Straft God?

Zondag 24 maart 2019, 3de zondag van de Veertigdagentijd (jaar C)

Wij weten dat wij ooit rekenschap zullen moeten afleggen over de manier waarop wij geleefd hebben. Over wat wij deden met de kansen die wij kregen en de tegenslagen die ons troffen. Hoe wij ermee zijn omgegaan.
Ooit, aan het eind van ons leven, zullen wij daarop beoordeeld worden. Dat is ons geloof. En wie zegt beoordeeld worden, die zegt meteen ook dat de mogelijkheid bestaat dat wij te licht bevonden worden en dat wij het voor altijd verenigd worden met God ontlopen. En dat kan je moeilijk anders dan een straf noemen. De vraag rijst dan: “Straft God ook tijdens ons leven?” Iets wat toch vaak beweerd wordt. Die vraag is al veel minder gemakkelijk te beantwoorden en het liefst van al was ik er stilletjes overheen gewalst, maar dat kan niet. Het evangelie van vandaag laat dat niet toe.

Samenhang
Om te beginnen zou je kunnen zeggen dat het erop lijkt dat God wel degelijk straft, maar dan niet zozeer door een actief ingrijpen maar gewoon door de wijze waarop Hij ons gemaakt heeft. Wij steken immers zo in elkaar dat als wij voortdurend ingaan tegen wat God van ons vraagt, wij bij manier van spreken onszelf straffen. Als wij ons voortdurend te buiten gaan aan buitensporigheden op gebied van eten, drinken en seks, zullen wij niet lang gezond blijven. En als we heel gewelddadig in het leven staan zullen we waarschijnlijk ook niet oud en sereen sterven op ons bed. Iets dergelijks vind je ook terug in het geestelijk leven. Mensen die tegen hun diepste inzichten leven, hebben vaak last van hun geweten. En zelfs als dat geweten afgestompt is, geraken ze dikwijls toch nog psychisch uit hun evenwicht. Wat ook niet bevorderlijk is voor een tevreden en gelukkig leven.

Voorspelbaar
In die zin zou je inderdaad kunnen zeggen dat God ons straft voor alles wat wij laten foutlopen in ons leven. Van kleine pekelzonden tot echte misdaden.
Maar eigenlijk hangt die “straf” samen met ons gedrag. Ze is er het voorspelbare en logische gevolg van. Zoals de volksmond zegt: wie met vuur speelt moet op de blaren zitten. Als je elke dag 2 flessen sterke drank soldaat maakt en je lever gaat eraan moet je daarna niet jammeren van: Waar heb ik het verdiend, waar heb ik het verdiend?
God heeft ons zo gemaakt, wij steken zo in elkaar dat een gezonde levensstijl en een normaal, sociaal en vriendelijk gedrag zichzelf beloont. Terwijl een excentrieke levensstijl en asociaal en vijandig gedrag zichzelf bestraft.

Heidens
Iets heel anders is het wanneer ons, zonder enig spoor van eigen schuld, ongelukken overkomen, als wij een schrijnend verdriet te verwerken krijgen of wanneer iemand waar we heel veel van houden totaal onverwacht ziek wordt en sterft. Altijd weer opnieuw slaan zo’n gebeurtenissen ons met verbijstering omdat ze zo zinloos, zo willekeurig, zo verschrikkelijk onrechtvaardig lijken. Zelfs mensen die niet geloven zeggen dan: dat hebben we toch niet verdiend.
Alsof er toch ergens een instantie moet zijn die het goede beloont en het kwade straft. En voor gelovigen is dat dan nogal vlug: God. Toen men een jongetje op school eens vroeg wie God voor hem was, antwoordde hij: “God, dat is Iemand die je altijd scherp in het oog houdt om te kijken of je niet ergens plezier in hebt. Om je dan daarvoor te straffen”. Een beetje leuke, wat kinderlijk-naïeve opvatting natuurlijk. Maar eigenlijk is die hele gedachte dat God ons regelmatig straft voor onze fouten, kinderlijk, primitief en door en door heidens. En dat is minder leuk. Want die gedachte kleeft doorheen de eeuwen als een gezwel aan het godsdienstige denken van heel veel mensen.

