaal overstijgt, je blij en dankbaar maakt, je een enorm gevoel van geborgenheid geeft. Soms gebeurt het heel onverwacht. Je bent aan het bidden, of je zit naar een film te kijken, of gewoon wat voor je uit te staren en ineens . . . is het er. Dat geweldige en gelukkig makende besef dat je deel uitmaakt van een werkelijkheid die je tezelfdertijd volledig overstijgt.

DE HELE WERKELIJKHEID
Ook mensen die niet in God geloven doen dergelijke ervaringen op, vaak noemen ze het “kosmische ervaringen”. Maar ik kan me voorstellen dat ze niet goed weten wat doen met hun gevoelens van verwondering en dankbaarheid. Wie vertrouwd is met Jezus daarentegen, weet die overstijgende werkelijkheid helemaal vervuld van de liefdevolle aanwezigheid van God. Geloof in Jezus geeft licht en laat je zien hoe de hele werkelijkheid eruitziet. En hoe je je leven daarop kan afstemmen.

Heeft missie nog zin?

Zondag 21 oktober 2018 – 29ste zondag door het jaar (jaar B) – Missiezondag

Bij woorden als missie en missiezondag komen er onmiddellijk beelden naar boven uit een tijd die nu lang vervlogen lijkt. Het was de tijd dat je zilverpapier spaarde voor de negertjes in Kongo. En dat je met rooie oortjes luisterde naar missionarissen op doorreis, paters met lange baarden, die als Tarzan zich een weg door de rimboe hakten om zieltjes te winnen voor Christus. Echte mannen waren het, die wisten van aanpakken en die zich door Afrikaanse tovenaars of wilde dieren niet uit het veld lieten slaan. En dat lijkt nu ineens allemaal zo ver, omdat de stroom plots opdroogde. Eind jaren 60, begin jaren 70, was het ineens gedaan met die trek van honderden, duizenden edelmoedige jongemannen die het woord van Christus brachten tot in de meest onherbergzame streken op onze aarde.

Secularisatie
Missie kreeg bijna van de ene dag op de andere af te rekenen met een aantal factoren die haar (toch in Vlaanderen) tot iets marginaals maakten. Er was het plots ingetreden secularisatieproces en het opdrogen van de roepingen. Maar ook de naweeën van de dekolonisatie en de link die gelegd werd tussen beide. En er was ook het oprukkende materialisme waardoor – ook in de Kerk – de nadruk op evangelisatie helemaal verschoof naar materiële hulp (Broederlijk Delen). Missie werd in ijltempo vervangen door ontwikkelingssamenwerking, en de missionarissen door ngo’s als Artsen Zonder Grenzen, Damiaanactie en honderden kleinere niet-kerkelijke hulporganisaties. De vraag is of dit terecht gebeurde en of Missie inderdaad zijn tijd gehad heeft? Je kan de vraag nog duidelijker stellen, meer conform met onze huidige seculiere mentaliteit en je afvragen of wij niet beter gewoon materiële hulp geven zonder daarbij ook onze eigen godsdienst op te dringen. Door de vraag zo te stellen heb je ze natuurlijk al beantwoord. Maar eerlijk is dat niet.

Afbraak
Want nu, meer dan ooit, dringen wij onze eigen ideologie op aan de landen en de mensen die wij helpen. Alleen is het christendom daarbij vervangen door ons economisch, kapitalistisch systeem. En nu, veel meer dan bij de vroegere missionering, kan je je afvragen of dát niet de hoofdbedoeling is: voor onszelf en voor de wereld ons systeem een humanitair en menslievend imago geven, terwijl dat systeem alleen maar uit is op gewin: op economische expansie en het opdrijven van de winst. En dat systeem geven wij ondertussen ook door aan de landen die wij helpen. Je hebt bovendien de indruk dat overal waar de westerse invloed toeneemt vooral ook het materialisme, de geldzucht en het egoïsme toenemen. Er komt dan inderdaad een zekere welstand. Voor de machthebbers op de eerste plaats, meestal ook voor de hogere klassen, soms ook voor de middenstand (zoals in India), maar zeer zelden voor het gros van de bevolking. (Denk aan al de ellende in Kongo). En wat bij toenemende westerse invloed in ieder geval gebeurt, is dat eeuwenoude morele en sociale systemen instorten en vervangen worden door aanbidding van het geld en een sterke verruwing van de maatschappij, wat zich uit in een hallucinante toename van de criminaliteit.

