Het ondraaglijk compliment

Zondag 27 januari 2019, 3de zondag door het jaar (jaar C)

Vorige week vertelde het verhaal van de bruiloft in Kana ons dat God liefde is en dat Hij onnoemelijk veel van ons houdt. En dat zijn liefde geen positieve welwillendheid is maar een dynamisch gebeuren. Dat Hij niet van ons houdt zoals een instemmend toekijkende opa die zelf ook content en gelukkig is als het jonge volkje het goed maakt. Maar dat Hij actief wil ingrijpen om van ons leven een feest te maken, een bruiloftsfeest met wijn en vreugde in overvloed.
Maar we zijn toen wel geëindigd met te stellen dat we begrip kunnen opbrengen voor mensen die het moeilijk hebben om dat te geloven.
Want vanzelfsprekend is die gedachte in ieder geval niet.

Tegenspraak
Als wij God de Schepper noemen van alles wat bestaat, dan valt die schepping op het eerste gezicht toch moeilijk in overeenstemming te brengen met de idee dat God pure liefde is. Want als God “alleen maar” liefde is, dan zou je toch mogen veronderstellen dat Hij een wereld zou maken die ideaal is. Een wereld zonder pijn en afzien, een wereld zonder haat en ziekte en dood. Maar zo is het duidelijk niet. Er is de vaak adembenemende pracht van de natuur, er zijn de intrigerende diepten en geheimen van het leven en de raadselachtige schoonheid van de menselijke liefde. Er is de bijna onstuitbare kracht van de menselijke geest, die zich overal doorheen boort. En er is de hoop, het geloof en het verlangen dat in ons leeft en dat maakt dat wij bergen kunnen verzetten.
Maar dat is de mooie kant van de schepping.
Daarnaast is er ook nog wat anders.
De natuur kan liefelijk, mooi en aangenaam zijn, maar evengoed slaan aardbevingen en tsunami’s ongenadig toe en vegen ze tienduizenden onschuldige mensen en dieren van de aardbodem. Epidemieën roeien een ganse bevolking uit. Er zijn misoogsten en overstromingen. Mensen komen om van honger en dorst en kinderen krijgen kanker. Het kost dan toch wel moeite om hierin de hand van een liefdevolle God te zien. En toch beweren wij christenen dat die liefdevolle God er wel degelijk is en zich ook laat voelen in ons leven. Soms, in bepaalde, kostbare momenten ervaren wij Hem. En onze ervaring wordt bevestigd door een indrukwekkend aantal getuigen uit alle tijden en culturen.

Oerervaring
Maar hoe kan je die twee nu rijmen?
Misschien komen wij al een eind dichter bij een uitweg uit dit dilemma als wij de mythische opvatting laten varen dat een liefdevolle God ook een ideale, perfecte en liefdevolle wereld moet scheppen. Want wij weten dat niet en het strookt in ieder geval ook niet met wat wij vaststellen. Laten we dus terugkeren naar de oerervaring in het joodse en het christelijke denken. En die oerervaring is er een van gered-zijn. De Joden hebben God ervaren als diegene die hen gered heeft uit het slavenhuis van Egypte. En de eerste christenen hadden precies dezelfde ervaring van gered-zijn door Christus, die genoemd werd de Redder van de wereld, de Verlosser van de mens. Een groot theoloog beschreef de stemming onder de eerste christenen met “a tremendous sense of salvation”: een ongelooflijk gevoel van gered-zijn.
Die ervaring van gered-zijn door een oneindig liefdevolle God is de oerervaring.

