De Goede Herder

Zondag 25 april 2021, Vierde Paaszondag (jaar B) – Roepingenzondag

Het zal niemand verbazen dat de lezingen in de dagen en weken na Pasen uitsluitend gaan over de Verrijzenis van Christus. Over het groeiend besef bij de leerlingen dat de Jezus die ze hadden zien sterven, nu door hen ervaren wordt als de Levende Heer, die via hen zijn zending wil verder zetten. En dat is natuurlijk ook niet meer dan normaal. Want als de verrijzenis werkelijk heeft plaatsgevonden dan is dat meteen het meest gigantische feit, het meest centrale punt in de hele mensengeschiedenis. En dan kan je daar moeilijk over zwijgen.

Opmerkelijk
Twee belangrijke zaken vallen hierbij meteen op.
Ten eerste: de apostelen trekken niet meteen de wereld in om te preken of, erger nog, een eigen leer te verspreiden of een eigen kerkje of sekte te stichten. Neen. Ze komen voortdurend bij elkaar om hun ervaringen naast elkaar te leggen, de betekenis ervan te onderzoeken. Om niet met hun vragen alleen te staan. Om elkaar te versterken in het geloof.
En ten tweede: hun groeiend geloof blijft geen theoretische spielerei.
Integendeel: het verandert hun leven radicaal. Van schichtige beunhazen worden de apostelen onverschrokken verkondigers van een geloof dat als een storm over de wereld zal gaan. Hoewel het van in het prille begin tegengewerkt en vervolgd zal worden. Omdat het precies het tegenovergestelde zegt van wat “de wereld” graag wil horen. En laat het nu precies deze twee zaken zijn waar christenen in onze tijd het blijkbaar nogal moeilijk mee hebben. Laat ons daar even op ingaan.

Erover spreken
Om te beginnen zag je bij de eerste leerlingen inderdaad die onmiskenbare behoefte om samen te praten over het geloof. Om ervaringen uit te wisselen, om onduidelijkheden uit te klaren en tot inzicht te komen. Om elkaar te helpen, te bemoedigen en te bevestigen. Hoe weinig kom je dat nog tegen vandaag. Wij vergaderen ons in de Kerk bijna te pletter. Maar het draait daar altijd rond het bespreken van projecten, het plannen van activiteiten en, in het beste geval, het uitwerken van een visie rond een of ander onderwerp. Maar komt daar soms ook al eens het persoonlijk geloof van de deelnemers ter sprake? Nooit! Het antwoord is niet: weinig of zelden. Het antwoord is gewoon: nooit. En dat kan dus niet. Wij moeten echt komaf maken met dit soort gêne.
Met die schrik om met elkaar over ons persoonlijk geloof te spreken. Ik begrijp dat je geloof iets heel intiems is. Maar wij moeten het tóch veel meer onder elkaar ter sprake te brengen. Gewoon om elkaar te helpen. Om elkaar te bevestigen en te sterken. Een van de belangrijkste taken van christenen in deze tijd is terug serieus werk maken van evangelisatie in een zwaar geseculariseerde omgeving. Maar wij moeten daar niet eens aan denken als wij zelfs in onze eigen religieuze biotoop er niet toe komen enthousiast en aanstekelijk te spreken over wat ons bezielt.

Afstand
En een tweede punt waar het in onze tijd blijkbaar misloopt, is de steeds groter wordende afstand tussen je “outen” als gelovige en leven als gelovige. Regelmatig zeggen mensen mij: “Je ziet me wel zelden in de Mis maar ik geloof wel”. Maar vaak verschilt hun leven ook in alle andere opzichten niet van dat van mensen die niet geloven. (Iets wat overigens soms ook opgaat voor mensen die wel naar de Mis gaan). Het lijkt erop dat wel of niet gelovig-zijn meer en meer een verstandelijk beamen of verwerpen is van een aantal gedachten en opvattingen, zonder dat dit ook een invloed heeft op je concrete leven. En dat kan voor een christen dus niet. Als je gelooft in de God van Jezus dan moet dat geloof wel degelijk heel veel invloed hebben op hoe je in de wereld staat. Op elk gebied. Anders neem je God en geloof totaal niet serieus.

