Hoezo offer?

Zondag 21 februari 2021, 1ste zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

Iemand, ik meen dat het Nietzsche was, heeft ooit gezegd dat het hem ten zeerste verwonderde dat christenen er zo weinig “verlost” uit zien.
En inderdaad, er is een tijd geweest dat het victoriaanse Engeland met zijn puriteinse opvattingen een zeer grote invloed had op alle Europeanen die zichzelf als geciviliseerd beschouwden. Uitbundig lachen werd als hoogst ongepast aanzien. En genieten van een stukje taart was het involgen van een ongeregelde begeerte.
En omdat men voor die wat benepen houding een overvloed van argumenten in de Bijbel meende te vinden, werd van christenen verwacht dat zij de kampioenen van ernst en deftigheid zouden zijn.
En dat was dan bijzonder jammer en het gaf Nietzsche bovendien ook nog gelijk.
Immers, als je gelooft in een God die liefde is, in wie je geborgen bent omdat Hij van je houdt, dan kan je toch niet constant met een somber gezicht rondlopen.
En als je echt gelooft dat Jezus Christus de Verlosser is die toekomst voor ons heeft opengebroken, zelfs over de dood heen, dan moet dat geloof je hele bestaan toch kleur geven.
Dan ga je net als ieder ander mens ook wel slagen van het leven krijgen en zal je regelmatig ook verdrietig en terneergeslagen zijn.
Maar de diepe ondertoon in je leven kan dan toch alleen maar vreugde en vertrouwen zijn, de sterkste antigiffen tegen vertwijfeling en wanhoop. En je zal willen ingaan op het appel van de Heer om ook zelf liefdevol in het leven te staan.

Prijs
Wil dat nu zeggen dat wij als naïeve zottekes moeten rondlopen en aan iedereen verkondigen dat het leven leuk is en alle mensen aardig?
Natuurlijk niet. Wij hebben wel degelijk oog voor het drama en de tragiek die het leven ook meebrengt. En wij zien heel goed dat alles zijn prijs heeft, ook als je alleen maar het goede wil. Ook dat moet betaald worden, ook dat heeft een prijs.
Het tegenovergestelde van liefdevol in het leven staan is alleen maar met jezelf bezig zijn, alles domineren, alles naar je toehalen, jezelf constant verwennen, jezelf overal en in alles op de eerste plaats zetten. En dat oogt best interessant en aantrekkelijk.
Maar als je liefdevol in het leven wil staan (wat God van ons vraagt) dan moet je een radicaal andere houding aannemen: niet langer jijzelf maar “de ander” komt dan in het centrum van je leven te staan. En die koersverandering is aartsmoeilijk. Je mag dat niet onderschatten. Je doet dat niet zomaar op een blauwe maandag, daar moet echt aan gewerkt worden. Je kan hier terecht spreken van een offer dat moet gebracht worden, een prijs die moet worden betaald.

Tegennatuurlijk?
Want die wending, die radicaal nieuwe houding is niet alleen aartsmoeilijk, ze is zelfs . . . tegennatuurlijk.
De natuur heeft ons inderdaad opgezadeld met een formidabele instandhoudingsdrang. Ik zeg nu wel: opgezadeld, maar die geweldige drang om ons staande te houden en te overleven heeft ondertussen wel gemaakt dat wij verschrikkelijke natuurrampen, brutale klimaatsveranderingen en dieren die vele keren sterker en groter waren dan wij, hebben overleefd. En niet alleen overleefd. Dankzij ons verstand zijn wij ook alles gaan onderwerpen, domineren, gebruiken en . . . vaak ook verknoeien.
Het is dus nogal wat, die levensdrang in ons, met haar sterke neiging om te onderwerpen en te heersen. Je kan ze dus zeker ook bewonderen.
Maar ze is in ieder geval bijna altijd in conflict met een nog diepere drang in ons: het verlangen naar liefde. En dát is God-in-ons.

