Gelukkig zijn

Zondag 21 maart 2021, 5de zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

Bij het opruimen van oude paperassen vond ik deze tekst, die ik meer dan 10 jaar geleden schreef voor onze vormelingen. Een soort beknopte samenvatting van ons geloof. Misschien wel leuk als opfrissertje, zo vlak voor het hoogfeest van Pasen?

  1. Wij mensen zijn niet blindweg geworpen in een ijskoud heelal. Wij weten niet waarom die miljarden jaren durende evolutie nodig is geweest. Wij weten niet waarom. Wij weten niet waarom het heelal, de werkelijkheid er zó uitziet en niet anders.
    Wij weten niet eens waarom er “iets” is, in plaats van niets.
    Maar wij geloven dat wij mensen geen toevallig verschijnsel zijn, geen accident.
    En dat de diepste grond van het bestaan geen blinde oerkracht is, maar een Vader die van ons houdt. Hij is geen tovenaar die ons voor allerlei narigheid behoedt, maar een Kracht die ons helpt en inspireert bij alles wat ons in het leven overkomt. Omdat die God ons volledig overstijgt, kunnen wij Hem met ons verstand wel op het spoor komen maar nooit helemaal begrijpen.
    Wie Hij is en wat Hij verlangt dat wij doen met ons leven, heeft Hij ons daarom duidelijk gemaakt op de enige manier die voor ons begrijpelijk is, door zich te laten kennen in een mens: Jezus Christus.
    Dat is één.
  2. Als God onze Vader is, dan zijn alle mensen onze broeders en zusters.
    Dat zuster en broeder zijn van elkaar, wordt in onze Kerk zo vanzelfsprekend (en vaak ook onnadenkend) gebruikt dat het bijna een cliché geworden is.
    Maar de opvatting achter die woorden is het meest revolutionaire dat ooit onder mensen verkondigd is. Na Jezus kan geen enkel humanisme (ook niet het atheïstisch humanisme) nog radicaler zijn.
    Immers, elke leer, elke moraal, elke levensbeschouwing, zelfs elke politieke partij of sociale groepering zegt wel ergens dat je goed moet zijn voor de anderen.
    Maar met die anderen wordt bijna altijd bedoeld: de eigen groep.
    Mijn familie, mijn school, mijn land, mijn werkmakker, mijn geloofsgenoten,. . .
    Jezus doorprikt dat, met name in de parabel van de Barmhartige Samaritaan, door te stellen: niet ik bepaal wie mijn naaste is, voor wie ik goed wil zijn.
    Neen, ik word de naaste van ieder die mij op dit ogenblik nodig heeft.
    Ook al is die iemand een volslagen onbekende uit Afrika die ik voorheen nooit heb gezien of gehoord.
    Vanaf het ogenblik dat iemand in de penarie zit en ik zou kunnen helpen, wordt die mens mijn naaste.
    Dat is twee.
  3. Je kan nu natuurlijk ook zeggen: dat is allemaal mooi, maar ik ga toch vooral lekker zorgen voor mezelf. Je kan dat doen en niemand houdt je tegen.
    Maar je zal dan, als je tenminste bewust leeft, vlug doorhebben dat wij gemaakt zijn om te beminnen en niet om alleen maar bezig te zijn met onszelf.
    God is wat dat betreft een grapjas.
    Hij heeft ons als vrije mensen gemaakt die kunnen kiezen.
    Maar we steken wel zo in elkaar, dat we alleen maar gelukkig worden als we iets betekenen voor anderen.
    Het is dus zeker goed dat we zorg dragen voor onszelf, het is zelfs heel gezond dat we onszelf ook graag zien. Maar gelukkig ben je pas als je je geborgen en gedragen weet door andere mensen, als er ten minste één iemand is die echt van je houdt. En als je zelf ook kan houden van anderen.
  4. Er zijn verschillende mensen die echt van je kunnen houden. Je man, je vrouw, je lief, je ouders, je kinderen, je beste vrienden. En als ze dit doen, maakt je dat gelukkig. Even belangrijk is het, te weten dat ook God onvoorwaardelijk van je houdt en een persoonlijke relatie met je wil. Het besef dat de diepste grond van het bestaan je onvoorwaardelijk bemint kan je alleen maar diepgelukkig maken en verrijkt ook al je andere vriendschaps- en liefdesrelaties.
    Verzorg daarom ook je relatie met de Heer. Die is anders dan die met je medemensen. Maar zeker zo belangrijk.

