Heeft smeekgebed zin?

Zondag 27 juni 2021, Dertiende zondag door het jaar (jaar B)

De eerste lezing vandaag is genomen uit het boek Job. Het boek Job is, ook literair gezien, een van de schitterendste boeken van het Oude Testament.
Het gaat over een voortreffelijke man die een geslaagd leven leidt, heel succesvol in zaken en gelukkig met zijn gezin en zijn vele vrienden. En die ook een ethisch hoogstaand leven leidt, die ook goed is voor andere mensen.
En dan ineens gooien kwaad en lijden zich met hun vernietigende kracht op het leven van deze voorbeeldig levende man. Niets blijft hem bespaard, alles wordt hem afgenomen. Geen streepje geluk, geen sprankeltje hoop wordt hem gelaten.

Onverschillig universum
En nochtans was hij een door-goeie man, een vriend van God, een voorbeeld voor de mensen.
Het boek Job rekent hier af met de bij joden zo populaire opvatting dat lijden een straf is voor onze zonden. Het boek Job zegt dat er geen enkel oorzakelijk verband bestaat tussen die twee.
Er zijn mensen die totaal niet deugen en die toch door het leven vliegen.
Terwijl soms hele lieve mensen die een zegen zijn voor anderen, de ene vreselijke opdoffer na de andere te verwerken krijgen.
Dat komt vreselijk onrechtvaardig over. En wij willen weten waarom dat zo is. Wij zouden immers toch zo graag hebben dat heel de kosmos geregeld wordt door een soort rechtvaardigheidsprincipe.
Zelfs mensen die totaal niet in God geloven zal je soms horen zeggen: “Waar heb ik dat verdiend?” of “Waarom moet juist mij dit nu overkomen?”
Maar er komt nooit een antwoord op die vraag. We weten alleen dat de wereld en het leven zo in mekaar steken. Het universum is volmaakt onverschillig voor morele categorieën als rechtvaardigheid en mededogen. Wij weten dat het zo is, maar we kunnen er nooit achter komen waarom dat zo is.

Ontnuchterend
Dat is ook de conclusie van het boek Job: hou er mee op met naar het waarom van die toestand te zoeken, je zal er nooit achter komen, je verstand is daarvoor te klein.
De ene mens wordt geboren en lijkt door zijn afkomst, zijn genen en zijn capaciteiten geprogrammeerd om probleemloos door het leven te gaan.
Terwijl andere mensen van bij hun geboorte het met veel minder moeten doen en van in het begin al zorgbehoevend zijn.
Wij worden in het leven geworpen, ieder in zijn eigen superindividuele omstandigheden.
Het enige dat wij kunnen zeggen is dat het evangelie iedere mens oproept om in die eigen superindividuele omstandigheden zin aan zijn leven te geven en ondanks alles toch een goed mens te zijn. Erg ontnuchterend is dat.
Want het snijdt als een mes door de hedendaagse fantasie over de maakbaarheid van het leven. En het snijdt vooral ook door de tijdloze droom over God als een handig hulpje in moeilijke omstandigheden. God als een soort laatste, magische redmiddel als al het andere heeft gefaald. Zo is God duidelijk niet en wij kunnen niet anders dan ons daarbij neerleggen.

Groei
Geloof ik dan niet in wonderen? Natuurlijk geloof ik daar in.
Ik ben tenslotte katholiek. God is voor mij oneindig veel meer dan een moreel principe. Voor mij als christen is God de levende Heer, die helemaal betrokken is op het leven van mensen. Iemand die ons draagt en van ons houdt en die ons zelfs deelgenoot wil maken aan zijn eigen leven.
Maar Hij is God. Hij is niet ons knechtje dat moet optreden als wij met de vingers knippen. Hij gaat ons in en uit, en toont zich in ons leven waar, hoe en wanneer Hij dat wil. Wij hebben geen controle over Hem.
Als God duidelijk merkbaar ingrijpt in ons leven, gaande van een discreet knipoogje tot en met een spectaculaire genezing, dan zal dat in ieder geval altijd te maken hebben met het stimuleren van onze groei naar een meer liefdevol wezen.
En zelfs daar hebben wij geen klare kijk op en moeten wij ons vertrouwen stellen op de wijsheid van God.

