Kentering

Zondag 24 januari 2021, Derde zondag door het jaar (jaar B)

De lezingen van deze zondag gaan over “bekering”.
Bekering, en meer bepaald wat christenen daaronder verstaan – het je toekeren naar God – is een complex gegeven, je kan je daar niet zomaar in een paar zinnen vanaf maken.
Laten we ons daarom vandaag beperken tot één bepaald, maar zeer belangrijk aspect ervan: het gebruik van je tijd. Iemand die zich bekeert, verandert niet alleen van inzicht en overtuiging maar gaat ook zijn manier van leven aanpassen.
En dat heeft uiteraard ook gevolgen voor het gebruik van je tijd.
Als ik mij echt toekeer naar God zal ik ook de tijd waarover ik beschik anders gebruiken. Ik zal automatisch meer bezig zijn met God en het evangelie, met studie en gebed. En, als gevolg daarvan, ook meer werken aan mijn relatie met de mensen. Vooral met mensen voor wie ik iets kan betekenen, mensen die op een of andere manier in nood zijn, niet meetellen, geen aandacht krijgen.
Voor hen tijd maken is het kostbaarste geschenk dat ik hun kan geven.
Maar ook voor andere mensen zal ik meer aandacht hebben. Mensen die het goed maken, gezond zijn, niets te kort hebben, vrienden, collega’s. Ook aan hen zal ik spontaan meer aandacht geven. En tegelijkertijd even spontaan minder bezig zijn met het verwennen van mezelf. Ik zal m.a.w. beter proberen te onderscheiden waar het in het leven echt op aankomt. Zonder mezelf te verwaarlozen.

Crisis
En een tweede fenomeen dat opvalt bij een bekering, is dat ze bijna altijd voorafgegaan wordt door een serieuze crisis.
Op een bepaald ogenblik verliest het leven zijn vanzelfsprekendheid.
Je ziet dat heel vaak in de levens van heiligen.
Velen van hen hebben tijdens hun jeugdjaren een serieuze scheve schaats gereden. Denk aan Ignatius van Loyola en Franciscus van Assisi: aanvankelijk helemaal gefocust, niet op God of op de naasten, maar op eer en aanzien, en helemaal niet vies van zelfverwennerij.
En dan is er ineens die crisis, die hun totaal onverwacht overvalt en die heel hun leuke leventje compleet overhoophaalt: ze worden neergeveld door een ziekte, ze geraken ernstig gewond tijdens een oorlog of geraken op een andere brutale manier geconfronteerd met de broosheid van het bestaan. En vooral met de leegheid van hun eigen bestaan. En dan volgt een vaak maandenlang zich afsluiten van het vroegere leven, schijnbaar wezenloos ronddolen, nadenken, genadeloos scherp durven kijken naar je (vroegere) manier van leven. En dan komt het echte bekeringsmoment: je daarvan afkeren en je toekeren naar . . . heel anders gaan leven.
Je kan heel dat proces dat leidt tot de metamorfose ademloos volgen bij het lezen van heiligenlevens. Maar je vraagt je af: speelt dat alleen maar bij heiligen?
Kunnen wij dat niet meemaken? Wij, de mindere goden, wij, de gewone mensen?

Na corona
Ik ben zeker van wel. Misschien niet even spectaculair als bij grote heiligen, maar wij kennen ook zo’n momenten. Zeker in deze coronatijd. En daarom geloof ik ook niet wat de media (en dan vooral “de boekskes”), ons willen doen geloven: dat de betrachting van ieder van ons alleen maar is zo vlug mogelijk terug ongebreideld kunnen reizen, eten, drinken en seksen. Er wordt zelfs gesproken over “onze schade inhalen”.
Natuurlijk kijkt ieder van ons uit naar de hervatting van het normale leven.
Maar ik ben er zeker van dat ook velen tijdens deze crisis zijn gaan nadenken over de vraag of dat “normale leven” van ons wel zo normaal is.
Vooral tijdens het begin van de coronacrisis zag je dat. Het was duidelijk dat velen waren “stilgevallen” en tot bezinning kwamen. De wandelaars die je ontmoette waren veel meer onthaast en vriendelijk.
Mensen die “normaal” geen tijd hebben, hielden halt en maakten een praatje! De kassiersters in het warenhuis waren zo mogelijk nog vriendelijker dan anders.
En zelfs je schoonmoeder begon in te zien dat je eigenlijk een toffe peer bent.
Maar het duurt nu wat lang en van de aanvankelijke kentering blijft vandaag, uiterlijk althans, niet veel meer over.
En toch ben ik er zeker van dat velen van ons kritischer zijn gaan kijken naar onze “normale” manier van leven. Dat meer mensen vandaag bedenkingen hebben bij ons ongebreideld materialisme en bij de onverbiddelijke plicht om te genieten.
Zelfverwennerij voert immers niet tot echt leven. Het probeert alleen maar een compensatie te zijn voor een leven dat ervaren wordt als leeg en zinloos.