Dieptepunt
En dan kom je gegarandeerd in situaties dat je heel goed weet wat je volgens je geloof moet doen, maar het toch niet doet. Gewoon omdat je je helemaal laat leiden, niet door wat God van je wil maar door wat jou op dat moment het beste uitkomt. Als je daar niet hard tegen optreedt, gaan dit soort situaties vaker en vaker voorkomen, totdat ze uiteindelijk heel gewoon geworden zijn en je er zelfs geen seconde nog bij stilstaat. Met als absoluut dieptepunt: je beloftes aan God gedaan in benarde tijden zonder het minste ongemak “vergeten” wanneer de situatie opklaart. Nog lager kan je als christen niet vallen. Je maakt jezelf dan nog wel wijs dat je christen bent, maar God heeft geen enkele betekenis meer voor je.

Ontzag
Ontzag en respect voor God (wat men vroeger de “Vreze des Heren noemde”) is nochtans een van de belangrijkste kenmerken van een echte gelovige. En dat respect uit zich in (minstens proberen te) doen wat God van je vraagt.

Ontzag voor God

Zondag 18 april 2021, Derde Paaszondag (jaar B)

Het zal niemand verbazen dat de lezingen in de dagen en weken na Pasen uitsluitend gaan over de Verrijzenis van Christus. Over het groeiend besef bij de leerlingen dat de Jezus die ze hadden zien sterven, nu door hen ervaren wordt als de Levende Heer, die via hen zijn zending wil verder zetten. En dat is natuurlijk ook niet meer dan normaal. Want als de verrijzenis werkelijk heeft plaatsgevonden dan is dat meteen het meest gigantische feit, het meest centrale punt in de hele mensengeschiedenis. En dan kan je daar moeilijk over zwijgen.

Opmerkelijk
Twee belangrijke zaken vallen hierbij meteen op.
Ten eerste: de apostelen trekken niet meteen de wereld in om te preken of, erger nog, een eigen leer te verspreiden of een eigen kerkje of sekte te stichten. Neen. Ze komen voortdurend bij elkaar om hun ervaringen naast elkaar te leggen, de betekenis ervan te onderzoeken. Om niet met hun vragen alleen te staan. Om elkaar te versterken in het geloof.
En ten tweede: hun groeiend geloof blijft geen theoretische spielerei.
Integendeel: het verandert hun leven radicaal. Van schichtige beunhazen worden de apostelen onverschrokken verkondigers van een geloof dat als een storm over de wereld zal gaan. Hoewel het van in het prille begin tegengewerkt en vervolgd zal worden. Omdat het precies het tegenovergestelde zegt van wat “de wereld” graag wil horen. En laat het nu precies deze twee zaken zijn waar christenen in onze tijd het blijkbaar nogal moeilijk mee hebben. Laat ons daar even op ingaan.

Erover spreken
Om te beginnen zag je bij de eerste leerlingen inderdaad die onmiskenbare behoefte om samen te praten over het geloof. Om ervaringen uit te wisselen, om onduidelijkheden uit te klaren en tot inzicht te komen. Om elkaar te helpen, te bemoedigen en te bevestigen. Hoe weinig kom je dat nog tegen vandaag. Wij vergaderen ons in de Kerk bijna te pletter. Maar het draait daar altijd rond het bespreken van projecten, het plannen van activiteiten en, in het beste geval, het uitwerken van een visie rond een of ander onderwerp. Maar komt daar soms ook al eens het persoonlijk geloof van de deelnemers ter sprake? Nooit! Het antwoord is niet: weinig of zelden. Het antwoord is gewoon: nooit. En dat kan dus niet. Wij moeten echt komaf maken met dit soort gêne.
Met die schrik om met elkaar over ons persoonlijk geloof te spreken. Ik begrijp dat je geloof iets heel intiems is. Maar wij moeten het tóch veel meer onder elkaar ter sprake te brengen. Gewoon om elkaar te helpen. Om elkaar te bevestigen en te sterken. Een van de belangrijkste taken van christenen in deze tijd is terug serieus werk maken van evangelisatie in een zwaar geseculariseerde omgeving. Maar wij moeten daar niet eens aan denken als wij zelfs in onze eigen religieuze biotoop er niet toe komen enthousiast en aanstekelijk te spreken over wat ons bezielt.

