Dat aartsmoeilijke vergeven

Zondag 24 februari 2019, 7de zondag door het jaar (jaar C)

Vroeger dacht ik altijd dat de Bergrede hetzelfde was als de Zaligsprekingen waar we het de vorige week over hadden: Zalig de armen van geest, zalig de treurenden, enz. Maar de zaligsprekingen zijn maar een klein gedeelte van de Bergrede, die verschillende hoofdstukken beslaat en waarin de kern van Jezus’ boodschap klaar en duidelijk wordt uiteengezet. Als je ze in één zin zou moeten samenvatten, dan zou dat kunnen zijn: “Meer dan het gewone”. Wat Jezus van ons vraagt, is dat we meer zouden doen dan wat van ons verwacht wordt. Dat we meer zouden doen dan wat van een deftige burger of een treffelijk mens verwacht wordt. Hoe goed het ook is om een deftige burger of een treffelijk mens te zijn.

Méér doen
Voor Jezus is het niet genoeg om tussen de lijntjes van de wet te blijven. Voor Hem is het zelfs niet voldoende van aardig, lief en behulpzaam door het leven te gaan. Hij ziet vooruit. Hij kijkt verder dan onze burgerlijke neus lang is.
Voor Jezus is het duidelijk dat als wij meer vrede en rechtvaardigheid in de wereld willen brengen, dat we dan méér moeten doen. Jezus ziet duidelijk wel de “gulden regel van de moraal” als een noodzakelijke basis. Die gulden regel vind je in bijna alle godsdiensten en ethische systemen terug. Hij luidt: behandel een ander mens zoals je zelf graag wil behandeld worden. En dat is natuurlijk een voortreffelijke regel. Maar het is niet genoeg. Jezus kent de mens. Hij weet dat wij spontaan geneigd zijn om aan die regel van evenredigheid een kleine draai te geven. En om in plaats van ons te houden aan: behandel de andere zoals je graag zelf wil behandeld worden, maken we er al vlug van: behandel de anderen zoals zij jou behandelen. Het lijkt een kleine verschuiving, maar het is een wereld van verschil.

Desastreus
Want wanneer ik de laatste interpretatie tot de mijne maak, dan sta ik in het middelpunt. En wordt mijn houding t.o.v. anderen helemaal bepaald door hun houding tegenover mij. Dan zit ik wel gebeiteld, want dan ben ik lief voor wie lief is voor mij en wie mij kwaad doet zet ik het gewoon betaald. En niemand zal mij dat kwalijk nemen, want wat ik doe is helemaal niet raar. Integendeel, bijna iedereen zal dat normaal en rechtvaardig vinden. Zonder het misschien goed te beseffen zitten we dan wel helemaal terug in het oude heidense “oog om oog, tand om tand”.
Voor het jodendom en de islam, die beide de nadruk leggen op rechtvaardigheid, is er dan geen vuiltje aan de lucht, maar voor Jezus kan dat absoluut niet. Hij ziet zeer duidelijk de kwalijke gevolgen van zo’n houding van goed zijn voor wie mij goed doet en het terugslaan als mensen mij benadelen. Hij ziet hoe een dergelijke houding aan de basis ligt van uitzichtloze toestanden van ereschuld, van wraak en weerwraak, van generaties verder kankerende vijandelijkheden.
Niet alleen tussen individuen en families, maar ook tussen volkeren.

Toekomst
De enige mogelijkheid om die impasse te doorbreken is je losrukken uit die macabere dodendans, door de ander . . . te vergeven.
Iemand moet op een bepaald moment het moedige besluit nemen om de ander te vergeven. Dat is de enige mogelijkheid om de toekomst open te breken, om ervoor te zorgen dat er überhaupt nog toekomst is. Voor jezelf, je nabestaanden en voor de volgende generaties. Vergeven is een typisch christelijk begrip. Het staat in ieder geval nergens zo prominent op het voorplan als in het christendom. En het maakt als niets anders vooruitgang mogelijk. Zonder vergeving blijf je ronddolen in een eindeloze en uitzichtloze situatie. Vergeving is dus allereerst al een zeer praktisch instrument om een wereld van nieuwe mogelijkheden open te gooien.

