Kerstmis 2015

Vrijdag 25 december 2015, Kerstmis (jaar C)

Dit is geen Kerst zoals alle andere. Daarvoor zijn we te zeer dooreengeschud door de recente gebeurtenissen in Parijs en in de wereld. Want ook als wij niet willen toegeven aan angst en pessimisme, dan nog zitten wij met de vraag hoe het nu verder moet. Voor het eerst in de geschiedenis kijken wij machteloos aan tegen iets dat een permanente dreiging lijkt te worden. Want aan elke oorlog, hoe meedogenloos hij ook gevoerd wordt, komt ooit een eind. En elke natuurramp, hoe vernietigend ook, bedaart en de toestand wordt opnieuw normaal. Maar dit is anders. Dit lijkt onomkeerbaar. Het is of wij een blad definitief hebben omgeslagen, alsof dit het einde is van een tijdperk van onbekommerd leven dat nooit meer weerkeert. Goddank echter is de toestand niet hopeloos. Bijzonder ernstig, dat wel, en serieuze bezorgdheid is gerechtvaardigd, maar hopeloos is het niet.

Durven zien
Maar we moeten dan wel iets heel onaangenaams onder ogen durven zien en enkele van onze vanzelfsprekende meningen serieus in  vraag stellen. En stilaan lijkt dat ook te kunnen. Zelfs de laatste diehard onder ons, beseft dat het extremisme waar we mee geconfronteerd worden niets met religieus geloof te maken heeft, eerder met een gebrek eraan. Geloof wordt hier, zoals zo vaak, gebruikt als uithangbord. Op precies dezelfde wijze liet Adolf Hitler, een radicale atheïst, zijn soldaten rondlopen met “Gott mit uns” op hun gordel. Bovendien groeit stilaan een vermoeden dat wij het liefst van al zouden willen negeren, maar dat zich steeds meer aan ons opdringt. Het besef namelijk van de leegheid en daardoor ook het gebrek aan innerlijke weerbaarheid van onze consumptiemaatschappij-zonder-God. Wij zijn bang. Bang voor ons leven, bang vooral voor onze centen. Bang voor onze welvaart. En wij stellen al onze hoop op politie hier en bombardementen ginder. Maar wij zullen onze beschaving en onze manier van leven niet veilig stellen met het genadeloos uitroken van alles en iedereen waar we schrik van hebben.
Wij kunnen ons beter richten op het aanpakken en opruimen van de broeihaarden van de haat. In onze steden leven duizenden jongeren, allochtonen en niet-allochtonen, die niet aan de bak komen. Jongeren die zeer goed weet hebben van de rijkdom van onze samenleving. Maar die zich daarvan uitgesloten voelen, buitengesloten, geminacht. In hun ogen zijn wij een onmenselijke maatschappij, hard, koud en meedogenloos voor iedereen die niet in het plaatje past. In hun ogen dienen al onze groots opgezette goede-doel-acties alleen maar om onszelf een goed gevoel te geven. Dat is niet gezond. En je lost dat niet op door een muur met wachttorens om de stadsgetto’s heen te bouwen.

Ontnuchtering
Misschien is wat wij vandaag meemaken zelfs het begin van het einde van de samenleving-zonder-God. Het einde van de mening dat je een samenleving kan stoelen op wetten en politie alleen. Het ongelijk van Jean-Jacques Rousseau die dacht dat als de mens vrij was, hij automatisch ook deugdzaam zou zijn. Maar waarom zou de mens deugdzaamheid nastreven, als hij zijn eigen norm is en niet bezield wordt door iets hogers dat hem lokt en helpt om goed te zijn?
Het communisme heeft bewezen dat waarden zonder bezieling alleen maar met tirannieke middelen kunnen afgedwongen worden. Ook wat het katholiek onderwijs beweert te doen, het “doorgeven van de christelijke waarden”, is een volkomen waardeloze onderneming als niet tegelijkertijd  ook het christelijk geloof wordt doorgegeven. Als er niets is dat boven ons staat, zegt Dostojewski, als er geen God is die ons lokt en helpt om goed te zijn, dan hebben wij eigenlijk geen enkele logische reden om niet gewoon te doen wat de evolutionaire krachten van ons vragen: alles naar ons toe te halen en alles te vertrappen wat ons daarbij in de weg staat. Ik geloof oprecht dat dat zo is.