Offer
Telkens als je dus gevolg wilt geven aan het verlangen om een liefdevol mens te zijn, moet je een “offer” brengen: je zal, minstens tijdelijk, de drang om jezelf op de eerste plaats te stellen, het zwijgen moeten opleggen. Leuk is anders.
Maar zo werkt het. En dat zal iedere mens die liefheeft beamen.
Je kan niet echt houden van je man, je vrouw, je kinderen als je altijd alleen maar bekommerd bent om je eigen gemak. Maar diezelfde liefhebbende man/vrouw zullen ook onmiddellijk beamen dat het liefhebbend gericht staan op anderen een veel diepere levensvervulling kan geven dan alleen maar zorgen voor jezelf.
Je zou het zo kunnen zien: een christen draagt zorg voor zijn eigen leven en welbehagen.
Niet echter als doel op zich, maar om sterk genoeg te staan om iets te kunnen betekenen voor anderen. Want dat is zijn fundamentele betrachting: ingaan op het goddelijk appel. Iets wat soms offers vraagt.
Maar tegelijk ook ten diepste gelukkig maakt.

Muren slopen

Zondag 14 februari 2021, Zesde zondag door het jaar (jaar B)

Melaatsen waren vroeger levende doden. Ze werden verjaagd uit de gemeenschap en doolden rond op eenzame plaatsen of ze leefden in spelonken samen met lotgenoten. Als ze zich toch vertoonden onder de gezonde mensen, moesten ze hun komst op voorhand aankondigen met ratels en met luidkeels te roepen “onrein, onrein”. Maar dan nog kon ieder die dat wilde hen met stenen verjagen. Deze schokkende manier van doen had een reden: men wist dat de ziekte besmettelijk was en er bestond geen enkele medicatie.
Nog erger dan de harteloze behandeling van de ongelukkige zieken als ze zich vertoonden, was het feit zelf dat ze geen enkel contact mochten hebben met gezonde mensen, ook niet met verwanten, ook niet met de mensen die hun het meest lief waren. Ze leefden niet aan de rand van de maatschappij (zoals de armen bijvoorbeeld), ze waren gewoon verbannen uit de samenleving. Men moest elk contact met hen mijden. Ze waren de “onaanraakbaren”. . .
Het was een afschuwelijk lot dat die mensen te dragen hadden. Bovenop de ellende van hun ziekte kwam nog de walg en de afkeer van de anderen voor hun persoon.
Die “anderen” beseften ondertussen ook wel het afschuwelijke van hun handelswijze tegenover de melaatse medemens en daarom zochten en vonden ze er ook een “hoger motief”, een theologische goedkeuring voor. Melaatsheid kon toch niet anders dan een straf van God zijn. En bijgevolg was radicale verstoting uit de gemeenschap een meewerken aan Gods plan.

Samenbrengen
Niet echter voor Jezus, wiens optreden helemaal in het teken stond van muren en grenzen afbreken en mensen terug samenbrengen en verbondenheid creëren of herstellen.
Ik moet daar deze dagen vaak aan denken. Men zegt nogal gemakkelijk dat in het christendom de liefde centraal staat. En dat is ongetwijfeld waar. Maar het klinkt ook een tikkeltje hoog gegrepen. Het is niet alle dagen zondag. Liefde moet zich vaak vertalen in inzet om verbindingen tussen mensen te herstellen, om mensen uit hun isolement te halen en ze terug in de kring te brengen. Jezus was daar voortdurend mee bezig.
Als je vanuit die hoek het evangelie leest, dan valt het op dat het in al de genezingsverhalen gaat om ziekten (of zonden!) die mensen isoleerden. Jezus haalt hen daaruit weg en breekt een nieuwe wereld van mogelijkheden voor hen open, juist door hen terug op te nemen in de gemeenschap. Speciaal bij melaatsen wordt de radicaliteit van zijn passie om muren af te breken en mensen samen te brengen duidelijk. Hij liet hen niet alleen bij zich komen, Hij raakte hen ook aan. Waardoor Hij in feite zelf als “onaanraakbaar” moest beschouwd worden.
Jezus stoorde zich aan geen enkel (al dan niet religieus) gebod, als dat de levensvervulling van de concrete mens in de weg stond. Voortrekkers die nieuwe wegen banen voor de mensheid mogen dat. Zoals pater Damiaan, die tegen alle taboes in tussen de melaatsen in het naargeestige Molokai ging wonen om hen te verzorgen. Dankzij zijn optreden en zijn offer is men gaan zoeken naar medicatie (en is die ook gevonden) voor mensen die men voorheen afschreef en gewoon liet sterven.

