De tijd van toen

(Dit is geen homilie)

Gevolg gevend aan de subtiele vermaning van onze minister van Volksgezondheid brengen wij plots het grootste deel van onze tijd binnenshuis door. Dat is niet altijd makkelijk. Soms vervelen wij ons.
En verschillende televisiezenders spelen daar nu op in met het aanbieden van films en series “uit de oude doos”. Prima initiatief.
Een beetje nostalgie kan nooit kwaad. En vaak roept het bekijken van die beelden ook een zekere vertedering bij je op, net zoals oude foto’s dat doen.
Maar . . . je blijft niet kijken. Na een tijdje maken herkenning en nostalgie plaats voor een zeker onbehagen. Het is allemaal wat vreemd geworden.
Om te beginnen stond de techniek in die tijd, vergeleken met nu, nog nergens.
De meeste feuilletons werden niet eens “opgenomen”. “Schipper naast Mathilde” bijvoorbeeld, werd rechtstreeks uitgezonden.
Als er iemand ongewild struikelde en op zijn gezicht ging of zijn tekst niet meer kende, dan kwam dat zo in beeld. Het was allemaal nogal amateuristisch en zelfs ietwat stuntelig. Het was allemaal een beetje parochiezaalachtig.
En, van parochiezaal gesproken, de openbare omroep was in de tijd van toen, zoals heel Vlaanderen trouwens en dus ook de mensen die bij de BRT werkten, nog katholiek. Tenminste wat men toen aanzag voor katholiek.
Katholiek stond in die dagen voor braaf, zedig en respect voor het gezag.
Kortom, het stond voor zaken die nu zo goed als verdwenen zijn.
Braaf en zedig willen we niet meer zijn.
En respect voor gezag ruikt een beetje naar achterlijk en naar niet-geëmancipeerd-zijn, en is dus allerminst nog vanzelfsprekend. En je vraagt je af: terecht?
“Iets mag het hebben”, zei mijn oma altijd, “maar je moet niet overdrijven”.
Het “katholiek” systeem in het Vlaanderen uit de tijd van “De heren van Zichem” gaf zonder twijfel zin en geborgenheid aan een grote meerderheid van mensen. Maar voor wie er zich niet in thuis voelde, kwam het zwaar en drukkend over.
Het systeem heeft in die tijd zeker zijn verdienste gehad, maar het is ook goed dat het . . . zijn tijd gehad heeft. Maar misschien zijn we, zeker wat braaf en zedig zijn en respect hebben betreft, nu in de overdrijvingsfase beland waar mijn oma zo beducht voor was . . .
Er is nog iets wat sterk opvalt: vroeger deed men op tv zijn uiterste best om keurig Nederlands te spreken (ABN!). Behalve in verfilmde streekromans, deed men altijd de grootste moeite om het Nederlands te promoten. Dat komt omdat de televisie duidelijk een instrument was voor de “volksverheffing”.
Wat dat betreft zijn we vandaag terug helemaal naar “af” en heeft het “schoon Vlaams” (‘ne keer’, ‘een bekke’, … ) opnieuw zijn intrede gedaan in praatprogramma’s en feuilletons.
Er werd vroeger ook helemaal nooit gevloekt op televisie. Terwijl er in die tijd “in ’t echt” minstens zoveel gevloekt werd als nu. Op dit ogenblik is dat omgekeerd.
Terwijl er nu naar mijn gevoel “in ’t echt” minder gevloekt wordt dan vroeger, lijkt het wel of acteurs in Vlaamse series geen 2 zinnen meer kunnen zeggen zonder 3 keer te vloeken.
Maar goed, zo kan je nog eindeloos doorgaan met vergelijken en beoordelen: zaken die vroeger beter of slechter waren dan nu. Maar over ‘t algemeen is het best wel leuk sommige van die ouwe dingen eens terug te zien.
Zolang we maar blijven beseffen dat wij nu leven. Dat deze tijd, onze tijd is om in te leven. Wij hebben geen andere.

Verrijzenis

(Dit is geen homilie)

In zijn eerste brief aan de Korinthiërs zegt Paulus: “Als Christus niet verrezen is, zijn wij de meest beklagenswaardige van alle mensen”.
Dan zijn wij met andere woorden slechter af dan de mensen die helemaal niet geloven, omdat heel ons geloof dan steunt op een leugen.
Het is een ietwat ongewone manier om te bevestigen dat de opstanding van Christus centraal staat in ons geloof. Alles staat of valt daarmee.
De voorstelling die je hebt van die Verrijzenis (ook de onze!) en het daaraan verbonden eeuwig leven, is echter voor bijna iedereen anders omdat wij er geen concrete beschrijvingen van hebben.
De voorstelling, de opvatting die bijvoorbeeld een Luc Versteylen en een Phil Bosmans, daarover hebben nodigen zeker uit tot reflectie.

Weet je wat de hemel is?
De hemel dat is: alle plaatsen
waar wij ooit gelukkig geweest zijn,
dat zijn alle dingen die wij graag gedaan hebben,
dat zijn alle woorden die wij graag gehoord of zelf gesproken hebben.
Ons lichaam zal weer stralend en gaaf en jubelend zijn;
geen pijn meer, geen beklemming, geen onrust,
alleen maar blijdschap en vrede.
En wachten op de achtergeblevenen
tot zij ook tot de vreugde en het blije samenzijn herboren worden.

Luc Versteylen

Ik geloof in de verrijzenis.
Het gaat niet om de opstanding
van een dood lichaam.
Het gaat om de verrijzenis van concrete mensen
in hun totaliteit van psychisch-lichamelijk leven.
Ik geloof in de algehele verrijzenis.
De hele mens zal herschapen worden,
ofschoon ik me de nieuwe lichamelijkheid
niet kan voorstellen.
Als we er iets over willen zeggen
moet het zijn als in verhalen
over voltooiing, over vrede, vreugde en geluk.
Nieuwe mensen met een nieuwe lichamelijkheid
in een nieuwe schepping.

