Onze Joodse neven

Zondag 25 mei 2019, Zesde zondag van Pasen (jaar C)

Toen Paulus aan zijn missiereizen begon, bleek al vlug dat hij heidenen in de Kerk opnam, zonder dat die verplicht werden de joodse gebruiken (zoals de besnijdenis bijvoorbeeld) over te nemen. Iets wat natuurlijk wrevel opwekte bij de joodse christelijke gemeenten. Er werd dan een vergadering bijeengeroepen in Jeruzalem (zeg maar, het eerste concilie) en daar werd definitief beslist dat een christen die uit het heidendom kwam zich niet aan de joodse wetten moest onderwerpen. De pil werd voor de joden wat verguld: de besluiten werden gegoten in een vorm die op een compromis leek, maar het was een beslissing van wereldhistorische betekenis. Het christendom maakte zich los van het Jodendom. En in plaats van een joodse sekte werd het het geloof dat als een storm over het Romeinse rijk zou gaan. Van dan af was de scheiding definitief.

Vechtscheiding
Vanuit het standpunt van de christenen tenminste. Want de joden bleven de christenen nog lange tijd zien als afvalligen en ketters. En overal waar joodse gemeenschappen woonden, ook in Griekenland en in Rome, gebruikten ze hun invloed om de christenen tegen te werken en te vervolgen. Denk aan Paulus die tot in Damascus in Syrië volgelingen van Jezus moest opsporen om hen als gevangenen naar Jeruzalem te voeren.
Later, toen het christendom steeds meer aan macht en aanzien won, was het de beurt aan de joden om kennis te maken met vervolging en uitsluiting. Met als trieste hoogtepunt het Spanje van de middeleeuwen waar joden de keuze kregen tussen zich bekeren of emigreren. En als ze “hervielen” kregen ze te maken met de meest perfide instelling van de alles centraliserende en gelijkschakelende moderne staat-in-wording: de inquisitie.

Joodse ouders
Als je dat nu allemaal op een rijtje zet kan je je natuurlijk afvragen waarom christenen dat Oude Testament toch blijven meezeulen. Een Oud Testament dat toch eigenlijk een soort geschiedenisboek van Israël is, een soort logboek van de eeuwenoude wederwaardigheden van het joodse volk.
Ik denk dat dat komt omdat wij de joden, ondanks alle antipathieën langs weerskanten, altijd zijn blijven beschouwen als onze geestelijke voorvaderen.
Zij waren de eersten die een klaar besef hadden dat er maar één God is.
En uit hen is tenslotte Jezus voortgekomen. En de apostelen en de eerste christenen waren nu eenmaal joden. Wij kunnen dus hun “ouderschap” gewoon niet loochenen.

Anders
Van de andere kant is het wel duidelijk dat je ook serieuze breuklijnen kan vaststellen tussen het Nieuwe en het Oude Testament. En dat, wat een Huub Oosterhuis bijvoorbeeld ook mag beweren, er toch wel een hemelsbreed verschil ligt tussen de joodse Jahweh van de hemelse legerscharen en de barmhartige Vader die door Jezus gepredikt en belichaamd werd.
En natuurlijk vind je ook in het Oude Testament (net zoals in de heilige boeken van om het even welke religie) hele mooie en poëtische passages over de liefdevolle en barmhartige kant van God. Maar dat kan niet verdoezelen dat de geest die spreekt uit het evangelie en het godsbeeld dat daar naar voor komt toch wel erg verschilt van dat van de joodse Bijbel.

IJkpunt
Waarom vertel ik dat nu. Uiteraard niet om een beetje stemming te maken tegen onze joodse neven. Maar wel om een andere, maar wel belangrijke reden. Vooral mensen die via de liturgie of via persoonlijke lezing vaak in contact komen met de teksten zowel van het Oude als van het Nieuwe Testament stuiten op een steeds terugkerende moeilijkheid.
Ze merken dat het beeld van God dat uit het ene boek naar voorkomt niet echt correspondeert met dat uit het andere deel van de Bijbel.
Welnu, wij zijn christenen. Dat wil zeggen dat voor ons de persoon van Jezus Christus centraal staat. Dat Hij ons ijkpunt is.
En dat wij onze opvattingen en ons handelen helemaal afstemmen op Hem.
En op Hem alleen. Dat is belangrijk omdat je regelmatig moet kiezen.