Seks en zonde (Joh 3, 14-21)

Zondag 14 maart 2021, 4de zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

Het evangelie van vandaag brengt ons het verslag van het nachtelijk gesprek tussen Jezus en Nicodemus. Dat nachtelijke uur wijst meteen al op voorzichtigheid, op gevaar en risico voor de bezoeker. En Nicodemus had inderdaad een hoge positie in Jeruzalem toen Jezus het al helemaal verkorven had bij de machthebbers.
Er blijft natuurlijk de mogelijkheid dat Nicodemus oprecht geïnteresseerd was in Jezus en zijn leer.
Maar waarschijnlijk was hij een soort politieke opportunist. En hield hij er rekening mee dat Jezus wel eens een game changer kon zijn, iemand die het uiteindelijk wel eens kon halen. En in dat geval wilde hij, Nicodemus, goeie punten hebben.
Een soort Talleyrand dus, het prototype van de politieke overlever.
Talleyrand begon zijn carrière als bisschop van Autun. Maar hij had zoveel vrienden en relaties in zoveel elkaar bestrijdende kringen dat hij gewoon alles overleefde. Hij overleefde de val van het Ancien Regime, de verschillende elkaar de macht betwistende strekkingen van de revolutie, hij overleefde het schrikbewind van Robespierre, daarna het Directoire, daarna Napoleon. Dan kwam de restauratie en dan weer terug Napoleon, en dan terug Lodewijk XVIII. En al die tijd bewoog Talleyrand zich rustig verder in kringen aan de top, meestal als minister of Hoge raadgever van de meest uiteenlopende machthebbers.
Misschien was Nicodemus ook zo iemand. Maar we hebben verder nooit nog iets van hem gehoord.
In ieder geval zei Jezus tegen hem niets anders dan wat Hij zegt tegen ieder van ons. Sterker nog, het is zowat een samenvatting van zijn leer van ons.
God, zegt Jezus, houdt zoveel van ons dat Hij ons wil uitlichten uit de vergankelijkheid van alle dingen. Dat Hij ons wil opnemen in zijn eigen eeuwig leven.
En opdat wij zouden weten wat wij daarvoor moeten doen, hoe wij daarvoor moeten leven, heeft Hij ons zijn zoon gezonden, is Hijzelf als mens onder ons komen wonen.
Om ons de weg van liefde te tonen, de weg naar God en het eeuwig leven.
Maar Jezus moet vaststellen dat mensen niet altijd zitten te wachten op “verlichting”.
Dat ze de duisternis vaak meer beminnen dan het licht.
Wat Jezus zegt snijdt als een mes door de hedendaagse fantasie die beweert dat “iedereen wel terechtkomt, als God een liefdevolle Vader is komt alles goed, voor iedereen”.
Dat is niet wat Jezus zegt. Als wij willen deel uitmaken van Gods eeuwig leven dan moeten wij ook kiezen voor dat leven, d.w.z. kiezen vóór de liefde en tégen alles wat tegen die liefde ingaat. Dan moeten wij afstand nemen, ons bevrijden van alles wat zonde is, alles wat het leven neerhaalt, donker maakt.
Alles wat mensen tot slaaf maakt van negatieve gevoelens en gedachten.
Alles wat andere mensen belet te leven en wat hen uiteindelijk te gronde richt.

Zonde
Wat is dat eigenlijk, “zonde”?
Vroeger dacht men bij het woord zonde spontaan aan seks. Men gebruikte dat woord wel niet. Men had het over de “zonde van het vlees”. Maar dáár ging het feitelijk om.
Als je op dat vlak goede punten haalde, was al het andere ook wel oké. Dacht men.
Maar dat klopt natuurlijk niet.
Ik ben geen theoloog. Wat ik weet over zonde, is de opgedane kennis van een ouder wordende zondaar. Maar ik vind wel dat je een heel duidelijke opdeling kan maken.
Je hebt 2 grote soorten zonde. De ene soort zijn de zonden met betrekking tot het lichaam: bandeloosheid op gebied van eten, drinken en seks.
Het zijn zonden die te maken hebben met het dierlijke in ons. Het dierlijke dat, of we dat leuk vinden of niet, deel uitmaakt van ons mens-zijn.
De andere soort zijn de “geestelijke” zonden. En die zijn erger: hoogmoed, haat, wraakzucht, jaloezie, nijd enz. Die hebben te maken, niet met het dierlijke, maar met het duivelse in ons. Want die “duivelse” neigingen zitten, evenals het goddelijke verlangen naar liefde, eveneens in ons.
Met beide soorten moeten wij de strijd aangaan, om het licht te volgen en de weg naar eeuwig leven te gaan.

Bouwwerf
En daarom vind ik het zo belangrijk om ons tijdens de vasten niet uitsluitend te focussen op Goede Werken, op geld geven aan deugdelijke projecten in de derde wereld.
Hoezeer dat er ook bij hoort. Maar ik denk dat wij tijdens de Vastenperiode terug meer aandacht moeten geven aan het werken aan onszelf. De armoede en het onrecht in de wereld vragen dringend om onze aandacht, onze inzet, ons geld.
Maar wij zijn ook zelf een bouwwerf. Er moet serieus gewerkt, afgesmeten en heropgebouwd worden aan onze eigen persoon. Opdat wij steeds meer beantwoorden aan de droom die God over ons had. Opdat wij steeds meer gelijken op zijn zoon.
De Vasten is daarbij de oefentijd bij uitstek.

