Rationalisme voldoet niet

Zondag 27 oktober 2019, dertigste zondag door het jaar (jaar C)

Een tijdje geleden was ik in het ziekenhuis op bezoek bij iemand die ik niet kende, maar die wel in één van onze parochies woont.
Nadat wij tot ons wederzijds ongenoegen hadden vastgesteld dat hij antikatholiek was en ik pastoor, opende hij meteen het gesprek met een belangrijke mededeling. Ik vernam dat al de mensen die niet deugen op zondag in de kerk zitten. Normaal zeg ik dan: heeft uw grootmoeder dat helemaal alleen gevonden? Maar ik bedacht nog net op tijd dat je niet op ziekenbezoek gaat om een potje ruzie te maken met een patiënt.
Maar inderdaad, vroeger, 50, 60 jaar geleden werd dat nogal eens gezegd. En in zekere zin terecht, gewoon omdat iedereen toen in de kerk zat. Omdat zowat iedereen katholiek was, had de kerk een enorm aanzien en een sterke aantrekkingskracht. En was de zondagsmis de place to be als je zelf ook “iemand wilde zijn” in de gemeenschap. En dat maakte natuurlijk dat ook minder nobele heerschappen zich vromer voordeden dan ze waren. Farizeeërs noemde men hen. En mensen die het geloof niet erg genegen zijn hebben soms weinig moeite om die titel te plakken op elke kerkganger. Ook nu nog.
Diezelfde onvriendelijke generalisering werd vroeger ook toegepast op de echte farizeeërs. Het woord is daardoor een begrip geworden. Terwijl de echte farizeeërs in Jezus’ tijd doorgaans juist heel voortreffelijke mensen waren die voorbeeldig leefden.

Zelfvoldaan
Jezus heeft dan ook niets tegen hun manier van leven, maar wel tegen de houding die sommige voortreffelijk levende mensen soms aannemen tegenover God. Ook wij. Een houding die getuigt van een zekere zelfvoldaanheid, van een nogal opgetogen zijn over jezelf. Je zegt het dan wel niet op de manier van de farizeeër in het verhaal, lachwekkend en stuitend tegelijk. Maar ondertussen zit je wel fijntjes te denken dat God blij mag zijn dat Hij je heeft.
De enige houding echter die passend is als je voor God staat, is er een van volstrekte nederigheid. En je moet daar echt niet veel moeite voor doen.
Als je bidt en je beseft dat je voor God staat, als het echt tot je doordringt wie het is die je voor je hebt, dan zal elke neiging om op te scheppen over de eigen kwaliteiten je helemaal vergaan.
Sterker nog, als je, staande voor God, meent jezelf te moeten aanprijzen, dan is dat een duidelijk bewijs dat je totaal niet beseft wie God is. Omdat je Hem dan behandelt als een chef-de-bureau, bij wie je een wit voetje wil halen. Een nog grotere onwetendheid in de zaken van God is nauwelijks denkbaar. God kent ons beter dan wij onszelf kennen. Hij moet niet overtuigd worden van onze verdiensten en kwaliteiten. Hij kent die. Maar Hij wil ons juist helpen met al het andere.
Graag was ik vandaag ook nog even teruggekomen op die wonderen en mirakelen, waar we het vorige week over gehad hebben.
De verrijzenis van Christus is de kern van ons geloof.
Welnu, de verrijzenis van iemand die dood was, is in ieder geval iets wat wij met ons verstand en onze wetenschap niet kunnen bevestigen of zelfs maar begrijpen. Integendeel, ons verstand zal dat eerder willen ontkennen.
Wanneer christenen niettemin toch geloven in de Verrijzenis, dan wil dat zeggen dat zij geloven, en af en toe ook ervaren, dat het leven een diepte, een dimensie (of hoe je het ook wil noemen) heeft waar wij met ons verstand niet kunnen in doordringen. Waar ons verstand zelfs geen weet van heeft en waarvan het het bestaan spontaan wil negeren.
Maar eens dat je gelooft in Jezus’ verrijzenis, is het logisch dat je ook minder moeite hebt met andere uitingen van die geheimzinnige diepte van de werkelijkheid, die aan rationele verklaringen ontsnapt. Dat je minder moeite hebt met wonderen die regelmatig gerapporteerd worden in de Bijbel, maar ook in onze tijd.

