Geld

Zondag 29 september 2019, zesentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

Vorige week hebben we het er al over gehad dat het christelijk geloof een neutrale houding aanneemt t.a.v. het fenomeen geld. Geld is gewoon een betaalmiddel. En het maakt op een voortreffelijke manier het gesleur en gesjouw van de vroegere ruilhandel overbodig.
Maar voorzichtigheid is wel geboden. Geld, rijkdom en bezit kunnen blijkbaar heel gemakkelijk een hartstocht worden. En nogal wat mensen verheffen geld tot god. D.w.z. dat zij er werkelijk door gefascineerd zijn, er alles van verwachten, er al hun vertrouwen in stellen. En dan wordt de jacht op geld een nietsontziende hartstocht, die soms letterlijk over lijken gaat.

Nuttig
Maar ons geloof heeft zeker geen moeite met geld of welstand op zich.
Sommige strekkingen binnen het christendom spreken er zich zelfs expliciet voor uit. Het calvinisme bijvoorbeeld, ziet in welstand een duidelijk teken dat God je goedgezind is en je zegent.
Nogal wat onderzoekers situeren dan ook bij de komst van het calvinisme het ontstaan van het kapitalisme.
Zeker is in ieder geval dat in de 17de eeuw een onbetekenend landje als Nederland, onder invloed van het calvinisme op korte tijd uitgroeide tot de eerste handelsnatie ter wereld. Wat welstand bracht aan heel veel mensen.
Denk bij ons, katholieken, aan de ontelbare congregaties en bewegingen van zusters en paters, die de eeuwen door, reusachtige fortuinen verzamelden.
Niet om zelf een luxeleven te leiden, maar om scholen en ziekenhuizen op te richten en om allerlei nutsvoorzieningen te financieren.
Je kan dus met geld heel veel nuttige dingen doen. En je kan met je geld vooral ook goed doen voor mensen die het minder breed hebben dan jij.
Het mag bovendien gerust ook eens met zoveel woorden gezegd worden dat er ook in onze tijd nogal wat rijke mensen zijn die aanzienlijk veel geld overmaken aan hulporganisaties en stichtingen. Stichtingen die op een heel professionele wijze geleid worden en het leven van minderbemiddelde mensen gezonder, gemakkelijker en aangenamer maken.
Tegenwoordig hebben trouwens ook de meer linkse mensen onder ons zich verzoend met de vrije markteconomie en het privébezit. Ze blijven alert voor overdrijvingen en misbruiken, maar zowat iedereen erkent momenteel de voordelen van privéondernemerschap boven de rompslomp van staatsmonopolies.

Onzinnig
Geld, bezit en vermogen zijn dus helemaal niet vies op zich. Integendeel.
Het enige waar we moeten voor oppassen is dat geld geen hartstocht wordt. Misschien klinkt dat een beetje melig.
Maar wie zou durven ontkennen dat er van geld inderdaad een zeer geheimzinnige aantrekkingskracht uitgaat? Geld verleidt.
Het lijkt wel of het bemind wil worden om zichzelf. Dat het over een soort magisch vermogen beschikt om mensen tot . . . liefdesslaaf te maken.
Iedereen kent het verschijnsel: vele mensen die al veel geld hebben willen altijd maar meer. Hoe meer ze hebben, hoe meer ze er bij willen. En toch . . .
Warren Buffett, één van de allerrijkste mensen van de wereld, die zegt daarover dat zijn verstand daar niet bij kan.
“Niets is zo dom en onbegrijpelijk”, zegt hij, “dan als je al rijk bent, altijd nog rijker willen worden. Dat is toch onzinnig. Zelf blijf ik werken omwille van het pure plezier van het ondernemerschap. Maar nog rijker willen worden als je al rijk bent, dat is toch complete onzin”.
Tot zover Warren Buffett.

Obsessie
Jezus spreekt zich over zulke zaken niet direct uit.
Waar hij wel voor waarschuwt en heel duidelijk gevaar in ziet, is dat hartstocht voor geld heel vaak gepaard gaat met toenemende hardvochtigheid.
Hoe groter de liefde voor het geld, hoe groter de onverschilligheid wordt voor de andere mensen.
Hoe meer rijkdom en bezit een dwanggedachte worden, hoe meer de gevoelloosheid voor de armoede en het leed van anderen toeneemt.
Wanneer geld een obsessie wordt, werkt het heel destructief. Vernietigend voor anderen, maar uiteindelijk ook vernietigend voor onszelf.
Als geld god wordt, dan drogen de levenssappen op. De harten verdorren, vriendschappen doven uit, relaties gaan stuk. Dan wordt de aarde weer woest en leeg. En terwijl wij denken alles te winnen, ontglipt ons het leven zelf, als zand tussen onze vingers.
Want de geldgod is een jaloerse god. Hij eist ons helemaal op, duldt niets of niemand naast zich. Geen mens en ook geen God.
Alle hoop, alle verwachtingen die wij normaal stellen op de echte God, eist deze namaak-god op voor zichzelf. Maar hij blijkt een aartsbedrieger te zijn.