Zoals God
Maar christenen vergeven vooral omdat ze daarin God proberen na te volgen in zijn ongelooflijke barmhartigheid. Die goddelijke barmhartigheid is veel meer dan een vrome gedachte van theologen. Het is iets dat je zelf ondervindt, iets waarvan je helemaal doordrongen wordt telkens wanneer je God ervaart in je leven. Wat ook de aard van die ervaring is, altijd opnieuw gaat ze gepaard met een diep besef van je eigen kleinheid, falen, zondigheid, tegenover de onvoorstelbare liefde en vergevingsgezindheid van God. En het is door die Goddelijke barmhartigheid dat wij ons laten inspireren. Niet ik ben de maatstaf als ik christen ben, maar God. Mijn houding als christen t.o.v. de ander wordt niet bepaald door de vraag: “Hoe is hij tegenover mij?”, maar door de vraag: “Sta ik even vergevingsgezind in het leven als de God waarin ik geloof?” Een God die de zon laat schijnen op rechtvaardigen en onrechtvaardigen en die mij altijd (altijd!) vergeeft, wat ik ook uitvreet.

Half zacht?
Blijft dan nog de vraag: altijd vergeven, is dat niet een beetje zwak, een beetje laf zelfs? Het antwoord is: als het zo is dan voel je dat onmiddellijk. Als je iemand vergeeft uit schrik, gewoon omdat je er bang van bent, dan zit je dat absoluut niet lekker, je voelt je ellendig. Als je laf bent voel je dat heel duidelijk.
Maar als je echt grootmoedig iemand vergeeft, dan geeft je dat een enorm gevoel van sterk-zijn. Zelfs als de ander niet beseft dat je hem vergeven hebt of er misschien zelfs om lacht. Je hebt immers het kwade in jezelf én in de ander overwonnen. Ik kan natuurlijk moeilijk uitmaken hoe een vrouw zich daarbij voelt. Maar zelf weet ik mij in geen enkele andere situatie zo 100% man, als wanneer ik soeverein iemand echt vergeef.

Hoezo, zalig de armen?

Zondag 17 februari 2019, 6de zondag door het jaar (jaar C)

Ieder van ons heeft wel een favoriete Bijbeltekst. Een stukje evangelie dat je nauw aan het hart ligt. Een verhaal, een parabel of een uitspraak die je koestert omdat die je bijzonder aanspreekt. Ik denk niet dat het stukje evangelie dat wij vandaag gelezen hebben de persoonlijke voorkeur wegdraagt van heel veel mensen. Ik zeg wel: persoonlijke voorkeur. Want de zaligsprekingen zijn ondertussen wel zeer gekend. Ze worden gezien als typisch christelijk én als één van de belangrijkste stukken uit het nieuwe testament, die zowat de kern weergeven van Jezus’ gedachten.
Maar ik kan me toch moeilijk voorstellen dat een gewoon iemand, iemand zoals u en ik, uitgerekend deze tekst zal kiezen als leidraad voor zijn persoonlijk leven.

Moeilijk
Omdat de zaligsprekingen serieuze weerstand oproepen, omdat ze, op het eerste gezicht althans, een radicale verwerping inhouden van het “goede leven”; het vrij zijn van zorgen wat betreft financiën en gezondheid en het genieten van een algemeen gevoel van welbehagen. Het lijkt wel of Jezus daar tégen is. En dat zijn toch juist de dingen die ieder van ons in zijn persoonlijk leven nastreeft. Het zijn volkomen normale en gerechtvaardigde strevingen, waarvan ieder van ons spontaan aanvoelt dat je als mens daar recht op hebt.
Bij de zaligsprekingen gaat het dus om een aantal uitspraken die je bijzonder moeilijk aan de man kan brengen. En predikanten hebben zich dan ook altijd ingespannen om er een wat meer aanvaardbare uitleg aan te geven.
Een voor de hand liggende “oplossing” is zeggen dat je de zaak meer “geestelijk” moet zien. Dat het gaat om geestelijke armoede, om eenvoud en zelfs om nederig en gelaten je lot te aanvaarden.
“Later komt het immers toch allemaal goed”. Maar dat kan dus echt niet. Want die opvatting is volledig in strijd met de christelijke praktijk doorheen de eeuwen. Misschien kunnen we de zaak beter begrijpen door juist naar die christelijke praktijk te kijken.