Alles kan
Heel die situatie heeft echter, onverwacht, ook een uiterst prettige kant. Het feit namelijk dat wij gewoon alles mogen vragen aan God.
Letterlijk alles. Ook als wij vragen om het stillen van een storm (in of buiten onszelf) of zelfs gewoon om goed weer bij één of andere onderneming.
Als God oordeelt dat het inwilligen ervan bijdraagt tot onze groei in de liefde, zal Hij het ons geven. Dat geloof ik vast.
Er is nog iets. Iets heel belangrijks. God houdt niet alleen van ons, Hij wil ook dat wij Hem beminnen. En beminnen = vertrouwen. Je kan dus rustig stellen dat God al ons vragen nooit moe wordt. Integendeel. Al onze vragen en smekingen zijn voor Hem evenzovele uitingen van vertrouwen in Hem. En dus ook van liefde voor Hem.
En als je laat zien dat je van God houdt en Hem vertrouwt, kán je gewoon niet op de verkeerde tram zitten.

Vertrouwen

Zondag 13 juni 2021, Elfde zondag door het jaar (jaar B)

Er zijn mensen die God vooral zoeken (en ook vinden) in de natuur.
Ik heb daar alle respect voor, iedere mens vindt God op een heel eigen, persoonlijke manier. Maar mijn weg is het niet.
Ik kan wel ongelooflijk genieten van de natuur. Ik kan heel nostalgisch en poëtisch worden van een zonsondergang aan zee, de late roep van een vogel, de zilveren schittering van de avondlijke nevel over een meer. Ik kan enorm ontroerd worden bij een film van National Geographic, en zelfs wenen bij het zien van de ontroostbare droefheid en wanhoop -je ziet dat werkelijk- van een olifantenmoeder van wie de baby gestorven is en die zich wanhopig moet verzetten tegen de oprukkende hyena’s die haar kindje willen verscheuren. En hoe die olifantenmoeder uiteindelijk de strijd verliest. . . en ik kan in heel die wreedaardige gang van zaken God onmogelijk herkennen.

Onaf
De natuur is niet alleen mooi. De natuur is ook ongelooflijk wreed.
De wereld is duidelijk “onaf”. En je neerleggen bij de wereld zoals hij is, is je neerleggen bij wreedaardigheid en tirannie. Is onverschillig blijven bij alles wat slecht en verkeerd is. Is zo goed als instemmen met alle onrecht, ook tussen mensen en volkeren.
De wereld is onaf. En als God werkelijk liefde is—wat wij geloven—dan wil Hij dat wij medescheppers worden, dat wij ingrijpen en die wereld mooier maken. Dat wij ingrijpen in de natuur. En dat wij op de eerste plaats de verhoudingen tussen de mensen lieflijker en vredevoller maken.
Maar als wij spreken over ingrijpen in de natuur, over de wereld veranderen, dan moeten wij er ons van bewust zijn dat we hier heel omzichtig moeten tewerk gaan. Omdat wij als mensen, in tegenstelling tot de rest van de natuur, wél over een moreel besef beschikken. En dat geeft ons een enorme verantwoordelijkheid.

Beheerders
Veel te laat hebben wij ingezien dat wij in harmonie moeten leven met de natuur, waar we zelf een deel van zijn. En dat wij als goede beheerders met de aarde moeten omgaan. Dat wij respectvol gebruik moeten maken van de hulpmiddelen die de natuur ons aanreikt. Maar dan als goede beheerders, niet als uitbuiters.
Veel te lang immers hebben wij, wild en onbezonnen, de aarde uitgebuit, de lucht verpest, de zeeën bezoedeld.
Eigenlijk kunnen wij als mensen niet genoeg beschaamd zijn voor wat wij onze aarde (voorlopig alleen nog onze aarde!) hebben aangedaan.
En dat omwille van onze tomeloze hebzucht.

Wijsheid
Maar anderzijds is het ook zo dat wij niet terug in het andere uiterste moeten vervallen.
Het joods-christelijk denken heeft indertijd een einde gemaakt aan de vergoddelijking van de natuur. Misschien wel de eerste en belangrijkste vorm van secularisatie die ooit heeft plaatsgevonden.
En dat blijft een goeie zaak. Die “ont-goddelijking” van de natuur maakte bijvoorbeeld het wetenschappelijk onderzoek mogelijk. En wie zal ontkennen dat het voorkomen van overstromingen door het aanleggen van dammen en dijken, het droogleggen van moerassen, maar ook het bestrijden van infecties, kwaadaardige bacteriën en virussen, en de geneeskunde in het algemeen een goeie zaak zijn? Ook al betekenen ze een zeer duidelijk ingrijpen in de natuur.
Het is m.a.w. belangrijk dat wij in onze omgang met de natuur, altijd met veel wijsheid tewerk gaan.

