Vrijgemaakt om te beminnen

Zaterdag 24 & zondag 25 december 2016, Kerstmis (jaar A)

In deze nacht herdenken wij dat God op een welbepaald moment onze geschiedenis is binnengekomen. Het is een absoluut wonderlijk gebeuren, dat wij met ons verstand niet kunnen vatten. Maar daarom is het nog niet onredelijk.
De Menswording van God. Diegene waarvan wij ons uit onszelf geen enkele voorstelling kunnen maken, laat zich kennen in een mens. Hij vermomt zich niet in een mens, zoals de goden dat deden in de mythen. Hij komt werkelijk naar ons toe in de gestalte van een echte, kwetsbare mens. Een kind dat geboren wordt en opgroeit en leert en pijn kent, en vreugde en verdriet. Het is niet onredelijk, het gaat niet tegen ons verstand in. Maar tegelijk kunnen wij het met ons verstand alleen niet helemaal vatten. De rede botst hier op haar grenzen.

Er is méér
Zoals trouwens bij alles wat van existentieel belang is in een mensenleven. Alles wat echt van belang is in ons bestaan, alles wat er de zin aan geeft, alles wat te maken heeft met ons verlangen naar geluk, is niet meetbaar, kan niet met ons verstand verklaard worden. Je leest bijvoorbeeld dat wetenschappelijk onderzoek aan het licht bracht dat wanneer iemand mij aanraakt, er een bepaalde stof in mijn hersenen vrijkomt die maakt dat ik die ander graag ga zien. Geen haar op mijn hoofd dat twijfelt aan de geldigheid van zo’n onderzoek. Als iemand ons aanraakt zullen er, afhankelijk van wie het doet en hoe en waarom, waarschijnlijk allerlei fysische processen in gang schieten en zullen er een heleboel stoffen in ons lichaam vrijkomen. Maar dát gaan aanvoeren als verklaring van wat liefde is tussen mensen, is niet ernstig. Er is méér aan de hand. En het is op dat “méér” dat de mens vooral gericht is. Een mens heeft duidelijk niet genoeg aan zijn eigen begrensde zelf. Hij is wezenlijk gericht op datgene wat hem overstijgt. Maar datgene wat hemzelf en de fysieke wereld overstijgt is per definitie niet te vatten in wetenschappelijke formules. En daarom mag de mens zijn bekwaamheid om te geloven en lief te hebben niet laten fnuiken door de beperktheid van zijn denken.

Geborgenheid
Ik noem ze met opzet samen: geloven en liefhebben. “La religion”, zei een groot Frans chansonnier, “est une question d’amour”. Geloof is op de eerste plaats een kwestie van je bemind en geborgen weten. Het is – wat je ook overkomt in het leven – je geborgen weten in de liefde van Iemand die je oneindig overstijgt.
Toen ik een jongetje was van een jaar of acht moest ik voor vele jaren op internaat. Ik ben daar altijd heel ongelukkig geweest. Maar telkens als ik terug moest naar die kostschool kwam ik voorbij een kerk. En op een dag had de pastoor daar een kruis ingeplant met daarop de tekst “God is liefde”. Op een of andere manier zette dat bericht zich vast in mijn binnenste. En omdat ik er meer en meer vast in geloofde, gaf dat kracht en warmte in mijn voor het overige weinig joyeus pensionaatsbestaan. Ach, ik weet wel dat mensen aan dat soort ervaringen graag een rationele uitleg willen geven. Maar die uitleg heeft nog nooit iemand bevrijd of gelukkig gemaakt. Het bericht op dat kruis, dat God liefde is, wél. Al was het maar dat ene anonieme jongetje dat daar af en toe voorbij reed met de schoolbus en dat heel erg ongelukkig was en nauwelijks naar iets anders durfde te kijken dan naar zijn schoenen. Maar dat er langsom meer op vertrouwde dat de geweldige God van hem hield. En dat bracht licht en warmte en hoop en uitzicht op toekomst in zijn leven.