Nonnetjes
Tweeduizend jaar lang hebben ontelbare mannen en vrouwen vanuit hun geloof de geloften van armoede, gehoorzaamheid en kuisheid afgelegd.
Niet omdat zij die armoede, gehoorzaamheid en kuisheid zagen als het ideaal, maar om op een vrijere manier God te kunnen dienen in het zorg dragen voor mensen. Die zogenaamde wereldse dingen zagen ze dus niet als slecht op zich. Integendeel, zij ontzegden zich allerlei geneugten om des te beter ervoor te kunnen zorgen dat anderen het beter hadden.
De economische opgang en de welvaart zijn een heel recent verschijnsel.
En zo ook al de diensten die de overheid nu kan aanbieden. Maar eeuwenlang heerste er schaarste, waren er misoogsten en hongersnood en stond de geneeskunde nog nergens. Het waren toen juist deze religieuzen die zichzelf van alles ontzegden om beter de armen bij te staan, de zieken te verzorgen, de kinderen te onderwijzen. Tijdens de middeleeuwen waren de meest populaire mensen niet de koningen, de ridders of de troubadours, maar de gasthuiszusters, die wat licht en warmte brachten in het leven van armen en van mensen op de sukkel. Duizenden van die nonnetjes gingen in Europa vrijwillig de dood in, om pestlijders te verzorgen die door iedereen in de steek waren gelaten. Het is dus een beetje gek om te veronderstellen dat Jezus in de Bergrede armoede, ziekte, verdriet en ellende aanprees, want zijn beste volgelingen hebben deze dingen altijd met alle kracht bestreden.

Levensvervulling
We moeten het dus niet te ver gaan zoeken. De oplossing van het schijnbare raadsel is heel eenvoudig. Wat Jezus ons zegt is dat het goede leven en wat daar voor nodig is (een zeker comfort bijvoorbeeld) goed is op zich. Maar ook dat levensvervulling en geluk alles te maken hebben, niet zozeer met geld en comfort, maar met liefdevol in het leven staan. Dat je m.a.w. je leven pas als zinvol zal ervaren in de mate dat je respectvol, helpend en zorgdragend omgaat met anderen. En dat kan je niet – en hier komt de aap uit de mouw – dat kan je gewoon niet als je alleen maar of bijna alleen maar bezig bent met te zorgen voor jezelf. Je kan gewoon niet echt iets betekenen voor anderen als je alleen maar bezig bent met geld en eigen aanzien. En je kan nooit echt begaan zijn met de pijn en het verdriet en de ellende van andere mensen als je vooral bezorgd bent om je eigen comfort, je vakanties en al de genietingen die de wereld je te bieden heeft. En je in feite vooral niet gestoord wil worden met de miserie van anderen.

Levenskeuze
En dát is het wat de zaligsprekingen ons duidelijk proberen te maken.
Het gaat over een fundamentele levenskeuze die je moet maken. Het gaat niet over het beroep dat je moet kiezen of over het maximaal toelaatbaar bedrag van je inkomen of de grootte van je huis. Daar is het Jezus niet om te doen! Het gaat over de fundamentele levenskeuze die ik maak. Wat streef ik na, wat is mijn uiteindelijk levensdoel? En vooral: waar verwacht ik alles van? Waar stel ik mijn hoop op om geluk en levensvervulling te vinden?
Als ik, zoals Jezus dat van mij vraagt, dienend, solidair en liefdevol in het leven sta, dan zal dat niet altijd gemakkelijk zijn, maar een diep gevoel van geluk en levensvervulling zal mijn deel zijn. Als ik alleen maar alles naar mij toehaal en alleen maar mijn eigen pleziertjes nastreef, mag ik het vergeten. Na elke instant bevrediging wordt het diepere onvoldaan-zijn en de leegte alleen maar groter.
En in die zin: zalig de armen, want zij zijn nog niet de doodlopende weg ingeslagen, zij maken nog alle kans op levensverbetering en levensvervulling.