God ervaren

Vorige week hadden we het over het overrompelend fenomeen dat religieuze ervaring genoemd wordt. Overrompelend en ook intens gelukkig makend, als dat typisch religieus gevoel van verbonden-zijn met al wat ons omringt ook doortrokken is van het besef dat wij gedragen en gekoesterd worden door een God die van ons houdt en die ons nooit laat vallen, wat er ook gebeurt.
Belangrijk is het, te zien dat het hier gaat om een Hoogmis in iemands godsdienstige beleving, een uniek moment, dat je leven helemaal verandert.
Het is wat Paulus heeft ervaren op de weg naar Damascus, en Franciscus bij zijn ontmoeting met de melaatse.

Dansen
Bovendien wordt het ons geschonken, het is een geschenk.
We moeten het dus niet krampachtig willen zoeken (omwille van de sensatie).
Anderzijds is het wel zo dat we nood hebben aan het regelmatig ervaren van God in ons leven.
En dat kan alleen als wij ook voldoende contact met Hem zoeken in het gebed.
Het is immers belangrijk dat wij af en toe beseffen: hier was Hij, hier heeft Hij mij echt erdoor gesleurd, ik weet dat Hij mij draagt. Kostbare ervaringen zijn dat.
Ze maken het verschil tussen het aannemen van een aantal voortreffelijke, morele leefregels en houdingen en het echt beleven van Gods aanwezigheid in je leven. Het verschil tussen enerzijds een geloof dat bijna helemaal herleid is tot moraal (wat niet echt blij maakt) en anderzijds een geloof dat van je leven een dansen-in-Gods-aanwezigheid maakt en dat je leven, wat er ook gebeurt, toch altijd ook een ondertoon van zin en levensvervulling geeft.

Waakzaam
En daarom is het zo belangrijk dat wij als gelovigen in het Westen terug een gebedscultuur ontwikkelen. We moeten daar niet flauw over doen: we zijn dat kwijt.
Wij moeten niet op zoek gaan naar sensationele ervaringen, maar het is wel belangrijk voor ons dat wij God aanwezig weten in ons leven. En daarom moeten we op zoek gaan naar tekens die op die aanwezigheid wijzen.
In de Bijbel worden wij voortdurend aangemaand om waakzaam te zijn. Om te ontdekken hoe Hij aanwezig is in ons leven.
God heeft ons immers niet als robotten gewild, maar als vrije mensen.
Hij heeft gewild dat wij vrij voor Hem kunnen kiezen, vrij in Hem kunnen geloven. En dat houdt dus ook in dat wij er vrij kunnen voor kiezen om Hem volkomen te negeren. Om te doen of Hij er gewoon niet is.
Dat maakt dus ook dat, wanneer zijn vinger zich laat zien in ons leven, dat nooit op een absoluut dwingende manier gebeurt.
Wanneer Hij ons gebed verhoort, wanneer Hij in situaties van angst en beklemming een deur opengooit en uitzicht en toekomst brengt; wanneer Hij in de meest verstikkende duisternis licht laat binnenstromen, dan zijn wij, net zoals Mozes bij de brandende braamstruik, diep onder de indruk van Zijn aanwezigheid. Soms echter alleen maar even.
Want een sluitend “bewijs” krijgen we nooit. Juist omdat dit onze vrijheid de nek zou omwringen en ons zou verplichten om te geloven.
En daarom moeten we altijd waakzaam blijven, uitkijkend naar elk teken dat van Hem zou kunnen komen. Omdat die tekens nooit echt dwingend zijn.
Je kan ze altijd “rationaliseren”, uitleggen, weg kwebbelen. . .