Nog even...
Begrijp me nu niet verkeerd. Dit is geen heimelijke oproep om de beperkingen die ons worden opgelegd naar aanleiding van de huidige pandemie aan onze laars te lappen.
Zeker niet. De inentingen zijn begonnen en het zou heel dom zijn om in deze laatste fase onvoorzichtig te worden. Maar het is wel zo dat wij nu, meer dan ooit voorheen, beseffen hoe ontzettend kostbaar contact met anderen is. Mensen leven daarvan. Als er geen contact is met andere mensen kwijnen wij gewoon weg. Persoonlijk vind ik het feit dat wij geen enkel fysisch contact meer mogen hebben bijzonder erg. Je zal van mij wel willen aannemen dat ik, gezien mijn levenskeuze en mijn leeftijd, niet rondloop met zwaar erotisch gekleurde toekomstplannen. Maar ik vind het indroevig dat wij elkaar niet meer mogen aanraken, niet omhelzen, zelfs geen hand geven. Niets! Of we allemaal melaats zijn. Maar ik begrijp het en respecteer het. En ik weet: het einde is in zicht. Binnenkort zullen wij uitgelaten zijn als kinderen voor wie de Sint gekomen is. Omdat het allemaal weer mag.
Nog even op de tanden bijten.

Waarom al dat lijden?

Zondag 7 februari 2021, Vijfde zondag door het jaar (jaar B)

Het boek Job, waaruit de eerste lezing vandaag (zondag 7 februari) genomen is, behoort tot de hoogtepunten van de wereldliteratuur. Niet alleen omwille van de beelden, klanken en de poëzie van het hoogste niveau, maar vooral ook omwille van het onderwerp van het boek.
Het gaat over het waarom van al het lijden, al het afzien in de wereld.
En vooral ook over de vraag waarom het kwaad zo vaak goede mensen treft.
En het antwoord dat het boek Job daarop geeft, is dat er gewoon geen antwoord is.
’t Is te zeggen, er zal misschien wel een reden, een uitleg, een antwoord zijn, maar met ons verstand zullen wij er nooit achter komen.

Waarom?
Eerst misschien, heel kort, ons geheugen opfrissen.
Job is een man die het, zacht uitgedrukt, ongelooflijk voor de wind gaat.
Zijn rijkdom is immens, de liefde tussen hem, zijn vrouw en zijn kinderen intens.
Hij heeft een geweldig stel hele goede vrienden en alles wat hij onderneemt loopt volmaakt zoals hij het had bedoeld. Hij wordt door het leven vertroeteld.
Hij is volmaakt gelukkig. Job is bovendien een doorgoed mens én een vriend van God: hij is rechtvaardig en heeft een warm hart voor andere mensen.
En dan begint ineens de ellende. De ene “jobstijding” volgt op de andere.
Je kan het zo verschrikkelijk niet bedenken of Job wordt ermee geslagen. Zijn leven wordt een echte hel. En Job blijft zitten met die ene brandende vraag: waarom toch?
Het is de eeuwige vraag van goede mensen als het kwaad hen treft. Het is een vraag die leeft in alle tijden en culturen. Zelfs mensen die totaal niet geloven vragen zich in zo’n situatie af: waaraan heb ik dat verdiend? Alsof er toch ergens een Instantie zou zijn die het goede beloont en het kwade bestraft.
In het verhaal komen dan om beurt een aantal vrienden van Job een poging doen om een antwoord te formuleren op de kolossale waaromvraag.
Maar geen van hun bespiegelingen voldoet.