Waarden
Maar goed, uiteindelijk zijn dat de indrukken van mijzelf, en ik ben niet bevoegd om hier een exposé te geven over de grote problemen van de wereld en zeker niet over het oplossen ervan. Laat ons daarom het probleem herleiden tot zijn meest eenvoudige vorm en het bekijken aan de hand van een eenvoudig voorbeeld hier bij ons: pesten op school. Vroeger, toen geloofsoverdracht één van de hoofdtaken was van het godsdienstonderwijs, waren wij ervan doordrongen dat anderen pesten absoluut niet kon voor God, en blijkbaar was dat voldoende. Er werd toen ook wel gepest, maar het bleef binnen de perken. Sinds het godsdienstonderwijs onder druk van haar sponsor, de staat, helemaal herleid is tot het “doorgeven van waarden”, is dit veranderd. Ondanks verwoede antipestcampagnes is er nog nooit zoveel gepest op school als nu. En je kan dit gerust uitbreiden naar andere terreinen. Er is nog nooit zoveel energie gestoken in het doorgeven van waarden: thuis, op school en via de media. En toch zie je als resultaat alleen maar toenemende brutaliteit, toenemende respectloosheid, toenemende criminaliteit.

Vergissing
Misschien zitten we hier wel bij een van de grootste vergissingen die de mensen van de Verlichting, Rousseau op kop, hebben gemaakt. Mensen zijn blijkbaar niet zomaar geneigd tot rechtvaardigheid, trouw, zelfopoffering, belangloos hulpverlenen enz. als er niet een echt appel van buiten henzelf op hen afkomt. Er zitten in de mens immers ook strevingen die allesbehalve uit zijn op medemenselijkheid: de neiging tot overheersen bijvoorbeeld, tot agressie, tot egoïsme enz. En telkens weer blijkt dat in samenlevingen – wij hebben het hier niet over individuen! – waar het godsdienstig geloof wegvalt, die laatste krachten de bovenhand halen. Alleen al daarom blijven missie en evangelisatie nodig. En dan hebben we het dus niet eens over godsdienstige motieven, maar over loutere bezorgdheid voor het samenleven in de toekomst. Het wordt steeds duidelijker dat het wegvallen van religieus geloof niet goed is voor de samenleving. Voor geen enkele samenleving. Ook niet de onze . . .

Echtgenoten

Zondag 14 oktober 2018 – 28ste zondag door het jaar (jaar B)

Omdat in Jezus’ tijd de politieke en economische macht in het Joodse land helemaal in handen was van de Romeinen, bleef er voor de “plaatselijke machtsjongens” niet veel anders over dan het domein van de religie om aan hun trekken te komen. De Farizeeën hadden daartoe een rigoureus systeem van wetten en regels ontworpen dat hun een zeer reëel gevoel van macht gaf omdat mensen ervoor moesten buigen, wilden ze niet voor verraders of afvalligen doorgaan. Voor de Farizeeën was Jezus een soort vrijschutter, een stoorzender, juist omdat Hij het voortdurend opnam voor mensen die “tekortschoten”, die niet voldeden aan de strenge normen. Terwijl Hij in het voorbijgaan ook niet naliet te wijzen op de huichelarij van de bewakers van Wet en Goede Zeden. Jezus wil mensen bevrijden uit alles wat hen gevangenhoudt en onderdrukt. Wetten en regels zijn een weerspiegeling van de maatschappelijke verhoudingen. En heel vaak zijn ze, zoals Karl Marx dat heeft uiteengezet, gewoon het instrument van de heersende klasse om hun eigen belangen te dienen en hun machtspositie in stand te houden.