Bevooroordeeld
Maar als er dan zo’n wonder gemeld wordt, zoals onlangs nog met dat ophefmakende Eucharistisch mirakel in Polen, dan krijg je heel merkwaardige reacties. En daar is het mij vandaag om te doen. Niet om hier te bevestigen of te ontkennen dat “het echt is of niet”. Dat weet ik niet, daarvoor moeten wij wachten op verder onderzoek. Maar wat mij vandaag speciaal fascineert zijn de reacties op zo’n bericht.
Gelovigen reageren daar geïnteresseerd en nieuwsgierig op, eerbiedig ook en met bepaalde verwachtingen. Maar toch ook met een zekere reserve: geknoei en gefoefel kan nooit op voorhand uitgesloten worden. (Denk aan de vele “wenende madonna’s”).
De echt angstige reacties komen uitgerekend vanuit de rationele, wetenschappelijke hoek. Niet van elke wetenschapper natuurlijk. Er zijn wetenschappers die onbevooroordeeld de fenomenen onderzoeken. Maar er zijn er ook heel wat die, ondanks de uitdrukkelijke vraag van de Kerk, de fenomenen zelfs niet willen onderzoeken: het KAN en het MAG immers niet waar zijn. Het MOET bedrog zijn.
En dat is grappig. Want als morgen blijkt dat het gaat om bedrog, dan vind ik dat als katholiek jammer, maar dat doet niets af aan mijn geloof. Maar als een rationalist morgen niet anders kan dan aannemen dat er nog wat anders bestaat dan datgene wat zijn verstand kan begrijpen, dan stort zijn wereld in.
En dat is dan tragisch en komisch tegelijk.
Want zij zeggen altijd dat gelovigen angstige mensen zijn.

Hopen op een wonder

Zondag 20 oktober 2019, negenentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

In het evangelie van vandaag worden weer twee markante figuren tegenover elkaar geplaatst. Aan de ene kant een erg cynische rechter, die het niet direct als zijn roeping ziet om de mensen op een eerlijke manier recht te verschaffen. En aan de andere kant een weduwe, die zich door de nukkigheid van de rechter niet uit het veld laat slaan. En die blijft aandringen, net zolang tot ze gehoord en in het gelijk gesteld wordt.
Die twee figuren en hun verhaal zijn alleen maar decor. Wat Jezus ons duidelijk wil maken is dat als wij een gerechtvaardigd verlangen hebben, dat wij dat dan in gebed voor God moeten brengen. En dat wij, zoals de weduwe in het verhaal, ons niet uit het veld mogen laten slaan als ons gebed niet onmiddellijk verhoord wordt. Dat wij moeten blijven aandringen, te pas en te onpas.
Dat wij . . . geduld moeten hebben met God en niet opgeven. Dat wij de hemel moeten blijven bestormen, net zolang tot we verhoord worden.

Oplossing?
Impliciet zegt Jezus hier dat we altijd verhoord worden. Misschien op een heel andere manier dan we hadden gedacht of gehoopt, maar dat we hoe dan ook verhoord worden. Als we tenminste blijven bidden.
En dat is dan meteen ook het klassieke antwoord op de vraag: hoe komt het dan dat wij zo vaak de indruk hebben dat ons vragen, ons smeken zelfs, vaak niet verhoord wordt? Het antwoord is: God verhoort ons altijd, maar dan wel op zijn manier, op de manier die Hij het best vindt voor ons. Dat is het klassieke antwoord. En dat doet natuurlijk erg denken aan wat we tijdens onze opvoeding zo vaak te horen kregen: “Papa en mama weten het best wat goed voor je is”. En dus voldoet dat antwoord ons ook niet echt. Wij zijn ondertussen volwassen mensen geworden en echt voldaan zijn we pas als op een concrete vraag, een concreet antwoord komt. En dus zijn de theologen zich ernstig met dit probleem gaan bezighouden en ze zijn in onze tijd met de volgende oplossing gekomen.
God, zeggen ze, verandert niet de wereld, maar Hij verandert mensen.
En mensen veranderen de wereld.