Eigen dorp
Maar tegelijk besef ik ook dat evangelisatie van onze verwende cadeautjes-maatschappij een werk van heel lange adem zal zijn. De problemen van vandaag echter kunnen daar niet op wachten. Laten we dus beginnen met daar nu, vandaag al, werk van te maken in onze eigen leefwereld, ons eigen dorp. Laten wij vanaf nu, heel bewust werken aan een opener, vriendelijker dorp. Waar de overal opkomende vereenzaming, grimmigheid en kilte teruggedrongen wordt.
Laten wij terug wat meer binnenlopen bij de buren, ook bij die ene ouwe brompot die aanvankelijk liever heeft dat je niet komt. Laat ons na de Mis blijven napraten – in of buiten de kerk – en bij de dokter, in de bank, in de winkel en kennismaken met mensen die we nog niet kenden. Laten we onze kinderen terug leren oudere mensen groeten op straat. Een dorp waar mensen elkaar groeten en waar kinderen ook dag zeggen tegen oudere mensen, krijgt daardoor alleen al een lieflijk karakter. Sint-Jans-Molenbeek kunnen wij niet redden van hieruit, maar door te werken aan ons eigen dorp veranderen wij de wereld.

Het kán
Enkele dagen geleden was ik ’s avonds op wandel aan de kapel (in Lubbeek). Het was donker en ik struikelde en plots kwam er een jonge man vanuit een geparkeerde auto recht op me af. Ik dacht: “Lap, nu heb ik prijs.” Maar toen hij voor me stond vroeg hij heel voorkomend of ik mij bezeerd had, of alles oké was en ik geen pijn had. En toen ik daar allemaal bevestigend op antwoordde wenste hij me nog een goeie avond en hij was weg. Ik werd er stil van. Dit was mijn kerstmoment dit jaar. Ook als hij niet van plan was mijn gezicht in acajou te zetten, had hij evengoed onverschillig in zijn wagen kunnen blijven zitten. Maar hij deed het niet en hij bewees daarmee met wat voor kleine gebaren wij van een onverschillige en koude maatschappij een warme samenleving kunnen maken. Laten wij er werk van maken. In dit soort dingen, meer dan in wat anders, hebben kleine gebaren grote gevolgen.

Zalig Kerstfeest.

Vluchtelingen in Lubbeek

Zondag 20 december 2016, 4de zondag van de advent (jaar C)

Als je als priester nieuw aankomt in een parochie word je gewikt en gewogen door de ganse gemeenschap. En het duurt ook niet lang voordat je verneemt wat de mensen zoal over je denken. En dat kan aangenaam of minder aangenaam zijn. Een van de leukste dingen voor mij om te vernemen was dat de mensen vonden dat ik “precies toch niet op geld uit was”. Waarschijnlijk omdat ik van meet af aan de omhalingen beperkte tot de zondagse collecte voor het onderhoud van de kerk en nooit afkwam met een of ander bijzonder project of speciale omhaling. Ik had daar eigenlijk geen verdienste aan, want die omhalingen waren gewoon niet meer nodig.

Noodzaak
Toen ik nog een kind was had de gemeente Zoutleeuw één half verroeste camion en twee of drie werklieden in dienst. Meer kon het piepklein stadje niet aan. Als de pastoor de zaal niet bouwde en het schooltje en de bibliotheek, dan was dat er gewoon niet. En als de parochie niet zorgde voor lokalen voor de jeugd, dan waren die er ook niet. En dus kon de pastoor ook niet anders dan voortdurend Vlaamse kermissen en rommelmarkten organiseren. En stond hij ook om de haverklap speciale omhalingen aan te bevelen. Op dit ogenblik echter is dat allemaal niet meer nodig en zorgt de gemeente voor al die dingen. En ze kan dat ook doen, omdat de levensstandaard van onze bevolking ondertussen drastisch is toegenomen. En de belastingen navenant. Dit maar om te zeggen dat, wanneer ik niet voortdurend kom aankloppen om geld, ik daar niet echt veel verdiensten aan heb: het is gewoon niet meer nodig.

Eén keer
Ondertussen voelt u mij natuurlijk al een hele tijd op mijn kousen afkomen.
En u hebt natuurlijk door dat al het voorgaande alleen maar een hele lange inleiding is om deze keer tóch maar eens te bedelen. En dan gaat het uiteraard over het project voor de vluchtelingen dat mij bijzonder nauw aan het hart ligt.  De bedoeling is dat wij in Lubbeek één of twee christelijke gezinnen uit Syrië of uit Afrika helpen om hun huishuur te betalen, om meubels te vinden. Om de eerste kosten te helpen dragen voordat ze degelijk werk hebben gevonden.