Volheid van leven
Hij is een namaak-god die niets vermag tegen onze ultieme vijand: de dood.
Integendeel, hij brengt de dood zelfs binnen in ons leven. Waar hij heerst, sterft alles af.
Het enige tegengif tegen deze geldgod is de God van Jezus.
Een God die staat voor liefde en warmte, voor bevrijding en volheid van leven.
Volheid van leven voor onszelf en volheid van leven voor de mensen rondom ons.

Over gOD met een kleine “g”

Zondag 22 september 2019, vijfentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

Dit evangelie zit je eigenlijk niet lekker. Het lijkt er immers op dat Jezus hier een man tot voorbeeld stelt die niet alleen het geld van zijn meester verkwist heeft, maar hem dan ook nog eens op de koop toe een tweede keer bedriegt door valse schuldbekentenissen te bezorgen aan hen die bij zijn baas in het krijt stonden. Maar dat lijkt alleen maar zo.
In het Israël van die tijd golden i.v.m. rentmeesterschap nogal wat merkwaardige regels. Ik heb dat ook nu pas gelezen en ik ga u in ieder geval de uitleg besparen.
Maar misschien kunt u gewoon van me aannemen dat de zogenaamde “onrechtvaardige rentmeester” alleen zijn eigen loon verkwist had. En dat hij, toen hij in nauwe schoentjes kwam te staan en zijn betrekking dreigde te verliezen, een regeling trof die wel nadelig was voor hem, maar anderzijds zijn toekomst veilig stelde. En waarbij niemand anders enig nadeel ondervond. Jezus prijst hier bijgevolg niet één of andere slinkse praktijk van een nogal louche heerschap, maar het feit dat deze weinig achtenswaardige man, die in een crisissituatie belandt, met overleg tewerk gaat en een oplossing uitdoktert waar alle partijen kunnen mee leven.
Nu deze kleine moeilijkheid hopelijk op enigszins bevredigende wijze opgelost is, kunnen we overgaan tot het serieuzere werk.

Nieuwe religie
Wat bedoelde Jezus met de “onrechtvaardige Mammon”? Is geld dan slecht op zich? Natuurlijk niet. Geld is gewoon een betaalmiddel dat de uitwisseling van goederen en diensten vergemakkelijkt en de omslachtige ruilhandel overbodig maakt. Geld op zich is neutraal: je kan er ook voortreffelijke dingen mee doen, je kan geld op een heel evangelische manier besteden.
“Mammon” is trouwens een woord dat niet slaat op geld zelf. Mammon is het tot god verheven geld. En dat is iets heel anders.
Wat betekent dat woord “god” overigens?
Eigenlijk betekent het woord “god” niets anders dan: diegene of datgene waar ik heel mijn hoop op stel, waar ik alles van verwacht, waar ik helemaal op vertrouw.
Voor nogal wat mensen is dat gewoon geld. En dus is geld hun god.
Ook al zijn ze er zich vaak niet van bewust of zullen ze beweren dat ze helemaal niet godsdienstig zijn. De geldgod is bovendien een hele jaloerse god, hij duldt geen andere god naast zich. En hoe meer het vertrouwen in de geldgod groeit, hoe meer zijn aanhangers zich afkeren van elke andere vorm van godsdienst.
En wie zou durven ontkennen dat de aanbidding van de Mammon—zij het dan onofficieel—de grootste godsdienst in het rijke westen geworden is?
Dat, zoals iemand mij onlangs nog zei, de Westerse mens nog nooit zo godsdienstig geweest is als vandaag.
Alleen is de verering van de Bijbelse God vervangen door de aanbidding van het geld.