Geen straf
Jezus maakt er in ieder geval korte metten mee. Al de risico’s die wij lopen wat betreft ziekten, ongevallen, natuurrampen enz. behoren fundamenteel bij het leven. Ze treffen op ieder ogenblik goeden en slechten, schuldigen en onschuldigen. Ze treden volkomen willekeurig op en moeten dus niet gezien worden als straf van God. Jezus maakt wel gebruik van die situatie om te wijzen op de betrekkelijkheid van alles, op de kwetsbaarheid van ons leven en op de mogelijk korte duur ervan. Gebruik de tijd die je krijgt goed, zegt Hij. Gebruik je tijd die je krijgt om iets van je leven te maken, om te groeien, om vruchten voort te brengen. Om er iets moois van te maken. Verdoe de je toegemeten tijd niet met vodden. Werk aan jezelf, groei in wijsheid en in dienstbaarheid. Zorg ervoor dat als je leven morgen plots afgelopen is, dat je er dan iets mee gedaan hebt. Dat je niet met lege handen voor God staat.
Niet iedereen krijgt dezelfde talenten en kansen, niemand van ons vertrekt aan dezelfde streep. Niet ieder van ons wordt even oud. Maar ieder van ons heeft de taak te groeien en te woekeren met het materiaal dat hij gekregen heeft.

Goddelijk geduld
En dan is er nog die oneindig rustgevende parabel over de onvruchtbare vijgenboom. God heeft oneindig veel geduld met ons. Ook in het geestelijk groeien zijn er hazen en schildpadden. Ik zie mijzelf duidelijk als een schildpad.
Maar God houdt zowel van schildpadden als van hazen.
En Hij toont zijn liefde voor mij juist in het eindeloos geduld dat Hij met me heeft.

Wij moeten hen helpen

Zondag 17 maart 2019, 2de zondag van de Veertigdagentijd (jaar C)

“De wereld is ons dorp”, schreef Prof. Baeck al in de jaren 70. En inderdaad, dankzij de media mag er zo goed als niets in de wereld gebeuren of wij weten het. Maar wat er allemaal in dat grote dorp van ons gebeurt, is niet zo fraai.
Vandaag enkele gedachten bij de campagne van Broederlijk Delen die door onze parochies gesteund wordt. Een campagne die straatarme boeren in Guatemala wil helpen om een lapje grond te verwerven, en daarop aan landbouw te doen en bijvoorbeeld wat kippen te houden voor eigen gebruik. Die boeren werken nu op reusachtige plantages die eigendom zijn van grootgrondbezitters. Op die plantages wordt 1 bepaald product verbouwd, bestemd voor de uitvoer. In Guatemala is dat koffie, op andere plaatsen in Zuid-Amerika zijn dat bijvoorbeeld graangewassen als voeder voor de dieren, die moeten zorgen voor steaks en hamburgers voor Noord-Amerika.
Het is de boeren niet toegestaan iets anders te verbouwen, ze krijgen voor hun werk een hongerloon en als ze 1 dag afwezig zijn, door ziekte van henzelf, hun vrouw of een van hun kinderen, worden ze ontslagen. En ander werk is er niet.
Toen enkele jaren geleden de koffieprijs instortte, vonden de grootgrondbezitters in Guatemala het de moeite niet meer waard en ze lieten de grond braak liggen. Maar het verbod voor de boeren om op een klein stukje iets voor zichzelf te verbouwen, bleef. Organisaties ter plaatse, die door Broederlijk Delen gesteund worden, proberen nu via bewustmaking, politieke druk en met juridische middelen te bekomen dat de arme boeren eigenaar worden van een stukje grond dat toch niet gebruikt wordt. Zodanig dat ze voor zichzelf en hun gezin aan een betere toekomst kunnen werken.