Tegenstrijdigheden
De Bijbel is niet in de hemel maar door mensen geschreven. Heilige mensen, diepgelovige en geïnspireerde mensen maar toch: mensen.
En mensen interpreteren, leggen accenten. Soms leggen ze zelfs hun eigen opvattingen in wat ze menen waar te nemen. Iets wat overigens ook schering en inslag is bij niet-religieuze berichtgeving. Vaak spreken verschillende waarnemers en schrijvers elkaar zelfs tegen terwijl ze over hetzelfde fenomeen heel eerlijk proberen te berichten. Daardoor komt het dat je zelfs in de evangelies sommige tegenstrijdigheden tegenkomt.
Maar dan nog hebben we in ieder geval een zeer duidelijk en samenhangend beeld van Jezus en van zijn opvattingen. En Hij is voor ons de norm.
Een voorbeeld om af te ronden: voor Jezus kan het absoluut niet dat je wraak neemt in plaats van te vergeven. Nogal wat figuren uit het Oude Testament, en niet van de minsten, prijzen wraak nemen juist aan en vinden vergeven maar niets. Als christen twijfel je er geen moment aan wie je hier moet volgen.

Vechten tegen het kwaad in ons

Zondag 19 mei 2019, Vijfde zondag van Pasen (jaar C)

Een van de vragen van de vroegere Mechelse catechismus luidde: wat is het teken van de christenmens? En het antwoord was: het teken van een christenmens is het kruisteken. En dat is natuurlijk ook zo, als je met een teken een herkenbaar ritueel gebaar bedoelt. Maar als je bedoelt: wat is nu tekenend voor de manier van leven van een christen, waarin verschilt zijn leven, waarin zou zijn leven moeten verschillen van het leven van andere mensen, dan is het antwoord: dat ze elkaar (moeten) liefhebben.
U kan zich dan natuurlijk afvragen: “Kunnen andere mensen dan niet liefdevol in het leven staan?” en “Zijn christenen dan altijd zo lief voor elkaar?”
En dus haast ik mij erbij te zeggen dat het liefdevol in het leven staan bij christenen een formeel gebod is. Bij mijn weten trouwens het enige gebod dat Jezus ons heeft opgelegd. Maar inderdaad een gebod, een verplichting.
En dat is toch wel heel speciaal en uniek.

Wil
Ook de aard van de liefde waar het christelijk geloof het over heeft is niet voor de hand liggend. De liefde die Jezus van ons verlangt heeft weinig of niets van doen met gevoelens, verlangens of driften. Het liefdesgebod van Jezus doet beroep op onze wil. Het eist van ons een wilsact, een blijvende ingesteldheid, waarbij wij de anderen goed willen doen of hun tenminste en van harte het goede toewensen. Bovendien wordt Jezus’ gebod gekenmerkt door een ongekende radicaliteit. Zowat elk beschaafd religieus en filosofisch systeem is vertrouwd met de zogenaamde “gulden regel”: “Wat ge niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”. Dat is natuurlijk heel mooi. En als we ons daar allemaal aan zouden houden, stonden we al een heel eind verder.
Maar het heeft iets kleinburgerlijks, iets van “voor wat hoort wat”, iets van “als jij lief bent voor mij, zal ik het ook zijn voor jou . . .”
Wat Jezus van ons vraagt is veel ingrijpender.

Onbegrip
Hij vraagt zijn leerlingen dat ze zouden liefhebben zoals Hij hen heeft liefgehad, dat wil zeggen: onvoorwaardelijk, zonder eerst zorgvuldig af te wegen of ze onze liefde wel verdienen. En om het helemaal duidelijk te maken zegt Hij dat we zelfs onze vijanden moeten beminnen, dat we moeten bidden voor hen die ons haten. En op het kruis gaf Hij zelf het voorbeeld door te bidden voor zijn beulen. En de eerste martelaren, Stefanus voorop, deden hetzelfde: ze vroegen vergiffenis aan God voor hen die hen vervolgden en doodden.
Voor ons, mensen van deze tijd, hoort dit soort epische grootmoedigheid thuis in romantische verhalen. Aan navolging valt gewoon niet te denken.
Hoe kan je nu in godsnaam houden van mensen die je haten, je misschien zelfs dood wensen. Ik denk dat veel onbegrip voortkomt uit onze neiging om liefde te associëren met gevoelens. Maar Jezus vraagt niet dat we zo’n mensen sympathiek zouden vinden. En Hij vraagt ook niet dat wij over ons heen laten rijden. Hij vraagt niet dat we naïef of laf zouden zijn en positieve gevoelens zouden koesteren voor mensen die ons alleen maar kwaad willen berokkenen. De liefde die Hij van ons vraagt voor die mensen, is dat wij hen niet met gelijke munt betalen. Dat wij geen kwaad met kwaad vergelden. En dat wij hun, op hun oprechte vraag, van harte vergeven.