Vertrouwen
Totdat uiteindelijk God zelf Job aanraadt om niet verder te zoeken: het zal voor het menselijk verstand altijd een mysterie blijven. Net zoals God zelf mysterie is. (Elk beeld dat wij van God maken is een afgodsbeeld en moet verworpen worden).
Het enige wat Job overblijft is . . . vertrouwen. En dat doet hij. Hij blijft, ondanks alles, vertrouwen op God. (Wat overigens een ander woord is voor geloven in God). En dan wordt uiteindelijk dat vertrouwen beloond. Dit verhaal heeft een misschien wat overdreven “werelds” happy-end, maar de boodschap is duidelijk.
Blijf je niet blindstaren op die waaromvraag waar je toch geen antwoord op vindt.
Maar blijf vertrouwen op God en je zal merken dat Hij je redt. Vaak op een totaal andere manier dan jij misschien had verwacht of gewenst.
Maar blijf vertrouwen.
En hier zien we weer eens hoe belangrijk het verbonden zijn/blijven met God is.
Het christelijk geloof is geen kwestie van moraal en intellect alleen.
Het is op de eerste plaats een kwestie van openstaan voor God, van gebed en vertrouwvolle omgang met de Heer. Ook als het kwaad je overkomt.

Tekens
Zelfs al zou je voor volledige verlossing moeten wachten op het leven na dit leven, dan nog zal je de troost krijgen van te ERVAREN, nu al, dat Hij er is, dat Hij je draagt en van je houdt. En dat is juist de kracht die het gebed en het geloof je geeft. Weten dat Hij die van je houdt, het laatste woord heeft: wacht maar af en vertrouw op Hem. Ook al weet je geen antwoord op de vraag waarom je al die ellende overkomt, als je vertrouwvol met Hem omgaat WEET je gewoon dat Hij er is en dat Hij je ooit volledig zal verlossen.
Je weet dat dan ondanks alles wat je tegenzit en pijn doet, omdat je tekens krijgt van zijn aanwezigheid en van zijn liefdevolle aandacht voor jou. Moeilijk te geloven? Niet echt. Probeer het.
Sommige mensen zeggen: eerst zien en dan geloven. Maar zo is het niet.
Het is: eerst geloven en dán zien.

Over wat vroeger de Duivel heette

Zondag 31 januari 2021, Vierde zondag door het jaar (jaar B)

De evangelielezing van deze zondag bericht ons over het optreden van Jezus in de synagoge van Kafarnaüm aan het begin van zijn openbaar leven.
En het blijkt dat Hij van in het begin een buitengewone indruk maakt op de mensen.
“Want”, zo staat er, “Hij sprak niet zoals de Schriftgeleerden, maar als iemand met gezag”. Schriftgeleerden gaven eindeloos veel uitleg over de Bijbel, oeverloos commentaar op de teksten en vaak ook op elkaar. Jezus echter sprak direct en in eigen naam. “Gij hebt gehoord, dat er tot u gezegd is, maar Ik zeg u. . .” En dat wekt niet alleen verbijstering op (later zal juist dát Hem ook aan het kruis brengen) maar het brengt mensen ook tot persoonlijke bekering.
Bemerk hier het grote verschil met ideologen, politieke leiders en activisten van verschillend pluimage die (denk aan Hitler) soms enorme massa’s achter zich krijgen “om de wereld te veranderen”. De anderen dus te veranderen. Jezus’ optreden daarentegen bewerkt persoonlijke bekering.
Mensen die zich in hun eigen leven afkeren van het kwaad en zich toekeren naar het goede. De enige manier overigens om ook maar enigszins iets goeds te kunnen betekenen voor anderen en voor de wereld. . .