Zelfrespect
Het spreekt natuurlijk vanzelf dat het om nog veel meer gaat dan alleen maar een meer gevarieerde en gezonde voeding en een beetje geld. Wanneer zo’n uitgebuite landarbeider een kleine maar zelfstandige boer wordt, dan geeft dat een enorme boost aan zijn gevoel van eigenwaarde. Hij is geen slaaf meer die altijd maar moet buigen en knikken voor het allernoodzakelijkste voedsel voor zijn gezin, maar iemand met verantwoordelijkheid, die echt aan de toekomst van zijn gezin kan werken. Iemand die rechtop gaat, die zich misschien voor het eerst echt een mens weet omdat hij iets kan betekenen voor anderen. Speciaal voor hen die hem het nauwst aan het hart liggen, zijn vrouw en zijn kinderen. En wat geldt voor de mannen geldt natuurlijk evenzeer voor de vrouwen. Vrouwen staan er in Latijns-Amerika dikwijls helemaal alleen voor en dan blijkt dat in de strijd voor meer rechtvaardigheid, vrouwen vaak mondiger en militanter zijn dan mannen.
Wij moeten deze mensen helpen. Het is gewoon een kwestie van elementaire rechtvaardigheid. En van menselijkheid.

Kan dat?
Wij zijn altijd verontwaardigd als wij horen over de sociale wantoestanden de voorbije eeuwen hier bij ons en we zijn maar wat blij dat er nu een zekere welstand is voor bijna iedereen. Maar, omdat de wereld inderdaad ons dorp geworden is, zijn wij perfect op de hoogte van de hemeltergende corruptie, uitbuiting en onderdrukking in grote delen van die wereld vandaag.
En dat maakt ons triest en opstandig. Want wij denken dan dat wij daar zelf niets aan kunnen veranderen. Wij zijn tenslotte geen politici. En wij behoren niet tot die 1% van de wereldbevolking van wie het gezamenlijk vermogen groter is dan dat van de overige 99%.

Het kan!
Maar . . . wij kunnen wel iets doen. Wij kunnen ons bijvoorbeeld meer richten op fairtrade producten en geen luxevoedsel kopen uit exotische landen, als we weten dat ze in onmenselijke omstandigheden gekweekt zijn. En wij kunnen vooral acties als die van Broederlijk Delen steunen, acties die op een niet-gewelddadige manier aansturen op echte en duurzame hervormingen.
Wij, westerlingen, zullen in ieder geval tot een vorm van herverdeling moeten overgaan. Zelfs als we het niet doen vanuit morele verontwaardiging, dan zullen we het toch moeten doen voor onze eigen veiligheid.
Want ook voor de doodarme uitgebuite mensen van de ontwikkelingslanden is de wereld een dorp geworden: zij zien hoe wij leven. Met wat een overvloed aan mogelijkheden en comfort. Terwijl zij niets hebben, niet eens genoeg te eten.
Voor hen zijn wij de hedendaagse bewoners van burchten en luxevilla’s, terwijl zij zoals de arme Lazarus ondervoed en met zweren overdekt aan onze poort liggen.

Het moet
Als wij niet echt gaan delen met hen, komen ze het op een dag zelf halen.
Niet met honderden en duizenden zoals de vluchtelingen nu, maar met tientallen miljoenen tegelijk. Dan overkomt ons wat de Romeinen overkwam. Dan worden wij weggevaagd door kolossale volksverhuizingen. Als christenen mogen wij echter niet handelen uit angst. Als wij achter meer rechtvaardigheid en herverdeling staan, dan is dat op de eerste plaats omdat wij Jezus willen volgen. Jezus, die ons leerde dat onze naasten niet noodzakelijk verwanten of buren zijn, maar elke mens die ik zou kunnen helpen en die beroep op mij doet.
Een totaal onbekend kind dat naar etensrestjes zoekt op een vuilnisbelt even buiten Kinshasa, is evenzeer mijn naaste als mijn tante in het rusthuis die weinig bezoek krijgt. Elke mens in nood is mijn broer of zus. En heeft recht op hulp.
Pas als dat besef diep in mij leeft, mag ik mij volgeling van Jezus noemen.