Pijnlijk
Het is een uitspraak die ons erg onrustig maakt en korzelig, ons zelfs ronduit kwaad maakt. Wij willen dat niet geweten hebben. Wij willen dat niet horen. Wij kunnen het zo moeilijk onder ogen zien dat wij westerlingen, christenen en ex-christenen, sinds de komst van welvaart en rijkdom, de God van Jezus tenminste gedeeltelijk geruild hebben voor de god van het geld.
En persoonlijk denk ik zelfs dat daar de reden ligt waarom christenen zich zo weinig weerbaar opstellen tegenover al de antigodsdienstige bagger die wij dagelijks over ons heen krijgen. Dat dát de reden is waarom de media, die alleen maar negatief “nieuws” brengen over het geloof en politici die dat geloof gewoon willen afschaffen, zo weinig tegenspraak ondervinden. Ik denk: omdat zij een soort verontschuldigende functie vervullen.
Hun voortdurende kritiek geeft mensen het geruststellende gevoel dat ze toch niet helemaal fout zijn als ze hun boontjes niet meer voor 100% bij het christelijke geloof te weken leggen. Als ze niet doen wat het geloof van hen vraagt, en ze op de eerste plaats voor zichzelf aan het zorgen zijn.

En wij?
Zusters en broers, ik kom ook niet van een andere planeet. Ook ik draai mee in onze maatschappij en wat ik zeg tegen u, zeg ik ook tegen mezelf. Omdat het evenzeer geldt voor mij als voor u.
O.K., stel dat de geldgod een beeld zou hebben in een tempel, dan gaan wij hem daar zeker niet de ganse dag op de aarde uitgestrekt aanbidden.
Maar we gaan er wel kaarsjes branden.
Denk aan de definitie van daarstraks: onze god dat is diegene of datgene waar wij al ons vertrouwen in stellen, al onze hoop op veiligheid en geborgenheid, waar al onze verwachtingen, al ons uitzien naar geluk op gericht staan.
Is dat voor ons de God van Jezus, of is dat toch ook niet, of misschien zelfs vooral, de god van het geld?
Voor Jezus is geld niet vies op zich. Geld dient niet noodzakelijk alleen maar om te voldoen aan onze onverzadigbare eigen verlangens. Je kan er ook goed mee doen. Je kan er ook mensen mee helpen, je kan er hongerigen mee voeden en armen een duw mee geven. Je kan er prachtige initiatieven mee steunen en vriendschap en vrede mee bewerken.
Dat is wat Jezus zegt: “Het geld van de onrechtvaardige Mammon, dat oorzaak is van zo onnoemelijk veel kwaad, je kan daar ook veel goed mee doen”.
“Doe dat dan”, zegt Jezus.

Dat andere spijt

Zondag 15 september 2019, vierentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

Het verhaal van de Verloren Zoon is zo gekend, zit zo sterk in ons collectieve geheugen gebeiteld, dat het een stuk van onze cultuur geworden is.
Het heeft dan ook weinig zin om in een preek voor de zoveelste keer de voortreffelijkheid te prijzen van de jongste zoon, die, hoewel hij van zijn leven een puinhoop had gemaakt, uiteindelijk toch tot inkeer kwam en gered werd.
Terwijl de oudste zoon zich helemaal vastgereden had in een mengeling van eigen gelijk en heimelijke jaloezie. We hebben dat immers al zo vaak gehoord.
Wat anderzijds niet genoeg kan verteld, bezongen en met dankbaarheid overdacht worden, is dat God een barmhartige Vader is, dat je bij Hem altijd vergeving krijgt als je spijt hebt over wat je misdaan hebt. Hoe zwaar je misdaad ook was.

Jongeren
Ik probeer dát altijd mee te geven aan kinderen en aan jongeren telkens als ik contact met hen heb via schoolmissen, communies en catechese.
Ik vind dat enorm belangrijk.
Velen van hen verliezen met de tijd het contact met Kerk en geloof.
Sommigen van hen zullen al zeer vroeg foute keuzes maken in hun zoeken naar geluk. En ze zullen ondervinden dat de wereld onbarmhartig hard voor hen is.
Sommigen zullen stormlopen tegen muren, tot hun dromen helemaal in flarden liggen. Anderen zullen langzaam wegzinken in berusting en apathie. Of wegvluchten in het roezen, met alle gevolgen van dien: stigma van onbetrouwbaarheid, kapotte relaties, stelen zelfs.
Het is van ongelooflijk groot belang dat als iedereen je mijdt, niemand nog contact met je wil, dat als iedereen je je fouten maar blijft nadragen en maar blijft herhalen dat het alleen maar je eigen schuld is, dat je je dan herinnert dat er toch één iemand is die je wil vergeven, die je vanuit een onvoorwaardelijke liefde wil vergeven. Iemand die al je fouten kent, maar die al zolang op je wacht om je in zijn armen te sluiten en te zeggen: “Welkom thuis, mijn kind”.