Een paar verduidelijkingen:

 

  • Wij vragen steun voor één, ten hoogste twee jaar. Het is geen eeuwig lopend project. Wij hopen vurig dat de vluchtelingenstroom opdroogt omdat, wanneer de instroom blijft duren, dat uiteindelijk onze maatschappij helemaal kan ontwrichten. Maar de mensen die er nu zijn, willen wij helpen. Ook bij het zoeken naar werk. Ook als ze willen terugkeren naar hun eigen land. In ieder geval geldt de hulp maar voor één of hoogstens twee jaar.
  • Waarom christenen? Gewoon omdat dit voor de hand ligt. Als wij als parochiegemeenschap een warme opvang willen bieden aan vluchtelingen, dan is het nogal duidelijk dat wij veel meer te bieden hebben aan mensen die onze broeders en zusters zijn in het geloof, mensen die wij beter begrijpen. En die van hun kant ook ons veel beter kennen en begrijpen.
  • Waarom een “bestendige opdracht”? Omdat het gaat om het helpen betalen van huishuur, een maandelijks terugkerende opdracht. Eenmalige giften, hoe belangrijk ook, geraken op, het project komt na een tijd misschien een beetje in de vergetelheid en we kunnen niet meer verder. Daarbij kan ik niet genoeg onderstrepen dat ik werkelijk meen wat ik vanaf het begin gesteld heb: het is van het grootste belang voor onze eigen parochiegemeenschap dat zoveel mogelijk mensen het project dragen. En ik meen dat heel oprecht als ik zeg: liever honderd mensen die maandelijks twee euro storten dan een paar mensen die veel storten. Maar doe het dan ook: ga alstublieft naar de bank en doe het. Laten wij, u en ik, tonen dat we echt een christelijke gemeenschap zijn.

Eenmalig
Ik kom hier niet meer op terug.
Na vandaag word ik opnieuw “de pastoor die niet op uw geld uit is”.

Over bekering

Zondag 13 december 2015, 3de zondag van de advent (jaar C)

Het is mijn diepe overtuiging dat niets ter wereld zo genezend inwerkt op de mens als ware godsdienst. Ik geloof dat elke stap die mij dichter bij God brengt, mij meer heelt en evenwichtig maakt dan welke wetenschappelijke of pseudo- wetenschappelijke therapie ook. Anderzijds is het ook duidelijk dat religie een geheimzinnige aantrekkingskracht uitoefent op mensen die, laten we het zachtjes uitdrukken, enigszins excentriek overkomen. En ik denk dan niet alleen aan de wild krijsende en dansende tovenaars bij primitieve volkeren of aan de zwaar gedrogeerde orakels uit de Oudheid. Maar ook aan “onze eigen” pilaarheiligen in de Egyptische woestijn, aan mensen als Pieter de kluizenaar en Raspoetin, aan de stichters en bezielers van allerlei sekten.

Verrassend mild
Johannes de Doper, die traditioneel gezien wordt als de voorloper van Jezus, en die zelfs de grootste van alle profeten wordt genoemd, maakt ook niet direct een erg burgerlijke indruk. Met zijn kameelharen pak en zijn dieet van sprinkhanen en wilde honing is hem typeren als “een beetje apart” het minste wat je doen kan. Wanneer deze Johannes nu de mensen vermanend toespreekt en hen opzweept om zich te bekeren, dan verwacht je dat zo’n man ook extreem hoge eisen gaat stellen. Dat hij buitengewone staaltjes van ascese en zelfverloochening van de mensen verlangt. Niets is echter minder waar. Zo buitengewoon opvallend zijn verschijning was, zo ontnuchterend eenvoudig en gematigd was wat hij van de mensen verlangde. Geen morele hoogstandjes, geen adembenemende werken van barmhartigheid. Het enige wat Johannes aan de mensen vraagt, is dat ze hun gewone beroepsmatige bezigheid plichtsbewust zouden vervullen. Dat ze hun gewone werk behoorlijk zouden verrichten met het in acht nemen van de regels die iedereen “van nature uit” kent: niet stelen, niet bedriegen, mensen niet afpersen of bedreigen, enzovoort.