Op zoek naar geluk

Zondag 10 maart 2019, 1ste zondag van de Veertigdagentijd (jaar C)

Het gaat niet zo goed met ons. De verdeeldheid tussen de mensen neemt toe. De kloof wordt groter tussen jong en oud, tussen hoog- en laaggeschoolden, tussen ontwikkelde landen en landen van de derde wereld. Mensen hebben ook steeds meer het gevoel dat hun mening in de gestroomlijnde pers nooit aan bod komt. In de politiek is “waarheid” een wel zeer rekbaar begrip geworden en in plaats van te streven naar eenheid, en te zoeken naar oplossingen waar zowat iedereen zich kan in vinden, lijkt het of men alleen nog probeert de tegenstander in diskrediet te brengen. Gele hesjes, klimaatbetogingen, toenemend racisme, het zijn allemaal uitingen van een stijgend onbehagen met de huidige toestand en met angst en onzekerheid voor de toekomst. Het is allemaal nogal alarmerend. In zo’n situatie is het heel belangrijk dat wij terug op zoek gaan naar dingen die ons verbinden, naar dromen en verzuchtingen die alle mensen gemeen hebben. En als je dat doet, als je daarnaar op zoek gaat, dan valt onmiddellijk één verlangen op dat leeft in elke mens: het verlangen naar geluk.
Elke mens, uit elke tijd en uit elk volk en land en cultuur wil gelukkig zijn, wil een gevuld, zinvol en gelukkig leven leiden. Het is in de manier waarop wij dat geluk nastreven, dat wij verschillen. En die manier waarop wij ons geluk nastreven en ons leven uitbouwen, heeft soms catastrofale gevolgen voor anderen. Soms zelfs voor onnoemelijk veel mensen.

Aanzien
En daarover gaan de bekoringen van Jezus in de woestijn. Over de verkeerde middelen die wij soms aanwenden om gelukkig te zijn. Verkeerd, omdat ze nooit het beoogde doel bewerken en vaak ook nog eens ongelukkige of zelfs noodlottige gevolgen hebben voor andere mensen. En een eerste middel waarvan wij vaak menen dat het ons gelukkig gaat maken, is aanzien verwerven. Wij leven in een tijd van de cultus van vedetten. Mensen die heel gekend zijn en ook heel rijk werden, bijvoorbeeld via sport of entertainment, die worden door miljoenen bewonderd. En ook als zij gemakkelijk een halve stad uit de armoede konden halen, maar dat niet doen, dan nog blijven de mensen hen bewonderen. Vandaar de enorme bekoring om zelf ook gekend en bewonderd te worden. Vandaar dat het aantal volgers en “likers” op facebook zo belangrijk is, en het beeld dat anderen over ons hebben. Aan dat beeld wordt heel veel aandacht besteed. Op facebook bijvoorbeeld zal je daardoor ook nooit iemand echt leren kennen. Het enige wat je daar leert is hoe de ander zou willen dat je hem of haar ziet, hoe je over hem of haar denkt. . .
Bekendheid en aanzien zijn soms wel leuk en ze strelen je ijdelheid, maar ze maken je niet duurzaam gelukkig op zich. Als gekende, rijke en aanzienlijke mensen ook gelukkige mensen zijn, en die zijn er natuurlijk ook, heel veel zelfs, dan zijn ze gelukkig omwille van andere redenen. . .

Macht
Macht dan? Ook niet. Mensen die het gaan zoeken in macht zijn bijna per definitie mensen die ongelukkig zijn en die, juist omdat ze ongelukkig zijn in hun situatie, compensatie voor dat gemis gaan zoeken in macht. Het prototype is hier de mislukte schilder Adolf Hitler. Dat machtsgeile vind je echter niet alleen terug in de hoogste regionen van politiek en maatschappij. Je vindt het overal, je botst er overal tegenaan, ook in de kleinste parochie of vereniging, ook in families en gezinnen. Macht geeft je ontegensprekelijk korte momenten van euforie en voldoening. Maar het maakt je zeker niet blijvend gelukkig. Machtshonger is een ziekte die vreet aan jezelf en die desastreus is voor anderen.