Focus verleggen
Daar steekt ongetwijfeld waarheid in.
Geen enkele mens die bidt zal dit ontkennen. Heel vaak gaat ons probleem, wanneer wij bidden, zich oplossen doordat wij er heel anders naar beginnen te kijken. Of, eveneens als gevolg van ons gebed, wij zelf wegen gaan vinden om het probleem op te lossen.
Strikt genomen heeft God dan de werkelijkheid, de situatie niet veranderd en toch is het probleem verdwenen.
Om nu zeker niet de indruk te wekken dat gebed je slimmer of handiger maakt, je vaardigheden aanscherpt, je meer bekwaam maakt om moeilijkheden aan te kunnen, wil ik er onmiddellijk bij vertellen dat dit niet zo is. Wat gebed wel doet, is je kijk op de situatie veranderen.
Hoe échter je gebed, hoe dichter je bij God komt en hoe meer je “besmet” raakt door de liefde die van God uitgaat. En dat gaat dan weer maken dat je de focus verlegt, weg van jezelf.
Terwijl je bidt, ga je jezelf minder en minder zien als het centrum van de kosmos, waardoor je ook objectiever kunt kijken naar het probleem.
En daardoor alleen al kun je dichter bij een oplossing komen.

Ervaren
Wij mogen dat element zeker niet onderschatten. Wij hebben immers nogal wat problemen die veroorzaakt, in stand gehouden of versterkt worden doordat wij zowat alles in verband brengen met ons eigen heilige “Ik”. Wanneer wij dat “Ik” wat kunnen relativeren, klaart al veel op.
Maar bidden en het gevolg ervan is natuurlijk meer dan een psychologische truc.
Wanneer wij bidden, gaan wij ongewapend voor God staan. Dan stellen wij ons helemaal open voor wat Hij ons te zeggen heeft. En wij geloven dat God dan ook werkelijk spreekt in ons hart. Ook al weten wij dat onze psyche ingewikkeld werkt en soms spelletjes met ons speelt. Maar hoe échter ons gebed, hoe dichter wij bij God komen, hoe meer wij zullen ervaren dat Hij er is, dat Hij ons draagt en dat Hij soms ook echt tot ons spreekt.

God inperken
Aan dit alles wil ik echter nog iets toevoegen.
Vele hedendaagse theologen vatten alles, zoals gezegd, samen met de slogan: “God verandert de wereld niet. God verandert de mensen en mensen veranderen de wereld”. En dat is natuurlijk waar, dat probeerde ik zojuist ook onder woorden te brengen. Maar het is niet volledig. De theologen die zich daarachter verschansen, willen God eigenlijk inperken. God mag alleen maar ingrijpen in ons hoofd. Maar niet fysiek. Geen wonderen of mirakelen dus.
Ik vind dat kinderachtig. Wij beweren voortdurend dat God ons volledig overstijgt, dat wij Hem nooit helemaal met onze rede kunnen vatten.
Maar als het gaat over zijn ingrijpen in ons leven, zullen wij eens gaan vertellen wat Hij mag en kan en wat niet. Is dat niet een beetje zielig? Want wat is dat anders dan God in ons beperkte kader willen wringen?
Geloven in de mogelijkheid van een wonderbaarlijk ingrijpen van God behoort wezenlijk tot ons geloof. Ook fysiek ingrijpen.
Hou dus elke mogelijkheid open. Blijf bidden.
En blijf vertrouwensvol uitkijken naar wat Hij gaat doen.