Geen uitsluiting
Ik denk dat het belangrijk is om hierbij voor ogen te houden dat Johannes de voorloper en de “wegbereider” van Jezus is. Wat hier bijgevolg gezegd wordt is dat je om Jezus te kunnen ontvangen, om christen te kunnen worden, niet voorafgaandelijk aan een aantal eisen moet voldoen. Anders dan bijvoorbeeld in de toenmalige mysteriegodsdiensten of in bepaalde hedendaagse sekten, moet je je niet intellectueel of financieel onderscheiden van de gewone mensen. Iedereen kan Jezus in zijn leven verwelkomen. Ook zieke en ongeletterde mensen. Ook vreemdelingen en slaven. De enige voorwaarde om Jezus in je leven te kunnen verwelkomen, is dat je verzaakt aan hogergenoemde slechte gedragingen. Om Jezus te kunnen ontmoeten moet je niet over bepaalde kwaliteiten of talenten beschikken, maar je moet wel bereid zijn om je te bekeren. Om je op zijn komst voor te bereiden door je leven in orde te brengen.  Je moet bereid zijn om schoon schip te maken met allerlei slechte gewoonten. Bereid zijn om ondeugden en kwalijke hebbelijkheden in te riemen. En berouw  hebben over alles wat er fout loopt in je leven. Je moet m.a.w. uitkijken naar Jezus’ komst, ernaar verlangen.

Probleem
En misschien wringt hier wel het schoentje. Want, is dat ons diepste verlangen? Is dát wat de hedendaagse doorsnee westerling ten diepste verlangt, waar hij elke nacht van wakker ligt? Dat Jezus in zijn leven zou komen? De doorsnee westerling in deze tijd kan veel verlangens en dromen hebben, maar ik denk niet dat het verlangend uitzien naar de komst van Jezus in zijn leven daarbij hoort. Daarvoor is hij, eerlijk gezegd, veel te materialistisch ingesteld. Wij gaan mekaar geen Liesbeth noemen. Ook christenen houden van de “goeie dingen des levens” en met name katholieken kunnen zelfs heel Bourgondisch zijn ingesteld. En ondernemend zijn en inventief en vooruit willen en dus ook welstellend zijn is voor een christen eerder een pluspunt dan een ondeugd.

Goede wil
Maar alleen al het feit dat je hier bent vandaag, bewijst dat je weet dat er meer is dan alleen maar dát. En dat “meer”, dat is God, de geheimzinnige diepste grond van het bestaan, die een gezicht heeft gekregen in Jezus Christus. Wanneer je vandaag hier bent, wanneer je christen bent, dan wil dat zeggen dat je minstens vermoedt dat hoe dichter je bij Jezus komt of hoe meer je Jezus in je leven toelaat, hoe dieper en voller en ook gelukkiger je leven wordt. Maar we moeten dan wel tonen dat we tenminste ons best doen, tenminste proberen onze woning een beetje ordentelijk te maken. Wij moeten geen grote nummers opvoeren, geen opzienbarende uitingen van bekering. Het echt grote werk zal Jezus zelf in ons verrichten. Het enige wat van ons verlangd wordt is een paar duidelijke tekenen van onze goede wil om ons leven te beteren. Meer niet. Wij moeten ons niet als volmaakten aan Hem presenteren. Van Hem is geweten dat Hij graag bij tollenaars en zondaars zijn intrek neemt.

Wat mensen verandert

Zondag 6 december 2015, 1ste zondag van de advent (jaar C)

De ouderen onder ons herinneren zich vast nog wel de tijd dat wij tijdens de Mis gebruik maakten van een missaal waarin alle teksten stonden in het Latijn met daarnaast de Nederlandse vertaling. Ik weet nog goed dat ik de tekst van het Evangelie dat wij zojuist lazen zo imponerend vond dat ik hem helemaal van buiten leerde. In het Latijn dan nog. Want in de taal van Virgilius en Cicero klinken de zinnen nog veel indrukwekkender: “Anno Quintodecimo imperii Tiberii Caesaris …”, “In het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius …”, zo begint het. En daarna volgt een hele opsomming van allerlei hoogwaardigheidsbekleders die op dat moment in Palestina een of andere vorm van gezag uitoefenden.