Echtscheiding
In zijn voortdurend gevecht met de Farizeeën toont Jezus aan dat dit ook geldt voor religieuze wetten, die doorgaans een weldadige en bevrijdende bedoeling hebben, maar die zodanig kunnen gemanipuleerd worden dat ze het tegenovergestelde bewerken. Je moet daar dus heel voorzichtig en met veel zorg mee omgaan. Niet alleen met regels en wetten, maar ook met gewone teksten. De evangelietekst van vandaag is daar een voorbeeld van. Jezus zegt hier bij Marcus: “Scheiding is uitgesloten”. Maar in hetzelfde twistgesprek bij Mattheüs zegt Jezus: “. . . behalve in het geval van ontucht”. Ik ben geen exegeet en ik weet dat je met vertalen soms alle kanten uit kan, maar hier is toch één zaak heel duidelijk: de ene uitspraak laat ruimte voor echtscheiding, de andere niet. En het gevaar is dan groot dat Kerken en theologen dié uitspraak gaan onderschrijven die hun het beste uitkomt. En de andere mogelijkheid negeren.

Eenwording
Wat ons vandaag uit dit evangelie echter vooral moet duidelijk zijn, is dat voor Jezus liefde de absolute norm is bij het huwelijk. Liefde en niets anders. In de liefde worden man en vrouw één, zoals ze bedoeld zijn van bij het begin. Paus Franciscus schrijft daar heerlijke bladzijden over. Toen God de mens schiep, schrijft hij, schiep hij hen man-en-vrouw. Zonder man is de vrouw maar half, zonder vrouw is de man maar half. Ze vormen een eenheid. De mens is wezenlijk man-en-vrouw. De mens wordt maar volledig mens als hij liefheeft.
Het gaat wezenlijk over de liefde. En dat is toch iets wat je een beetje mist in al die discussies over emancipatie en vrouwenrechten. Een Syrische vriend van mij ziet dat allemaal nogal eenvoudig: “Er is wat dat betreft geen verschil tussen Syrië en België”, zegt hij. Het verschil zit niet in de nationaliteit, maar in de godsdienst. Bij de moslims zijn, zowel in Syrië als in België, de mannen de baas. Bij de christenen zijn, zowel in Syrië als in België, de vrouwen de baas.
Misschien is de werkelijkheid ietsje minder simpel.

Partner?
Maar in ieder geval is het zo dat de vraag “wie de baas is” bij Jezus geen enkele rol speelt. Omdat het bij Hem om de liefde tussen man en vrouw gaat, om een eenwording tussen 2 gelijke en volledig op elkaar afgestemde mensen die pas in hun een-zijn, volledig mens zijn. Tegenwoordig is het mode geworden om te spreken over partners i.p.v. over echtgenoten. Mensen noemen zichzelf partner van die of die. En de ondertoon is er vaak een van: wij zijn modern. En inderdaad, “echtgenoot” klinkt oubolliger dan partner. En toch zou het mooi zijn als we de echtgenoot en de echtgenote zouden herwaarderen. Voor een christen is een echtgenoot, een echtgenote zoveel meer dan een partner. En ik haast mij er bij te zeggen: “Voor een christen”. Voor mij (en ik denk voor ieder van u) moet niemand wettelijk gediscrimineerd worden en moeten ook mensen die er anders over denken, zich vrij voelen. Maar voor een christen is een partner iemand die je tijdelijk nodig hebt om een bepaald doel te bereiken. Bijna zoals in de politiek: je wil iets bereiken, maar alleen zal dat niet gaan en dus ga je een coalitie aan.