Vluchten
Misschien is het hier het moment om even dieper in te gaan op dat merkwaardig verschijnsel dat mensen zo vaak geneigd zijn om andere mensen kwaad te berokkenen. Laten we even de gebruikelijke excuses (erfelijk belast, ongelukkige jeugd, moe getergd, enz. ) laten voor wat ze zijn en gewoon nuchter kijken naar de vijandigheid zelf. Als je dat doet ga je al vlug beseffen dat andere mensen pijn doen, benadelen, bekladden, of zelfs vermoorden, niets anders is dan toegeven aan lagere driften in jezelf. Het is capituleren voor het kwaad in ons. Een nederlaag dus. Maar diegenen die er zich aan bezondigen zien dat heel vaak als iets superieurs, als een teken van kracht en sterkte.
Adolf Hitler bijvoorbeeld dacht, toen alles verloren was en de Russen al in Berlijn stonden, dat hij toch tenminste iets had dat niemand hem kon afnemen en dat hem eeuwige roem zou bezorgen: hij had nooit, in geen enkele omstandigheid, medelijden getoond, zei hij trots. Hij besefte duidelijk niet dat juist dat erop wees hoe ziek en ontmenselijkt hij was.

Sterk zijn
Vergiffenis schenken, medelijden tonen, aan verzoening werken behoren tot de meest nobele houdingen die een mens kan aannemen. Als je daar niet toe in staat bent, past alleen het nederig makend besef dat je daar te zwak voor bent, dat je de laagste driften in jezelf niet de baas kan, niet in de hand hebt.
Alleen domme en moreel zwakke mensen gaan daar prat op, i.p.v. zich ervoor te schamen en eraan te werken. En dat is nochtans precies wat Jezus van ons vraagt. Hij vraagt van ons geen sentimenteel gedweep, zo van “alle mensen menen het goed”. Want dat is onzin. Wat Jezus van ons vraagt is dat wij sterk zouden zijn. Dat wij zouden inzien dat toegeven aan het kwaad een teken van zwakheid is. En dat wij het kwaad ook in de ander duidelijk zouden zien. Maar dat we er doorheen zouden gaan, zonder zelf in dat zwakke en lage gedoe te vervallen.

Roepingen

Zondag 12 mei 2019, Vierde zondag van Pasen (jaar C)

Vandaag is het de roepingenzondag. Een dag waarop er in de kerken over de hele wereld traditioneel gebeden wordt voor nieuwe roepingen.
Als God echt van ons houdt, zoals wij geloven, dan kan het niet anders of Hij roept vandaag evengoed als vroeger, mensen die zijn woord willen uitdragen, zijn liefde gestalte geven en de gelovigen willen voorgaan in het gebed.
Het probleem is dus niet dat er minder mensen geroepen worden, maar dat er, hier bij ons althans, bijna geen gehoor meer aan gegeven wordt.

Niet overdrijven
Dat er “minder gehoor aan gegeven wordt” is misschien niet de juiste uitdrukking. Het niet-ingaan op Gods roeping gebeurt niet bewust of moedwillig. Het probleem is eerder dat die roep niet meer gehoord wordt. Wij leven niet langer in een maatschappij die helemaal doordrongen is van het geloof. Niet alleen de kennis van het geloof is in Vlaanderen heel erg achteruitgegaan, maar bovendien speelt dat geloof nog maar een zeer kleine, bijna verwaarloosbare rol in het leven van de meeste mensen. Kardinaal Danneels sprak in dat verband over de “religieuze ontbossing” van Vlaanderen.
En zelfs pratikerende christenen hebben God heel vaak een welbepaalde, beetje afgebakende plaats in hun leven gegeven: tot hier en niet verder.
Zij leven niet naast onze maatschappij maar er middenin; ook zij zijn dus niet ongevoelig voor de vanzelfsprekend geworden hang naar consumeren en genieten, naar carrière en bekend zijn. En wanneer hun zoon of hun dochter blijk geeft van een opvallende religieuze belangstelling, krijgen die nogal vlug te horen dat ze maar beter gewoon moeten doen.
“Iets mag het hebben, maar je moet niet overdrijven”.