Waarom vasten?

Zondag 7 maart 2021, 3de zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

De eerste lezing van vandaag over de uittocht uit Egypte begint met de meest plechtige, meest indrukwekkende verklaring uit het hele Oude Testament.
“Ik ben de Heer, uw God, die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis. Gij zult geen andere goden hebben ten koste van mij. Gij zult u niet voor hen ter aarde buigen”.
Het is een plechtige maar ook erg revolutionaire taal, die al de bestaande opvattingen en verhoudingen omver blaast. Het is de Marseillaise van het joods-christelijke denken.
God, de enige levende God, is een God die op mensen gericht is en die hen wil bevrijden en naar het echte leven voeren.
Alle andere “goden” lijken wel veelbelovend, maar het zijn in wezen tirannen die mensen tot slaaf maken.
God, de enige Heer, is niet iemand die slaafse onderwerping wil, maar een God die ons juist uit elke vorm van slaafzijn wil bevrijden.

Slavernij
Om nu goed te begrijpen wat dit oeroud verhaal over de bevrijding van Israël uit Egypte voor ons vandaag kan betekenen, moeten we eerst de betekenis van een paar begrippen proberen duidelijker te stellen.
Om te beginnen is er het woord slaaf. De Joden kregen in Egypte zeker geen voorkeursbehandeling. Ze deden er het zware werk waar de Egyptenaren zich te goed voor voelden. Maar de Egyptenaren betaalden wel hun slaven. En toen de Joden na een tijd begonnen te morren omdat de tocht door de woestijn zo eindeloos leek, klaagden ze dat ze, om Mozes te volgen, de VLEESPOTTEN van Egypte hadden verlaten. En toen ze Mozes en zijn God helemaal niet meer zagen zitten, maakten ze van hun gouden sieraden een levensgroot gouden kalf.
Ook niet direct een sterke aanwijzing dat de wegtrekkende Israëlieten een haveloze bende waren.
Het wordt integendeel steeds duidelijker dat de slavernij waarvan de mensen moesten bevrijd worden geen materiële ellende, geen pure armoede was.
Maar van hun gehechtheid aan zaken die hen van God, en dus ook van het echte leven, verwijderden.

Loskomen
En daarom volgt dan ook, als hoogtepunt van de uittocht, de gave van de 10 geboden. “Geboden” inderdaad en tezelfdertijd: woorden die leven geven.
Leven voor de gemeenschap en voor de individuele mens. Een levende gemeenschap is immers ook levengevend voor het individu.
Ga nu even die “10 geboden” na en je merkt dat het inderdaad gaat om woorden die het leven en het samenleven mogelijk maken en in stand houden.
Ze beloven wel geen gemakkelijk uitstapje.
En dat komt omdat de weg die God ons wijst, haaks staat op datgene waar we het vorige week over gehad hebben: onze dierlijke instandhoudingsdrang en het egoïsme en het uit zijn op onmiddellijke bevrediging dat daar het gevolg van is.
Ik zie dat bijvoorbeeld met mijn hondje. Als ik haar een gevarieerde portie eten geef, dan zal zij onmiddellijk de smakelijkste brokjes het eerst binnenspelen. En je hoort haar daarbij denken: “Dat heb ik alvast gehad, dat kunnen ze me niet meer afnemen”.
Ook mensen kennen die reflex. En de veertigdagentijd is de tijd bij uitstek om die egoïstische grijpreflex onder controle te krijgen.
Zo verschrikkelijk moeilijk is dat trouwens niet. Neem nu bijvoorbeeld dat voor de vastenperiode zo typische matigen in eten en drinken.
Wij kunnen dat en we doen dat soms ook. Maar dan niet omdat God dat van ons vraagt, maar de dokter of diëtiste of het schoonheidsideaal.
En dan is die matiging natuurlijk eerder een afgedwongen frustratie dan een soevereine beslissing.

God
En als we het nu toch eens echt voor God deden? Dán rijst natuurlijk de vraag of en hoe je God kan plezieren door af te zien van de “goeie dingen des levens” (die Hij trouwens zelf heeft geschapen)?
Je kan dat probleem proberen te ondervangen door te stellen dat je, wat je uitspaart door je te matigen in eten en drinken, aan Broederlijk Delen kan geven. Maar is dat niet nogal kinderachtig? Als je als volwassen mens inziet hoe onrechtvaardig de wereld in elkaar steekt, geef je beter een flinke som, om op die manier een statement te maken voor “herverdeling”.
De vraag blijft dus: hoe kan matiging in bijvoorbeeld eten en drinken betekenis hebben voor God?
Heel eenvoudig.
Je gelooft dat God echt van je houdt en je heel sterk nabij is.
Met je te beperken in eten, drinken, genotsmiddelen enz. zeg je dan dat je alles van Hem verwacht, dat zijn liefde voor jou belangrijker is dan die dingen.
Dat je ze laat uit liefde voor Zijn liefde.

