Er is vrede en er is vrede

Zondag 18 augustus 2019, twintigste zondag door het jaar (jaar C)

De woorden van Jezus in het evangelie van vandaag, de hele teneur ervan herkennen wij niet onmiddellijk als komende van Hem: Jezus die gewoon is iedereen te begroeten met “Vrede zij u”; die in de Bergrede zei: “Zalig die Vrede brengen” en die van Zichzelf zei, dat Hij zachtmoedig was en nederig van hart; die Jezus van wie de engelen bij zijn geboorte zongen van vrede op aarde en die later zo’n vrede uitstraalde dat kwelduivels op zijn bevel de mensen met rust lieten; die Jezus zegt hier: “Denk niet dat ik vrede ben komen brengen op aarde, neen, geen vrede maar juist verdeeldheid”.
Wij mogen er zeker van zijn dat die woorden inderdaad van Hem komen. Maar hoe kan je dat dan rijmen?
Het kan niet anders of Jezus voorzag de consequenties van zijn leer.
Hij wist gewoon dat de wereld niet lief en welwillend zou reageren op een houding die helemaal tegen de gang van zaken in die wereld ingaat.

Vervolging
Toen Lucas die woorden opschreef lag die verdeeldheid en vijandigheid die Jezus voorspeld had, trouwens al niet meer in een ver verschiet, maar was ze al pijnlijk actueel geworden.
Er was natuurlijk vooreerst het Romeinse staatsgezag, dat zowel joden als christenen wantrouwde als atheïsten en ondermijners van het gezag: ze knielden immers noch voor godenbeelden, noch voor de keizer.
De Romeinse keizer en vooral de plaatselijk potentaten, de Pilatussen en de Herodessen van deze wereld, deze jakhalzen van de macht, hielden de christenen scherp in het oog. Het zou niet lang meer duren eer er bloedige vervolgingen zouden uitbreken.
Bovendien werd het de christenen ook behoorlijk moeilijk gemaakt door hun joodse broeders voor wie zij, de christenen, ketters waren van het eigen joods geloof. De vijandigheid groeide hand over hand tegen de alsmaar talrijker wordende groep van joden die overgingen naar het christendom, en die daarom, in hun eigen kring, hun eigen familie, vaak zelfs in hun eigen gezin, werden gezien als verraders.

Tijdloos
Maar als dit evangelie alleen maar over die mensen en die situaties ging, dan verloor het elke relevantie voor onze tijd.
Terwijl het integendeel in alle tijden, en zeker ook in onze tijd, bijzonder actueel gebleven is.
Wij staan hier voor het geblokte, gebetonneerde feit dat de woorden van Jezus altijd haaks zullen staan op wat in de wereld gangbaar en normaal is. En, laten we er onmiddellijk aan toevoegen, haaks staan op elk politiek systeem.
Er bestaat ook niet zoiets als christelijke politiek.
Zelfs de pauselijke staten zijn nooit echt christelijk bestuurd. Ik denk zelfs dat er nooit een klooster geweest is dat 100 % christelijk bestuurd is. Dat kan gewoon niet. En de reden is dat politiek, gezag en bestuur altijd te maken heeft met macht en met het sluiten van compromissen. Met het zoeken naar een modus vivendi tussen elkaar bestrijdende belangengroepen, met het kiezen voor het minste kwaad in heel dat kluwen van egoïsme, zowel van individuen als van groepen. Met het sluiten van compromissen.
En dan zijn hier al direct enkele woorden gevallen die totaal onverenigbaar zijn met het evangelie van Jezus: belangengroepen, egoïsme en compromissen.

