Vasten: een tandje bijsteken

Zondag 3 maart 2019, 8ste zondag door het jaar (jaar C)

De vastenperiode is bij uitstek een tijd van bekering. Een tijd waarin wij bewust blijven stilstaan bij wat er mogelijk fout loopt in ons leven en waar wij zelf schuld aan hebben. Omdat wij ons in bepaalde situaties hebben laten leiden door onze minder fraaie karaktereigenschappen en verlangens. Bekering is zeker niet gemakkelijk. In de eerste plaats al omdat het de erkenning inhoudt dat we soms grondig fout zijn en kwaad doen. En dat is bijzonder moeilijk.
In christelijke tijden kreeg je het besef van eigen falen mee met de moedermelk. Een besef dat, mits men daarin niet overdrijft, heel gezond is. . .
Maar dat is voorbij. Wij doen geen kwaad meer. Wij toch niet. En dat is meteen de tweede moeilijkheid. In onze tijd wordt kwaad alleen bedreven door de anderen: door de Staat, de politici, de banken, de vervuilers, de vreemdelingen, je buurman, je schoonmoeder. Die doen kwaad, die zijn regelmatig fout. En als je echt niet meer weet wie je de schuld van iets moet geven, kan je altijd nog zeggen dat het prins Laurent zijn fout is. Maar ik? Neen, ik doe nooit iets verkeerd, toch niet bewust. En toch is bekering iets voor ieder van ons. Speciaal voor ieder van ons, gewone mensen. Want echt slechte mensen, voor wie bekering het meest nodig is, die willen zich niet bekeren. En door-goeie, heilige mensen, die hebben geen bekering nodig.

Zelfkennis
Bekering is dus echt iets voor u en voor mij, voor gewone, “normale” mensen.
En een derde, en zeker niet de minste moeilijkheid bij bekering, is dat wij onszelf beter moeten leren kennen. Dat wij moeten op het spoor komen, trachten te ontdekken, wat er echt leeft in ons hart. Niet wat wij graag denken dat er leeft in ons hart. Maar wat er echt leeft in ons binnenste aan verzuchtingen en verlangens, aan frustraties en teleurstellingen, aan woede en verdriet. Proberen te ontdekken wat onze echte beweegredenen en motieven zijn. Je moet daarvoor niet naar de psycholoog of psychiater. Gewoon doen wat Jezus voorstelt is veel efficiënter (en ook goedkoper). Sta eens wat meer stil bij wat je zegt, vooral bij wat je zegt over anderen. Waar het hart van vol is, daar loopt de mond van over, zegt Jezus. Als je dus wil weten wat er echt leeft in je hart, heb dan aandacht voor wat je zegt, hoe je het zegt, tegen wie je het zegt en waarom je het zegt. En je zal merken dat er meer kwaad, meer negatiefs in je hart leeft dan je zelf voor mogelijk hield. En dat duistere in je hart is zo mogelijk nog schadelijker voor jezelf dan voor een ander. Bekering houdt altijd een dubbele beweging in: je afkeren van én je toekeren naar.
En omdat wij relationele wezens zijn, zal die ommekeer zich noodzakelijkerwijze afspelen op het vlak van onze relaties. Onze relatie met God, onze relatie met onze medemensen en onze relatie tot onszelf.
Laat ons het eerste er uitpikken en eens kijken naar onze relatie met God.
Laten wij om te beginnen eens tijd maken om rustig te overwegen hoe het staat met ons geloof. Of wij überhaupt wel een relatie hebben met God?

Bidden
Dat klinkt misschien wat hoog gegrepen, maar het is wel essentieel: als je gelovig bent, als je echt gelooft in God, dan volgt daaruit automatisch dat je ook contact zoekt met God. M.a.w. dat je. . . bidt tot God. Dat is een essentiële maatstaf van gelovig zijn. En bidden tot God is iets totaal anders dan praten over God. Er zijn universiteitsprofessoren die heel hun leven bijzonder geleerd praten en schrijven over God zonder dat ze zelf geloven. En er zijn mensen die weinig letters gegeten hebben en nooit spreken over God en toch geloven. Zoals er ongetwijfeld ook notoire ongelovigen zijn die diep in hun hart veel meer ruimte laten voor geloof dan ze naar buiten toe laten uitschijnen. Zoals er ook kerkgangers zijn die niet geloven en niet-kerkgangers die wel degelijk geloven. Als je het zo bekijkt, merk je dat uitwendig gebed toch ook niet zo’n sluitend criterium is. Soms zullen mensen, hoewel ze niet geloven, bij een begrafenis bijvoorbeeld, meedoen aan een kerkelijk ritueel, een kruisteken maken of zelfs een stukje meebidden. En zo kan je nog eindeloos veel bedenkingen maken. Maar wat is dan wél het criterium? Misschien deze eenvoudige vuistregel: als je, wanneer je alleen bent, je vreugde, je verdriet, je plannen en verlangens uitspreekt, met of zonder woorden, geloof je dan dat er Iemand is die naar je luistert? Ik spreek niet over de vraag of Hij je antwoordt, of je een teken geeft van zijn aanwezigheid. Maar ga je ervan uit dat er Iemand is die naar je luistert? Als je daarvan uitgaat, geloof je in God.

Relatie
Maar als je ervan uitgaat dat geloven in God zich uit in spreken tot God, dan hebben we het over een relatie. Misschien is de vastenperiode ook een uitgelezen tijd om die relatie met God, ons spreken en bidden tot God, ons gebedsleven, nieuw leven in te blazen. Een goed middel daarvoor is alles niet te laten afhangen van toevalligheden, maar regelmaat en discipline in te bouwen.
Een relatie die voortsukkelt van de ene goeie “ervaring” naar de andere kwijnt weg. Aan een relatie moet gewerkt worden, wil ze openbloeien.
Ook de relatie met God.
Vasten is dus ook training. Het genieten van de omgang met God komt zelden onmiddellijk en vanzelf. No pain, no gain, zegt men in sportmiddens.
In het geestelijk leven is dat niet anders.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s