Redenering achteraf
Pas later is men gaan redeneren: die God die ons gered heeft en zoveel van ons houdt, die is zo onvoorstelbaar machtig, die moet wel de Schepper zijn van alles wat bestaat. De kernervaring in de joods-christelijke beleving is dus niet die van een God die alles geschapen heeft, maar een God die van ons houdt en ons ook reddend nabij is als wij ons voor Hem openstellen. Dat is de christelijke oerervaring. Wij ervaren dus God niet allereerst als Schepper. Dát is het resultaat van geredeneer achteraf. Ik ken overtuigde christenen die de opvatting dat God Schepper van hemel en aarde is, volkomen onbelangrijk vinden. Voor hen hoeft dat niet eens zo te zijn. Ze zeggen dat God zich laat kennen als een liefdevolle Kracht die doordringt in de schepping, maar dat Hij ook de Schepper zou zijn, is voor hen niet relevant. Een nogal ongewone en onverwachte visie binnen het christendom, maar daarom zo gek nog niet.
In ieder geval is het zo, dat wij duidelijk geworpen zijn in een onaffe wereld.
Dat de wereld dus zeker niet perfect en ideaal in elkaar steekt.
Wij hebben het daar moeilijk mee, maar het is nu eenmaal zo. Dat God, als Hij liefde is, ook een volmaakte wereld en volmaakte mensen moet scheppen is een menselijke fantasie. Dat hoeft helemaal niet zo te zijn.

Verantwoordelijkheid
Christenen zijn met de tijd meer en meer gaan begrijpen dat de liefdevolle Kracht die wij God noemen ons wil stimuleren om van deze onaffe wereld een paradijs te maken. Hij lokt en roept en zweept ons op om met hart en ziel, met wilskracht en verstand de schepping te vervolmaken. Hij wil de scheppingskracht die in ons is steeds verder activeren. Sommigen noemen dat het “ondraaglijk compliment”. God wil ons van schepselen immers tot scheppers maken. Een onvoorstelbare eer die Hij ons brengt maar tegelijk een drukkende verantwoordelijkheid, een ondraaglijk compliment.
God gelooft in ons.

Water wordt wijn

Zondag 20 januari 2019, 2de zondag door het jaar (jaar C)

Ik heb geen Grieks-Latijnse humaniora gevolgd en ik heb dat altijd als een leemte en een gemis ervaren. Want daardoor is er veel kennis over de cultuur van Grieken en Romeinen aan mij voorbijgegaan. Wat ik wel begrepen heb is dat de klassieke goden een nogal cynisch allegaartje waren. Ze kenden dezelfde hartstochten als de mensen. D.w.z. dat het kon gebeuren dat ze je hielpen als het hun goed uitkwam. Maar even zo vrolijk konden ze je een ferme loer draaien en dan had je ze veel beter niet aangeroepen. Laat het nu precies op dit vlak zijn dat zich het “blije” van de christelijke “Blijde Boodschap” situeert. Op het vlak namelijk van onze persoonlijke verhouding met God. “Blijde Boodschap” is geen begrip ontleend aan een of andere heilsleer, het slaat niet op een of andere extatische toekomstverwachting: dat ooit iedereen op deze wereld vast werk en eten zal hebben. Of dat er nergens meer oorlog zal zijn en kanker definitief overwonnen.

Nabije God
“Blijde Boodschap” gaat erover dat God, om te beginnen, wel degelijk bestaat.
En dat Hij onnoemelijk veel van ons houdt. Dat Hij geen verre, onbereikbare God is, maar dat Hij ons integendeel onvoorstelbaar nabij is, ons beter kent dan wij onszelf kennen. In ons diepste binnenste aanwezig is. Het is belangrijk om te zien dat die liefde van God fel, actief en opwindend is. Het is niet het soort tevreden toekijken van een opa die het leuk vindt dat het jonge volkje het naar zijn zin heeft. Het is de liefde van een God die op ons betrokken is en die leven in ons leven wil brengen. Die zo sterk van ons houdt dat Hij ons leven tot een bruiloftsfeest wil maken. Want dat is het wat het verhaal van de Bruiloft in Kana ons wil vertellen. De echte Bruidegom is God. God, die met ons wil huwen. Met ons, met zijn mensen, zijn Kerk, met ieder van ons afzonderlijk.
God wil een intieme, tedere relatie met ons aangaan. Hij is . . . verliefd op ons.
En Hij wil maken dat het water van ons leven verandert in wijn. Hij wil dat ons leven een feest wordt en onze vreugde volkomen.