Consequent
Jezus verlangt van ons een radicaal kiezen voor de zwakkeren, een radicaliteit die noodzakelijkerwijs in conflict komt met een wereld die bol staat van de onrechtvaardigheid. Jezus verlangt van ons niet dat wij een revolutie prediken. Maar wel dat wij ons niet laten in slaap wiegen door de niet te onderschatten verleidingen van de maatschappij.
Dat wij fris en alert blijven. En radicaal en compromisloos.
En dat wij, als wij de wereld niet kunnen veranderen, dan toch in ons eigen leven radicaal kiezen voor evangelische principes.
Neem nu de mensen die in onze huidige maatschappij door de media bejubeld en door het publiek bewonderd worden, de mensen die “top” voor hun beroep mogen schrijven. Top dokters, top advocaten, top atleten, top weet-ik-veel. . .
Mensen die vaak vergoedingen krijgen die je eigenlijk alleen nog immoreel kunt noemen. Zeker als je bedenkt dat op enkele uren hier vandaan, kinderen over vuilnishopen kruipen op zoek naar wat bedorven voedsel. Je kan als christen deze top-mannen-en-vrouwen wel bewonderen om wat ze kunnen, (afgunst is zeker geen christelijke deugd), maar ons hart moet op de eerste plaats uitgaan naar de mensen in de kou.

Gevolgen
Als we echter consequent kiezen voor de mensen die altijd in het hoekje zitten waar de slagen vallen, dan gaan we ook zelf niet in de prijzen vallen. In een wereld waar het normaal is koortsachtig op zoek te zijn naar meer geld, meer aanzien en bekendheid en macht, (ze hebben daar tegenwoordig een akelig mooi woordje voor: de ratrace), wordt dat zeker niet op prijs gesteld.
In het beste geval word je bekeken als een beetje dom en naïef. In het beste geval. Want je inzet voor evangelische waarden kan en wordt ook vaak gezien als een aanklacht, als een afkeuring van wat in de wereld geldt.
En dat pikt die wereld niet.
Doe wat Jezus van je vraagt en je zal onmiddellijk ondervinden wat Hij bedoelde met: denk niet dat Ik vrede ben komen brengen.
Je zal geen vrede krijgen van de wereld. Maar je zal wel vrede kennen in je hart.

God niet inperken

Donderdag 15 augustus 2019 – Onze-Lieve-Vrouw Ten Hemelopneming (kerkelijk jaar C)

Hoe ouder je wordt, hoe meer genuanceerd je over allerlei dingen begint te denken. Ik heb in mijn jeugd een uitgesproken ongelovige, maar toch ook opvallend verdraagzame caféhouder gekend.
Hij schreef geen geleerde traktaten over tolerantie, maar hij vatte zijn houding samen in één zin: “Als het 12 uur is moet alleman eten.”
Het was een man naar mijn hart. Maar onbewust sterkte hij mij in de overtuiging dat, wanneer ongelovige mensen ruimdenkend en rechtvaardig zijn en ook het goede voor anderen nastreven, ze dat doen vanuit praktische overwegingen: om de maatschappij een beetje leefbaar te houden. Een gedachte sterk verwant aan de overtuiging dat iedereen vrij is te doen wat hij wil, als hij er maar voor zorgt dat zijn vrijheid de vrijheid van anderen niet hindert. Het is een berekende en weinig waarderende vorm van verdraagzaamheid. Je houdt niet echt van de anderen, maar je vindt het verstandig hun af en toe ook wat te gunnen zodat jezelf rustig je eigen ding kan blijven doen.
Het is geen verheven vorm van ongeloof, maar het is in ieder geval nog altijd stukken beter dan het domme en agressieve atheïsme dat je nogal eens aantreft op het internet.
Een atheïsme dat ook zelden gehinderd wordt door enige kennis van zaken, en dat zijn mosterd haalt bij voorbijgestreefde argumenten, pseudo-historische kitsch als de Da Vinci Code en vooral ook bij de al even hoogstaande bedenkingen van geestgenoten, eveneens op het internet.