Liefde
Je kan van God houden, ook al ontsnapt Hij volledig aan je verstand. Een van de verstandigste en meest wijze mensen die ik ken, Gerard Bodifée, die zegt: “God staat boven alle begrippen, boven alle categorieën, boven elke logica”. Als ik getuig van mijn geloof dan wil ik ook niet overtuigen, zie het eerder als een liefdesverklaring. Christelijk geloof is inderdaad, zoals die Franse zanger zei, een kwestie van beminnen en je bemind weten. En wie bemint, voegde hij er aan toe, die is gelukkig. Het ergste wat ons de laatste decennia overkwam is dat voor velen het christelijk geloof verschrompeld is tot een geheel van waarden.
De fameuze “Christelijke Waarden”. Maar ons geloof is juist niet een geheel van waarden, normen en voorschriften. Het christelijk geloof is een geloof dat ons op de eerste plaats wil bevrijden. Dat ons wil vrijmaken om te kunnen beminnen.

Vleugels
Het is een geloof dat ons ervan wil overtuigen dat de Grond van het bestaan ons koestert en van ons houdt. En dat die ons uitdaagt om dat ook zelf te ondervinden in ons eigen leven. Omdat het besef van die liefde je vrijmaakt. Zoals het besef dat een mens heel veel van je houdt, je vrijmaakt en vleugels geeft. En je bekwaam maakt om alles aan te kunnen, wat voor narigheid er ook op je weg komt.
Het besef van Gods liefde voor jou werkt in dezelfde richting. En hoe sterker dat besef, hoe meer je vrijgemaakt wordt, om van andere mensen te houden.
Om je beschermende pels van je af te gooien. Om van een bang konijn dat zich drukt, uit te groeien tot een mens die zich helemaal durft geven. Laat dat boekje over waarden dus nog maar even liggen. En concentreer je weer op het feit dat God liefde is, je heel nabij is en van je houdt. Laten wij terug leren genieten van ons geloof. Van de warmte en de geborgenheid die het ons geeft.

Mens of konijn

Zondag 18 december 2016, 4de zondag van de Advent (jaar A)

Ik heb ooit eens ergens gelezen dat zwangerschappen zonder tussenkomst van een man kunnen voorkomen, zij het dan in uiterst zeldzame gevallen. Als erg onhandige poging om de zwangerschap van Maria toch wat meer aannemelijk te maken kan dat tellen natuurlijk. Maar zelfs als het waar is dat zo’n fenomenen zich af en toe voordoen in de natuur, dan nog is de redenering binnen de godsdienstige context volkomen misplaatst. Omdat hier een diep-religieus inzicht wordt gedegradeerd tot een speling van de natuur, een curiosum, een afwijking. En dat wijst dan weer op de neiging om heel de werkelijkheid te verengen tot datgene wat onderzocht, gemeten en geklasseerd kan worden.

Beelden
Het beeld van de maagdelijke geboorte wil ons zeggen dat in de Mens Jezus, God zelf zich op de meest eminente wijze aan ons heeft laten kennen. Zijn geboorte was méér dan het gevolg van de liefde tussen twee mensen, het was vooral een heilsdaad van God. Het beeld van de maagdelijke geboorte wil dat onderstrepen. Het wil ons helpen om open te komen voor een werkelijkheid die niet op de gewone manier kan waargenomen worden en waarvoor onze gewone taal dus ook ontoereikend is. En waar we dus noodgedwongen onze toevlucht moeten nemen tot beelden die iets proberen op te roepen van de diepere werkelijkheid die vermoed wordt achter de zichtbare. Wie deze beelden toch letterlijk neemt, die zegt daarmee dat de religieuze werkelijkheid kan beschreven worden in gewone, beschrijvende, wetenschappelijke taal. Wat een erg … atheïstische benadering is. Hetzelfde geldt voor wat gezegd wordt over Jozef die door God wordt benaderd via zijn dromen. Ook dat is een beeld.

Dromen
Sinds het ontstaan van de eerste mensen werden dromen beschouwd als dé manier van de goden om in contact te treden met de mensen. Om hen te waarschuwen, te bedreigen of tot inzicht te brengen. Ook de Bijbel gebruikt dat beeld regelmatig, waarschijnlijk omdat mensen met die gedachte vertrouwd waren. Moeten wij dan mordicus vasthouden aan de gedachte dat God tot Jozef sprak in zijn dromen? Neen. Hoewel het even dogmatisch ontkennen van die mogelijkheid mij even absurd lijkt. Als ik geloof dat God mij kan aanspreken in een boek, een foto, een blik, een blad op de grond, dan toch ook in een droom.
Belangrijk is echter niet hoe God Jozef aanspreekt maar wel wat Hij van Jozef vraagt en hoe Jozef daarop reageert. En eens we dat door hebben begrijpen we ook dat het Evangelie geschreven is voor ons, dat het over ons gaat. Het gaat over de moeilijke keuzes die wij vaak moeten maken. Het gaat over de vraag of wij wel altijd durven ingaan op wat een teken, een vraag, een voorstel van God zou kunnen zijn.