Afstand
En een tweede punt waar het in onze tijd blijkbaar misloopt, is de steeds groter wordende afstand tussen je “outen” als gelovige en leven als gelovige. Regelmatig zeggen mensen mij: “Je ziet me wel zelden in de Mis maar ik geloof wel”. Maar vaak verschilt hun leven ook in alle andere opzichten niet van dat van mensen die niet geloven. (Iets wat overigens soms ook opgaat voor mensen die wel naar de Mis gaan). Het lijkt erop dat wel of niet gelovig-zijn meer en meer een verstandelijk beamen of verwerpen is van een aantal gedachten en opvattingen, zonder dat dit ook een invloed heeft op je concrete leven. En dat kan voor een christen dus niet. Als je gelooft in de God van Jezus dan moet dat geloof wel degelijk heel veel invloed hebben op hoe je in de wereld staat. Op elk gebied. Anders neem je God en geloof totaal niet serieus.

Dieptepunt
En dan kom je gegarandeerd in situaties dat je heel goed weet wat je volgens je geloof moet doen, maar het toch niet doet. Gewoon omdat je je helemaal laat leiden, niet door wat God van je wil maar door wat jou op dat moment het beste uitkomt. Als je daar niet hard tegen optreedt, gaan dit soort situaties vaker en vaker voorkomen, totdat ze uiteindelijk heel gewoon geworden zijn en je er zelfs geen seconde nog bij stilstaat. Met als absoluut dieptepunt: je beloftes aan God gedaan in benarde tijden zonder het minste ongemak “vergeten” wanneer de situatie opklaart. Nog lager kan je als christen niet vallen. Je maakt jezelf dan nog wel wijs dat je christen bent, maar God heeft geen enkele betekenis meer voor je.

Ontzag
Ontzag en respect voor God (wat men vroeger de “Vreze des Heren noemde”) is nochtans een van de belangrijkste kenmerken van een echte gelovige. En dat respect uit zich in (minstens proberen te) doen wat God van je vraagt.

Thomas de zoeker

Zondag 11 april 2021, Beloken Pasen (jaar B)

Vandaag lezen we in het evangelie het verhaal van de apostel Thomas. De “ongelovige Thomas” wordt hij vaak genoemd. Omdat hij bij de eerste geruchten over de Verrijzenis weigerde om zomaar te geloven wat ook door sommige anderen werd afgedaan als “beuzelpraat van vrouwen”. Thomas verlangde zekerheid.
Hoe krijg je die? Dat is heel belangrijk ook voor ons vandaag. Wij die voor de immense taak staan, de liefde van God ter sprake te brengen in een tijd die alleen maar geïnteresseerd lijkt in materiële dingen.
Je weet wellicht dat in het Westen, de groep dogmatische atheïsten getalsmatig evenzeer pluimen verliest als de groep van gebetonneerde christenen. Wij mogen niet de fout maken van al diegenen die weggaan zowel bij de enen als bij de anderen, te rekenen bij de apatheïsten: mensen die totaal niet meer geïnteresseerd zijn in diepere vragen. Dat is niet zo.

Zoekers
Er is immers de sterk groeiende groep van zoekers. En die mensen moeten wij (blijven) aandacht schenken. Zij staan ook dicht bij ons. Ook gelovigen blijven immers voor een stuk zoekers omdat God zelf mysterie is. Absolute zekerheid bestaat niet in het geloof. Niemand van ons gelooft bovendien iedere dag even sterk.
Meer dan we misschien zelf willen toegeven, weten wij heel goed wat ongeloof is. Daarom zijn mensen die eerlijk zoeken onze natuurlijke gesprekspartners.
De vraag blijft dan hoe je die zoekende mensen kan interesseren in ons geloof?
Want de meeste mensen die zich vandaag ongelovig noemen, die kennen dat geloof niet meer van binnenuit. Het godsdienstonderwijs dat ze kregen was vaak beperkt tot “niet pesten op school” en “centjes geven voor het goede doel”.
Velen van hen kennen alleen nog de vooroordelen en de tegenwerpingen tegen het geloof, niet meer het geloof zelf.
Vroeger was de situatie helemaal anders.
Toen vroeger in het zwaar-katholieke Vlaanderen mensen het geloof de rug toekeerden, wisten ze heel goed waar ze afstand van namen. Kleppers als Marnix Gijsen, Gerard Walschap en Vermeersch bijvoorbeeld, hadden een soliede katholieke opvoeding gehad. Ze kenden het geloof van binnenuit.
Mensen van vandaag, speciaal ook veel jongeren, kennen vaak over het geloof alleen nog datgene wat ze er af en toe over horen of lezen in een pers die het, zacht uitgedrukt, niet zo begrepen heeft op het christelijk geloof.
Hoe bereiken wij die mensen?