Versnelde veranderingen
Je kan dus zeker niet zeggen dat priester of religieuze worden op dit ogenblik goed in de markt ligt. En eigenlijk is dat ook niet zo’n ramp.
Want het beeld dat wij hebben over priesters en religieuzen hangt nog helemaal vast aan een tijd die voorbij is. En terwijl de wereld op korte tijd helemaal veranderd is en in steeds sneller tempo altijd maar verder verandert, hebben wij er geen flauw vermoeden van hoe de Kerk van de toekomst er zal uitzien. Zo hoor je gelovigen nogal eens zeggen: wij mogen onze kerken ook niet te vlug sluiten of verkopen, want stel dat er een opleving komt . . .
Dát die opleving er komt, daar mogen we zeker van zijn. De mens is fundamenteel religieus en echte atheïsten zullen altijd een kleine minderheid blijven. Maar wie zegt dat de Kerk van de toekomst nog gebouwen-in-eigendom nodig heeft? Dat kan zijn, maar dat is helemaal niet zeker.

Wending
Die onzekerheid geldt trouwens voor heel de wending die Kerk en christendom aan het nemen zijn. Dat die wending -zoals er maar weinige geweest zijn in de geschiedenis- bezig is, mag voor iedereen duidelijk zijn. Maar zelfs vage contouren van wat het ooit worden zal, zijn voor niemand al zichtbaar.
Het enige wat we hebben is ons vertrouwen dat de Geest van God hier aan het werk is en dat Hij weet wat Hij wil. En dat Hij, wiens naam is: “Ik zal er zijn” met ons en met de hele mensheid meetrekt. En -ondanks alle schijnbare ondergang- ons nooit in de steek zal laten.

Vertrouwen
Het is wel geen comfortabele situatie als je niet precies weet waar je naartoe moet werken. Het enige wat we dan kunnen doen is wat we altijd hebben gedaan, in tijden van crisis: helemaal teruggaan naar de bronnen van ons geloof. Naar de eenvoud van het vroegchristelijk geloof en vertrouwen.
Telkens wanneer wij geconfronteerd werden met abrupte en onverwachte wendingen, hebben wij dat gedaan. Zowel bij de invallen van de barbaren als toen we gesteld werden voor de uitdagingen van de Renaissance, de confrontatie met de Verlichting, de explosie van de wetenschappelijke kennis.
Telkens was er, na aanvankelijke (en begrijpelijke) weerstand, altijd een terugvallen op de kern van ons geloof: een liefdevol leven leiden, in vertrouwen op God. En dan rustig overwegen wat van de nieuwe inzichten een verrijking betekent, waar we onze eigen ideeën moeten uitzuiveren, en wat we zeker moeten bewaren en meenemen naar de komende eeuwen. En omdat we op dit ogenblik nog niet precies weten waar we naartoe gaan, moet de Kerk zich momenteel vooral bezighouden met iets waar ze goed in is: studie en gebed. We moeten ons openstellen voor de werking van de Geest. En ons helemaal focussen op vertrouwen. Vertrouwen in een nieuwe bloei van het christelijk geloof in de tijden die komen. En ons niet langer verliezen in het krampachtig in stand willen houden van zaken waarvan we zelf weten dat ze geen enkele toekomst hebben.

Nieuwe herders
Wij weten nog niet precies hoe de Kerk van de toekomst er zal uitzien. Maar wij kunnen ons wel al een beeld vormen van de nieuwe voorganger, de nieuwe herder. Het zal een man of een vrouw zijn, gehuwd of ongehuwd, maakt niet uit. Het moet niet per se iemand zijn met opzienbarende talenten op gebied van leiderschap, geleerdheid of redenaarskunst. Maar het zal iemand zijn met een diep geloof in de God van Jezus en met een even diep respect voor de mensen. Vooral dat laatste was in het verleden niet altijd evident.