Konijn
Onze God is niet de oneindig transcendente, oneindig verheven God van de moslims. En ook niet de compleet onpersoonlijke God van de boeddhisten.
De God van de christenen is een heel nabije, een heel intieme God. Een God die ons, juist omdat Hij van ons houdt, ook nooit gerust laat. Die voortdurend in ons leven opdaagt, ons uitdaagt, ons probeert te verleiden, ons zo ver wil krijgen dat wij Hem steeds meer in ons leven laten binnenkomen. Die ons wil helpen om van bange, egoïstische wezentjes uit te groeien tot sterke, liefdevolle mensen die een klein beetje God willen zijn voor anderen. En hier wordt het natuurlijk wel moeilijk. Want, van het ogenblik dat wij besluiten om echt in te gaan op wat God van ons vraagt, van het ogenblik dat wij, van een konijn dat schrik heeft en zich drukt, tot een mens willen worden die zich durft te geven, wordt het serieus.
Het verwijderen van onze konijnenpels is in ieder geval geen plezante onderneming.

Beproeving
Het is trouwens bij voorkeur dán dat geloofstwijfels bij ons binnensluipen.
Geloofstwijfels kunnen opduiken als bijvoorbeeld ons verstand het moeilijk heeft met bepaalde geloofspunten of uitingen van het geloof. Of met het gedrag van mensen die zich christen noemen, of wanneer een zwaar verlies of ongeluk ons treft, of wanneer ziekte of lijden in ons leven komen. Allemaal momenten waarop geloofstwijfels kunnen optreden. Maar niet noodzakelijk. Vaak wordt ons geloof in zo’n crisissituatie juist versterkt. Waar geloofsvragen of geloofstwijfels echter gegarandeerd altijd optreden, is in situaties waarin door het geloof van ons dingen gevraagd worden die ons pijn doen, die ons uit onze comfortzone halen. Onmiddellijk ga ik dan de vraag stellen: “Maar, vraagt God dat wel van mij? God wil toch dat ik gelukkig ben, hoe kan Hij dan willen … “?
Hoe kan God bijvoorbeeld willen dat ik mijn vakantiegeld aan een goed doel geef? Of dat ik iemand vergeef die ook daarna nog zwaar de pest aan mij zal hebben? Maar dat is dus het konijn in mij dat spreekt en angstig is. Terecht. God vraagt soms dingen van ons die niet “plezant” zijn. En daarom is in het
Onzevader het woord “beproeving” ook een betere vertaling dan “bekoring”. Breng ons niet in beproeving. Bekoring gaat over een ‘patéke’ met crème fraîche’. Dat is een bekoring. Beproeving, dat is iets wat je geloof aanvreet en wat je hele wezen kompleet overhoop haalt.

Open komen

Zondag 11 december 2016, 3de zondag van de Advent (jaar A)

Daar heb je hem weer, hoor ik mijzelf denken, ieder jaar opnieuw als wij tijdens de advent geconfronteerd worden met de figuur van Johannes de Doper. Johannes was een bijzonder kleurrijke figuur. Met zijn kameelharen pak en zijn dieet van sprinkhanen en wilde honing kan je hem moeilijk anders dan een excentrieke figuur noemen. Maar, misschien was hij ook op dat punt een voorloper. En wist hij, 2000 jaar geleden al, wat nu algemeen geweten is: dat als je wil dat de mensen naar je luisteren je eerst de aandacht moet trekken door een beetje raar te doen. Bovendien was Johannes niet vies van enig populisme. Hij wist blijkbaar goed dat als je gezagdragers pijnlijk scherp te kijk zet, dat je dan onmiddellijk brede volkslagen mee hebt. Onvoorzichtig genoeg kon Johannes het schelden echter niet laten als hij eenmaal bezig was en begon hij na een tijdje ook zijn eigen fans uit te maken voor addergebroed. En dat doe je beter niet als je lang wil leven. U voelt dat ik weinig moeite doe om mijn gebrek aan sympathie voor Johannes de Doper te verbergen.