Vertrouwen
Daar is bovendien nog een bijkomende moeilijkheid.
Hoe meer wij groeien op het gebied van gebed en geestelijk leven, hoe meer we gaan beseffen dat als wij aan God iets vragen voor onszelf, onze vraag iets moet te maken hebben met die geestelijke groei.
En, via die geestelijke groei, met levensvervulling en gelukkig zijn.
Als die geestelijke groei gediend is met een herstelde lichamelijke gezondheid of zelfs met een financiële meevaller, dan zal God het ons geven.
Maar wij moeten onze vragen niet al te concreet formuleren. Een oud christelijk adagium zegt dat God, beter dan wijzelf, weet wat goed voor ons is.
Als je in de knoei zit, leg dan je angst of je verdriet aan Hem voor.
Maar probeer God niet te dicteren wat Hij allemaal moet doen, hoe Hij je moet helpen. Vertrouw op Hem en laat Hij je verrassen. Zijn naam is: Ik zal er zijn.
En dát mogen we gerust letterlijk nemen. Hij is er. En Hij helpt ons. Maar zelden op de manier die wij hadden gehoopt of verwacht.
Pas als je je eigen heel concrete verwachtingen durft loslaten, gaat een mogelijke teleurstelling plaatsmaken voor een warm gevoel vanbinnen.
Want je ervaart: Hij is er wel degelijk en Hij heeft me geholpen, veel beter dan ikzelf had durven dromen.

Religieuze ervaring

Ik schrijf dit stukje op nieuwjaarsdag, het feest van de Moeder Gods.
Die titel “Moeder van God” kreeg Maria in het jaar 431 op het concilie van Efeze.
“Kreeg” is zachtjes uitgedrukt, want de menigte die de vergaderende concilievaders buiten het gebouw opwachtte was gewapend met knuppels. Hiermee subtiel aangevend dat een juiste beslissing erg op prijs zou worden gesteld. En indachtig het gezegde: ‘Vox Populi, Vox Dei’. . .
Nochtans ging het hier niet om een of ander anekdotisch gebeuren, maar over iets dat behoort tot de kern van het christendom en over het volstrekt unieke van dat geloof. Het gaat over iets dat behoort tot het begrip “Menswording”.
Over het geloof dat God zich helemaal heeft laten kennen in een mens.

Franciscus
Je kan dit echter ook “omkeren”.
Sinds God mens geworden is, is onze menselijkheid voorgoed met Hem verbonden.
Er is geen God meer zonder de mens. Paus Franciscus zegt het zo: “Het vlees dat Jezus van zijn moeder heeft genomen is nu ook het zijne en blijft het voor altijd. In zijn Moeder heeft God zich kleingemaakt, is Hij materie geworden, niet alleen om met ons te zijn, maar vooral om zoals wij te zijn. Wij zijn nooit meer alleen. Onze eenzaamheid is overwonnen”.
Deze gedachte is zo verbijsterend dat ze van meet af aan en gedurende heel de kerkgeschiedenis bestreden is, al van in Efeze.
Vandaag vind je de afwijzing ervan enigszins vermomd terug in het gebruik van de naam “Jezus van Nazareth”. Maar, Jezus Christus is voor christenen niet zo iemand als Lowieke Van Thienen of Cyriel Van Goetsenhoven. Jezus is ook geen groot man, of een profeet of een uitzonderlijk leraar. Jezus is God zelf, in de gestalte van een mens van vlees en bloed. Dit is wat het christelijk geloof zegt. En dát is ook wat voortdurend bestreden wordt. Niet het feit dat God zou bestaan, maar de gedachte dat Hij zou mens geworden zijn is wat sommigen zo ergert en afstoot.
En toch is het de kern van ons geloof. Wie het verwerpt, verwerpt het evangelie.