Bondgenoten
Maar er zijn ook andere atheïsten. Mensen die niet in God geloven maar die toch proberen rechtvaardig en verdraagzaam in het leven te staan. Die andere mensen respecteren en helpen en vol mededogen zijn voor wie minder geluk heeft dan zij. Deze mensen zijn onze objectieve bondgenoten.
Wij moeten hen volledig respecteren. Hen niet persé in onze Kerk willen binnenleiden. Maar het zijn onze bondgenoten. Onze houding t.a.v. de mens is gelijklopend met die van hen. En ons afwijzen van de opvattingen uit de antieke tragedies, waarin alle gebeurtenissen in onze wereld direct door de goden worden bestuurd, is hetzelfde. De grote hedendaagse theoloog Tomas Halik begint zijn boek “Gedeeld met God”: “Op veel punten ben ik het met atheïsten eens, vaak op bijna ieder punt. Behalve in hun geloof dat God niet bestaat”.
Ze zijn onze bondgenoten. En dat is niet eens zo raar.
Augustinus zei al: “Velen die denken dat ze in de Kerk zijn, staan er buiten.
En velen die er buiten denken te staan, staan er binnen”.

Godsbeeld
Maar nog eens: wij moeten hen niet “binnenhalen”, maar hen respecteren als broeders in het mens-zijn. Vaak komt hun afwijzen van God vanuit een persoonlijke tragedie.
Of gewoon vanuit de vaststelling dat de werkelijkheid niet liefelijk en idyllisch in elkaar steekt, maar juist heel erg wreed en onbarmhartig. Moeilijk in overeenstemming te brengen met een liefdevolle Schepper.
Christenen, voor wie dat uiteraard ook een probleem vormt, zijn daarom, vanuit een steeds beter begrijpen van Jezus, God meer en meer gaan zien als een Bodem van liefde en ontferming die via ons, zijn mensen, wil doordringen in de wereld. Dat is wat wij bedoelen met het vestigen van het “Rijk Gods”. De wereld is niet af. God wil ons nodig hebben om zijn liefde steeds meer gestalte te geven onder de mensen.

Mysterie
Ook wij hebben dus een streep moeten trekken onder de kinderlijke fantasie van een God die telkens klaarstaat om ons te dienen. Want dat is een God die duidelijk niet bestaat en die een projectie is van ons infantiel verlangen naar onbeperkte macht.
Ook wij zijn zoekers. Ook wij moeten vastgeroeste voorstellingen loslaten en terug aanknopen met wat alle grote figuren uit het christendom altijd geweten hebben: dat God een mysterie blijft. Dat wij Hem moeten zoeken in de “wolk van het niet-weten”. Alles wat wij over God “weten” is dat Hij Liefde is. Maar blijkbaar toch ook anders dan wij ons dat voorstellen. En ook dat Hij niet optreedt als magische beschermengel, maar dat Hij, die zelf gekruisigd werd, aanwezig is in onze ergste nood. En dat Hij zich soms juist daar het scherpst laat voelen. “In onze diepste ellende”, schrijft Simone Weil, “in de poel van ontroostbare bitterheid, straalt de pracht van zijn Genade”. Maar wij hebben dat niet zelf in de hand. God blijft een mysterie en wij zijn pelgrims, zoekers, verlangend een glimp van Hem op te vangen.

Waarden
Dat wil echter niet zeggen dat wij ons geloof zelf moeten laten verwateren.
Nu wij een beetje afstand genomen hebben van de vroegere zekerheid van dogma’s en regels mogen wij het christendom niet domweg verengen tot een stelsel van waarden, tot een moraal. Daarom, op dit Mariafeest een toepasselijk voorbeeld van die neiging tot verengen.
Wij geloven dat God ons aanspreekt in het diepst van ons hart. En dat Hij ons kneden wil tot mensen van vrede, die behagen vinden in dienstbaarheid en liefde. Maar als wij geloven dat Hij tot ons spreekt in ons hart, waarom dan ook niet op andere manieren? Bijvoorbeeld via gebeurtenissen, via wonderen zelfs? Wij moeten God niet willen inperken. Laat mensen dus gerust bidden in hun nood en een kaarsje aansteken. Wie dat doet, staat in ieder geval open voor het ontzagwekkend mysterie dat God is. En daar gaat het in de eerste plaats over in religieus geloof. Over het Mysterie achter de zichtbare en bestudeerbare werkelijkheid.
Over God dus.