Anders
Moeten wij, naar het oude vertrouwde recept, “geloofsavonden” inrichten en daar “sprekers” op uitnodigen? Ik denk het niet.
Een theoloog, een bijbelspecialist of zelfs een bisschop programmeren trekt tegenwoordig alleen nog de usual suspects aan, niet de zoekers die wij willen bereiken.
Bovendien zijn wij ook op dat punt een arme Kerk geworden: de begenadigde, enthousiasmerende sprekers lopen momenteel eerder dun in onze Kerk.
Wij hebben natuurlijk een Rik Torfs, die met zijn wondere mengeling van humor, kennis en diepgang een waar godsgeschenk is voor onze Vlaamse stijve-harken-kerk. Een man die voor onze plaatselijke Kerk bijna even kostbaar is als paus Franciscus dat is voor de wereldkerk.
Maar laat Rik Torfs gewoon datgene doen waar hij ook door niet-gelovigen sterk om gewaardeerd wordt: zijn opmerkelijke bijdragen in panelgesprekken en korte interviews op tv en zijn onovertroffen stukjes in Het Laatste Nieuws.
Je mag zo’n man in ieder geval nooit aandoen wat we vroeger veel te veel gedaan hebben met kardinaal Danneels: hem verslijten door de man van het ene gammele parochiezaaltje naar het andere te sleuren.

Voorleven
Neen, wij zullen het zelf moeten doen.
Als wij in onze tijd terug mensen willen interesseren voor ons geloof, dan zullen we zelf onze duit in het zakje moeten doen. En dan niet zozeer door het evangelie zo goed mogelijk uit te leggen, maar door het te beleven.
Wij moeten de mensen terug nieuwsgierig maken naar het christendom.
En dat kan het best door onze manier van leven.
Wij moeten ons geloof zo serieus nemen dat het af te lezen valt uit onze daden, uit ons omgaan met elkaar en met andere mensen.
Als christenen zich keren naar de God van liefde i.p.v. naar de goden van geld en macht, dan kan het niet anders of zij leven ook anders dan anderen.
En dat valt op, dat maakt nieuwsgierig.
Zoals ook de eerste christenen destijds indruk maakten op de Romeinse heidenen door hun anders-in-de-wereld-staan. Dát valt op.
Wij moeten gewoon hetzelfde doen.
Er is wat dat betreft niet zoveel veranderd in de wereld.
Het zijn alleen wij die moeten veranderen.
Om terug op te vallen.

Mensen helpen verrijzen

Zondag 4 april 2021, Pasen (jaar B)

Wanneer men het vandaag over de Verrijzenis van Christus heeft, dan bedoelt men meestal de ontdekking van het lege graf en de verschijning van Jezus een paar meter daarvandaan.
Maar deze bijna exclusieve aandacht voor de eerste 5 of 10 minuten van de opstanding, zou de eerste christenen zeer verbaasd hebben.
Als, onmiddellijk na Jezus’ dood, zovelen beweerden getuige te zijn van zijn verrijzenis, dan beweerden ze niet per se dit gezien te hebben. Maar wel dat ze, vanuit heel uiteenlopende ervaringen, er rotsvast van overtuigd waren geraakt dat de Jezus die ze hadden zien sterven, meer leefde dan ooit. Dat de man die als een slaaf was vernederd en gekruisigd, nu de levende Heer geworden was.