Geschenk
Misschien is dat wel de belangrijkste boodschap van het geloof voor onze maatschappij van vandaag. Een maatschappij die zeer snel aan het verruwen is en die geneigd is om heel haar heil te zoeken in “meer blauw op straat”, meer politie en strengere straffen. Christenen zijn ervan overtuigd dat straffen nodig zijn, maar ook dat straf altijd moet gevolgd worden door vergeving en heling. Maar daar kan de staat niet voor zorgen. Dat is onze persoonlijke verantwoordelijkheid, de verantwoordelijkheid van de burgers.
Wij moeten onze nek durven uitsteken en mensen nabij zijn die door velen met de nek worden aangekeken omwille van vroegere fouten. Als er iets uniek christelijks is, dan is het wel die eis van Christus om te vergeven. Een eis die voortvloeit uit de overtuiging dat God zelf vergevend en barmhartig is.
Die opvatting en die eis zijn misschien wel het grootste geschenk van het christendom aan de mensheid. In een maatschappij die achter de breed lachende welvaartsfaçade mét de dag harder wordt en hartvochtiger, mogen wij onze mensen dat christelijk geschenk niet onthouden.

Tragisch
Er is echter nog een ander en even dramatisch fenomeen in dit verband dat onze aandacht verdient en op heling wacht.
Tegenwoordig kom je nogal wat ouder wordende mensen tegen die spijt hebben over wat ze met hun leven gedaan hebben. Maar dan niet zozeer spijt omwille van allerlei foute dingen die ze zouden gedaan hebben. Maar spijt omdat ze, bij wijze van spreken, die foute dingen juist niet gedaan hebben.
Spijt omdat ze de indruk hebben te hard gewerkt en te braaf geleefd hebben en daardoor nu het gevoel hebben helemaal niet geleefd te hebben.
Ik vind dat niet gewoon maar jammer. Het doet me altijd echt heel veel pijn als ik iemand zo hoor praten. Ik vind het verschrikkelijk. Maar je kan wel raden hoe dat komt. Wij worden voortdurend geconfronteerd met fakeopvattingen over wat een geslaagd leven is: een leven dat bol staat van succes en macht en geld en seks en luxe en verre reizen. De media houden ons dat beeld voor, misschien zelfs ongewild. Het zijn misschien wij die dat veel te serieus nemen.
Op dezelfde manier is er momenteel die gekte onder jongeren om op de sociale media selfies rond te sturen met daarop de juiste looks en lichaamsmaten. Waardoor velen van hen doodongelukkig worden om hun uiterlijk en de weg vinden naar plastische chirurgie. Terwijl dat toch nergens voor nodig is.

Heling
Wij laten ons veel te veel opjagen door al dat nepgedoe. Of je leven al dan niet geslaagd is, hangt niet af van de vorm van je rechterneusvleugel en ook niet van de vraag of je elke week op tv komt of niet.
Of je leven geslaagd is of niet, weet jijzelf beter dan wie ook als je het gewoon rustig overloopt en je niet laat overdonderen door de gebakken lucht die overal verkocht wordt. Het is toch zo jammer dat zoveel mensen lijden onder al dat nietszeggend getoet en geblaas. Mensen die in hun leven gewerkt hebben voor hun gezin, die hielden van hun man, hun vrouw en van hun kinderen. Die echt iets betekend hebben. Die iets opgebouwd hebben en goed geweest zijn voor anderen. Die echt, zoals het lied het zegt, een steentje verlegd hebben in de rivier. En die met al hun zorgen en problemen ook echt tevreden en gelukkig zijn geweest. Wij moeten zo’n mensen nabij zijn en hen op andere gedachten brengen. Niet, zoals ik zelf heb moeten leren, niet door tekeer te gaan tegen de hedendaagse idealen of tegen de media, maar door rust te brengen en te helen. Door die mensen echt te laten voelen dat je hen enorm waardeert om wie zij zijn en om wat ze met hun leven hebben gedaan. En hen te helpen er achter te komen dat ze wel degelijk echt geleefd hebben, met alles erop en eraan. En dat ze alle redenen hebben om tevreden op hun leven terug te kijken.

