Onze wildste dromen voorbij

Zondag 9 december 2018, 2de zondag van de Advent (jaar C)

“In het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus landvoogd was van Judea, Herodes viervorst van Galilea, Philippus . . .” enz.
Al van toen ik een kind was heeft deze indrukwekkende intro mij gefascineerd. En in het Latijn van ons missaal klonk het zelfs nog plechtiger: “Anno autem quintodecimo imperii Tiberii Caesaris . . .” En dat was niet alleen de kinderlijke verbeelding die hier speelde. Wat hier gezegd werd was écht indrukwekkend en uniek. Alle andere godsdiensten tot dan toe vonden hun oorsprong in een onbepaald, mistig en vaag verleden. In tijdloze legendes over goden die ooit “in een ver verleden” waren ontstaan of geboren. Niet zo in het christendom. Voor het christendom is op een welbepaald moment het eeuwige in onze tijd binnengekomen. Heeft op een heel precies tijdstip het Ongeschapene zich laten kennen in het geschapene. Op een heel nauwkeurig aangegeven moment in onze geschiedenis: in het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius.

Menswording
Een tweede opvallend verschil met alle andere godsdiensten die aan het christendom voorafgingen is dit: toen God in onze tijd en onze geschiedenis binnenkwam gebeurde dat in een mens. Niet “als” een mens maar “in” een mens. En ook dat was ongezien en ongehoord. Want de heidengoden die deden niet liever dan zich af en toe als een mens te “verkleden”, om mensen te misleiden, meestal zelfs om hen voor de gek te houden. Maar toen God zich in Jezus aan ons liet kennen, was dat in een echte mens van vlees en bloed. Een mens, die kon lachen en zingen, genieten en lijden en afzien zoals u en ik. Alles wat mensen enigszins over goden konden uitvinden wás toen al uitgevonden en alles wat mensen ooit over goden konden verzinnen en vertellen wás toen al verzonnen en verteld. Maar dit was iets zo onvoorstelbaar anders, dat het door geen mensenbrein ooit bedacht of uitgevonden was: de Menswording van God. God die zich niet eventjes vertoonde in de gedaante van een mens, maar God die in een mens van vlees en bloed geboren werd, leefde en stierf als een mens tussen ons.

Medewerkers
Dit was op zich al een verbijsterend gegeven. Maar wat die mens geworden God ons duidelijk maakte, was zo mogelijk nog meer overhoophalend. Het bleek namelijk dat God niet alleen mens werd in Jezus, maar dat Hij dat in zekere zin wil herhalen in iedere mens. God wil dus niet zozeer dat de mensen zus of zo leven, bepaalde wetten of geboden in acht nemen. Hij wil noch min noch meer dan dat mensen zich zodanig voor Hem openstellen dat Hij mens kan worden in ieder van ons. Maar daarmee loop ik al een beetje vooruit op Kerstmis. In ieder geval is het zo dat sinds Jezus duidelijk werd, dat God ons niet zozeer wil als uitvoerders van wat Hij wil, maar als medewerkers van Hem.
Hij wil ons nodig hebben. Hij wil dat zijn droom over de mens en de wereld, het Rijk Gods, mede door ons gerealiseerd wordt. Moest deze gedachte van mensen komen, dan zou het pure grootheidswaanzin zijn. Maar ze komt uit het evangelie.

Voortdurende troonsafstand
En hier stelt zich natuurlijk het probleem hoe de vrijheid van God in overeenstemming te brengen is met de vrijheid van de mens. Want een mens die vrij is kan toch wat anders willen dan wat God wil? Maar, God is toch . . . God? Kunnen wij Gods plannen dan dwarsbomen? Misschien kunnen we het zo zien: Gods wil zal uiteindelijk altijd gerealiseerd worden. Maar Hij kan toelaten dat de weg daarheen verandert. Hij doet dat zelfs voortdurend, uit respect voor onze vrijheid. Sterker: Hij lijkt niets te doen wat zich maar enigszins aan ons laat delegeren. Hij laat dus toe dat wij traag en sukkelend doen wat Hij in een oogwenk zou kunnen realiseren. Hij laat ook toe dat wij niet doen wat Hij wil of daarin mislukken, dat wij niet slagen in ons opzet. Uiteindelijk zal Hij natuurlijk wel zijn doel bereiken, maar Hij wil uitdrukkelijk ons daarbij nodig hebben. En dus zou je kunnen zeggen dat God als het ware van moment tot moment “troonsafstand” doet om ons een aandeel in de onderneming te gunnen. Door zo te doen, door op die manier zijn doel te bereiken, maakt God van ons natuurlijk iets meer dan alleen maar dienaars en uitvoerders van zijn wil.

Bekering
Die waardigheid ontvangen wij echter niet automatisch. Wij moeten er iets voor doen. En hier komt Johannes de Doper en zijn programma van bekering in de picture. Als wij medewerkers van God willen zijn, dan moeten wij daar ook bekwaam toe zijn. Als je medewerker wil worden om te helpen aan de uitbouw van het Rijk Gods, om het Rijk van de Liefde onder de mensen te brengen, dan moet je eerst in je persoonlijk leven een grondige koerswijziging aanbrengen. Je kan niet werken aan een Rijk van Liefde, recht en vrede, als je in je persoonlijk leven alleen maar bezig bent met het promoten van en het zorgen voor jezelf. Je moet dan eerst een grondige ommekeer maken. Als mensen van deze tijd kunnen we natuurlijk wel doen alsof het kwaad buiten onszelf leeft.
Dat wij alleen maar goed zijn of het misschien toch altijd goed menen. En dan geen bekering nodig hebben. Maar dat is niet ernstig.
En hier ligt dan ook de eerste opgave in de Advent.
Durven (scherp) naar jezelf kijken. Durven zien dat het kwaad ook in jezelf zit.
En dan proberen, echt proberen, er iets aan te doen. Want God wil van ons zijn medewerkers maken. Medewerkers van God! Zelfs in onze wildste dromen komt het niet in ons op.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s