Breder kader nodig

Zondag 28 februari 2021, 2de zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

Van toen ik nog een klein jongetje was, in een tijd dat je het eerste godsdienstonderricht nog van je oma kreeg, wist ik al dat geloof en mysterie samengingen.
Mijn oma had het dan altijd wel over “ministerie”, maar niemand viel daarover.
Op dezelfde wijze had mijn oom het vaak over de “consecratiekampen” tijdens de oorlog, maar wij begrepen wat hij bedoelde en dat volstond.
In mijn familie was men nogal breed inzake spelling en uitspraak. En dat moest ook wel want anders had je voortdurend gedonder.

Godservaring
Pas veel later ben ik gaan begrijpen wat men bedoelde met dat woord mysterie in verband met het geloof. Het gaat om de nederige erkenning dat er nu eenmaal een aantal geloofsaspecten zijn die je met je verstand moeilijk kan uitleggen. Zoals je ook God zelf nooit helemaal zal kunnen vatten, ontleden en beschrijven. God is immers de “totaal Andere”.
En wij kunnen Hem (of aspecten van Hem) alleen maar begrijpen in de mate dat Hij zich aan ons laat kennen. En dan spreken we van Openbaring, God die in een soeverein gebaar (Genade) zich aan ons “openbaart”.
Laat ons (gemakshalve) het nu even niet hebben over de Bijbel, maar wel over de momenten waarin wij zelf het gevoel hebben dat God zich toont in ons eigen leven. Over persoonlijke godservaringen dus.
Onmiddellijk rijst dan een serieus probleem op. Het feit namelijk dat wij geen goede, geen zuivere “ontvangers” zijn. Onze opvattingen, onze opvoeding, heel het universum van ons onderbewustzijn speelt ons parten. Wij interpreteren ongewild maar spontaan, vanuit ons eigen kader.
En daardoor komt het dat het verslag van zo’n godsontmoeting soms zo ongeloofwaardig klinkt. De ervaring zelf is misschien echt, maar de weergave ervan al te gekleurd.

Leer
En precies hier komt het belang naar voor van de theologie. Van de “Leer”, van de enorme ervaring van het Leergezag, de ervaring die gedurende eeuwen door de Kerk werd opgedaan en uitgezuiverd.
Misschien kan dat duidelijker worden met een vergelijking die C.S. Lewis maakt in een van zijn boeken.
Stel, zegt hij, dat je op het strand naar de oceaan staat te kijken en dan thuis die oceaan in de atlas opzoekt. Je gaat dan van iets werkelijks naar iets minder werkelijks, van werkelijke golven naar een stukje gekleurd papier.
Maar nu komt het: een atlas bestaat weliswaar alleen maar uit gekleurd papier, maar je moet daarbij twee dingen bedenken. Ten eerste berust zo’n kaart op wat duizenden mensen te zien hebben gekregen door op de werkelijke oceaan te varen. Zo schuilt er achter de kaart een massa ervaring, die even werkelijk is als de ervaring die je aan het strand kunt hebben. Maar terwijl dat laatste maar één indruk is, voegt de kaart al die verschillende indrukken samen.

Noodzakelijk
En ten tweede, de kaart is absoluut noodzakelijk als je ergens naartoe wilt.
Zelf kijken is veel leuker dan kaartlezen, zolang je met strandwandelen tevreden bent. Maar wil je naar Amerika toe, dan heb je meer aan de kaart.
Hetzelfde geldt voor de verhouding tussen persoonlijke godservaringen enerzijds en Kerk en theologie anderzijds.
Er zijn christenen die met weinig sympathie spreken over wat ze noemen “het instituut kerk”. En ze denken dan vooral aan de schandalen en het machtsstreven van sommige pausen en prelaten. Maar de Kerk is ook nog wat anders.
De Kerk is ook, en zelfs in de eerste plaats, een gigantische schatkamer van ervaringen en kennis van alles wat te maken heeft met geloof en spiritualiteit.
Ze biedt je een kader waarbinnen je je eigen ervaringen kan plaatsen en begrijpen.
Omdat wij gebrekkige “ontvangers” zijn, is die kerkelijke, theologische atlas nodig.
Godservaringen (echte of vermeende) halen je helemaal overhoop. De atlas moet ervoor zorgen dat ook de uitleg ervan niet al te verwarrend, niet al te subjectief zou zijn.