Onwennig
Ik weet dat wij, u en ik, ons nogal onwennig voelen bij heel die huwelijksretoriek. “Mag het niet een beetje minder”, hoor ik u al denken.
En, inderdaad, ik heb het zelf ook redelijk moeilijk om mij de Schepper van hemel en aarde voor te stellen als iemand die naar ons kijkt zoals een jongen met ogen van een verliefde otter naar zijn meisje kijkt. En toch is het precies dat wat de evangelist ons wil vertellen. En dus worden wij geacht – ook als dat beeld ons niet zo lekker zit – daar niet te veel van af te pingelen. Want als het ons wat ongewoon in de oren klinkt, kan dat erop wijzen dat wij de Boodschap wat eenzijdig activistisch hebben opgevat. Jezus mag dan wel onze inspiratiebron zijn, Diegene die ons oproept om ons in te zetten voor de wereld, om ons te geven voor de medemens. Maar dan, denken wij, is het natuurlijk aan ons. En hangt alles af van onze inzet en onze overgave, onze bekwaamheid en ons inzicht, onze plannen en onze projecten. Zo zien wij het meestal. Maar dat schijnt toch niet echt de bedoeling te zijn. Wat het evangelie ons vertelt, is dat we dan volop bezig zijn met het aandragen van water. En zorgen voor water is goed en is zeker ook nodig.

Vreugde
Maar God wil van dat water wijn maken. Wijn van vreugde voor onszelf en voor de mensen voor wie wij ons inzetten. Water van onze inzet wordt wijn als wij heel bewust – van het begin tot het einde – God betrekken in alles wat we doen. Als wij God in ons en via ons laten werken. Als wij doen wat Maria van ons vraagt – “doe maar wat Hij u zeggen zal” – dan krijgt alles wat we doen, zelfs de lastigste karwei, ook iets van een feest. Omdat wij dan partner zijn van Hem die voortdurend water in wijn verandert. Dan geeft onze inzet voor anderen ons méér dan alleen maar voldoening omdat we iets goeds doen, dan beleven we er ook intense vreugde aan.

Verantwoorden
Op dit punt gekomen, wordt het natuurlijk wel tijd dat ik mij een beetje ga verantwoorden. Want dat is allemaal gemakkelijk gezegd: God wil ons leven in een feest veranderen. En “God is verliefd op ons”. Maar als je nuchter naar de wereld en naar je eigen leven kijkt dan merk je daar, op het eerste gezicht, niet zoveel van. Als God werkelijk liefde is, als je dat wil geloven, dan is het eerste wat je opvalt als je naar de wereld kijkt: de afwezigheid van God.
Heel de natuur kreunt onder verschrikkingen en rampen die genadeloos toeslaan en waar niemand iets kan aan doen. En in ons eigen leven is er naast vreugde ook ziekte, aftakeling en dood. Waar is God dan?
Dat is een ongelooflijk belangwekkende vraag, waar wij een antwoord moeten op geven als wij willen dat de mensen ons enigszins serieus kunnen nemen.
Ik wil proberen een aanzet te formuleren maar dat kan niet in 3 zinnen.

Come and see next week
Daarom zal ik er volgende week uitgebreid op terugkomen.
Voorlopig zijn we dus gestrand bij een dubbele vaststelling:
1. Het evangelie, ons geloof zegt ons dat God liefde is en dat Hij onnoemelijk veel van ons houdt.
2. Als je nuchter in de wereld en in het leven staat, dringt die gedachte zich meestal niet aan je op en merk je echt wel wat anders.
Hoe moet dat nu?
Een vette kluif voor volgende week.

Moeilijk gaat ook

Zondag 13 januari 2019, Doop van de Heer (jaar C)

Wij kijken tegenwoordig anders naar kunst dan tijdens de voorbije eeuwen. Onze waarderingscriteria zijn anders. Kunst moet blijkbaar niet langer mooi of aangenaam zijn of getuigen van talent en vakmanschap. Kunst moet op de eerste plaats “vernieuwend” zijn, “baanbrekend”, “grensverleggend”. En zo komt het dan dat je soms naar een schilderij of een beeldhouwwerk moet kijken waarbij je onmiddellijk voelt dat inderdaad nooit eerder iemand er in slaagde zo iets lelijks op de wereld te zetten. En in die zin is dat natuurlijk “grensverleggend”. Maar dat blijkt dus juist de kracht van het stuk te zijn.