Datering
Merkwaardig dat juist deze tekst mij zo fascineerde, terwijl de hele Bijbel toch wemelt van anekdotische verhalen over koningen en keizers, over veroveraars en veldslagen. Terwijl hier: geen enkel verhaal, gewoon een droge opsomming.
Ik moet dus als kind of jongere toch al op een of andere manier gevoeld hebben dat hier iets volstrekt unieks werd meegedeeld. Iets dat volkomen nieuw was in de geschiedenis van godsdienst en geloof. En dat was ook zo. De opsomming van al die hoogwaardigheidsbekleders probeert ons op geen enkele manier informatie te geven over wie er allemaal belangrijk was in die tijd. Ze worden alleen maar ten tonele gevoerd, gebruikt eigenlijk, om een precies tijdstip in de geschiedenis aan te geven. Men kon in die dagen uiteraard nog niet spreken over vóór en na Christus zoals wij dat nu doen. En dus krijgen we de genoemde opsomming: “Toen Tiberius 15 jaar aan de macht was in Rome en Pilatus de eerste man was in Judea, Herodes in Galilea, Lysander in Iturea onder de hogepriesters Annas en Kajafas …”. Men probeert zo nauwkeurig mogelijk het precieze tijdstip aan te geven waarop het onvoorstelbare is gebeurd: het binnenkomen van God in onze menselijke geschiedenis.

Uniek
Wij staan er misschien niet bij stil, maar aan de oorsprong van ons geloof ligt een historisch feit: de mens Jezus. Een mens van wie wij geloven dat toen hij geboren werd Godzelf lijfelijk in onze wereld binnenkwam. Dit was volstrekt uniek. Alle andere godsdiensten vinden hun oorsprong in een mythisch verleden. In verhalen over helden en halfgoden, goden en godinnen die, in de tijd dat de dieren nog spraken, allerlei geweldige dingen hebben gedaan. Of ze gaan terug op orakels, wetgevers en profeten, mensen die beweerden “verlicht” te zijn en te spreken namens God. Ze legden de mensen vaak ondraaglijke lasten op en bedolven hen onder wetten en regels, onder geboden en verboden.
Jezus deed dat niet. Als je wil weten hoe je moet leven, hoef je maar gewoon naar Hem te kijken: Hij leefde het ons voor. Jezus was een man die zo sterk in het leven stond dat hij bevrijdend kon zijn voor anderen. Hij hield van het leven en van de mensen. Als ze gelukkig waren feestte Hij met hen mee. Als ze terneergeslagen zaten trok Hij hen recht. Jezus bracht leven in het leven van mensen. En Hij verlangt van ons dat wij precies hetzelfde doen.

Reden
Opdat wij “goede mensen” zouden zijn die een ethisch verantwoord leven zouden leiden? Omdat de wetgever dat van ons vraagt? Opdat wij goede burgers zouden zijn? Volstrekt niets van dat alles! Wél omdat God, de diepste grond van het bestaan, dat van ons verlangt. Daarom ook dat het liefdevol in het leven staan volledig overeenstemt met wat wijzelf ten diepste willen. En dat het gegeven zijn aan anderen ook onszelf bevrijdt en gelukkig maakt. Het zal u ondertussen wel opgevallen zijn dat we hier nog altijd op het terrein van de ethiek en de psychologie zitten. En zodoende zijn we ook overgeleverd, met huid en haar, aan de mensen die je dan fijntjes vragen of je wel christen moet zijn om een goed mens te wezen. Maar, geloof mag dan al ethisch handelen tot gevolg hebben, het gaat wezenlijk over iets heel anders.

Relatie
Geloof gaat niet over het kennen en aanvaarden van een aantal stellingen of waarheden en ook niet over het naleven van een aantal morele gedragsregels. Geloven gaat over een ontmoeting. Een ontmoeting met de levende Heer, de verrezen Christus. En dus, met God. Ik ben er mij van bewust dat dit nogal hoogdravend en ook een beetje “ver-van-mijn-bed” klinkt. Maar zie het zo: als christen is de figuur van Jezus heel belangrijk in je leven. Je hoort over Hem, thuis en op school, je geraakt er min of meer door gefascineerd. Je leert met Hem spreken. Je bidt. Langzaam maar zeker wordt de historische Jezus een werkelijkheid in je leven. Je ontdekt dat Hij inderdaad de levende Heer is, die met je meegaat en van je houdt. En vanuit die relatie met Jezus begin je meer en meer een ander mens te worden, anders te leven, je anders te gedragen.
Je moet daar wel inspanningen voor doen, maar het lijkt of het je geen moeite kost. Je moet niet langer moeizaam proberen een goed mens te zijn. Iets wat je, op eigen kracht, trouwens zelden langer lukt dan enkele uren. Dat hoeft niet meer. Omdat je contact hebt met de Bron van alle goedheid en liefde. En dát verandert een mens. Inspanningen alleen hebben nog nooit een mens veranderd. Jezus in je leven binnenlaten wel. Grondig zelfs. Langzaam maar zeker.