Phil Bosmans

Straf van God?

Vrijdag 10 april 2020 (Dit is geen homilie)

Gisteren maakte ik met mijn hond onze dagelijkse wandeling naar het kapelletje in de processieweg. Toen ik daar kwam zag ik ineens iets ongewoons. Tussen alle flessen, potten en bokalen met bloemen had iemand een leeg bierflesje van het merk CORONA gezet.
De boodschap was duidelijk: “Bedankt voor wat u ons nu weer gestuurd hebt”. Bijtende spot en ook heel cynisch.
Curieus toch dat mensen die niet van religieus geloof moeten weten zich altijd weer afzetten tegen archaïsche vormen van geloof die allang niet meer de onze zijn. En dat ze zelfs kwaad worden als wij hun speeltje afnemen door er op te wijzen dat, net zoals ongeloof en atheïsme, ook het religieus geloof met de tijd evolueert en tot diepere inzichten komt.

Dat God ziekten stuurt om ons te straffen is een door-en-door heidense gedachte. Maar wel een verleidelijke en dus ook bijzonder taaie gedachte.
Ze heeft tijdens de middeleeuwen heel sterk geleefd en was zelfs tot in de vorige eeuw minstens sluimerend aanwezig. Zelfs bepaalde Bijbelse verslaggevers waren er niet helemaal vrij van. En tot op vandaag lijkt de gedachte aan een straf aanneembaar voor sommige mensen die treuren om het materialisme, het egoïsme en de meedogenloze ratrace in onze samenleving. Maar die samenleving heeft God daarvoor niet nodig, die straft zichzelf met de gevoelens van lusteloosheid, zinloosheid, eenzaamheid en de voortdurende angst om alles te verliezen die het gevolg zijn van onze hedendaagse “lifestyle”. En alle glitter en lawaai is niet in staat die diepe groeven weg te schminken.

Gelovigen ervaren hun eigen leven en dat van de hele kosmos, de hele werkelijkheid als iets dat hun gegeven is, iets waar ze niet zelf begin en einddoel van zijn. En dat leven en die werkelijkheid zijn niet altijd even lief voor ons. Wij weten niet waarom dat zo is, wij weten alleen dát het zo is.
Maar in dat leven en in die ons omringende werkelijkheid ervaren wij God als een appèl, een dwingende oproep om het goede te doen. En om alle onheil en afbraak tegen te gaan met liefdevolle inzet.
God is niet in een virus. God is in en met de mensen (ook als ze zelf niet geloven!) die deze dagen zich inzetten om het kwaad te bestrijden (dokters, verplegers, wetenschapsmensen) of die, op welke manier ook, troost en liefde geven aan de zieken (hun vrienden en nabestaanden).
Ze tonen zich daarin de waardige opvolgers van de duizenden nonnetjes en priesters die tijdens de middeleeuwen vrijwillig de dood ingingen door mensen die aan de pest leden te verzorgen.
Dáár is God. Niet aan de andere kant.

Helend stilvallen

(Dit is geen homilie)

Het valt altijd weer op als je beelden ziet over het leven in Afrikaanse dorpen, dat die mensen spontaan lachen en vriendelijk zijn. Dat ze gelukkiger lijken dan wij.
Terwijl ze naar onze normen nochtans weinig reden hebben om uitbundig te doen. Ze leven vaak in de meest schrijnende armoede, ze hebben dikwijls te lijden van elkaar beconcurrerende krijgsheren en vaker nog van hun eigen regering.
En toch, als je naar hun gezichten kijkt, de levensvreugde spat ervan af.
Wij kunnen dat niet goed plaatsen. We vinden het zelfs een beetje raar.
En toch kan je datzelfde fenomeen vandaag ook bij ons vaststellen, zij het in een licht andere vorm en in andere omstandigheden.
Ook wij, in ons veilig geachte rijke Westen, zijn plots in zeer onzekere tijden terechtgekomen.
De dood is ineens heel nabij, heel reëel geworden.
En bij iedereen leeft de angst om op de meest onnozele manier besmet te geraken. En om meedogenloos meegesleurd te worden in een zinloze dood.
En toch zijn wij . . . liever geworden voor elkaar. Dat is geen indruk van mij alleen. Iedereen die ik ken doet deze dagen blijkbaar dezelfde ervaring op.
De mensen die je bij een wandeling tegenkomt zijn anders. Hartelijker. Sporters die anders heel geconcentreerd zijn op hun lopen/joggen/fietsen, merken je op en brommen iets dat stellig “goeiedag” wil zeggen. En zelfs het puberende meisje uit de buurt valt uit haar rol van mediagodin, lacht aller schattigst en roept “hoy” als ze je tegenkomt.
En je weet ineens: zo is ze dus “in ’t echt”. En dat doet deugd.
De wereld is momenteel bijna helemaal stilgevallen.
En meteen ook ons eigen jachten en jagen.
Het lijkt erop dat daardoor onze blik terug ruimer is geworden.
Dat we spontaan weer zijn gaan inzien waar het in het leven werkelijk op aankomt.
Op liefde en vriendschap, op familie en vrienden, op er-zijn-voor-elkaar.
Mocht, als de tragedie voorbij is, dat nieuw verworven inzicht ons bijblijven en ons verdere leven richten.
Wij hebben deze dagen moeten ondervinden hoe broos en kwetsbaar wij mensen zijn.
En toch kunnen wij de hele wereld veranderen.