Gebed
Is die menswording dan een logische en gemakkelijk te begrijpen opvatting?
Helemaal niet. Ik begrijp er althans niets van. Toch niet met mijn verstand.
Het is iets dat je alleen maar duidelijk wordt in het gebed, in de intieme omgang met God.
Zoals alle grote mysteries van het geloof, gaan ze niet in tegen je verstand, maar je gaat ze alleen maar begrijpen, ze gaan alleen tot leven komen, in het gebed.
Alleen in het biddend contact met God gaan de diepste dingen van het geloof je duidelijk worden. En je ook diep gelukkig maken.
En ook daarom is bidden en meditatie zo belangrijk: het geeft je een diepere kijk op de dingen. En het speelt dus ook een grote rol op het gebied van levensvervulling en gelukkig-zijn. Theologische inzichten kunnen je blij maken en het volgen van morele regels kan je zeker een diepe voldoening geven. Maar gelukkig word je pas, diep gelukkig, als je helemaal doordrongen geraakt van dat diepreligieuze besef van verbondenheid en gedragen worden. Een besef dat je, soms heel onverwacht, als een geschenk in de schoot valt. Maar dat meestal het gevolg is van (volgehouden) gebed.

Diepe verbondenheid
Ik heb het nu over momenten van je intens verbonden weten met God, met heel de kosmos, maar ook met elke mens, met elk dier en zelfs met elke grasspriet. Het diepreligieuze besef: wij horen bij elkaar, wij zijn van dezelfde “soort”.
Hoever staan we hier toch af van het stijf, rationeel bevestigen van het geloof in Gods bestaan. Er is zo oneindig veel meer. Dit gaat over het helemaal doordrongen worden van het besef dat God intens met mij verbonden is.
En dat ik, in Hem, intens verbonden ben met alles wat bestaat.
Het spreekt vanzelf dat je niet elke dag zo’n diepe religieuze ervaringen hebt.
En zeker ook niet altijd even intens. En ik kan me best sterke christenen, zelfs heiligen, voorstellen die zelden zo’n ervaringen hebben. Soms denk ik zelfs dat het hulpmiddelen, geschenken zijn voor hen die ze het meest nodig hebben.

Heilzaam
Maar het is goed dat we deze momenten koesteren. Want ze zijn oneindig belangrijk en heilzaam. Ze brengen ons immers spontaan en zonder grote argumenten tot een levenshouding waarbij we op de meest vanzelfsprekende manier goed willen zijn voor mensen en dieren, voor de aarde, voor de hele kosmos. Omdat we ons ten diepste verbonden voelen met heel de ons omringende werkelijkheid.
Bovendien gaan die diepe ervaringen van gedragen worden door een liefdevolle God en de sterke verbondenheid met alles om ons heen, ons ook gelukkig maken.
Echt religieuze mensen moeten wel gelukkig zijn, zei Georges Brassens, “car, la religion, c’est une question d’amour”. En wie zich bemind weet, is gelukkig.

Over Christenen en politiek

Zondag 3 januari 2021

Tot zo’n goeie 70 jaar geleden heeft er een soort onofficiële competitie bestaan rond de vraag welk internationaal bedrijf het best, het meest efficiënt georganiseerd was in heel de wereld. En eigenlijk ging de strijd vooral tussen de twee koplopers, al de anderen kwamen daar ver achter. En die twee eeuwige rivalen voor de titel, waren de Duitse spoorwegen en de Katholieke Kerk.
Dat moet ons niet verbazen. De Katholieke Kerk is op gebied van recht en organisatie, van structuur en bestuur de voortzetting van het Romeinse Rijk na de val van Rome. Sterker nog, tijdens de donkere eeuwen die volgden op de invallen van de Barbaren, was het de Kerk die in haar abdijen en instellingen het kwijnende licht van de beschaving zo goed mogelijk bewaarde en doorgaf.
Dat lijkt allemaal mooi, maar die situatie had ook een donkere kant.
Doordat de Kerk in die tijd het intellectuele dak van de wereld was, werd voortdurend op haar beroep gedaan door de wereldlijke gezagsdragers, die vooral bedreven waren in oorlogsvoering. Maar die voor de rest de rechtspraak, het onderwijs en zelfs vele deelaspecten van het landsbestuur maar al te graag overlieten aan bisschoppen en prelaten.
Het gevolg daarvan was dat de Kerk deels ongewild, deels gewild, een enorme macht verkreeg. Ze had de Romeinse vervolgingen overleefd en ze was duidelijk van plan dit nooit meer toe te laten. Een herkenbaar gegeven, ook in onze tijd: stromingen die hevig onderdrukt werden, gaan als de vervolgingen ophouden, zelf macht opbouwen om een herhaling te voorkomen.
Op die manier worden de onderdrukten van gisteren vaak de onderdrukkers van morgen.