Over (on)dankbaarheid

Zondag 13 oktober 2019, achtentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

In het evangelie over de genezing van tien melaatsen lijkt het vooral te gaan over een verbazingwekkende machtsdaad van Jezus. Over een spectaculaire genezing van tien afschuwelijk verminkte en ongeneeslijk zieke mensen.
En dat is natuurlijk ook zo. Maar de pointe van het verhaal ligt elders.
Eigenlijk is het een verhaal over dankbaarheid en ondankbaarheid. Een verhaal over hoe vaak wij alle redenen hebben om dankbaar te zijn en hoe dikwijls wij het vertikken om dankbaarheid te tonen. Niet het minst omdat wij de goedheid die ons betoond wordt vanzelfsprekend vinden. Omdat wij er ons soms niet eens echt van bewust zijn dat er reden is om erkentelijk te zijn.
Of zelfs omdat wij het vernederend vinden om dankbaar en erkentelijk te zijn. Omdat wij menen dat wij daardoor erkennen dat wij anderen nodig hebben en wij dat geen fijn gevoel vinden.

Wanhoop
Heel anders is het met ons gesteld op het moment dat we noodgedwongen op anderen aangewezen zijn. Als wij dringend geholpen moeten worden. Momenten waarop onze toekomst helemaal afgesneden is, als we geen licht meer zien, geen enkele hoop meer hebben dat wij onszelf nog kunnen redden.
Op zo’n moment is alle hulp welkom. In zo’n situatie ga je niet meer zorgvuldig afwegen of het wel de gepaste hulp is en of de hulpverlener wel de aangewezen persoon is.
In een dergelijke situatie van wanhoop schreeuw je gewoon om hulp en is elk verlossend gebaar welkom, om het even van wie het komt.
Geloofden de melaatsen in Jezus? Geloofden ze in God? Dat heeft in de gegeven situatie weinig belang. Ze waren wanhopig. En ze hadden gehoord dat Jezus geweldige dingen deed. En dat was genoeg om elk ongeloof, elk mogelijk vooroordeel, om elke reserve opzij te zetten.
Mensen die zweren bij de traditionele, de klassieke geneeskunde komen soms in zo’n situatie terecht. De dokter kan geen enkele hoop meer geven, de wetenschap is aan het eind van haar latijn. En dan zie je soms hoe zo’n mensen zich, tegen hun eigen overtuigingen in, toch wenden tot alternatieve geneeswijzen. “Baat het niet, dan schaadt het niet”. En wie zou hun daarbij ongelijk durven geven?

Erg
Als mensen wanhopig zijn, als ze hevige pijnen lijden, als ze angst hebben om te sterven, dan grijpen ze wanhopig naar elke mogelijkheid van hulp.
Als de paniek toeslaat, maakt het absoluut niet meer uit wie mij helpt en hoe ik geholpen wordt, áls ik maar geholpen wordt. En dat is heel normaal en menselijk en helemaal niet erg. Erg wordt het pas als, nadat het gevaar geweken is of de ziekte overwonnen, ik terug doe alsof het allemaal niets bijzonders is, of ik eigenlijk alles alleen maar aan mijzelf te danken heb. Als ik, na geholpen of zelfs echt gered te zijn, het helemaal niet nodig vind om merci te zeggen. Omdat ik dankbaar zijn, vernederend vind, mij daar te groot voor voel. Erg is dat. Erg, niet alleen omdat ik mij daardoor van mijn ongecultiveerde kant laat zien. Maar erg, vooral omdat daardoor goede en hulp biedende mensen kunnen dichtklappen en besluiten in ’t vervolg twee keer na te denken alvorens iemand nog te helpen.