Toch even schrikken

Zondag 8 september 2019, drieëntwintigste zondag door het jaar (jaar C)

In de evangelielezing van vorige week had Jezus het met die onmiskenbaar milde ironie van Hem, over onze neiging om ons belangrijker voor te doen dan we zijn. En hoe wij ons daarmee regelmatig zelf in nesten werken én op onze plaats worden gezet.
Soms ook letterlijk, zoals in het verhaal over de bruiloftsgasten die op de ereplaatsen gingen zitten. En die wat later, beschaamd en vernederd, moesten verhuizen, plaats moesten maken voor gasten die blijkbaar belangrijker waren dan zij.

Liefdeloos?
En dan verandert ineens de toon. Als Jezus het heeft over de eisen die Hij stelt aan diegenen die Hem willen navolgen. Die eisen zijn ronduit verbijsterend, wekken zelfs een zekere weerzin op.
Je kan bijvoorbeeld de eis om radicaal te breken met je vader en moeder, je vrouw en je kinderen, totaal niet in overeenstemming brengen met de persoonlijkheid van Jezus, een man die volmaakt liefdevol in het leven stond.
Je kan die uitspraak alleen maar verstaan als: je mag een familieband nooit tussen jou en mij laten komen. Als je familiale of vriendschapsbanden je verhinderen om beschikbaar te zijn voor God, dan moet je ermee breken.
Kloosterlingen bijvoorbeeld hebben die eis altijd in al zijn radicaliteit omarmd.
De vraag blijft dan natuurlijk hoe wij, de minder radicale volgelingen van Jezus, toch gehoor kunnen geven aan zijn oproep en zijn eisen, die immers ook voor ons bestemd zijn. Misschien moeten wij wat meer van onze familie- en gezinsleden dezelfde verdraagzaamheid eisen die zij van ons verwachten.

Respect
Als er verschillende meningen onder één dak leven, is het niet noodzakelijk de gelovige kant die altijd moet inbinden. Al lijkt het daar vaak op.
Je kan bijvoorbeeld niet geloven hoeveel overlast en narigheid en hinder het geeft voor de overige bewoners van het huis, als vader zondagmorgen vroeger opstaat om naar de Mis te gaan. Heel anders dan wanneer hij opstaat om te gaan joggen of om de poes uit te laten of het ontbijt klaar te maken. Want dat kan rekenen op ieders sympathie. Maar opstaan voor de Mis, je kan niet geloven hoe pijnlijk storend en hinderlijk dat is voor de andere mensen.
Wat Jezus ons vandaag zegt, is: je moet in die dingen niet te tam zijn. Vraag respect. Laat de liefde voor je gezin en je familie geen dam opwerpen tussen jou en de Bron van alle liefde. Dat zou al te gek zijn.
God is immers geen concurrent van “onze menselijke” liefde. God is er de Drager van.

Religieuzen
Jezus heeft het wat verder over nog twee andere voorwaarden waaraan moet voldaan worden als wij Hem willen navolgen: je kruis opnemen en afstand doen van al wat je bezit. Ook niet iets om onmiddellijk vrolijk van te worden. Het zal wel meteen duidelijk zijn dat het ook hier gaat om voorwaarden die, in al hun radicaliteit, alleen maar goed beleefd kunnen worden door mensen die gekozen hebben voor een leven als religieus en die verschillende geloften hebben afgelegd.
Mensen die gewoon in de wereld leven—en die moeten er toch ook zijn—kunnen dit onmogelijk in al zijn consequenties beleven.
Als monnik of als zuster kán je zo leven omdat je niet moet voorzien in je gewone levensonderhoud, daar zorgt de gemeenschap voor. En dus kan je, als je dat wil, je helemaal geven aan het religieuze leven van gebed en verdieping, van sociale inzet en zorg.
Als kloosterling kan je, als je dat echt wil, de navolging van Jezus in al zijn radicaliteit beleven.

Iedereen
Maar het kan gewoon niet dat Jezus het maken van die keuze van iedere mens verlangt. Dat blijkt trouwens al uit zijn eigen leven. Jezus was bijvoorbeeld bevriend met het gezin van Martha en Maria en Lazarus; voor zover we dat kunnen nagaan, een normaal huishouden. En wanneer Hij iemand bevrijdt, geneest, een nieuwe toekomst geeft, vraagt Hij aan de betrokkene alleen maar niet meer te zondigen en anders te leven. Maar Hij legt hun, zoals in het concrete geval van de tollenaar Zacheüs, niet op dat ze hun gezin moeten verlaten, dat ze van beroep moeten veranderen of als kluizenaar gaan leven . . .
Er is dus overduidelijk ruimte gelaten voor gewone mensen zoals u en ik, om Jezus na te volgen op een manier die bij onze situatie past.
Jezus vraagt ons alleen dat we dat serieus zouden doen. Dat we geen wishy-washy-christenen zijn. Dat we het Franse “catholique avant tout” niet vertalen met: “katholiek, af en toe”.