Verschil
Omdat Johannes onmiddellijk aan Jezus voorafgaat en Hem ook aankondigt is hij als het ware verdwaald in het Nieuwe Testament. Maar Johannes is 100% oudtestamentisch en 100% Joods. Hij toont in ieder geval weinig verwantschap met de Jezusbeweging die de omknellende banden van het Joodse Messiasgeloof zou afgooien.
Een Joods Messiasgeloof waarvan het Jihad-gehalte toch wel echt te hoog was om op enige affiniteit met Jezus te kunnen aanspraak maken. Beiden, Johannes en Jezus, kondigen de komst van het Rijk Gods aan, maar hoe verschillend is hun visie daarop. Johannes is niet alleen excentriek in zijn voorkomen en zijn manier van leven, ook de woorden en de beelden die hij gebruikt zijn choquerend en angstaanjagend. Volgens hem kan het Rijk Gods alleen maar gevestigd worden als eerst de maatschappij er helemaal voor klaargemaakt is: als de zondaars zich bekeerd hebben of over de kling zijn gejaagd. Het is een typisch ideologische kijk op de komst van het Rijk Gods. Een ziekte die elk godsdienstig geloof voortdurend bedreigt: het gelijkstellen ervan met politieke acties.

Bekering
Voor Jezus moet noch jijzelf, noch de maatschappij eerst bekeerd worden voordat het Rijk Gods kan komen. Voor Hem valt die komst helemaal samen met de bekering. Wanneer ik mij bekeer houdt dat een dubbele beweging in. Het is mij afkeren van en mij toekeren naar. Het houdt in dat ik mij afkeer van mijn natuurlijke gerichtheid op mezelf om mij toe te keren naar de ander. Dat ik mijn hebzucht, mijn heerszucht en agressiviteit aan banden leg om open te komen voor een meer liefdevolle manier van leven. En hoe meer ik open kom voor die andere manier van leven, hoe meer er iets gaat oplichten van het Rijk Gods.
Ik zeg met opzet “open komen”. Want ik moet die andere manier van leven die bekering inhoudt niet uitvinden of als een opgave, als een verplicht nummertje invoeren. Neen, die andere manier van leven is al, als verlangen, diep in mij aanwezig. Het moet alleen maar bovengehaald worden.

Snoeien
En zelfs dat doet God. Ik moet alleen maar meewerken. Ik moet – om een wat ondergesneeuwd woord terug naar boven te halen – ik moet alleen maar met de Genade meewerken. Want bekering is een genade, is een geschenk. Maar ik kan er serieus aan meewerken door aandachtig te letten op mijn doen en laten, mijn spreken en mijn handelen. En om stap voor stap alles weg te snoeien wat de genade, het komen van God in mijn leven kan tegenwerken. Want dat is wat bekering inhoudt: het komen, het toelaten van God in mijn leven, waardoor ik op een heel andere manier ga leven. Waardoor ik de tranen, de nood en de vragen ga zien in het gelaat van de ander. En ik met heel mijn leven een antwoord word op de vraag van Kaïn: “Ben ik soms de hoeder van mijn broeder”? Helemaal aan het begin van de Bijbel vraagt God aan Kaïn, die zijn broer vermoord heeft, waar is uw broer. Waarop Kaïn geïrriteerd antwoordt: ben ik soms de hoeder van mijn broeder. Welnu, al die duizenden bladzijden Bijbel die daarop volgen zijn één lang uitgesponnen antwoord op die vraag. En dat antwoord is: “Ja, ik bén de hoeder van mijn broeder.” En de dag dat ik, dankzij mijn bekering ook als zodanig ga leven, breekt er iets door van het Rijk Gods in mijn leven, en in dat van mijn onmiddellijke omgeving.

Niet ingewikkeld
Mijn bekering is niet zozeer een voorwaarde opdat het Rijk Gods zou komen, ze valt er mee samen. Mijn bekering = de komst van het Rijk Gods.
Ik moet dus geen landen en zeeën doorkruisen om de komst van het Rijk Gods voor te bereiden. Ik moet gewoon nadenken en stappen zetten die mijn persoonlijke bekering dichterbij kunnen brengen. En die bekering is vaak veel eenvoudiger en gemakkelijker dan algemeen wordt gevreesd. Soms gaat het er gewoon om, een paar dingen te laten. Bekering, dat is soms niet meer dan gewoon een paar dingen niet langer doen. Meer niet. Kleine stappen, maar met enorm deugddoende gevolgen voor mezelf en voor anderen.