God verwachten

Zondag 11 augustus 2019, negentiende zondag door het jaar (jaar C)

Het geloof, zegt Paulus ons vandaag, is de vaste grond van wat wij hopen, het overtuigt ons van de werkelijkheid van onzichtbare dingen.
We staan hier wel heel ver af van een opvatting waarbij geloof gezien wordt als het voor waar aannemen van een aantal verhalen of het kritiekloos onderschrijven van een aantal uitspraken en dogma’s.
Wat Paulus hier zegt (en wat alle grote christelijke denkers hem zullen nazeggen) is dat geloof, religieus geloof, een zaak is van vertrouwen op God.

En ons verstand?
Geloven in God is niet zozeer een aantal stellingen of theorieën over Hem aannemen, maar vertrouwen op Hem.
In de Bijbel staat dat niemand ooit God gezien heeft. M.a.w. geloven kan nooit alleen een kwestie zijn van verstandelijk akkoord gaan met een of andere opvatting over wie God is en wat Hij doet en wat Hij van ons verlangt.
Natuurlijk is geloof niet iets dat zomaar neerdaalt met de hemelse dauw.
Het heeft wortels in onze ervaringswereld. Hoe ontstaat een geloof?
Op een gegeven ogenblik is er een charismatische figuur waarvan mensen aannemen dat die vanuit een duidelijke godsverbondenheid ons meer kan vertellen over God. De verhalen over Hem en zijn uitspraken worden verder verteld en opgetekend. En zo krijgt een geloof stilaan een vorm die kan bestudeerd, aangeleerd en doorgegeven worden. Minstens een aspect ervan spreekt ons verstand aan en kan “begrepen” worden.
Vandaar theologie, dogmatiek en exegese.

Vertrouwen
Maar het wezenlijke van het geloof is vertrouwen. Vertrouwen op God.
Vertrouwen dat, wat je ook overkomt, Hij je nooit in de steek zal laten.
En dat is er juist zo mooi aan. Wij staan er misschien niet direct bij stil, maar vertrouwen en liefde liggen heel dicht bij elkaar. Als je iemand vertrouwt kan je daar allerlei rationeel onderbouwde redenen voor opgeven. De hoge morele normen van die persoon bijvoorbeeld, zijn of haar karaktervastheid enz.
Maar echt 100% vertrouwen doe je alleen maar iemand die je ook graag ziet.
En daarom is het ook zo mooi dat je geloof in een God die liefde is zich uit in het vertrouwen dat je Hem schenkt.
Over hoe je precies God kan beminnen zijn al bibliotheken volgeschreven.
Maar misschien doe je dat nog het best door je vertrouwen in Hem uit te spreken.

Medewerkers
Geloof, liefde en vertrouwen liggen heel dicht bij elkaar.
En daarom kan een eenvoudige mens, die vol vertrouwen een kaarsje aansteekt, veel dichter bij God staan dan iemand die over God kan preken alsof die bij hem thuis in de canapé zit. Je moet trouwens altijd een zekere reserve behouden t.a.v. mensen die over God praten of Hij bij hen thuis op de canapé zit. Niemand kan zo over God spreken. God blijft altijd voor een deel een mysterie, waar geen mens helemaal in kan doordringen.
Dé God die wij helemaal kunnen vertrouwen vraagt van ons echter ook een soort wederdienst, wat niet meer dan logisch is natuurlijk. En daar heeft het evangelie het vandaag over. God vraagt aan ons dat Hij ons ook mag vertrouwen. Dat wij ook trouw zouden zijn aan Hem.
Dat wil zeggen dat wij beschikbaar zijn als Hij ons nodig heeft. Dat wij medewerkers worden, en dat klinkt misschien wat hoog gegrepen, maar zo is het werkelijk: God wil doorheen ons werken, God wil ons nodig hebben om zijn liefde gestalte te geven, om zijn Rijk onder ons te vestigen. We hebben het er de laatste tijd al zo vaak over gehad. God heeft de wereld niet volmaakt geschapen. De Schepping is nog volop bezig, de wereld is nog helemaal onaf. God wil in die wereld steeds verder doordringen. En Hij wil ons daarvoor nodig hebben.