Eigen verantwoordelijkheid
Ieder van ons moet hier zijn verantwoordelijkheid opnemen. Er bestaat geen vooraf uitgestippelde weg. Ieder moet voor zichzelf uitmaken hoe hij die navolging van Jezus in zijn eigen situatie het best gestalte kan geven.
Maar dan -binnen onze mogelijkheden- toch zo radicaal als het maar kan.
Uit andere passages in het evangelie blijkt overduidelijk dat Jezus beter overweg kan met zondaars dan met lauwe mensen, noch warm, noch koud, met mensen die nogal rap content zijn.
Dat wij geen religieuzen zijn, ontslaat ons op geen enkele wijze van de verplichting om het ideaal zo dicht mogelijk te benaderen.

Wijsheid en “wijsheid”

Zondag 1 september 2019, tweeëntwintigste zondag door het jaar (jaar C)

Bijna altijd als het komkommertijd is voor de pers, duiken er links en rechts artikelen op over zogenaamd pas ontdekte evangeliën. Het evangelie van Thomas, van Maria Magdalena, van Judas en van weet ik veel wie nog allemaal.
En altijd weer lijkt het erop dat de schrijver van het artikel het bewuste evangelie nauwelijks gelezen heeft. Maar hij weet wel dat het gaat om belangrijke, geheime informatie die de Kerk voor de mensen altijd verborgen heeft gehouden, omdat het haar niet goed uitkwam. In werkelijkheid gaat het altijd over pseudodiepzinnige gnostische abracadabra waar je in je leven niets mee kan aanvangen.
Uit oude geschriften (Ireneüs van Lyon bijvoorbeeld) blijkt duidelijk dat men in de vroege Kerk op de hoogte was van deze “evangelies”, maar dat men ze verachtelijk van de hand wees wegens . . . onnozel. Uiteindelijk zijn ze waarschijnlijk “verdwenen” omdat niemand er nog belangstelling voor had.

Onzin
Ook hedendaagse geleerden ontdekken bij de studie van die teksten dat ze geschreven zijn een paar eeuwen na Christus en, vooral, dat ze duidelijk niet-christelijk zijn, maar eerder een laatste poging van het heidendom om het oprukkende christendom in te palmen en onder te brengen in het eigen huis.
Gewone mensen hebben daar geen uitgebreid onderzoek voor nodig.
Wanneer gewone mensen dingen lezen als: “Gezegend de leeuw, die de mens zal verslinden zodat de leeuw menselijk wordt”, dan beseffen ze onmiddellijk dat het hier niet gaat om een diep mysterie, maar gewoon om een beetje onzin.
Dat doet me denken aan die Kung Fu films uit de jaren 70. Er was toen op tv ook een veel bekeken feuilleton waarin David Carradine, tussen het uitdelen van rake klappen in, ons voortdurend vergastte op diepzinnige oosterse uitspraken. Later vertelde Carradine daarover in een interview dat de stunts en de gevechtsscènes hem minder moeite kostten dan het niet mogen lachen als hij zijn “diepzinnige” praat aan het verkopen was.
Waarom vertel ik dat nu allemaal?

Wending
Gewoon om nog eens op te frissen dat het christendom ons juist van dat mysterie- en orakelgedoe verlost heeft. Het christendom heeft een dikke streep getrokken onder heel die santenkraam van onverstaanbare teksten en boodschappen, die dan door “uitverkorenen” moesten geduid worden, met alle kansen van dien natuurlijk om er een eigen kleurtje aan te geven.
De komst van het christendom markeerde meteen ook het einde van orakeldames die—meestal zo stoned als het maar kon—uitspraken deden die niemand begreep en waar je dus alle richtingen mee uit kon. En ook de wichelaars en de zieners, die uit ingewanden van dieren de toekomst van de mens voorspelden, moesten noodgedwongen een andere handel opzetten. Want met het christendom sloegen geloof en religie een heel nieuwe weg in.
Het evangelie van Jezus maakte een einde aan de verpletterende rol van het lot en de spelletjes van de wispelturige goden en legde, in plaats daarvan, een enorme verantwoordelijkheid bij de mens.