Dankbaar
Zusters en broers, omwille van de lezing van vandaag had ik het over extreme vormen van ondankbaarheid. Maar je kan de kwestie ook helemaal anders benaderen. En eens rustig nagaan bij jezelf hoe ongelooflijk veel redenen wij hebben om dankbaar in het leven te staan. Gewoon omdat het leven, ondanks alles, mooi en levenswaard is.
Er is zoveel schoonheid en vreugde in het leven, er zijn zoveel redenen om dankbaar te zijn. Er is zeker, wie zou het ontkennen, de neiging om God vooral te zien als een praatpaal aan wie wij onze nood kwijtraken.
Maar soms zeggen mensen ook dat ze blij zijn dat er een God is omdat ze anders met hun vreugde en hun dankbaarheid geen blijf zouden weten. Denk aan een van de grootste wonderen die een mens kan meemaken: de geboorte van een kindje. Je wordt gewoon overrompeld door gevoelens van geluk, je zou de hele wereld willen omhelzen. En je bent God of het leven of desnoods de kosmos oneindig erkentelijk, want je weet heel zeker: ik zit hier biologisch wel voor iets tussen, maar het is wezenlijk een geschenk. Dit heb ik niet zelf gepresteerd. Misschien zelfs niet eens verdiend.

Gelukkig
Maar ook in minder extatische momenten kunnen die gevoelens opborrelen.
Op een dag zit je gewoon in de wagen, de zon schijnt, de radio staat aan, het werk zit erop. En ineens is er die verwondering, die dankbaarheid ook. Gewoon al omdat er zoiets als een wagen en een radio bestaat. Herken je dat? Dankbaar omdat de zon schijnt, omdat er liedjes zijn, en zangers en goed onderhouden wegen.
Dat is allemaal niet aan mij te danken en toch mag ik ervan genieten . . .
Dankbaar ook omdat er een beenhouwer is (ik moet dus zelf niet op jacht) en een bakker die ervoor zorgt dat er straks brood is en taart. En goeie buren.
En mijn hond. Goddank, dat ik vrienden heb en familie. En een huis en een bed. En zo kan je eindeloos doorgaan. Misschien is dat wel de voornaamste weg naar gelukkig zijn. Af en toe rustig nagaan hoeveel redenen je hebt om dankbaar te zijn. Beseffen dat bijna alles wat je gelukkig maakt niet van jezelf komt, maar van anderen. Als een geschenk.
En dat beseffen maakt je nog meer dankbaar. En gelukkig.

Geloven leert zien

Zondag 6 oktober 2019, zevenentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

“Als je maar genoeg geloof had”, zegt Jezus, “dan zou je tot die moerbeiboom zeggen: ‘Plant je in zee’, en hij zou het doen”.
Heeft geloof dan toch iets met magie te maken? En is iemand die heel sterk gelooft – een heilige zeg maar – een soort Harry Potter, iemand die kan toveren? Laten we niet te vlug zijn met ons antwoord op die vraag.
Wat we in ieder geval meteen al kunnen zeggen, is dat Jezus duidelijk een enorme kracht toekent aan het geloof. En dan meer bepaald aan religieus geloof. Want dat geloof binnen het gewone dagelijkse leven, geloof in een project of geloof in jezelf, je al een heel eind vooruit helpt, is voor iedereen duidelijk. Maar geldt dit ook voor religieus geloof? Wat is trouwens “religieus”?

Diepte
Laten we eens kijken naar wat we bedoelen met een “religieuze ervaring”.
Het is een eerder zeldzame en ook kostbare ervaring, maar ik denk dat ieder van ons dat al minstens één keer in zijn leven heeft meegemaakt.
Ineens en meestal totaal onverwacht, is het er. Het lijkt erop of je ogen ineens met een klik op scherp worden gesteld. Heel de omringende werkelijkheid verandert. Eigenlijk verandert ze helemaal niet. Maar je ziet ze anders.
Ineens blijkt ze een diepte en een samenhang te bezitten die je voorheen niet eens vermoedde.
Het gras is groener, de ingeademde lucht opwindender en zelfs je ergste vijand blijkt één grote schreeuw naar liefde en genegenheid te zijn. Eén klein momentje heb je een volmaakt inzicht in alles. Alles hangt ook samen. Alles is één. En je bent volmaakt gelukkig. Eén klein momentje slechts heeft het geduurd en daarna ben je terug in de “gewone werkelijkheid”. Maar je weet heel zeker dat je heel even de echte werkelijkheid hebt gezien.