Alert
En daarom moeten wij alert blijven. Niet indutten, niet alles op zijn beloop laten. Maar voortdurend uitkijken naar elk teken dat van Hem zou kunnen komen en waarmee Hij beroep op ons doet. En dat teken is meestal de vragende blik van iemand die -om welke reden ook- gemeden en niet geteld wordt, geen uitzicht meer heeft op een beetje respect, op een beetje geluk.
De gelijkenis over de verstandige beheerder die niet hoeft te blozen als zijn baas onverwacht thuiskomt: hij kan niet verrast worden omdat hij dag in dag uit voortreffelijk werk verricht en op ieder moment rekenschap kan afleggen.
Dit werd vroeger vooral begrepen als een waarschuwing dat je helemaal klaar moest zijn voor de ontmoeting met God op het moment van je dood.
Vele voorname Romeinen die zich bekeerden tot het christendom, lieten zich daarom pas dopen op hun sterfbed. Om helemaal zondeloos voor God te staan. (En wellicht ook een beetje om -tot aan hun dood- hun heidense leefgewoonten te kunnen verderzetten). Maar dat is natuurlijk een karikatuur van wat Jezus bedoelt.

Voortdurend
God staat echt niet alleen voor ons aan het eind van ons leven. Hij komt voortdurend op ons af. Vragend, smekend, opvorderend zelfs. Hij toont zijn gelaat in schrijnende situaties, soms in dingen die ons zelf overkomen, maar vooral in de hulpeloze blik van een ander. Maar wij moeten alert zijn om zijn gelaat te herkennen. Als wij alleen maar bezig zijn met onze dagelijkse beslommeringen, mislopen wij zijn verschijnen in ons leven.
Maar Hij blijft komen. Voortdurend. Elke dag.

Groeien tot in het oneindige. Letterlijk.

Zondag 4 augustus 2019, achttiende zondag door het jaar (jaar C)

In oktober en november, als de dagen korter worden en de nachten langer, als het weer versombert en heel de natuur ons spreekt over de vergankelijkheid der dingen, dan sluit de liturgie daar naadloos bij aan en richten de lezingen en de gebeden onze aandacht op onze eigen sterfelijkheid.
Maar toch niet middenin de zomer! Toch niet in volle vakantietijd!
En toch gaan de lezingen vandaag daarover: over de kortstondigheid van ons leven hier op aarde. En over wat daarna komt. Als er nog iets daarna komt.
En, als er nog iets daarna komt, moeten wij daar dan iets voor doen of worden wij daar automatisch in opgenomen?
Bij nader inzien is het helemaal nog niet zo gek om daar in de vakantietijd eens goed over na te denken. Geen andere tijd is immers meer geschikt om eens helemaal stil te vallen en ons in alle rust eens af te vragen: “Waar ben ik eigenlijk mee bezig? Leef ik wel zinvol? Wat is het doel van mijn leven? Heb ik wel een doel, of laat ik mij gewoon meedrijven?”
Zusters en broers, wanneer ik mijn preken van de laatste tijd overlees, dan verbaas ik mij er zelf over hoe vaak ik hier van jetje sta te geven tegen de alles overheersende levensfilosofie hier in het Westen, die ons gewoon tegemoet waait uit de media, de reclame, ‘de boekskes’ en zelfs uit de wereld van onderwijs, cultuur, wetenschap en politiek. En die levensfilosofie, dat is het altijd maar voldoen aan de drang, de plicht bijna om te genieten.
Dat lijkt ook nog het enige te zijn wat wij elkaar toewensen. Geniet ervan! Van duizend en één dingen.

