Vechten tegen het kwaad in ons

Zondag 19 mei 2019, Vijfde zondag van Pasen (jaar C)

Een van de vragen van de vroegere Mechelse catechismus luidde: wat is het teken van de christenmens? En het antwoord was: het teken van een christenmens is het kruisteken. En dat is natuurlijk ook zo, als je met een teken een herkenbaar ritueel gebaar bedoelt. Maar als je bedoelt: wat is nu tekenend voor de manier van leven van een christen, waarin verschilt zijn leven, waarin zou zijn leven moeten verschillen van het leven van andere mensen, dan is het antwoord: dat ze elkaar (moeten) liefhebben.
U kan zich dan natuurlijk afvragen: “Kunnen andere mensen dan niet liefdevol in het leven staan?” en “Zijn christenen dan altijd zo lief voor elkaar?”
En dus haast ik mij erbij te zeggen dat het liefdevol in het leven staan bij christenen een formeel gebod is. Bij mijn weten trouwens het enige gebod dat Jezus ons heeft opgelegd. Maar inderdaad een gebod, een verplichting.
En dat is toch wel heel speciaal en uniek.

Wil
Ook de aard van de liefde waar het christelijk geloof het over heeft is niet voor de hand liggend. De liefde die Jezus van ons verlangt heeft weinig of niets van doen met gevoelens, verlangens of driften. Het liefdesgebod van Jezus doet beroep op onze wil. Het eist van ons een wilsact, een blijvende ingesteldheid, waarbij wij de anderen goed willen doen of hun tenminste en van harte het goede toewensen. Bovendien wordt Jezus’ gebod gekenmerkt door een ongekende radicaliteit. Zowat elk beschaafd religieus en filosofisch systeem is vertrouwd met de zogenaamde “gulden regel”: “Wat ge niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”. Dat is natuurlijk heel mooi. En als we ons daar allemaal aan zouden houden, stonden we al een heel eind verder.
Maar het heeft iets kleinburgerlijks, iets van “voor wat hoort wat”, iets van “als jij lief bent voor mij, zal ik het ook zijn voor jou . . .”
Wat Jezus van ons vraagt is veel ingrijpender.

Onbegrip
Hij vraagt zijn leerlingen dat ze zouden liefhebben zoals Hij hen heeft liefgehad, dat wil zeggen: onvoorwaardelijk, zonder eerst zorgvuldig af te wegen of ze onze liefde wel verdienen. En om het helemaal duidelijk te maken zegt Hij dat we zelfs onze vijanden moeten beminnen, dat we moeten bidden voor hen die ons haten. En op het kruis gaf Hij zelf het voorbeeld door te bidden voor zijn beulen. En de eerste martelaren, Stefanus voorop, deden hetzelfde: ze vroegen vergiffenis aan God voor hen die hen vervolgden en doodden.
Voor ons, mensen van deze tijd, hoort dit soort epische grootmoedigheid thuis in romantische verhalen. Aan navolging valt gewoon niet te denken.
Hoe kan je nu in godsnaam houden van mensen die je haten, je misschien zelfs dood wensen. Ik denk dat veel onbegrip voortkomt uit onze neiging om liefde te associëren met gevoelens. Maar Jezus vraagt niet dat we zo’n mensen sympathiek zouden vinden. En Hij vraagt ook niet dat wij over ons heen laten rijden. Hij vraagt niet dat we naïef of laf zouden zijn en positieve gevoelens zouden koesteren voor mensen die ons alleen maar kwaad willen berokkenen. De liefde die Hij van ons vraagt voor die mensen, is dat wij hen niet met gelijke munt betalen. Dat wij geen kwaad met kwaad vergelden. En dat wij hun, op hun oprechte vraag, van harte vergeven.

Vluchten
Misschien is het hier het moment om even dieper in te gaan op dat merkwaardig verschijnsel dat mensen zo vaak geneigd zijn om andere mensen kwaad te berokkenen. Laten we even de gebruikelijke excuses (erfelijk belast, ongelukkige jeugd, moe getergd, enz. ) laten voor wat ze zijn en gewoon nuchter kijken naar de vijandigheid zelf. Als je dat doet ga je al vlug beseffen dat andere mensen pijn doen, benadelen, bekladden, of zelfs vermoorden, niets anders is dan toegeven aan lagere driften in jezelf. Het is capituleren voor het kwaad in ons. Een nederlaag dus. Maar diegenen die er zich aan bezondigen zien dat heel vaak als iets superieurs, als een teken van kracht en sterkte.
Adolf Hitler bijvoorbeeld dacht, toen alles verloren was en de Russen al in Berlijn stonden, dat hij toch tenminste iets had dat niemand hem kon afnemen en dat hem eeuwige roem zou bezorgen: hij had nooit, in geen enkele omstandigheid, medelijden getoond, zei hij trots. Hij besefte duidelijk niet dat juist dat erop wees hoe ziek en ontmenselijkt hij was.

Sterk zijn
Vergiffenis schenken, medelijden tonen, aan verzoening werken behoren tot de meest nobele houdingen die een mens kan aannemen. Als je daar niet toe in staat bent, past alleen het nederig makend besef dat je daar te zwak voor bent, dat je de laagste driften in jezelf niet de baas kan, niet in de hand hebt.
Alleen domme en moreel zwakke mensen gaan daar prat op, i.p.v. zich ervoor te schamen en eraan te werken. En dat is nochtans precies wat Jezus van ons vraagt. Hij vraagt van ons geen sentimenteel gedweep, zo van “alle mensen menen het goed”. Want dat is onzin. Wat Jezus van ons vraagt is dat wij sterk zouden zijn. Dat wij zouden inzien dat toegeven aan het kwaad een teken van zwakheid is. En dat wij het kwaad ook in de ander duidelijk zouden zien. Maar dat we er doorheen zouden gaan, zonder zelf in dat zwakke en lage gedoe te vervallen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s