Samenhang
Zo’n religieuze ervaring is niet het gevolg van het geloof. Ook mensen die helemaal niet religieus zijn, doen soms zo’n ervaring op. Maar zo’n ervaring is wel vaak de oorzaak van geloof. Een uitnodiging tot verdieping.
Rationeel denken en wetenschap hebben ons leven met oneindig veel goeie dingen verrijkt. Maar terwijl ze de wereld in kaart brachten, hebben ze ook diezelfde wereld haar diepte ontnomen.
Alles lijkt een beetje dichtgeslibd en grijs geworden.
En terwijl de massa steeds meer onverschillig wordt t.a.v. geloof, wordt datzelfde geloof door velen herontdekt als de deur naar de echte werkelijkheid, achter de zichtbare en bestudeerbare werkelijkheid.
En dat is dan het eerste domein waar de kracht van het geloof zich laat kennen. In het vermogen namelijk om door te dringen in de diepte van de ons omringende werkelijkheid, door te dringen in het mysterie achter wat zichtbaar is. Om iets beginnen te vermoeden van de samenhang en de betekenis van de dingen die, wetenschappelijk gezien, geen enkele samenhang of betekenis hebben.

Vrijheid
Maar daarnaast laat geloof ons ook (en vooral) de waarheid over onszelf zien. Geloof stelt ons in staat en geeft ons de moed om naar onszelf te kijken zoals we werkelijk zijn. Inderdaad: de moed.
Want wat je te zien krijgt als je met de ogen van het geloof naar jezelf durft kijken, is niet prettig. En daarvoor heb je Gods hulp meer dan nodig.
Want je ziet dan met een ontstellende klaarheid, dat je vermeende vrijheid in werkelijkheid afhankelijkheid is. En je vermeende waarheid, waar je prat op gaat, een leugen.
Je ziet dat vrij worden niet betekent: vrij zijn om alles te doen wat je wil, vrij zijn van belemmeringen, vrij zijn van wetten en regels, vrij van mensen, vrij van God. Maar dat echt vrij worden betekent: loskomen van jezelf, van je nukken en grillen, van je onverzadigbare verlangens. Vrij worden van de leugen dat alles in de wereld alleen maar om mijzelf draait. (Bonhoeffer).
Alle grote christelijke meesters wijzen in dezelfde richting. Vrijheid betekent: jezelf in de hand hebben. En dat is precies het tegenovergestelde van de populaire opvatting over vrijheid, namelijk: jezelf altijd maar “involgen”.
Elke goesting, elke bevlieging, elke drang involgen.
Want dat is, zo leert je het geloof, juist slaaf zijn. Slaaf zijn van jezelf.
Echt vrij ben je pas als je die dingen onder controle hebt.

Meester
Vrij ben je pas als je meester bent over jezelf. Als je bijvoorbeeld je mondmitraillette in toom kan houden, als je opkomende driftbuien in het gareel kan houden, en je meester blijft over je misplaatste neigingen (gulzigheid, jaloezie, geldingsdrang enz.). Als je daar meester over blijft, dan ben je vrij. En juist niet als je aan die dingen toegeeft. Dan ben je slaaf.
Dat zijn de twee voornaamste dingen die het geloof je leert. Kijken doorheen de oppervlakte en de schijn. Oog krijgen voor de diepte van de ons omringende werkelijkheid en kijken naar onszelf zoals we werkelijk zijn.
“Als je dat doet”, zegt Jezus, “dan gebeuren er onvoorstelbare dingen”. Dan kan je tot die moerbeiboom zeggen: “Plant je in zee”. En hij zal het doen.