Menswording
Iets dergelijks begon zich ook voor te doen in de verkondiging, al van in de jaren 80 toen ik nog priesteropleiding volgde. Vroeger probeerde de theologie het christelijk geloof inzichtelijk en aanneembaar te maken voor elke nieuwe tijd, voor elke nieuwe generatie met haar eigen vragen, gevoeligheden en problemen. Ineens bleek dat ouwe koek te zijn en hopeloos voorbijgestreefd. Het was plots niet langer zo, dat geloofspunten werden uitgediept en de presentatie en vormgeving ervan werd aangepast aan de tijd: de geloofspunten zelf werden ontleed, gefileerd en uiteindelijk plat geredeneerd en afgevoerd.
Neem nu de goddelijkheid van Christus. Toch een centraal punt in ons geloof. God die zich laat kennen in een mens. Mensen van deze tijd hebben het daar moeilijk mee: ze hebben langer gestudeerd en kijken daar veel rationeler
tegenaan dan de mensen vroeger en ze schrijven zoiets vlugger af als een mythologische voorstelling. Het is echter de taak van de verkondiging om i.p.v. alles te relativeren, de mensen van onze tijd duidelijk te maken dat die menswording, God die zich laat kennen in een mens, helemaal niet zo irrationeel is als het misschien lijkt. We geloven toch ook dat het de bedoeling is dat God steeds meer mens wordt in ons. Dat wij in ons eigen leven God steeds meer gestalte geven, zodat mensen aan ons iets van God beginnen te vermoeden. Waarom zou dat dan niet in 1 mens op volmaakte wijze kunnen gebeurd zijn: een mens, Jezus Christus, die zo totaal openstond voor God dat, in Hem, God werkelijk onder ons kwam.

Kan niet
Hier ligt de taak van theologie en verkondiging. Niet: afkomen met allerlei “slimmigheden” zoals: dat de Joden iedere voortreffelijke Jood “zoon van God” noemden en dat het dus een vergissing is daar méér achter te zoeken. Dat Jezus een geweldige mens was, een bijzondere profeet en een groot leraar.
Maar dat is gewoon onzin. Iemand die van zichzelf zegt: “Wie mij ziet, ziet de Vader”. En “Ik en de Vader, wij zijn één”, die kan onmogelijk een groot leraar zijn. Die is ofwel volslagen gek, ofwel wie Hij zegt te zijn: een tussenweg is niet mogelijk. Bovendien, iemand die de dingen van mij vraagt die Hij van mij vraagt, en voor wie ik allerlei dingen doe en laat omdat Hij het vraagt, moet wel God zijn, want anders ben ik gek als ik Hem volg. Ik bedoel: geen enkele mens – hoe groot en edel ook – moet zulke dingen van mij vragen.
Want mensen – hoe groot ook – vergissen zich. En ik ga niet het gevaar lopen heel mijn leven te vergooien aan een vergissing.

Gemakzucht
Wanneer in onze tijd belangrijke geloofspunten door diegenen die het geloof moeten doorgeven zo sterk gerelativeerd worden dan heeft dat, denk ik, waarschijnlijk meer te maken met gemakzucht dan met kwade trouw. Het bespaart je tenslotte veel hoofdbrekens als je tegen een jongere van vandaag zegt dat Jezus een groot leraar en een geweldige mens was, i.p.v. dat je zo’n jongeren probeert uit te leggen dat Jezus én God, én mens was, op een manier dat ze het vanuit hun jeugdige en hedendaagse ingesteldheid onmiddellijk inzien. Dezelfde neiging om te relativeren uit gemakzucht vinden we natuurlijk ook terug in ons eigen leven. En meer bepaald in de mening dat we ook geen uitslovers moeten zijn. Vorige week had ik het nog over het feit dat velen die zich christenen noemen, het in onze dagen allang goed vinden als ze binnen de grenzen van de wet blijven, als ze geen wetten overtreden. Als ze doen wat wettelijk moet en laten wat wettelijk niet mag.