Groeikracht
En er is nog iets. . .
Naast de enorme hulpmiddelen die de natuur ons biedt en de onbeschrijfelijke schoonheid waar wij voortdurend mogen van genieten, is er nog een derde zaak die ons mateloos kan verbazen en tot sprakeloze bewondering brengen.
En dat is de ongelooflijke groeikracht die zich in heel de Schepping openbaart.
De kleinste zaadjes brengen immense bossen voort, één enkel paar dieren onoverzienbare kudden en enkele eitjes van vissen krioelend leven in het water. En dan het palet van kleuren en geuren: onbeperkt, bedwelmend, mateloos schoon.
Maar bovenal die immense groeikracht, overal aanwezig, in alles kiemend, alles stuwend, onstuitbaar doorbrekend, alles vernieuwend.
En juist die groeikracht in de natuur gebruikt Jezus in de parabel van het zaad om ze toe te passen op de komst van het Rijk: ook dat is onstuitbaar.
Ik vind dat persoonlijk een van de meest kostbare parabels en toezeggingen die Jezus ons geeft.
En ook een van de meest troostvolle.

Vertrouw
Speciaal in deze tijd waarin wij ontmoedigd dreigen te geraken bij het verdampen van het geloof bij zovele mensen en de schijnbare ondergang van de Kerk in onze streken. Je zou voor minder de moed opgeven.
Maar dan staat daar Jezus, met zijn altijd herhaalde aansporing: “Wees niet bang!”
Wij moeten alleen maar zaaien. De groeikracht komt van Hem. Wij moeten alleen maar zaaien, niet de jonge plantjes uit de grond naar omhoog willen trekken.
Alleen maar zaaien en vertrouwen. Zijn Woord is sterk genoeg.
De groeikracht zit al in het zaad.
Zij komt van Hem. Wees niet bang. Vertrouw.
Het gezaaide doet zijn werk, hoe dan ook.
Denk aan de woorden van Henriette Roland Holst.
Ik zal de halmen niet meer zien.
Noch binden ooit de volle schoven.
Maar doe mij in de oogst geloven.
Waarvoor ik dien.

Alert blijven

Zondag 6 juni 2021, Sacramentsdag (jaar B)

Vandaag brengt het evangelie ons het relaas van een erg ongewone gebeurtenis: de familie van Jezus die onverwacht uit de schaduw treedt en zich over Hem wil ontfermen en Hem mee naar huis wil nemen. Om Hem “te beschermen tegen zichzelf”. Ze waren er immers stilaan van overtuigd geraakt dat Jezus -zo staat het er letterlijk- niet goed meer bij zijn zinnen was.
Onverwacht en ongewoon inderdaad, maar zeker niet onbegrijpelijk.
Ze hadden Jezus inderdaad al die jaren gekend als een van hen, een gewone jongen, de zoon van oom Jozef zeg maar.
En nu ineens begint Hij rond te trekken en allerlei ongewone dingen te vertellen.
En aandacht te trekken. De verkeerde aandacht, vreest zijn familie. De aandacht van de machtigen. En ze besluiten in te grijpen. Voor zijn eigen goed.
Ze zijn immers bezorgd. Ze menen oprecht dat er iets misgelopen is in Jezus’ hoofd.

Verontrustend
Ze hebben in zoverre gelijk, dat er inderdaad iets gebeurd is met Jezus.
Op het ogenblik dat Hij aan zijn openbaar optreden begint, heeft zich diep in Hem het besef uitgekristalliseerd wie Hij ten diepste is: een mens in wie God zich aan ons wil laten kennen; God zelf in de gedaante van iemand die tezelfdertijd 100% een mens is.
En Jezus mag dan al een ongelooflijk liefdevolle man zijn die al weldoende rondtrekt, die zieken geneest en bedrukten moed inspreekt, het kan niet langer worden genegeerd dat Hij ook hele opmerkelijke, zeg maar gerust “rare” dingen over zichzelf zegt.
Zolang Hij, sprekend over zichzelf, het heeft over “mensenzoon” of zelfs “zoon van God” kan je dat nog, met enige welwillendheid, plaatsen.
Binnen de Joodse cultuur worden nog wel andere mensen “zoon van God” genoemd.
Ronduit verontrustend wordt het pas als Jezus begint uitspraken te doen als: “Ik ben de alfa en de omega”; “Ik ben de Wijnstok, gij zijt de ranken, los van mij kunt ge niets”.
Allemaal verbijsterende uitspraken die culmineren in het verschroeiende: “Wie mij ziet, ziet de Vader. Ik en de Vader, wij zijn één”.

