Over (on)dankbaarheid

Zondag 13 oktober 2019, achtentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

In het evangelie over de genezing van tien melaatsen lijkt het vooral te gaan over een verbazingwekkende machtsdaad van Jezus. Over een spectaculaire genezing van tien afschuwelijk verminkte en ongeneeslijk zieke mensen.
En dat is natuurlijk ook zo. Maar de pointe van het verhaal ligt elders.
Eigenlijk is het een verhaal over dankbaarheid en ondankbaarheid. Een verhaal over hoe vaak wij alle redenen hebben om dankbaar te zijn en hoe dikwijls wij het vertikken om dankbaarheid te tonen. Niet het minst omdat wij de goedheid die ons betoond wordt vanzelfsprekend vinden. Omdat wij er ons soms niet eens echt van bewust zijn dat er reden is om erkentelijk te zijn.
Of zelfs omdat wij het vernederend vinden om dankbaar en erkentelijk te zijn. Omdat wij menen dat wij daardoor erkennen dat wij anderen nodig hebben en wij dat geen fijn gevoel vinden.

Wanhoop
Heel anders is het met ons gesteld op het moment dat we noodgedwongen op anderen aangewezen zijn. Als wij dringend geholpen moeten worden. Momenten waarop onze toekomst helemaal afgesneden is, als we geen licht meer zien, geen enkele hoop meer hebben dat wij onszelf nog kunnen redden.
Op zo’n moment is alle hulp welkom. In zo’n situatie ga je niet meer zorgvuldig afwegen of het wel de gepaste hulp is en of de hulpverlener wel de aangewezen persoon is.
In een dergelijke situatie van wanhoop schreeuw je gewoon om hulp en is elk verlossend gebaar welkom, om het even van wie het komt.
Geloofden de melaatsen in Jezus? Geloofden ze in God? Dat heeft in de gegeven situatie weinig belang. Ze waren wanhopig. En ze hadden gehoord dat Jezus geweldige dingen deed. En dat was genoeg om elk ongeloof, elk mogelijk vooroordeel, om elke reserve opzij te zetten.
Mensen die zweren bij de traditionele, de klassieke geneeskunde komen soms in zo’n situatie terecht. De dokter kan geen enkele hoop meer geven, de wetenschap is aan het eind van haar latijn. En dan zie je soms hoe zo’n mensen zich, tegen hun eigen overtuigingen in, toch wenden tot alternatieve geneeswijzen. “Baat het niet, dan schaadt het niet”. En wie zou hun daarbij ongelijk durven geven?

Erg
Als mensen wanhopig zijn, als ze hevige pijnen lijden, als ze angst hebben om te sterven, dan grijpen ze wanhopig naar elke mogelijkheid van hulp.
Als de paniek toeslaat, maakt het absoluut niet meer uit wie mij helpt en hoe ik geholpen wordt, áls ik maar geholpen wordt. En dat is heel normaal en menselijk en helemaal niet erg. Erg wordt het pas als, nadat het gevaar geweken is of de ziekte overwonnen, ik terug doe alsof het allemaal niets bijzonders is, of ik eigenlijk alles alleen maar aan mijzelf te danken heb. Als ik, na geholpen of zelfs echt gered te zijn, het helemaal niet nodig vind om merci te zeggen. Omdat ik dankbaar zijn, vernederend vind, mij daar te groot voor voel. Erg is dat. Erg, niet alleen omdat ik mij daardoor van mijn ongecultiveerde kant laat zien. Maar erg, vooral omdat daardoor goede en hulp biedende mensen kunnen dichtklappen en besluiten in ’t vervolg twee keer na te denken alvorens iemand nog te helpen.

Dankbaar
Zusters en broers, omwille van de lezing van vandaag had ik het over extreme vormen van ondankbaarheid. Maar je kan de kwestie ook helemaal anders benaderen. En eens rustig nagaan bij jezelf hoe ongelooflijk veel redenen wij hebben om dankbaar in het leven te staan. Gewoon omdat het leven, ondanks alles, mooi en levenswaard is.
Er is zoveel schoonheid en vreugde in het leven, er zijn zoveel redenen om dankbaar te zijn. Er is zeker, wie zou het ontkennen, de neiging om God vooral te zien als een praatpaal aan wie wij onze nood kwijtraken.
Maar soms zeggen mensen ook dat ze blij zijn dat er een God is omdat ze anders met hun vreugde en hun dankbaarheid geen blijf zouden weten. Denk aan een van de grootste wonderen die een mens kan meemaken: de geboorte van een kindje. Je wordt gewoon overrompeld door gevoelens van geluk, je zou de hele wereld willen omhelzen. En je bent God of het leven of desnoods de kosmos oneindig erkentelijk, want je weet heel zeker: ik zit hier biologisch wel voor iets tussen, maar het is wezenlijk een geschenk. Dit heb ik niet zelf gepresteerd. Misschien zelfs niet eens verdiend.

Gelukkig
Maar ook in minder extatische momenten kunnen die gevoelens opborrelen.
Op een dag zit je gewoon in de wagen, de zon schijnt, de radio staat aan, het werk zit erop. En ineens is er die verwondering, die dankbaarheid ook. Gewoon al omdat er zoiets als een wagen en een radio bestaat. Herken je dat? Dankbaar omdat de zon schijnt, omdat er liedjes zijn, en zangers en goed onderhouden wegen.
Dat is allemaal niet aan mij te danken en toch mag ik ervan genieten . . .
Dankbaar ook omdat er een beenhouwer is (ik moet dus zelf niet op jacht) en een bakker die ervoor zorgt dat er straks brood is en taart. En goeie buren.
En mijn hond. Goddank, dat ik vrienden heb en familie. En een huis en een bed. En zo kan je eindeloos doorgaan. Misschien is dat wel de voornaamste weg naar gelukkig zijn. Af en toe rustig nagaan hoeveel redenen je hebt om dankbaar te zijn. Beseffen dat bijna alles wat je gelukkig maakt niet van jezelf komt, maar van anderen. Als een geschenk.
En dat beseffen maakt je nog meer dankbaar. En gelukkig.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s