Kwaad
Hoe zit dat trouwens met dat “Kwaad” waar we ons moeten van afkeren?
Ik schrijf Kwaad met opzet met een hoofdletter. Niet omdat ik het naar goddelijke hoogten wil tillen, maar omdat ik het ook niet wil bagatelliseren. Het Kwaad is overal prominent aanwezig, in de natuur, in de maatschappij en in de mens. Overal.
Tijdens de middeleeuwen heeft dat Kwaad een gestalte gekregen: een figuur met horens en bokkenpoten en lelijk als de nacht. Maar het Kwaad is niet lelijk als de nacht. Het is heel aantrekkelijk, tintelend en fris. Het gooit werelden van mogelijkheden voor je open en belooft je alles. Maar het vervult niets, het laat uiteindelijk alleen maar brokstukken over en oneindig veel lijden en verdriet, ontreddering en wanhoop.

Kiezen
Heeft het (terechte) afwijzen van de karikatuur van het Kwaad, de duivelsfiguur met zijn bokkenpoten er niet toe geleid dat we het Kwade zelf zijn gaan ridiculiseren? Ik denk het.
Je moet nochtans nogal blind zijn om het niet te zien, in de wereld maar ook diep in jezelf.
Dat aanhangers van Trump het Capitool bestormen, verbijstert ons. Maar hoe velen liggen er wakker van dat, veel dichter bij ons, terug slavenmarkten geopend werden waar mensen als beesten op een jaarmarkt worden gekeurd en verkocht? Ook het Kwaad niet willen zien, maakt er zelf deel van uit.
Het Kwaad bestaat wel degelijk en het is alomtegenwoordig. Het is afzichtelijk, mensonterend, mensvernietigend.
Het is de absolute tegenstander van God-die-liefde is. Als christen moet je dus kiezen. Een beetje van dit en een beetje van dat, kan niet.
Je moet kiezen.

Diep in ons
Het Kwaad in onszelf is blijkbaar ook meer dan een psychische aandoening of een noodlottig toeval.
Er bestaan duistere krachten. “Krachten die zich in de mens en in de wereld verzetten tegen God. Krachten die sterker zijn dan de mens en hem te gronde richten” (zie Vanden Berghe).
Die krachten weten wij ook diep in ons aanwezig. En ze keren zich niet alleen tegen anderen, maar altijd ook tegen onszelf. Het zijn krachten die mensen kleinhouden, verhinderen om echt te leven en om leven te geven aan anderen. Krachten die de absolute tegenpool en tegenstander zijn van Jezus en Zijn liefdevolle Vader.
En telkens als wij er de strijd mee aanbinden moeten we vaststellen dat het Kwaad zich zomaar niet gewonnen geeft, maar integendeel met dubbele kracht terugslaat.
Wij mogen echter nooit opgeven. Zelf kunnen we misschien niet zoveel.
En daarom zou het goed zijn moesten christenen terug meer bidden.
Het klinkt wat belegen, maar wij moeten echt terug meer leven in Gods nabijheid. Ons terug meer verbonden weten met de Heer.
Beseffen dat het christendom herleiden tot een aantal morele voorschriften met daarbij de nodige nobele voornemens, erg naïef is. Als wij het alléén moeten opnemen tegen het Kwaad staan wij zo goed als machteloos. Maar mét de Heer staan wij, om een oude boutade te gebruiken, sterk als een leger in slagorde.
En je beseft dan dat de kracht van God weinig te maken heeft met donder en bliksem, met macht en majesteit.
Dat de kracht van God in de eerste plaats mensen wil vrijmaken.
Vrij om goed te doen. Vrij om te beminnen.