Geloof en rede: aanvullend, niet verwisselbaar

Zondag 16 juni 2019, Hoogfeest van de Heilige Drievuldigheid (jaar C)

Vorige week hebben we het erover gehad dat als wij terug een hechte christelijke gemeenschap willen vormen, het noodzakelijk is dat wij in onze omgang met elkaar God terug meer ter sprake brengen. En dat wij, zeker als wij samenkomen in het kader van de parochiewerking, het spreken over ons geloof uit de taboesfeer halen. Want zelfs daar, in die bijeenkomsten, praten en overleggen en discussiëren wij over de meest uiteenlopende zaken. Maar God en geloof zijn daar heel zelden bij. Misschien is er een heel eenvoudige uitleg voor deze onwennigheid. Tot voor kort immers wisten alleen de priesters alles over het geloof en ze spraken over God of die bij hen thuis op de schouw stond.
Als je geen priester was, werd je geacht helemaal akkoord te gaan met wat de priester zei en dan was je een goede gelovige. En als je niet akkoord was, dan hield je toch maar beter je mond. Je was tenslotte een leek. Priesters noemden trouwens al de andere kerkleden: leken. En dat is natuurlijk erg handig want een “leek” is per definitie iemand die van toeten of blazen weet.
Nu zijn de priesters tot voor kort altijd wel een aparte klasse geweest binnen de Kerk en zij deden of ze alles wisten over God.

Revolutionair
Maar de gedachte dat wij God in kaart kunnen brengen, dat ons verstand bij machte is Hem te doorgronden en onze theologie bij machte alles over God te begrijpen en uit te leggen, is eigenlijk een zeer recente fantasie binnen de Kerk.
Vóór de 17de eeuw heeft altijd precies de tegengestelde mening gegolden.
Zowel de eerste kerkvaders als de latere filosofen, theologen en pausen waren er diep van overtuigd dat wij God pas kunnen kennen als, en in de mate dat, Hij zichzelf aan ons laat kennen. Christenen geloven dat God dat ten volle gedaan heeft in Jezus Christus. En dat wat Jezus ons geopenbaard heeft en wat de Geest ons persoonlijk te kennen geeft, het enige is wat wij ooit over God kunnen weten of begrijpen. M.a.w. met al het respect dat christelijke theologen en filosofen en wetenschappers altijd gehad hebben voor de rede, waren zij er anderzijds diep van overtuigd dat wij met ons verstand God niet kunnen doorgronden. Met ons verstand kunnen (en moeten) wij de natuur onderzoeken, en de geheimen ervan blootleggen omdat het ons vooruithelpt (denk aan de geneeskunde). Maar het bestuderen van de natuur kan ons niets leren over wie God is. En dat is een ongelooflijk revolutionaire gedachte, een totale breuk met elk heidens geloof. Het betekent de ont-goddelijking van de natuur. En zelfs het begin van de secularisatie.

Augustinus
En tot aan de 17de eeuw heeft men daar mordicus aan vastgehouden. En had men dat blijven doen, dan was er nooit enig conflict geweest tussen geloof en wetenschap. Al de grote kerkelijke denkers weken immers geen duimbreed af van het standpunt dat God onkenbaar was vanuit ons denken en vanuit het kijken naar de natuur en de kosmos.
Voeg daarbij het enorme respect voor verstand en rede, en je komt automatisch terecht bij het principe van Augustinus dat de hele kerkgeschiedenis (tot aan de 17de eeuw) door, standgehouden heeft: het beroemde accommodatieprincipe.
En dat komt, eenvoudig gezegd, hierop neer, dat ons verstand en de studie van de natuur ons niets kunnen leren over het wezen van God. Maar dat anderzijds ook de Bijbel niet de bedoeling heeft ons de werking van de natuur uit te leggen. Men ging er al heel vroeg van uit dat nogal wat oudtestamentische teksten volksverhalen waren. En als bewezen werd dat die in strijd waren met de rede, dan moesten ze geherinterpreteerd worden.
En dát erg modern aandoend standpunt, het uitgaan van de on-kenbaarheid van God via het onderzoek van de natuur, bleef het richtsnoer van de theologie van in het begin tot in de 17de eeuw.

Ramp
En toen gebeurde er iets heel bedenkelijks. Gedurende de 17de eeuw barstte de wetenschap uit haar middeleeuwse voegen en nam ze een geweldige vlucht.
Telescopen werden naar de sterren gericht, de natuur werd grondig onderzocht en de mens werd in al zijn facetten bestudeerd. Wetenschappelijke reuzen als Newton, Copernicus en Galilei traden op het voorplan. Maar in tegenstelling tot wat velen nu denken, hadden zij geen enkele moeite met het geloof. Integendeel. Stuk voor stuk waren zij allen ervan overtuigd dat onderzoek en wetenschap de grootheid van God beter zouden doen uitkomen.
Sterker nog: God zou absoluut vaststaand, wetenschappelijk gefundeerd worden. En de theologie trapte in de val. De verleiding was te groot. Ze liet toe dat God gefundeerd werd vanuit de wetenschap.
En dat was dus een ramp. God werd een door mensen gemaakt idool dat afhankelijk was van wetenschappelijke bevindingen. En vermits wetenschappelijke theorieën voortdurend veranderen, leek het of het geloof altijd achterliep. Praten over geloof en geloven zelf werden met de tijd zelfs gênant.

Kentering
Gelukkig zijn we daar als katholieken terug vanaf geraakt. En zijn we later ook niet meegegaan in het “Intelligent Designgedoe”, een late echo van de 17de-eeuwse vergissing. God is terug jong en fris, niet in kadertjes te vangen. En vanuit het niet-weten gaan wij terug geboeid op zoek naar Hem. Hij spreekt in ons hart. En wat wij van Hem moeten weten, heeft Hij ons laten weten in Jezus. En zo is het goed. En genoeg. Wij kunnen terug rustig praten over Hem en over onze ervaringen met Hem. . . Laten we dat dan ook terug meer doen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s