De Gans-Andere

Zondag 10 februari 2019, 5de zondag door het jaar (jaar C)

Soms gaat de hemel eenvoudig voor je open. Heel even maar, een klein momentje, maar lang genoeg om je lenzen op scherp te zetten en ineens te begrijpen wat je nooit hebt willen of kunnen zien. Onontwarbaar gewaande knopen ontrafelen zich en de oplossing van een aardsmoeilijk probleem wordt je zomaar in de schoot geworpen. Het lijkt of je daar zelf niets moet voor doen. Iemand zegt iets, heel gewoon en nietsvermoedend, of je oog valt toevallig op een woord of op een foto, en ineens is het er, die straal die recht uit de hemel lijkt te komen en die alles glashelder en klaar en doorzichtig maakt. Ik denk dat roeping zoiets is.
Ineens, volkomen vanuit het niets, staat je klaar en duidelijk voor ogen wat je moet doen, welke richting je leven zal uitgaan.

Hulp
Nu ja, zo volkomen uit het niets komt dat natuurlijk ook niet. Je zit al langer met vragen, je bent er al langer mee bezig, maar je slaagt er maar niet in daar enige klaarheid in te krijgen. En dan ineens is er dat magische moment. Wat je op één of andere manier altijd al vaag geweten hebt, staat je ineens helder als kristal voor ogen. Wat er impliciet altijd al geweest is, treedt ineens expliciet naar buiten.
En je weet zeker dat iets je zover gebracht heeft, je minstens geholpen heeft.
Ik heb me laten vertellen dat ook in de wetenschapsbeoefening dit verschijnsel gekend is. Vóórdat iemand een nieuwe uitvinding doet of tot een baanbrekend inzicht komt, is er dat volstrekt wetenschapsvrije moment waarin de intuïtie een zeer belangrijke rol speelt in het vinden van de goede richting.
En dan ineens is er het moment waarop je verstand het geheim ontrafelt en inzicht en begrip de plaats innemen van onwetendheid en machteloosheid.
Maar “Iets” – noem het intuïtie – heeft je tot bij de poort gebracht.

Gelokt
Ik denk dat ook bij een religieuze roeping zich iets dergelijks afspeelt. Iets waar je eigenlijk altijd al mee bezig was, staat je ineens klaar en duidelijk voor ogen en je wordt daar helemaal van vervuld. Alles is anders.
Het is zoals de zon die door de wolken breekt en het hele landschap kleur en warmte geeft. Maar je weet duidelijk: ik heb dit niet allemaal zelf uitgevonden, ik ben dit niet helemaal alleen op het spoor gekomen, ik ben daarin geholpen, ik ben eigenlijk een beetje “gelokt”. En dat alles samen maakt de ervaring onbeschrijflijk. Letterlijk. De toevoeging van donder, een stem uit een wolk of verschijnende engelen is daarbij niet buitenissig. De ervaring is zo overrompelend, dat alleen mythische taal bekwaam is om ons een idee te geven van wat er gebeurt. En dat geldt voor alle momenten waarop wij iets van God gewaarworden.

Taal
De mythische taal is de enige die bekwaam is om het ontzag en de huiver uit te drukken t.o.v. Hem die de Gans-Andere is. Wij gebruiken dat woord (Gans-Andere) wel vaak, maar wij beseffen in onze tijd te weinig nog dat God inderdaad de Gans-Andere is. God is gedomesticeerd, wij praten erover alsof Hij bij ons thuis op de schouw staat. Maar wij “kennen” God niet. Weet u waarom het heelal zo ondenkbaar uitgestrekt is? Of waarom de Andromedanevel geschapen is? In ieder geval niet voor mij. En ook niet voor de mensheid. Wij weten zo goed als niets van die dingen. Het enige wat wij vanuit ons geloof weten, is dat God onnoemelijk veel van ons houdt. Meer weten wij niet. Maar er is in onze taal geen ruimte meer voor het niet-weten, het niet-kennen van God. De grootste ramp die het geloof kon overkomen gebeurde toen men vanaf de 16de en 17de eeuw de wetenschappelijke taal en methodes ook ging toepassen op het geloof. Uit die bedenkelijke koppeling kwam een eigenaardige tweeling voort: atheïsme en fundamentalisme. Een tweeling inderdaad. Want hoewel ze elkaar hevig bestrijden, zijn ze elkaars spiegelbeeld.
Beiden hebben het immers over een God die ze helemaal menen te kennen.
En die dus per definitie niet bestaat.