Genegenheid kopen
En dan heb je tot slot nog de verleiding van het veranderen van stenen in brood. Het gaat dan niet zozeer over brood om je eigen honger te stillen, maar om brood dat je onbeperkt kan uitdelen. Het gaat over de hoop dat je vriendschap en geluk kan kopen met het uitdelen van materiële zaken, met de milde weldoener uit te hangen. Ook hier moeten we niet ver naar voorbeelden gaan zoeken. Goddank bestaat er in veruit de meeste gevallen een sterke liefdesband tussen ouders en hun kinderen en bestaat er meestal ook een oprechte en aandoenlijke genegenheid tussen grootouders en hun kleinkinderen. Maar soms zie je ook hoe grootouders eerder gezien worden als oudere mensen met geld “waar ze toch niks mee doen, terwijl wij het zo goed kunnen gebruiken”. En je ziet dan hoe oma en opa genegenheid proberen te kopen. Maar dat gaat niet. Een vluchtig dankjewel en soms zelfs een haastige kus kan er nog net af, maar dat is het dan.

Basisvertrouwen
Je kan genegenheid niet kopen. En nu komen we bij de kern. Mensen steken zo in elkaar dat ze alleen maar gelukkig zijn als ze beminnen. En vooral: als ze zich bemind weten, als ze weten dat er iemand is die heel sterk van hen houdt. Maar omdat menselijke geliefden sterfelijk zijn, veranderlijk, ontrouw kunnen worden, is het van enorm belang te kunnen geloven dat de Grond van het bestaan van je houdt, dat je gewild bent en bemind wordt door God zelf. De volgende generaties dat geloof onthouden in die God die liefde is, zou hun basisvertrouwen ernstig kunnen schaden. En dat zou naar mijn gevoel meer dan een vergissing zijn. Het zou bijna een misdaad zijn. Moeten we er bijgevolg niet alles aan doen om die tendens tegen te gaan? En onze kinderen opnieuw de kans geven om die God van Jezus, die liefdevolle, dragende grond van het leven te leren kennen?

Vasten: een tandje bijsteken

Zondag 3 maart 2019, 8ste zondag door het jaar (jaar C)

De vastenperiode is bij uitstek een tijd van bekering. Een tijd waarin wij bewust blijven stilstaan bij wat er mogelijk fout loopt in ons leven en waar wij zelf schuld aan hebben. Omdat wij ons in bepaalde situaties hebben laten leiden door onze minder fraaie karaktereigenschappen en verlangens. Bekering is zeker niet gemakkelijk. In de eerste plaats al omdat het de erkenning inhoudt dat we soms grondig fout zijn en kwaad doen. En dat is bijzonder moeilijk.
In christelijke tijden kreeg je het besef van eigen falen mee met de moedermelk. Een besef dat, mits men daarin niet overdrijft, heel gezond is. . .
Maar dat is voorbij. Wij doen geen kwaad meer. Wij toch niet. En dat is meteen de tweede moeilijkheid. In onze tijd wordt kwaad alleen bedreven door de anderen: door de Staat, de politici, de banken, de vervuilers, de vreemdelingen, je buurman, je schoonmoeder. Die doen kwaad, die zijn regelmatig fout. En als je echt niet meer weet wie je de schuld van iets moet geven, kan je altijd nog zeggen dat het prins Laurent zijn fout is. Maar ik? Neen, ik doe nooit iets verkeerd, toch niet bewust. En toch is bekering iets voor ieder van ons. Speciaal voor ieder van ons, gewone mensen. Want echt slechte mensen, voor wie bekering het meest nodig is, die willen zich niet bekeren. En door-goeie, heilige mensen, die hebben geen bekering nodig.