Incarnatie
En hier kan je dus echt niet meer omheen.
Iemand die dergelijke uitspraken doet, die is ofwel inderdaad wie Hij zegt te zijn, ofwel een zwaar gestoord persoon. We moeten kiezen tussen die twee. Een andere mogelijkheid heeft Jezus ons niet gelaten.
Ikzelf geloof het eerste. Het maakt de kern uit van het christendom.
Een kern die bovendien uniek is.
Je kan verschillende punten van overeenkomst ontdekken tussen ons geloof en andere godsdiensten. En dat is uiteraard goed. Maar het punt waar we het nu over hebben is absoluut uniek christelijk: het geloof namelijk dat in de mens Jezus, God zelf naar ons toekomt en met ons een relatie wil aangaan.
Voor ons is Jezus geen profeet, geen bijzonder persoon, geen grote morele leraar. . .
Voor ons is Jezus niemand minder dan God zelf. Maar dan in de gedaante van een mens, de enige mogelijkheid voor ons om te begrijpen wat God van ons wil.
En ik zou het niet anders willen. Ik zou nooit mijn hele leven kunnen toevertrouwen aan een “morele leraar”, een “wijze”, een “goeroe”. . . Jezus moet voor mij meer zijn dan alleen maar dat.
Van Plato en Aristoteles geloof ik dat het grote filosofen en zelfs leraren der mensheid waren. Maar ik kan er alleen maar over lezen, ik kan er geen relatie mee aangaan, ze zijn geen realiteit in mijn leven. Jezus wel. Jezus is de warme nabijheid van God, ook voor mensen van deze tijd.

Helaas. . .
Maar voor velen is dat besef, dat geloof, verloren gegaan in de jaren 70 en later.
Hetzelfde geldt voor het geloof in de sacramenten.
Sacramenten zijn, volgens de eeuwenoude christelijke opvatting: tekens en bewerkers van Gods nabijheid voor de mens.
Als dat geloof verdwijnt, valt alles omver en hou je gewoon niets meer over dan. . . morele richtlijnen.
Als je ophoudt met te geloven dat in de Eucharistieviering de verrezen Heer echt in ons midden komt, dat Christus daar aanwezig is, dan valt de ziel weg uit die vieringen. En dan moeten wij inderdaad van alles beginnen uit te vinden om onze missen “op te smukken”, “leuk” en “interessant” te maken.
Is het aanwezig komen van de Heer dan niet interessant genoeg?
Ik wil niemand de les spellen. Maar het is mijn diepe overtuiging dat het achteloos laten verdampen van deze 2 kernpunten van ons geloof, de voornaamste reden is van de hedendaagse geloofsafval. Wat overblijft, zijn immers alleen maar een reeks morele standpunten. Voor het diepere, het echt religieuze verlangen in de mens, blijven we op onze honger zitten.

Veranderen
Voor mij mogen een heel aantal zaken in de Kerk gerust veranderen. Ik gun de toekomstige priesters van harte dat ze gelukkig mogen zijn met vrouw en kinderen; dat vrouwen in de Kerk hetzelfde respect en dezelfde kansen krijgen als mannen, en dat er ook serieus gesleuteld wordt aan de archaïsche houding tegenover homoseksuele mensen.
Maar bij elke verandering moet je zien dat je het kind niet weggooit mét het badwater.
Het kind, dat is hier: het geloof in menswording en sacramenten. Als je dát loslaat ben je wellicht nog met heel prijzenswaardige dingen bezig. Maar niet meer met de mensnabije God van Jezus, die een echte relatie wil met elke mens.

Hoe ziet God er eigenlijk uit?

Zondag 30 mei 2021, Drievuldigheidszondag (jaar B)

Vandaag is het Drievuldigheidszondag.
De dag dat wij er meer dan anders bij stilstaan dat christenen God zien als een drie-eenheid; God zien als Vader, Zoon en Heilige Geest. En toch één God.
Het is duidelijk een niet voor de hand liggende theologische constructie, die Mohammed bijvoorbeeld deed besluiten dat christenen eigenlijk in drie goden geloven in plaats van in één. Maar dat is natuurlijk niet zo.
Een probleem wordt het maar wanneer beroepstheologen beginnen te schrijven over de Heilige Drievuldigheid en over de liefdesrelatie tussen Vader, Zoon en Heilige Geest. Wat bij gewone mensen als jij en ik, overkomt als Byzantijns gespin.
En dan blijven we nog vriendelijk, want voor hetzelfde geld kunnen we het je reinste speculatie noemen.
Want God is de Gans Andere, d.w.z. wij kunnen Hem niet vatten of doorgronden.
Wij kunnen ons geen enkele voorstelling van Hem maken.
Vandaar ook het Bijbelse verbod op het maken van beelden van God. Iets wat al te gemakkelijk gezien wordt als een verbod op het maken van afgodsbeelden.