Zee
Dit even terzijde. Terug nu naar “Roeping” in de christelijke betekenis. In het evangelie van vandaag zegt Jezus dat Hij van zijn leerlingen “vissers van mensen” wil maken. De leerlingen tegen wie Hij dat zei waren vissers van beroep en zij zullen onmiddellijk begrepen hebben wat Jezus bedoelde. De zee was voor hen hun kostwinning. Maar tegelijk was de zee ook heel bedreigend. Er waren stormen en schipbreuken. De tol aan mensenlevens was hoog, de vis werd duur betaald. Wat Jezus bedoelt is dat zijn volgelingen de taak hebben om mensen weg te halen uit alle mogelijke onheilssituaties. Uit alle situaties die duisternis en dood betekenden voor hen.

Levenshouding
Christenen hebben dat altijd en van in het begin begrepen. Ze hebben van bij de aanvang, aangepast aan de tijd en de beschikbare middelen, een veelkleurige en onvergelijkbare waaier ontplooid aan liefdadige initiatieven, caritatieve instellingen, sociale actie en individuele menslievendheid.
Maar misschien hebben wij, zoals vorige week al werd aangehaald, er te weinig de nadruk op gelegd dat naastenliefde niet zozeer een morele verplichting is, maar de vanzelfsprekende levenshouding van mensen die geloven dat God liefde is. En dat wij precies door zo te leven, zin in ons eigen leven vinden. En ook ons eigen geluk. Ook in deze tijd zullen we dus tegen de “flow”, tegen de heersende mentaliteit moeten ingaan. Overtuigd dat er geen levenszin en geen geluk te vinden is in een puur hedonistische manier van leven, maar juist in het je dienstbaar opstellen t.o.v. anderen.
En om daarvan met ons eigen leven te getuigen.

Afwijzing

Zondag 3 februari 2019, 4de zondag door het jaar (jaar C)

“Geen sant in eigen land”, zegt het spreekwoord. En het verwondert niet dat ook deze zegswijze, zoals ontelbare andere in zoveel verschillende talen, teruggaat op een passage uit de Bijbel. In dit geval op wat Jezus overkwam in Nazareth. Het gaat hier om een merkwaardig verschijnsel dat iedereen onmiddellijk herkent. Wanneer iemand uit een kleine gemeenschap bekend en zelfs beroemd wordt, een kunstenaar, een sportfiguur of een politicus, dan zijn de mensen die hem of haar kennen van vroeger heel fier: het is iemand van hen. Ze blijken dan vroeger ook altijd heel erg close geweest te zijn, waren bevriend met de familie, herinneren zich vele anekdotes, kortom, ze waren zo goed als familie. Maar de algemene verrukking duurt niet lang. Ze brokkelt af en wordt al heel snel veel minder algemeen.

Boekskes
Al van in het begin zijn er trouwens mensen die sowieso tegen zijn. Mensen die d ’office alles naar beneden trekken wat een beetje boven het gemiddelde uitsteekt. De gedachte erachter is dat je zelf een beetje groter wordt als je iemand die meer betekent dan jij naar beneden haalt. Het is niet direct een verheven gedachte, maar ze ligt in onze tijd wel aan de basis van het grote succes van “de boekskes”. De journalisten van die boekskes weten immers heel goed dat mensen er vaak plezier aan beleven wanneer prominenten uit de wereld van de politiek, de wereld van de sport of de wereld van de showbusiness naar beneden getrokken en door het slijk gehaald worden. Die werelden van show, politiek en sport liggen overigens heel dicht bij elkaar . . .
(En terwijl ik die laatste zin opschrijf besef ik dat ik nu precies hetzelfde doe als “de boekskes”: blijkbaar heb ik het er, als priester, toch een beetje moeilijk mee dat zowel de politiek als de sport als de show momenteel veel meer dan het geloof zich mogen verheugen in aanzien en interesse bij de mensen. Vandaar dat ik deze opendoelkans niet mocht missen.) En dat brengt ons dan weer naadloos bij een volgende reden van afwijzen: jaloezie.

