Hoop en vertrouwen

Zondag 18 november 2018 – 33ste zondag door het jaar (jaar B)

Laat u vooral niet afschrikken door het nogal heftige taalgebruik in dit evangelie, het barokke fresco dat hier geschilderd wordt. Deze vreesaanjagende beelden over het einde van de wereld waren in Jezus’ tijd gemeengoed, iedereen was ermee vertrouwd. Maar terwijl deze apocalyptische horror veelal gebruikt werd om de mensen de stuipen op het lijf te jagen, gebruikt Jezus ze om juist een boodschap van hoop te brengen: “Kijk naar de vijgenboom”, zegt Hij. Weet dat wanneer al deze dingen gebeuren de ultieme redding nabij is. En deze dingen gebeuren natuurlijk voortdurend. Wij weten nu, beter dan vroeger, dat de zogenaamde eindtijdelijke verschrikkingen voortdurend plaatsvinden. Oorlogen, natuurrampen, epidemieën, zelfs catastrofen in de kosmos zijn van alle tijden. Zij zijn dus allesbehalve de inleiding op het einde der tijden. Ze gebeuren voortdurend.

Ik zal er zijn
Wat Jezus ons wil zeggen is: wanneer je met verschrikkelijke dingen geconfronteerd wordt, ook als er ellendige dingen gebeuren in je eigen leven, in je eigen gezin; wanneer de mensen die je het meest beminde, je ontvallen en de laatste sprankel geluk uit je hart wordt weg geroofd, denk dan nooit dat dit het einde is. Juist dán zal God zijn naam waarmaken: “Ik zal er zijn”. Juist dan zal je merken dat je niet kan vallen, tenzij in zijn hand. Marcus schrijft zijn evangelie in een tijd dat de tempel van Jeruzalem verwoest was en de christenvervolgingen volop woedden. Voor Joden zowel als voor christenen stortte alles in, was dit het einde van de wereld. Tegen hen wordt gezegd: ”Kijk naar de vijgenboom. Dit is niet het einde. Dit is alleen maar het begin van een nieuwe, schitterende toekomst”. God immers zal zijn Naam: “Ik zal er zijn voor u”, gestand doen.

Vervolging
De eerste christenen hadden het muurvaste vertrouwen dat dit inderdaad zo was.
Dat, welke beproeving hun ook overkwam, dat God het laatste woord had en zich over hen zou ontfermen. En dat vaste vertrouwen was wel nodig, als je wist wat in die tijd de prijs was voor het niet-afzweren van je christelijk geloof. Je kon als volksvermaak in de arena voor de wilde dieren worden geworpen. Of je kon, zo wordt verteld, in de tuinen van keizer Nero tegen een paal gebonden, met pek bestreken en in brand gestoken worden om de nachtelijke feesten van deze macabere psychopaat te verlichten. Je moest als christen inderdaad toch wel een rotsvast vertrouwen hebben in God en in Jezus.

Weerstand
Hoe zit dat nu met ons in deze tijd? Geloven wij ook nog rotsvast dat uiteindelijk alles goedkomt, dat God altijd het laatste woord heeft? Dat er zelfs leven is voorbij de dood? Geloven wij dat echt? Ik moet ineens denken aan een stukje van Rik Torfs waarin hij vertelt over een jonge vorser aan de unief die hem ernstig vermaande dat leven na de dood niet kan, omdat het wetenschappelijk onmogelijk is. Je staat gewoon perplex dat in onze tijd er nog altijd verstandige mensen zijn die vanuit een onvervalste 19de-eeuwse reflex denken geloof en wetenschap tegen elkaar te kunnen uitspelen. Of het om concurrerende verklaringsmodellen gaat. Het leeft blijkbaar toch nog altijd bij veel ongelovigen. Maar het gaat niet om concurrerende modellen. Geloof heeft mij niets te vertellen over elektriciteit of de werking van bacteriën. En zo zijn er ook nogal wat zaken waarover de wetenschap mij niets te vertellen heeft. Je kan daarop reageren met: alles wat niet wetenschappelijk kan onderzocht worden bestaat gewoon niet. Maar dat is dan buitengewoon kortzichtig en kinderachtig.

Méér
Een 21ste-eeuwse christen is echter iemand die, net als vele anderen, gefascineerd is door de manier waarop de wetenschap de wereld ontsluit en in kaart brengt. Maar die, bij al de bewondering die hij heeft voor wetenschap en technologie, gewoon weet dat er méér is dan datgene wat wij kunnen kennen, ontrafelen, catalogeren en waarvan we de wetmatigheden die erin spelen kunnen blootleggen. Die wéét gewoon dat er meer is dan de “kenbare” werkelijkheid. Hij weet dat vanuit zijn hart, zijn gevoel of, misschien nog belangrijker: zijn intuïtie. En dat “weten” is dan geen weten zoals in de wiskunde, maar eerder een hopen en vertrouwen. Vertrouwen dat God er is en je niet loslaat. (Erop) Vertrouwen dat het goedkomt. Wil je dat dat vertrouwen en die hoop vastere grond krijgt, dan moet je er echter ook meer en meer gaan naar leven. Je moet de sprong wagen. Je moet beginnen te leven ALSOF God er is, van je houdt en met je meegaat. M.a.w. leven vanuit het geloof dat God er is. En dán, en alleen dan, zal je merken dat Hij er inderdaad is. Dat Hij geen hersenschim is, maar een ontzagwekkende Werkelijkheid. Een Werkelijkheid, een Persoon die met je meegaat, die je draagt en om je geeft.

Groeiend vertrouwen
En je beseft dan dat het leven en de wereld gewoon doorgaan als je sterft. Dat ook jij ouder wordt en ziek, dat je, hoe gelovig je ook bent, niet van rampen en tegenslagen wordt gespaard. En dat je ook zult doodgaan, zonder pardon. Maar er is die hoop dat het allemaal goedkomt. Een hoop die geregeld bevestigd wordt als je aandachtig leeft en heel scherp uitkijkt. Er is dat groeiend vertrouwen dat die God, die je draagt en van je houdt, je nooit zal loslaten.
Ook niet als je sterft.
Zeker weten wij niets. Maar wij vertrouwen erop. Wij “hopen het tegemoet”.
Maar we zijn er nogal gerust in. Vanuit, en dat is nog niet genoemd, maar het is wel het voornaamste, vanuit de relatie die we langzaam hebben opgebouwd met God en met Jezus Christus. Vertrouwen vanuit het “weten, het ondervonden hebben wie Hij is, wat Hij doet”.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s