Helder
En een andere revolutionaire doorbraak was de taal. De evangelies brengen geen pseudomystiek gebrabbel zoals de “geheime boodschappen voor ingewijden” in de gnostische geschriften. De taal van het evangelie is klaar, direct en voor iedereen begrijpelijk. En vooral: de evangelies hebben het over ons leven, niet over het verborgen leven van engelen, geesten en demonen.
Ze gaan over dingen die het dagdagelijkse leven van de mensen aangaan.
Neem nu het evangelie van vandaag. Jezus heeft het daar over hoogmoed.
En dan meer bepaald over de potsierlijke en vernederende situatie waarin pretentie ons kan brengen. Gewoon alleen maar dat. Een heel gewone, menselijke observatie. Ook dat is Jezus.

Behoeden
Jezus had natuurlijk nog heel andere registers kunnen opentrekken. En bij momenten doet Hij dat ook. Want hoogmoed (de fameuze hybris bij de Grieken) kan tot verschrikkelijke drama’s leiden. Maar vandaag heeft Hij het gewoon over dat onnozele kantje aan onze persoonlijkheid dat ons in Louis-de Funèsachtige situaties kan brengen. Omdat wij ons nogal eens belangrijker willen voordoen dan we zijn. En als we dan op de een of de andere manier op onze plaats gezet worden, dan is dat nogal pijnlijk.
Eigenlijk geeft Jezus hier gewoon wat goede raad om ons voor narigheid te behoeden, om te voorkomen dat we onszelf belachelijk zouden maken.
Daarna wordt het wel serieuzer. Als Hij zegt dat je er niet per se voor moet zorgen dat je goed staat bij belangrijke mensen. Dat je geen feestmalen moet aanrichten om een wit voetje te halen bij mensen die daar helemaal geen nood aan hebben. Dat je beter je geld kan geven aan zaken die niet direct je status verhogen, maar die wel ten goede komen aan mensen die je hulp echt nodig hebben.

Vreemd
Maar misschien onthouden we uit de evangelielezing van vandaag toch vooral dat de Boodschap die Jezus ons bracht, gesteld was in een klare en voor iedereen begrijpelijke taal. En dat ze gericht was aan elke mens. Dat ze ons wil helpen om ons gewone dagelijkse leven zin en betekenis te geven. En dat bijgevolg alles wat zweemt naar meegedeelde geheimen of mysterievolle inzichten voor ingewijden, wezenlijk vreemd is aan het evangelie en vreemd aan de persoon van Jezus Christus.
Bovendien hebben we onze handen meer dan vol met het “gewone evangelie”!
Geheime Boodschappen zijn in feite “spielerei”. Het zijn boeiende speeltjes die ons vaak juist afhouden van datgene waar het in het leven werkelijk om gaat.

Dat foute geloof

Zondag 25 augustus 2019, éénentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

In een praatprogramma op tv krijg je tegenwoordig zelden nog een interessante uitwisseling van ideeën tussen verstandige en beschaafde mensen. Zo’n confrontatie heeft steeds meer het karakter van een afrekening, waarbij de ene de andere probeert in te blikken. Je merkt iets dergelijks ook met programma’s die handelen over ons collectief verleden. Blijkbaar is het verleden van ons volk iets waar wij ons alleen maar moeten over schamen.
Neem bijvoorbeeld die programma’s over ons koloniaal verleden. Natuurlijk zijn er destijds dingen gebeurd die voor ons nu niet meer door de beugel kunnen. Nu niet meer.
Immers de mentaliteit van individuen en volkeren verandert. Maar indertijd stond ons koloniaal systeem model voor de hele wereld. De Kerk zorgde voor scholen en dispensaria. De staat voor de administratie, het bestuur en de infrastructuur. Dat ondertussen de rijkdommen van dat land naar Europa werden gesleept, vond men in die dagen de normaalste zaak van de wereld. Ook de progressieven van die tijd, ook de staatsmannen en denkers die sympathiek stonden t.a.v. de Verlichting vonden dat de logica zelf: de “inboorlingen” (zoals men die mensen toen noemde) deden er immers toch niets mee en wij konden het goed gebruiken.