Ommezwaai
Bewondering en jaloezie liggen vaak dichter bij elkaar dan we denken.
Ik denk dat dit in Nazareth ook het geval geweest is. De fierheid om “de jongen van bij ons die het gemaakt heeft” maakt al vlug plaats voor de gedachte: “Wat heeft hij eigenlijk dat ik niet heb? Ik ken bovendien zijn hele familie, zo speciaal zijn die toch ook niet.” Het zijn allemaal heel kleinmenselijke houdingen, die wij herkennen in onze eigen omgeving. En misschien zelfs bij onszelf.
Bij de afwijzing van Jezus in Nazareth speelde echter nog iets anders een rol, misschien wel de grootste rol. Jezus heeft al een zekere faam verworven als genezer en wonderdoener. En nu hij zijn vroegere dorpsgenoten vereert met een bezoek zijn ze natuurlijk vol verwachting dat ook zij, misschien nog meer dan de “vreemden”, zullen kunnen genieten van zijn wonderlijke gaven. Maar in plaats daarvan begint Jezus hen tegen de haren in te strijken en te zeggen dat ze zich moeten bekeren, hun leven moeten beteren.
Dat is nu toch wel het toppunt. Wat denkt die omhooggevallen melkmuil wel? Terwijl hij anderen laat genieten van zijn kunstjes, komt hij ons hier de les spellen. En de aanvankelijke bewondering en nieuwsgierigheid slaat om in afkeer en woede.

Onze tijd
Als we nu even het anekdotische achter ons laten en dit verhaal op onze tijd leggen dan werpt dit misschien ook een heel ander licht op de lamentabele toestand waarin kerk en geloof zich momenteel bevinden.
Vroeger werd God door de meeste mensen vooral gezien als de wonderdoener, de redder in nood, de laatste toevlucht bij ziekte, armoede en doodsgevaar.
Toen, vooral na het concilie, het accent kwam liggen op het appél dat van God uitgaat naar ons toe, op zijn aandringen dat ons leven genezend, bevrijdend en leven gevend zou zijn voor anderen, toen voltrok zich geruisloos een copernicaanse omwenteling bij de grote massa mensen. Misschien heeft de Kerk daar veel te weinig oog voor gehad. Mensen willen op de eerste plaats gelukkig zijn. Iedere mens wil een gelukkig leven, genieten van vele dingen en gespaard blijven van ziekte en van pijn. Duizenden jaren lang hebben de mensen voor al deze dingen hun toevlucht gezocht in het geloof. En nu ineens is God geen wonderbare bondgenoot meer die hen daarbij helpt, maar een appel om eerst het geluk van anderen na te streven.

Verzuim
Men heeft te veel verzuimd de mensen duidelijk te maken dat een leven van inzet voor anderen geen moeizame plicht is, maar juist de beste weg naar diep geluk voor jezelf. En dat verzuim bleek een historische blunder zonder voorgaande. En dus verlieten de oudere generaties de kerk en bleven ze alleen de bedevaartsplaatsen trouw. Want daar kan je nog terecht met vragen om hulp en genezing. En de jongere generaties, die zoeken het geluk gewoon ergens anders. Want ondertussen was er natuurlijk ook de fors gestegen welvaart . . . Men heeft gedacht de mensen te bevrijden door Latijn, wierook en wijwater in de kast te zetten. Maar daar ging het helemaal niet om. De echte uitdaging voor de Kerk is mensen van vandaag, met al hun welvaart, ervan te overtuigen dat menselijk geluk en zinvol leven het doel is van het geloof, maar dat je pas echt gelukkig wordt in de mate dat je anderen gelukkig maakt.
Én dat God je dáárbij helpt. Op wonderbare wijze.