Uitdaging
Maar Christus vraagt van ons veel meer dan alleen maar dat. Christus vraagt van ons niet dat we fatsoenlijke burgers zouden zijn die braafjes in het gareel lopen en zorgvuldig binnen de lijntjes kleuren. Hij vraagt van ons juist iets buitensporigs: Hij vraagt dat wij volmaakt zouden zijn. Hij eist van ons dat we niet tevreden zouden zijn met brave-burger-spelen. Hij daagt ons uit tot meer, Hij jaagt ons op: je kan het! Ik herinner mij hierbij een beeld van C.S. Lewis.
Het is voor een ei misschien wel moeilijk om in een vogel te veranderen, maar het zou nog heel wat moeilijker zijn te leren vliegen terwijl het een ei blijft.
Wij zijn misschien ook een soort ei. Je kan niet onbeperkt gewoon een fatsoenlijk ei blijven. Als je wil worden zoals je bedoeld bent, moet je uitkomen en vliegen. Of anders bederven. Een compromis is hier niet mogelijk.

Evangelie en verlichting

Zondag 6 januari 2019, Openbaring van de Heer – Driekoningen (jaar C)

Het feest dat wij vandaag vieren en dat in de volksmond gewoon “Driekoningen” heet, wordt in het Oosten met een Grieks woord “Epifanie” genoemd, wat Openbaring betekent. En dat feest wordt daar met evenveel luister gevierd als Kerstmis zelf. Op deze dag herdenken wij dat God zich in Christus aan alle volkeren heeft laten kennen als Brenger van het heil, als Diegene die redt. De drie heidense wijzen staan symbool voor alle volkeren. En ze zijn een voorafbeelding van de geloofszekerheid dat ooit de hele wereld Jezus zal erkennen als de Verlosser en meewerken aan de liefdevolle plannen van God met de mens. Dit zal echter niet zomaar, zonder slag of stoot, gebeuren.

Kwaad
Al van bij het prille begin, al van bij de geboorte van Jezus openbaart zich het Kwaad dat al zijn vernietigende kracht in de strijd zal gooien om de vestiging van het Rijk Gods, een vreedzame en liefdevolle, menselijke samenleving te dwarsbomen. Dat Kwaad (met een hoofdletter) bestaat. Het lijkt me buitengewoon onwaarschijnlijk dat iemand onder u het bestaan daarvan nog nooit zou gemerkt hebben. Het is natuurlijk heel moeilijk om in deze tijd nog te spreken over de duivel omdat de oude catechese, stripverhalen en films daar een heel dwaas en kolderiek figuurtje van gemaakt hebben. Maar volgens mij bestaat dat Kwaad wel degelijk. En met dat Kwaad bedoel ik iets “zelfstandigs”, iets dat een eigen leven leidt, dat niet helemaal samenvalt met het kwaad dat wij waarnemen: ziekten en natuurrampen, of het kwaad dat wij elkaar aandoen.
Het is iets dat daar wel een rol in speelt, maar dat blijkbaar over een eigen intelligentie lijkt te beschikken. Hier stop ik want het is zeker niet mijn bedoeling om duivel en demonen terug uit de kast te halen, ik ben veel te blij dat we eindelijk af zijn van onze angst voor de hel.

