Hoezo, God beminnen?

Zondag 25 oktober 2020, Dertigste zondag door het jaar (jaar A)

Vorige week hoorden we het scherpzinnige antwoord dat Jezus gaf aan de pluimstrijkende farizeeën die Hem in een politieke val wilden lokken.
“Geef aan de keizer wat de keizer toekomt”, zei Hij. “En aan God wat God toekomt”.
Jezus erkent dus de waarde en de eigenstandigheid van beide domeinen: geloof en politiek.
En Hij vindt blijkbaar ook dat die niet door elkaar moeten gehaspeld worden.
Hij toont zich hier als misschien wel de eerste pleitbezorger van de scheiding tussen Kerk en Staat. Maar voor zijn volgelingen is dat, in de loop van de geschiedenis, vaak niet echt een punt gebleken.

Homogeen
En dat is ook begrijpelijk, we moeten daar niet per se knorrig over doen.
Het geloof dat Jezus ons bracht, heeft zo’n fenomenaal succes gekend dat heel ons maatschappelijk corpus daar na een tijd van doordrongen was.
Onze instellingen, onze moraal en onze wetten.
In een homogene samenleving is dat normaal. Maar nu de situatie veranderd is en de maatschappij lang niet meer homogeen katholiek is, maar een kleurrijk lappendeken werd van alle mogelijke geloven en opvattingen, blijkt dat wij de vorige situatie een beetje té gewoon geworden waren.
Wij waren het zo gewoon dat wat de Kerk wilde en wat de burgerlijke wetgeving voorschreef, hetzelfde was, dat wij nu nog altijd even moeten slikken telkens wanneer blijkt dat dit niet meer vanzelfsprekend is. Dat is wel even wennen. Wij hebben niets tegen de scheiding van Kerk en Staat op zich. Maar we moeten nu wel serieus ons huiswerk maken.

Verantwoordelijkheid
Want vroeger werden wij in onze morele keuzes op de meest vanzelfsprekende wijze gesteund door de wet. Nu moeten we als christen veel meer “zelfstandig” beslissingen nemen en keuzes maken. Beslissingen die -binnen de wet- toch volledig bepaald worden door ons christenzijn. En tezelfdertijd leerden we aanvaarden dat andere mensen andere keuzes maken, die evenzeer volkomen wettelijk zijn.
De wet schetst het brede kader van wat mag en wat niet. En daarbinnen moeten mensen vanuit hun overtuiging hun verantwoordelijkheid nemen en morele keuzes maken. En voor een christen zullen die anders zijn dan voor een moslim, een jood of iemand met een seculier geloof.
D.w.z. dat onze eigen verantwoordelijkheid veel belangrijker wordt.
Wij hebben niet langer de geruststellende zekerheid, het gezapige weten dat “als het wettelijk niet strafbaar is, het allemaal wel oké zal zijn”.
Want dat is het helemaal niet. Veel meer dan vroeger, moeten wij alert zijn en bij elke beslissing ons christenzijn laten doorwegen.
Tot zover de scheiding van Kerk en Staat.

God beminnen
Laten wij ons nu eens richten naar de evangelielezing van vandaag. Dat gaat over niet minder dan de vraag welk het voornaamste gebod is.
Het antwoord van Jezus is, zoals altijd, klaar en duidelijk: God beminnen boven alles en daaraan gelijkwaardig, de naaste beminnen als jezelf.
Op het eerste gezicht klinkt dat misschien een beetje vreemd: God beminnen. Hoe kan je nu een onzichtbaar iemand echt beminnen?
Dit lijkt alleen maar vreemd. Als je God erkent als Diegene die je het leven gegeven heeft, en zeker als je Hem ervaart als Iemand die je draagt en die bevrijdend aanwezig is in je leven, dan is God beminnen echt niet moeilijk.
Maar er is een eenvoudiger manier, en dat is God beminnen in onze naaste, in zijn mensen.
Als God liefde is, en dat geloven wij, dan moet zijn hart wel uitgaan naar al de mensen die het moeilijk hebben, die arm of ziek of eenzaam of verstoten zijn.
Dan kunnen wij, die “geschapen zijn naar zijn beeld”, God aanwezig stellen in deze wereld door mensen die in nood zijn te beminnen, te helpen, er zorg voor te dragen.
Dat is trouwens de enige manier waarop dat beeld-van-God-zijn kan begrepen worden.

Onontkoombaar
Jezus gaat zelfs zover van zich te vereenzelvigen met de geslagen mens: “Wat ge aan de minsten van de mijnen hebt gedaan, hebt ge aan mij gedaan.”
Door het zo radicaal te stellen, kunnen wij ons als christenen nooit meer drukken.
Kunnen wij ons nooit nog onttrekken aan dat wat Jezus zelf in het centrum van het leven van een christen heeft geplaatst: de onontkoombare eis om kwetsbare en gekwetste mensen te beminnen en er zorg voor te dragen.
Een niet onbelangrijke bemerking daarbij is echter dat wij wel God kunnen beminnen in het zorg dragen voor mensen, maar je kan die twee niet zomaar door elkaar halen. Het is niet zo dat je, telkens als je iemand helpt, telkens als je een goede daad verricht, een goed doel steunt, dat je dan automatisch je liefde toont voor God.
Dat je door mensen in nood te helpen automatisch God bemint. Want mensen die niet geloven doen dat toch ook.

Roeping
Het lijkt een beetje spijkers zoeken op laag water, vitten over subtiliteiten.
Maar dat is het niet. Mensen kunnen goeddoen aan anderen bijvoorbeeld vanuit morele of politieke overwegingen. Of zelfs omdat ze gewoon goedaardig en menslievend van aard zijn.
Een christen zet zich in voor minder fortuinlijke mensen omdat hij het als zijn roeping ziet om God-die-liefde-is in onze wereld aanwezig te stellen.
Bovendien vermoeden wij achter het vragend gelaat van de noodlijdende mens, het Gelaat van God zelf. God is dus dubbel betrokken in dit proces.
Hij is aanwezig in het appel dat vanuit de mens in nood op ons afkomt. Terwijl wij in het lenigen van die nood, Gods liefde aanwezig brengen in onze wereld.
Mensen rechttrekken moet dus wel de meest heilige daad zijn die wij kunnen verrichten.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s