Verder zien

Zondag 27 november 2016, 1ste zondag van de Advent (jaar A)

De evangelisten maken nogal eens gebruik van apocalyptische verhalen, verhalen met schrikwekkende visioenen over wat er gaat gebeuren op het einde der tijden. Het was in Jezus’ tijd een heel populair genre, de mensen waren er gewoon op verzot. Wij daarentegen hebben daar duidelijk minder behoefte aan. De beelden over rampen, hongersnood en oorlogen die dagelijks onze huiskamer binnenkomen, de horror van de reële wereld zoals die nu is, overtreft duidelijk de fictie over wat het einde ervan zou kunnen zijn.

Waakzaamheid
Jezus maakt gebruik van dit populaire genre, niet om mensen schrik aan te jagen, dat zou ingaan tegen zijn hele manier van zijn, maar als een middel om ons tot uiterste waakzaamheid aan te sporen. De waarschuwing om erop bedacht te zijn dat de dood ons op elk moment en totaal onverwacht kan treffen komt niet alleen overeen met onze ervaring in onze eigen omgeving, maar ze wordt ook regelmatig herhaald in het Evangelie. De reden daarvan laat zich raden. Het bedoelde effect is zeer waarschijnlijk dat we op elk moment van ons leven klaar zouden zijn om Jezus te ontmoeten en niet alleen maar aan het einde van ons leven. En dat we er dus voortdurend werk van maken om ons, naar het woord van Paulus, “te ontdoen van de werken van de duisternis om ons te wapenen met het Licht”. Zodat we, op elk moment, klaar zijn om Jezus te herkennen en God in ons leven binnen te laten. Want Jezus komt echt niet alleen maar als ons rolletje af is, Hij komt voortdurend kloppen aan onze deur om, op de meest onverwachte momenten en op de meest ongewone manieren, ons leven binnen te komen.

Verschuiven
Maar zolang wij nog niet echt aan het eind van ons Latijn zijn, hebben wij wel andere dingen aan ons hoofd dan te wachten op Jezus. En Hij kan uiteindelijk alleen maar kloppen. Wij moeten Hem opendoen. Dat is de consequentie van onze vrijheid. Een vrijheid die eigenlijk een soort van permanente troonsafstand van God inhoudt. Maar Hij heeft het zelf zo gewild. Een veelvoorkomend gevolg van die vrijheid is natuurlijk dat wij nogal eens de neiging hebben om alles wat te maken heeft met God, met bekering, met christelijk en liefdevol leven, zoveel mogelijk te verschuiven naar het laatste deel van ons leven. Hoewel niemand van ons weet wanneer dat laatste deel begint of eindigt.
Dat is overigens een erg zwakke houding, die voor Jezus niet echt kan. Een christen zou een mens uit één stuk moeten zijn. Iemand die consequent in zijn daden toont wat hij in geloof belijdt. Niet morgen, maar vandaag.

Hoe?
Wij moeten dus voortdurend alert zijn op het komen van God in ons leven, het aankloppen van Jezus aan onze deur. Om echt alert te kunnen zijn moeten we natuurlijk op de eerste plaats weten waar we moeten naar uitkijken. Want Jezus is geen opera-God die verschijnt met veel theatereffecten van rook en donder en bliksem. Als Hij komt is dat altijd op een enigszins verborgen manier. Als Hij komt is dat vaak in een misleidende gedaante. Wat meteen ook verklaart waarom zelfs zijn beste vrienden Hem niet meteen herkenden toen Hij aan hen verscheen vlak na zijn verrijzenis. Die verhullende gedaante – want misleidend is een wat negatief woord – die verhullende gedaante waarin Hij ons tegemoetkomt, kan letterlijk van alles zijn. Het kan een vriend zijn, een collega. Het kan de blik van een kind zijn. Maar evengoed een boek dat ons ontroert, een film die ons leven een stuk verandert, een foto, een dood blad op de grond. Alles wat ons even doet ophouden met hollen, alles dat maakt dat wij even opkijken van onze dagelijkse slobber. Alles wat ons laat openkomen voor dingen die belangrijker zijn en dieper gaan dan eten en drinken en geld en carrière. Alles wat ons even een blik  gunt in de werkelijkheid achter de werkelijkheid. Alles wat ons even een blik gunt in de echte werkelijkheid, niet de fantasie ervan.