Iets
Maar voor mij is het duidelijk dat er “iets” is. Soms zeggen mensen dat over God: er is iets. Ze hebben een of een aantal ervaringen opgedaan, die hen ertoe doen besluiten dat God wel degelijk bestaat. Er is iets, zeggen ze dan.
Ik bedoel daarmee iets anders. Waarschijnlijk zal u van mij wel willen aannemen dat ik in God geloof. Wanneer ik dus zeg “er is iets” dan bedoel ik dat andere, die geheimzinnige Kracht die naar beneden zuigt en tegenwerkt.
En niet zo’n klein beetje. En die je trouwens ook vooral in jezelf waarneemt. Probeer maar eens om iets grondig ten goede te veranderen aan jezelf, om je leven bijvoorbeeld meer in overeenstemming te brengen met het evangelie. En je zal merken, diep in jezelf, dat a.h.w. hele legers in beweging gezet worden om dát te voorkomen. En ik denk niet – ik hoor u al afkomen – dat psychologische uitleg volstaat om dit verschijnsel te verklaren. Er is iets. En dat iets manifesteerde zich uiteraard ook bij de geboorte van Jezus. Het liet zich kennen in de weerzinwekkende figuur van Herodes. Jezus belichaamt al wat er aan goeds leeft in de mens en al wat goed is voor de mens: Jezus is zachtmoedig. Hij wil mensen bevrijden, rechttrekken, helpen, troosten, genezen, moed inspreken. En, vooral, hen verlossen van datgene waar zijn “tegenspeler” Herodes vol van is: ongebreidelde hebzucht en machtswellust en de vaste wil om alles meedogenloos uit de weg te ruimen wat hem daarbij hindert.

Verlichting
Nu we het toch over macht hebben, kunnen we misschien ook nog een ander probleem aanraken dat in onze dagen weer heel actueel geworden is. Gesteld dat datgene wat ons geloof van ons vraagt niet in overeenstemming is met wat de burgerlijke wetgeving ons oplegt, wat moeten wij dan doen? Ik denk dat voor christenen die vraag momenteel vlug beantwoord is. Wij hebben de Verlichting verwerkt. Eerst hebben wij er ons tegen afgezet. Daarna hebben wij er ons mokkend bij neergelegd. En uiteindelijk hebben wij de Verlichting omarmd en in ons hart gesloten. Goed beseffend immers dat die Verlichting diepchristelijke roots heeft en een aantal thema’s naar boven haalde die heel christelijk zijn maar voorheen niet echt uit de verf kwamen. Er zijn geweldige conflicten geweest tussen vertegenwoordigers van beide strekkingen. Maar dat ging altijd om de macht. Want er is geen enkele tegenspraak tussen het Evangelie en de Verlichting. Concreet wil dat zeggen dat wij er ons van bewust zijn dat wij christenen momenteel niet de enigen zijn in onze maatschappij. Dat wij samenleven met moslims, boeddhisten, atheïsten enz. en dat wij elkaar moeten respecteren. En dat kan het best door zelf respect te hebben voor een wetgeving die het respect voor elke groep garandeert. Dat houdt dus in dat christenen wel kunnen evangeliseren, mensen overtuigen, niet proberen om, vanuit een wereldse machtspositie, hun ideeën OP TE LEGGEN aan anderen.
Dat is ooit wel anders geweest. De gedachte dat God ooit “alles in allen” zal zijn en dat heel de wereld ooit de God van Liefde van Jezus zal erkennen en volgen, heeft wel eens aanleiding gegeven tot gewelddadige conflicten. Het waren tijden dat wij de ideologische toer opgingen en Christus op een weinig christelijke manier een handje wilden helpen. Wij hebben dat niet uitgevonden. Het is een typische kinderziekte waar elke gedachtestroom last van heeft. Wij zijn daar uit. Sommige anderen (ook sommige atheïsten!) duidelijk nog niet. Wij wel.

Relativisme
Ondertussen moeten wij ons, denk ik, ook hoeden voor relativisme. De wet vervangt voor ons nog niet het evangelie. De wet is vaak heel breed omdat zoveel mogelijk mensen en groepen zich in haar moeten kunnen vinden.
Wij, christenen, gaan die wet niet minimaliseren, maar Jezus vraagt méér van ons dan wat de burgerlijke wet voorschrijft of toelaat. De rechtstaat schept een kader waarbinnen de verschillende levensbeschouwingen kunnen samenleven.
Maar de wetten vervangen de levensbeschouwingen niet. Steeds meer mensen vinden het al lang goed als ze in orde zijn met de wet. En dat is ook een levenshouding natuurlijk. Maar het is zeker niet de christelijke.