Huwelijk
Een huwelijk daarentegen is een verbond dat je sluit vóór God. Om er helemaal voor elkaar te zijn met een liefde die “flitsend is als vuur en sterker dan de dood” (Oosterhuis). En met de bedoeling ook om later, als het vuur wat minder fel oplaait, te blijven werken aan je relatie, er desnoods ook voor te vechten. Als christenen kiezen wij daarvoor. Omdat wij er van overtuigd zijn dat het huwelijk nog altijd de beste samenlevingsvorm is, zowel voor de maatschappij als voor de echtparen en voor de kinderen. En een overtuiging loslaten omdat ze even minder in de mode is, is niet goed. Goed in de markt liggen is nooit een goede raadgever in morele kwesties. Je begint trouwens stilaan ook andere geluiden te horen.

Voorkeur
In “De Groene Amsterdammer”- toch niet direct de gazet van het Vaticaan – schrijft de Nederlandse journaliste Hanneke Groenteman, die vroeger nog het vaderloos ouderschap ophemelde en zelf een bewust ongehuwde moeder was: “Alleenstaand ouderschap is beter dan een slecht huwelijk, maar een goed huwelijk overtreft alles”. Wij denken dat dit zo is en we mogen daar ook voor uitkomen. Onberispelijke verdraagzaamheid wil niet zeggen dat je niet meer voor je eigen mening mag uitkomen.

Permanent scheppend

Zondag 7 oktober 2018 – 27ste zondag door het jaar (jaar B)

“Om te slagen in het leven”, zegt de volksmond, “moet je een beetje als een hoer zijn”. Waar men dat haalt weet ik niet, want ik ken een priester die in dat milieu werkt en vergeleken bij wat hij doet is werken in de sloppenwijken van Calcutta een verfrissende onderneming. Wat de volksmond bedoelt is: als je een echte egoïst bent, als je totaal niet gehinderd wordt door enig moreel besef en andere mensen alleen maar gebruikt en misbruikt, als je volmaakt onverschillig bent voor het leed dat je anderen aandoet en maar één emotie kent: voor jezelf zorgen, dan is de kans inderdaad groot dat het je, op het eerste gezicht, allemaal voor de wind gaat.

Egoïsme
Ieder van ons heeft een donker kantje. En er zijn momenten en perioden in ons leven dat wij die donkere kant van ons wezen naar boven laten komen. De vraag is maar: maakt ons dat ook gelukkig? Het antwoord is: neen, in geen geval. Het alleen maar voor en met jezelf bezig zijn is de zekerste weg naar ongelukkig zijn. Dat is geen vrome praat. Dat is de keiharde werkelijkheid die ieder van ons bij zichzelf kan vaststellen als aan de razernij van het ego voldaan is en alleen maar de leegte achterblijft. Het is een ijzeren wet van het menszijn: de weg van het egoïsme ligt bezaaid met gelukkige meevallers, benutte kansen, slagjes slaan en buit binnenhalen. Maar tezelfdertijd is die weg een autostrade van eenzaamheid, zinloosheid en diep ongelukkig zijn.

Gelovig
Hoe zit dat dan met iemand die niet alles naar-zich-toehalend maar gelovig, open en vol vertrouwen in het leven staat? Welnu, het is duidelijk dat een gelovige net zo goed ziekte en tegenslag kent en net zo goed door dalen van wanhoop en vertwijfeling kan gaan, als een ongelovige. Hoewel, … dat laatste toch veel minder. Geloof blijkt in de praktijk immers een uitstekend antigif tegen wanhoop te zijn. En dat is misschien al een eerste onderscheid. Geloof is heel vaak een baken van houvast en troost en hoop in dagen van vertwijfeling. Hoe vaak hoor je niet zeggen: “Als ik tóen mijn geloof niet had gehad, weet ik niet wat er van mij zou geworden zijn …”