Monsters
Onthutsend en beangstigend daarbij, is vooral dat het vaak gaat om mensen die begonnen als idealisten en hun volk echt wilden bevrijden.
Zoals de communisten in Rusland, die het aanvankelijk echt goed voorhadden met de kleine man, maar die uiteindelijk miljoenen, gewone mensen, ombrachten in concentratiekampen.
En toen Robespierre, die tijdens de Franse Revolutie de terreur op de spits dreef, aan het begin van zijn carrière stond, merkte iemand op: “Robespierre is deugdzaam (vertueux), hij zal verschrikkelijk worden”.
En dat is beangstigend, griezelig zelfs. Te weten dat deugdzame en idealistische mensen kunnen evolueren tot monsters, eens dat ze veel macht in handen hebben.

Scheiding
De overweging alleen al zou ons als Kerk moeten behoeden voor het streven naar welke vorm van macht ook. Maar er is meer. Jezus zelf zegt: “Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat aan God toekomt”. Hij maakt hiermee een duidelijk onderscheid tussen die twee domeinen, geloof en politiek. Je zou het zelfs kunnen zien als het allereerste pleidooi voor de scheiding tussen Kerk en Staat.
Maar veel van Jezus’ volgelingen hebben dat, in de loop van de geschiedenis niet zo begrepen. D.w.z., zijn echte volgelingen natuurlijk wel. Maar er zijn er ook anderen. Als je als instituut macht en aanzien verwerft, dan oefen je immers een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op allerlei types die erbij willen komen, niet omwille van de ideeën, maar omwille van de macht die ze op die manier hopen te verwerven.
De Richelieus en de Borgias van deze wereld waren zo’n mensen.
Jezus gebruikt (in een heel andere context, waar Hij het heeft op het herkennen van “de tekenen des tijds”) een beeld dat je ook perfect kan toepassen op het gegeven waar we het vandaag over hebben.
In al zijn soms onthutsende directheid zegt Hij: “Waar het lijk ligt, verzamelen zich de gieren”. Zo simpel is dat.
Als je als Kerk te rijk en te machtig wordt, kan je onmogelijk verhinderen dat allerlei ongure typetjes zich in je schoot komen nestelen. Niet omdat ze zo van Jezus houden, maar omdat ze uit zijn op macht en aanzien. Of gewoon op geld en rijkdom. “Ze preken kruis maar ze bedoelen munt”, zei een Nederlands cabaretier indertijd. En de Franse historicus Henri Guillemin noemde hen: “Les athées de nuance catholique”.

Sociaal
Wil dat dan zeggen dat wij alleen nog stilletjes in een hoekje mogen zitten bidden en—liefst onopvallend—mensen helpen en “Goede Werken” verrichten? Natuurlijk niet.
Het christendom is geen verzameling van private devoties. Het heeft een wezenlijk sociale dimensie. Wij willen, net zoals als andere groepen, invloed hebben op het maatschappelijk gebeuren. Wij willen net als andere groepen onze opvattingen en verlangens kenbaar maken bij het Beleid. Maar wij willen nooit nog zelf dat Beleid zijn.
Willen wij niet verdwijnen, dan zullen wij terug moeten uitbreken, evangeliseren, mensen terugwinnen voor het geloof.
Maar nooit mogen wij nog ingaan op de verleidingen van de macht.
Wij erkennen het legitieme, de noodzaak zelfs van politiek gezag.
Maar zelf passen wij daarvoor. Je kan niet tegelijk God dienen en streven naar macht.
Als christenen, als Kerk, moeten wij de mensen dienen. En ondertussen oneindig wantrouwig blijven t.a.v. het minste teken van machtstreven door of binnen de Kerk.
Ook wat dat betreft is paus Franciscus een godsgeschenk.