Zelfkennis
Bekering is dus echt iets voor u en voor mij, voor gewone, “normale” mensen.
En een derde, en zeker niet de minste moeilijkheid bij bekering, is dat wij onszelf beter moeten leren kennen. Dat wij moeten op het spoor komen, trachten te ontdekken, wat er echt leeft in ons hart. Niet wat wij graag denken dat er leeft in ons hart. Maar wat er echt leeft in ons binnenste aan verzuchtingen en verlangens, aan frustraties en teleurstellingen, aan woede en verdriet. Proberen te ontdekken wat onze echte beweegredenen en motieven zijn. Je moet daarvoor niet naar de psycholoog of psychiater. Gewoon doen wat Jezus voorstelt is veel efficiënter (en ook goedkoper). Sta eens wat meer stil bij wat je zegt, vooral bij wat je zegt over anderen. Waar het hart van vol is, daar loopt de mond van over, zegt Jezus. Als je dus wil weten wat er echt leeft in je hart, heb dan aandacht voor wat je zegt, hoe je het zegt, tegen wie je het zegt en waarom je het zegt. En je zal merken dat er meer kwaad, meer negatiefs in je hart leeft dan je zelf voor mogelijk hield. En dat duistere in je hart is zo mogelijk nog schadelijker voor jezelf dan voor een ander. Bekering houdt altijd een dubbele beweging in: je afkeren van én je toekeren naar.
En omdat wij relationele wezens zijn, zal die ommekeer zich noodzakelijkerwijze afspelen op het vlak van onze relaties. Onze relatie met God, onze relatie met onze medemensen en onze relatie tot onszelf.
Laat ons het eerste er uitpikken en eens kijken naar onze relatie met God.
Laten wij om te beginnen eens tijd maken om rustig te overwegen hoe het staat met ons geloof. Of wij überhaupt wel een relatie hebben met God?

Bidden
Dat klinkt misschien wat hoog gegrepen, maar het is wel essentieel: als je gelovig bent, als je echt gelooft in God, dan volgt daaruit automatisch dat je ook contact zoekt met God. M.a.w. dat je. . . bidt tot God. Dat is een essentiële maatstaf van gelovig zijn. En bidden tot God is iets totaal anders dan praten over God. Er zijn universiteitsprofessoren die heel hun leven bijzonder geleerd praten en schrijven over God zonder dat ze zelf geloven. En er zijn mensen die weinig letters gegeten hebben en nooit spreken over God en toch geloven. Zoals er ongetwijfeld ook notoire ongelovigen zijn die diep in hun hart veel meer ruimte laten voor geloof dan ze naar buiten toe laten uitschijnen. Zoals er ook kerkgangers zijn die niet geloven en niet-kerkgangers die wel degelijk geloven. Als je het zo bekijkt, merk je dat uitwendig gebed toch ook niet zo’n sluitend criterium is. Soms zullen mensen, hoewel ze niet geloven, bij een begrafenis bijvoorbeeld, meedoen aan een kerkelijk ritueel, een kruisteken maken of zelfs een stukje meebidden. En zo kan je nog eindeloos veel bedenkingen maken. Maar wat is dan wél het criterium? Misschien deze eenvoudige vuistregel: als je, wanneer je alleen bent, je vreugde, je verdriet, je plannen en verlangens uitspreekt, met of zonder woorden, geloof je dan dat er Iemand is die naar je luistert? Ik spreek niet over de vraag of Hij je antwoordt, of je een teken geeft van zijn aanwezigheid. Maar ga je ervan uit dat er Iemand is die naar je luistert? Als je daarvan uitgaat, geloof je in God.

Relatie
Maar als je ervan uitgaat dat geloven in God zich uit in spreken tot God, dan hebben we het over een relatie. Misschien is de vastenperiode ook een uitgelezen tijd om die relatie met God, ons spreken en bidden tot God, ons gebedsleven, nieuw leven in te blazen. Een goed middel daarvoor is alles niet te laten afhangen van toevalligheden, maar regelmaat en discipline in te bouwen.
Een relatie die voortsukkelt van de ene goeie “ervaring” naar de andere kwijnt weg. Aan een relatie moet gewerkt worden, wil ze openbloeien.
Ook de relatie met God.
Vasten is dus ook training. Het genieten van de omgang met God komt zelden onmiddellijk en vanzelf. No pain, no gain, zegt men in sportmiddens.
In het geestelijk leven is dat niet anders.