Levensvervulling
Ik kan er echt niet genoeg de nadruk op leggen hoezeer je als christen het recht hebt om de Schepper te eren door plezier te vinden in alle mooie, heerlijke en genotvolle zaken die het leven aangenaam maken.
Ik denk zelfs dat echte christenen per definitie genieters zijn. Zij het dan eerder epicuristen die het meer verfijnde, soms “uitgesteld” genieten verkiezen boven het wat ruigere hedonisme, dat wil gaan voor veel en lang en onmiddellijk.
De vraag is alleen maar: kan je met alleen maar genieten je leven vullen?
Kan je daarmee zin geven aan je leven? Geeft dat levensvervulling?
Kan je echt op een zinvolle manier oud worden, als je alleen maar probeert om narigheid en ongemak te ontlopen en zoveel mogelijk je dagen te vullen met aangename en genotvolle bezigheden? Misschien moeten we daar ook niet te vlug met neen op antwoorden. Of wij ons leven op een zinvolle manier doorbrengen hangt namelijk in grote mate af van wat wij als zinvol zien, maar in ieder geval ook van hoe wij het leven zien. En dan vooral: houdt het leven op bij onze dood of geloven wij dat er daarna nog iets komt?

Verschil
Ik denk dat dit een enorm verschil maakt i.v.m. de vraag wat dan zinvol leven is.
Als het leven eindigt met de dood, dan kan je moeilijk ontkennen dat het zinvol is om je bestaan zo aangenaam mogelijk door te brengen. Als je dan daarbij ook nog gerijpt bent tot iemand met een gezonde morele en sociale reflex, dan ga je ook wensen dat andere mensen het eveneens goed hebben. En je daar ook voor inzetten. Het is een houding waarbij nogal wat nobele mensen die niet geloven, niet moeten onderdoen voor gelovigen. Het is inderdaad duidelijk dat je niet religieus-gelovig moet zijn om sociaal en menslievend in het leven te staan. En toch is er een wereld van verschil tussen christenen en mensen die niet-religieus geloven wat betreft hun motivatie om positief en anderen waarderend en helpend in het leven te staan.
Gewoon omdat christenen een andere tijdslimiet hanteren.

Groeien
Christenen gaan ervan uit dat een mensenleven niet eindigt bij de dood. Maar dat iedere mens geroepen is om eeuwig te leven in de geborgenheid van God.
En dat heeft natuurlijk een enorme weerslag op de manier waarop je het leven vóór de dood wil inkleuren. Als je gelooft dat je einddoel een God is die pure liefde is, dan is heel je leven vóór de dood een kans om te groeien in liefde, om te groeien naar God toe. Dan steek je de morele en sociale dimensie voorbij. Dan wil je niet zozeer een moreel en eerbaar leven leiden, aangenaam voor jezelf en hulp biedend aan anderen.
Maar dan wil je echt een liefdevol mens worden. En dan wordt voelen dat je daarin groeit, de meest voldoeninggevende ervaring.
Sterker nog, je voelt steeds duidelijker dat dit het enige is wat nog telt.
Dat zelfs als je oud en sukkelachtig wordt, je kansen blijft krijgen om te groeien.
Te groeien in de liefde. En dat maakt je gelukkig.

De Schepping is nog bezig

Zondag 28 juli 2019, zeventiende zondag door het jaar (jaar C)

Als er iets is dat je in bijna alle godsdiensten tegenkomt, dan is dat wel de idee dat God het goede beloont en het kwade bestraft. Je vindt die vergeldingsgedachte bijvoorbeeld heel sterk terug in het Oude Testament. Zoals vandaag in het verhaal over de ondergang van Sodom. God wil de stad vernietigen omwille van het door-en-door zondig gedrag van de inwoners. En Abraham wil het vergeldingsprincipe positief aanwenden en tracht God te overreden om de stad juist te sparen omwille van de rechtvaardigen onder de inwoners. “Al waren het er maar 10”.