Beelden
Maar dat verbod geldt voor het maken van alle beelden, ook voorstellingen in ons hoofd. Omdat God voor ons Mysterie is. En elk beeld dat we van Hem maken per definitie meer zegt over ons dan over Hem.
En daar moeten wij gewoon mee leren leven.
De hele Bijbel gaat alleen maar over wat God doet, over wat God kan betekenen voor een mens, over hoe Hij naar mensen op zoek gaat, wat Hij van mensen verlangt en, vooral: hoe Hij mensen bevrijdt.
Maar in heel de Bijbel vind je geen enkele beschrijving van God. Wie of wat Hij is. Behalve 1 keer, bij Johannes, waar Jezus zegt dat God liefde is.
Dat is alles wat we hebben. Maar dat is natuurlijk wel bijzonder veel.
Want dat wil zeggen dat alles wat niet in overeenstemming is met de liefde, ook niet van God komt. En dat, omgekeerd, alles wat wij wel uit liefdevolle overwegingen doen, volkomen in harmonie is met Gods bedoelingen.
Dit weten is natuurlijk oneindig veel belangrijker dan welk vermoeden ook over “hoe God er misschien wel uitziet”.
Nu is het natuurlijk wel zo, dat diepe waarheden zoals het inzicht dat God liefde is, in heel hun draagwijdte slechts zeer langzaam doordringen tot en aanwezig blijven in het bewustzijn van de mensen. Dat heeft tijd nodig.

Evolutie
Zelfs in de Bijbel zelf zie je evolutie in het denken van de mens over God.
De joodse oerervaring was dat God een bevrijdende God is. “Die ons gered heeft uit Egypte, het slavenhuis”. En ze beseffen met de tijd ook meer en meer dat die bevrijdende God ook een oneindig rechtvaardige en liefdevolle God is.
Maar omdat er in die dagen nog geen spoor was van globalisatie betrokken ze God in de eerste plaats op hun eigen joodse volk, Gods volk. Vaak nog in oppositie met andere volkeren. Jahweh was eigenlijk nog altijd een soort stamgod. Hún stamgod.
Pas in het christendom worden die enge grenzen doorbroken. En wordt God de liefdevolle Vader voor elke mens.
Blijft dan natuurlijk nog altijd de vraag: “Wat moeten wij met die Heilige Drievuldigheid?” Is dat iets om bij het oud papier te zetten of bestaat daar ook een “moderne uitleg” voor?
Ik denk dat het hier niet gaat over oud of modern. Maar dat wij daar wat minder ingewikkeld moeten over doen. Ik denk dat we hier een goede regel uit het wetenschappelijk onderzoek kunnen hanteren: van alle mogelijke verklaringen is de eenvoudigste meestal de juiste. Laat me dus bij dezen een poging doen.

Één God
Omdat Jezus God een liefdevolle Vader noemt, is God-de-Vader niemand anders dan God zelf.
Omdat wij ons, zoals gezegd, over die God geen enkele voorstelling kunnen maken, heeft God zich laten kennen in een mens: Jezus.
Het was de enige manier die God had om zich aan ons op een voor ons begrijpelijke manier kenbaar te maken.
Jezus toonde ons in zijn woorden en in zijn manier van leven op een voor mensen begrijpelijke manier, wie God is: een liefdevolle, zorgzame en bevrijdende God.
En de Heilige Geest, dat is geen “geest”, geen spookachtige entiteit.
De Heilige Geest, dat is gewoon: God zoals Hij rechtstreeks tot ons spreekt in ons binnenste.
Zoals God tot ons spreekt in Jezus en zoals wij Hem kunnen ervaren in de natuur, in schoonheid en in mensen, zo spreekt God ook rechtstreeks tot ons in ons hart, ons verstand en ons geweten. En dát is, denk ik, de Heilige Geest.
Misschien moeten we het allemaal niet te ver gaan zoeken. . .