Vertrouwd
Die verrijzenis van Christus staat in het middelpunt van ons geloof.
En volgens dat geloof zelfs in het middelpunt van de menselijke geschiedenis.
En toch is die Verrijzenis helemaal niet zo vreemd en buitenissig als je op het eerste gezicht wel zou denken. Wij zijn er meer mee vertrouwd dan we beseffen.
Sterven en verrijzen, als het goed met ons gaat overkomt het ons voortdurend.
Al van bij het begin. Denk aan de dood van de foetus wanneer wij het levenslicht zien. En daarna aan al die keren die wij moeten sterven aan zekerheden. Dat papa alles weet bijvoorbeeld en dat onze ouders almachtig zijn. Of denk aan al onze verlangens die in de kiem gesmoord worden, de eerste hartstochtelijke verliefdheid bijvoorbeeld die alleen maar op onverschilligheid botst bij de ander.
Er zijn zoveel zekerheden die wij moeten opgeven, zoveel verlangens die niet vervuld kunnen worden, zoveel beproevingen die ons worden aangedaan door anderen en door ons eigen onvermogen.
Zoveel doden die wij moeten sterven in de ontplooiing van ons menszijn en evenzoveel verrijzeniservaringen. Als alles goed gaat tenminste. Maar alles loopt natuurlijk niet altijd gesmeerd.

Helpen verrijzen
En precies daar situeert zich de oproep van het Evangelie.
Wij zijn geboren om te verrijzen.
Niet één keer maar ontelbare keren.
Om altijd weer opnieuw op te staan uit alles wat ontmoedigt en gevangen houdt.
Maar het is de bedoeling dat wij elkaar daarbij helpen.
En voor de Kerk is dat zelfs het wezen van haar zending.
Mensen in alle denkbare duistere situaties moed geven, hen helpen opstaan en hen op die manier voor een stuk laten deelnemen aan de verrijzenis van Christus.
Paus Franciscus gebruikt daarvoor een treffende uitdrukking: “De Kerk moet het veldhospitaal van de wereld worden”, zegt hij.
Moeten wij dus vanaf nu allemaal de zorg in, verpleegster worden, geneesheer of psychiater? Natuurlijk niet. Wij hebben daar als christenen een heel eigen weg in te gaan.

Oase
Augustinus had in de 4de eeuw al begrepen dat veel van de tegenstellingen die wij oproepen, die tussen blank en zwart bijvoorbeeld, tussen man en vrouw, gelovig of niet-gelovig enz. alleen maar schijn zijn.
De twee fundamentele tegenstellingen die in het menselijk hart leven, noem het de twee grote liefdes van de mens, zijn eigenliefde en liefde die gericht is op de ander.
Terwijl de liefde voor de ander gelukkig makend is voor beiden, brengt de eigenliefde van de een vaak alleen maar ellende over de ander.
In een wereld waarin egoïsme, onverdraagzaamheid en extreem geweld alsmaar toenemen, moet de Kerk een oase zijn waar gekwetste en verkommerde mensen op verhaal kunnen komen. Maar ook een plaats waar mensen in het algemeen, gelovigen en mindergelovigen respectvol geholpen worden in hun zoeken naar zin en betekenis. Een plaats ook, een school als het ware, waar methoden worden aangereikt om het egoïsme van de mens te overwinnen en zijn agressiviteit bij te schaven. En op zoek te gaan naar regels voor een rechtvaardig en vreedzaam samenleven.

Duiken
Dat is de rol voor christenen vandaag.
Maar om die rol naar behoren te vervullen, moeten wij eerst serieus werk maken van onze eigen bekering.
Als wij mensen willen rechttrekken, doen opstaan en verrijzen, dan moeten wij eerst zelf verrezen mensen zijn.
Christenen in deze tijd hebben de waanzinnige opdracht het evangelie terug uit te dragen in de grotendeels geseculariseerde wereld van vandaag.
Hoe onmogelijk dit ook lijkt, wij zullen het kunnen. Maar dan moeten wij eerst terug het diepe water in en heel serieus werken aan ons eigen innerlijk leven.
De uitdaging weer niet te lijf gaan met projecten en vergaderingen alleen. Maar terug veel meer plaats inruimen voor persoonlijk gebed en bezinning. Als wij mensen willen helpen om te verrijzen, moeten wij zelf verrezen mensen zijn.
Wij kunnen dat. Wij moeten ons daar niet ongerust over maken. Wij kunnen dat.
Bij ons is al eens iemand opgestaan uit de dood.