Nieuwe kansen
En toch denk ik dat het grootste onderscheid met niet-geloven ligt voorbij de wanhoop, de troost of de berusting en alles te maken heeft met het zien, het vinden van een uitkomst, van een nieuw begin. Voor gelovigen is God immers Diegene die in de meest uitzichtloze situaties nieuwe kansen geeft, deuren opengooit, onvermoede toekomst schept. En het is precies dat wat Maria zo prachtig verwoordt in haar Magnificat. Die diepe, gelovige ervaring dat God voortdurend scheppend bezig is. Dat Hij uit elke chaos nieuwe kansen schept, in elke duistere gevangeniscel een venster aanbrengt. Meestal daar waar wij dat nog het minst verwachten. Zonder het geloof zie je die kansen niet, omdat je gefixeerd bent op je eigen plannen die je teniet ziet gaan. Je ziet bijvoorbeeld alleen maar je ziekte en het kruis dat de ziekte maakt over je directe toekomstplannen. En in je verbittering zie je misschien niet de kansen die er geboden worden.

Scherven
Bijvoorbeeld om een verwaarloosde relatie nieuw leven in te blazen, om geestelijk te groeien, herboren te worden, een heel nieuw leven te beginnen …
Vanuit het geloof zie je die kansen wel, omdat je er naar uitkijkt. Omdat je je niet blind staart op de scherven van je droom, maar vol verwachting uitkijkt naar wat de Grote Pottenbakker met die scherven nu gaat doen. Vanuit het geloof zie je hoe zelfs in het heelal hele sterrennevels ontploffen en schijnbaar in het niets verdwijnen. Maar ook hoe, precies daaruit, nieuwe planeten en zonnestelsels worden gevormd. God heeft altijd nieuwe plannen met ons, zelfs als we moeten sterven. Hij houdt van ons. Niets van ons laat hij verloren gaan.

Kijken achter de woorden

Zondag 3 september 2018 – 25ste zondag door het jaar (jaar B)

Wat onmiddellijk opvalt bij de lezing van dit evangelie is de tegenstelling tussen wat Jezus hier zegt in het Marcusevangelie (Mc 9, 40): “Wie niet tegen ons is, is voor ons” en de uitspraak die Mattheüs optekent (Mt 12, 30): “Wie niet met mij is, is tegen mij”. Ongeveer het tegenovergestelde dus. De tegenstelling is echter alleen maar schijnbaar. Soms kan iemand, integer en uit één stuk, toch totaal tegenstrijdig lijkende uitspraken doen omdat de context helemaal verschilt. Hier is dat duidelijk het geval. Als Jezus zegt: “Wie niet met mij is, is tegen mij”, heeft hij het tegen de gluiperige Farizeeën, die met hun huichelachtig gekonkel het absoluut niet goed voorhebben, en integendeel het goede alleen maar willen dwarsbomen. Hen wijst Jezus radicaal af. Maar als Jezus bij Marcus zegt: “Wie niet tegen ons is, is voor ons”, dan tekent dat alleen maar zijn grenzeloos open houding: iedereen die het goede nastreeft, ook al hoort hij niet bij onze groep, is een bondgenoot, een broeder.

VREEMD
Een volgende moeilijkheid is de nogal forse taal die hier gesproken wordt. Als je een tekst voor je hebt die ruim 2 000 jaar geleden geschreven werd, dan weet je dat je die moet interpreteren, dat je die moet trachten te begrijpen vanuit de context waarin hij ontstond. Als je dát niet weet, dan kan je in ons land altijd nog minister van Cultuur worden, maar dán heb je het ook gehad. Ook vandaag horen we in de lezingen weer woorden die ons vreemd in de oren klinken. Je hand afhakken, je oog uitrukken, het is nogal wat. Het lijkt wel of Jezus hier aanspoort tot ernstige vormen van zelfverminking. Toch als je niet weet dat Jezus graag gebruik maakte van stijlfiguren die onder redenaars uit die tijd heel gewoon waren.