Oneerlijk
Geschiedenis dient om niet te hervallen in de fouten van het verleden. Maar je moet wel altijd kijken naar de mentaliteit en de opvattingen in een bepaalde periode eer je een oordeel velt. Want iets wat wij nu totaal verkeerd vinden, was vroeger misschien heel normaal en goed.
Omdat wij dat zelden doen, zijn dergelijke programma’s ook bijna altijd oneerlijk. Veel eerlijker zou het zijn om bijvoorbeeld een programma te maken over wie nu de rijkdommen uit Afrika weghaalt, kindsoldaten slachtoffert en krijgsheren steunt die 100 keer erger tekeergaan dan Leopold II. Maar dat is natuurlijk delicater. Dat zou onze huidige economische belangen kunnen schaden, misschien zelfs onze eigen betrokkenheid blootleggen. Veel interessanter is het je excuses aan te bieden voor het verleden van je eigen volk: het geeft je een air van rechtschapenheid, terwijl je zelf helemaal buiten schot blijft.

Kerk
Iets gelijkaardigs gebeurt er ook i.v.m. het verleden van de Kerk. Voor mensen die steeds minder van geschiedenis afweten, wordt de Kerk steeds meer vereenzelvigd met de uitwassen ervan: de kruistochten, de inquisitie en de Borgia’s. Maar dat was niet de Kerk, dat waren de ziektes van de kerk.
De echte Kerk, dat was dat magnifieke lichaam dat 2000 jaar lang de drager van onze beschaving is geweest.
En dat tezelfdertijd ook heel volks-verbonden was. De Kerk, dat was: zorg voor zieken en gehandicapten, voor armen en uitgestotenen.
De Kerk, dat was ook: al die nonkel paters en tante nonnekes die elke Vlaamse familie rijk was. Dat was het zustertje van de kleuterklas. Dat was de onderpastoor, die, met de hulp van vrijwilligers, zorgde voor een zaal en lokalen voor de jeugd in een tijd toen de gemeenten daar geen geld voor hadden. En nog oneindig veel meer.
De Kerk, dat was echt wel meer dan alleen maar Godfried van Bouillon en Alexander Borgia. Waarom zetten wij ons toch zo af tegen ons verleden?

Economie
Een vleugje Marx kan hierbij misschien helpen? Marx ontdekte dat de culturele bovenbouw bepaald wordt door de economische onderbouw. Dat onze politiek en onze rechtspraak, ons hele maatschappelijk bestel en zelfs ons denken, onze doelstellingen en de manier waarop wij gelukkig willen worden, bepaald worden vanuit de economie, vanuit diegenen die het daar voor het zeggen hebben.
En nog nooit was hun macht om de mensen helemaal te richten en te sturen zo groot als vandaag, dank zij de gigantische invloed van de media en de reclame.
Wat die economische machthebbers willen is duidelijk: dat wij consumeren tot we erbij vallen.
Kopen, genieten van alles wat je met geld kan kopen = gelukkig zijn.
Dat is de boodschap die er bij ons van de morgen tot de avond ingeramd wordt. En hier situeert zich het probleem met het christelijk geloof.
Als je invloed wil op mensen, als je mensen wil achter je aan krijgen, moet je beroep doen op strevingen die al in hen aanwezig zijn en die strevingen aanwakkeren en in dienst nemen.
Hitler bijvoorbeeld deed beroep op de bij de Duitsers sterk aanwezige gevoelens van vernederd zijn, onrechtvaardig behandeld zijn en wraak willen nemen. Een systeem zoals het onze, dat ons wil aanzetten tot consumeren, gaat beroep doen op onze hebzucht en genotzucht, onze pronkzucht, en zelfs op onze gevoelens van afgunst en jaloezie.

Domper
Christelijk geloof met zijn soberheid, zijn naastenliefde en zijn deugden is voor zo’n systeem alleen maar ouwe koek, en vooral: hinderlijke brol. Het geloof beweert immers dat levensvervulling niet ligt in consumeren, maar in liefhebben en iets betekenen voor anderen. Wanneer onze media eerder geloofsonvriendelijk zijn, dan heeft dat uiteindelijk meer te maken met het heersende “consumisme” dan met grote filosofische overwegingen.
Wij zouden als christenen wel gek zijn als we tegen de welstand waren waar we zelf mee voor gevochten hebben. Maar wij vinden wel dat wij het oneindig vervlakkende en onterende mensbeeld, waarbij zelfs menselijke relaties consumptieartikelen worden, moeten afwijzen.
Aan ons, christenen, om te bewijzen dat je wel degelijk kan genieten van de hedendaagse welvaart en tegelijk beseffen dat je echte levensvervulling alleen maar kan vinden in een liefdevolle omgang met andere mensen.