Illusie
En toch denk ik dat die vergeldingsgedachte geen typisch godsdienstige gedachte is. Ik denk dat het eerder om een algemeen menselijke gedachte gaat, een verlangen, een wensdroom levend in iedere mens. Ook mensen die het atheïstisch geloof aankleven, mensen dus die geloven dat er geen God is, die zullen, wanneer hen totaal onverdiend iets heel ergs overkomt, verontwaardigd zeggen: “dat heb ik nu toch ook niet verdiend”.
Alsof er toch ergens een instantie moet zijn die zorg draagt voor een minimale vorm van rechtvaardigheid. Of dat, als die instantie er niet is, dat dan de kosmos zo in elkaar steekt dat -op één of andere manier- uiteindelijk het belonen van het goede en het bestraffen van het kwade, het “normale” is.
Maar ieder van ons beseft dat dit een wensdroom is die op geen enkele manier in de echte wereld bevestigd wordt.
Er is de schrijnende ongelijkheid tussen mensen al van bij hun geboorte, waarbij de ene mens wel geprogrammeerd lijkt om gezond honderd jaar te worden, terwijl de andere zijn korte leven voornamelijk zal doorbrengen in klinieken en sanatoria.
Als je dan bovendien ook nog denkt aan oorlogen, ziekten en natuurrampen, die ontelbare onschuldigen de miserie en de dood injagen, zonder ook maar het minste onderscheid tussen goed en kwaad bij de slachtoffers, dan besef je dat er niet zoiets is als een regulerend principe dat rechtvaardigheid in de hand werkt.

Bidden
Christenen geloven dat God liefde is. Omdat Jezus ons dat bijgebracht heeft.
Maar dat is een overtuiging die je alleen maar bevestigd kan zien met de ogen van het geloof. Met de ogen van het hart.
Tot die gedachte, de gedachte dat God liefde is, kom je zeker niet door het bestuderen van de natuur. Ook op dit punt moeten we toegeven dat God een mysterie is, dat wij Hem met ons verstand nooit helemaal begrijpen.
In feite kunnen wij God alleen maar naderen door te luisteren naar wat Jezus ons zegt en door ons voor Hem te openen in het gebed.
Ons gebed is inderdaad op de eerste plaats luisteren naar wat God ons wil zeggen.
Voor een christen is bidden vooral: op een heel vertrouwelijke manier omgaan met God, zoals een kind onbevangen praat met zijn papa.
Het gebed dat Jezus zelf ons geleerd heeft, wijst al van in het begin op een typisch christelijke houding in het gebed: de oneindig vertrouwelijke aanspreking van God met “vader, papa”.

Onaffe schepping
En onmiddellijk daarna wordt een tweede kenmerk van het christelijk gebed heel duidelijk in de zin: Uw rijk kome, Uw wil geschiede op aarde als in de hemel.
Wij gaan er dus van uit dat de wereld op zich God-loos is. Niet vóór God, niet tégen God, maar God-loos. En dat God in die wereld wil doordringen.
Dat Hij met zijn liefde in de wereld zichtbaar worden. En dat Hij ons daarvoor wil nodig hebben.
Als christen ga je er dus van uit dat de wereld, dat de Schepping niet af is, niet volmaakt is. Dat klinkt heel erg onorthodox omdat het suggereert dat God iets geschapen heeft dat niet-volmaakt is. Maar we moeten ons daar over zetten.
Paulus zelf zegt dat de wereld zucht en kreunt in barensweeën. M.a.w. de wereld is niet af. De Schepping is nog volop bezig.
En God wil via ons steeds verder in de wereld doordringen, Zijn liefde tastbaar maken in een wereld die zo’n nood heeft aan rechtvaardigheid, medelijden, liefde en ontferming. Nood heeft aan voltooiing.

Ultiem gebed
Wanneer ik bid als christen, dan vraag ik aan God om mij te kneden en anders te maken, opdat ik kan en wil helpen om de wereld anders te maken, beter te maken.
Bidden is, ten diepste, vragen aan God dat mijn wil steeds meer zou overeenkomen met zijn wil. Opdat mijn eigen leven en bijgevolg ook mijn omgeving en een klein stukje van deze wereld, ietsje meer beeld wordt van Hem.