OVERDRIJVEN
Een van die stijlfiguren was de overdrijving. De overdrijving die gebruikt wordt om je punt duidelijk te maken. De overdrijving accentueert het dramatische van de situatie. In onze tijd maakte bijvoorbeeld Jozef Cardijn graag gebruik van de overdrijving. Als “meneer Cardijn”, zoals de arbeiders hem met veel respect en genegenheid noemden, het had over de duizenden arbeidersgezinnen die in zwarte armoede zouden gedompeld worden als de fabriek sloot, ook al werkte daar maar 120 man, dan was er niemand die lachte. Want al klopte het cijfer niet, de mensonterende realiteit die Cardijn aanklaagde des te meer. Wanneer Jezus zijn radicale “remedies” aanprijst tegen bekoringen (om kwaad te doen) dan is het eigenlijk voor iedereen zonneklaar dat je zijn woorden niet letterlijk moet nemen, omdat ze helemaal haaks staan op de zachtmoedigheid van zijn wezen.

SLANG
Wat hij wil duidelijk maken is dat je het kwaad en de bekoring om kwaad te doen, niet mag onderschatten. De bekoring tot zonde is niet iets waarmee je kan spelen, niet iets waarmee je kan onderhandelen, niet iets waaraan je gedeeltelijk kan toegeven en gedeeltelijk niet. De bekoring – heel duidelijk in het geval van hartstocht en lichamelijke begeerte – is een slang. Als je er niet wil aan toegeven moet je ze onmiddellijk neerslaan als ze de kop opheft. Als je denkt dat je de situatie onder controle hebt en dat je rustig kan nagaan hoe ver je kan gaan zonder te ver te gaan, dan ben je al verloren en is het pleit al beslecht. Bekoring laat zich niet ompraten, zoals iedere zondaar onder ons maar al te goed weet. En precies dat bedoelt Jezus met zijn erg radicale uitspraken: de menselijke geest is bijzonder vindingrijk. Als je op bepaalde bekoringen niet wil ingaan, moet je er onmiddellijk je voet op zetten. Anders winnen ze.

ONZE GROEP
Laten we nu even terugkeren naar het begin van de lezing. De apostelen hebben blijkbaar iemand belet een sukkelaar te helpen omdat hij zei dat hij dat deed “in Jezus’ naam”, terwijl hij niet tot hun kring behoorde. Maar juist het feit dat de apostelen deze man niet kenden en hij toch “in Jezus’ naam” handelde, wijst erop dat hij weet had van Jezus’ leer. Het “in Jezus’ naam” heeft dan geen andere betekenis dan “volgens de gezindheid, de leer, de ingesteldheid van Jezus”. Enerzijds dus een man die, onder de indruk van Jezus’ leer, goed wil zijn, een sukkelaar wil helpen en anderzijds de kleine groep rond Jezus die al aardig veel Kerktrekken, zelfs sektekenmerken begint te vertonen:
waarheid, liefde, juiste ingesteldheid vind je alleen bij ons. Buiten onze groep alleen maar mist en dwaling. Het Grote Gelijk dus.

VERANTWOORDELIJKHEID
Maar zo zag Jezus het beslist niet. Alle mensen zijn kinderen van God. God houdt van elke mens, wil het geluk van elke mens en de Geest waait waar Hij wil. Christenen hebben absoluut geen monopolie op rechtvaardigheid, vergevingsgezindheid en broederlijke liefde. Je vindt die “gezindheid” evengoed buiten als binnen de Kerk. Het echte onderscheid ligt in de verantwoordelijkheid. Christenen hebben het voordeel dicht bij de bron te leven. Zij kennen Jezus, en het evangelie. Zij genieten van de sacramenten, met daarin de mogelijkheid tot een heel intieme band met de Heer. En via het gebed zijn ze vertrouwd met de warmte van Gods nabijheid. Maar precies daardoor is hun verantwoordelijkheid veel groter. “Aan wie meer gegeven is, zal ook meer worden gevraagd”.