Waarom?
Ook de reden waarom Jezus komt kan heel verschillend zijn. Het kan zijn om ons te troosten, om ons geloof in Hem te verdiepen, om ons voor kwaad te behoeden, om ons inzicht te geven of om ons gewoon gelukkig te maken.
In de advent gaat onze aandacht echter vooral naar Jezus die in ons leven komt als een appél. Als een dringende oproep om Hem te zien in de armste, in de meest hulpbehoevende van onze broeders. Jezus die aan ons verschijnt in de gedaante van een vluchteling die zijn hand naar je uitsteekt, een zieke die je angstig en vertwijfeld aankijkt, een vrouw die in de steek gelaten werd, een man die zijn werk en goede naam verloor. Jezus vereenzelvigt zich met hen. In hen komt hij vragend naar ons toe. Om bijstand en begrip. Om hulp. En terwijl je je openstelt om Jezus zelf te zien in de mens die vragend naar je toekomt, terwijl je bezig bent met in te gaan op het appél en hulp te bieden aan de arme die met uitgestoken handen naar je toekomt, voltrekt er zich iets wonderlijks aan jezelf.
Diep in jou gebeurt de overgang van advent naar Kerstmis. Terwijl je ingaat op het appél van de mens-geworden God, gebeurt die menswording voor een stuk opnieuw, diep in jezelf.

Terug naar de kern

Zondag 20 november 2016, 34ste zondag door het jaar (jaar C) – Feest van Christus Koning

“Jezus Christus, Koning van het heelal”, dat is nog altijd de officiële naam van het feest van vandaag. Bij de Chiro zongen ze dan vroeger altijd van “aan U, O Koning der eeuwen”. Een zweem van bombastische retoriek, van klaroengeblaas en trommelgeroffel heeft altijd al rond dit feest gehangen.
En dat komt gewoon omdat het ontstond in de jaren 20 van de vorige eeuw. En wel als christelijk antwoord op de overal opkomende fascistische en communistische jeugdbewegingen. Van dat fascisme en dat communisme is intussen alleen nog een afschuwelijke herinnering over. Terwijl de Kerk, hier in het Westen, een nooit geziene crisis doormaakt. Niet alleen heeft de Kerk veel te laat de enorme invloed van de massamedia onderkend. Maar, mede daardoor, heeft ze ook de verwoestende kracht leren kennen van zowel het alles naar beneden halend relativisme als van het hautaine wetenschapsfundamentalisme. Twee levenshoudingen waarvan de massamedia helemaal doortrokken zijn.
Twee ogenschijnlijk tegenstrijdige houdingen, die geen enkele andere opvatting naast de hunne dulden en die heel het publieke domein beheersen.

Jezus
Voor gelovigen is ondertussen, meer nog dan voorheen, duidelijk geworden dat Jezus Christus in het centrum van ons geloof staat. Niet een of andere theologie, niet een Kerk of een strekking, maar de persoon van Jezus Christus zelf. Dat wil dus zeggen, niet meer of niet minder, dat je christen bent in de mate dat je een persoonlijke band hebt met Jezus Christus. Ik had willen zeggen “relatie”, maar dat klinkt dan zo zwaar en zelfs een beetje raar, en toch is het precies dat wat ik bedoel. Ik ben alleen maar christen in de mate dat Jezus echt iets betekent in mijn leven. In de mate dat ik Hem bij alles in mijn leven betrek. In de mate dat ik met Hem spreek, zowat alles in mijn leven met Hem bespreek. In de mate dat ik -dat vooral- mij door Hem laat vormen, laat omvormen. In de mate dat ik naar zijn ingevingen luister en erop inga. In de mate dat ik toelaat dat Hij tot leven komt in mij. Er zijn mensen die -vaak beroepsmatig- hun hele leven praten over God, zonder dat ze in God geloven, hoewel ze dat zelf soms niet doorhebben. Het grote en ook enige criterium in deze is niet of je praat over God maar of je ook praat tegen God, of je m.a.w. bidt. Dat is hét criterium van geloof.

Alibi
Ik denk dat wij de laatste vijftig jaar veel te veel gepraat hebben over God.
Geloven was zo’n beetje hetzelfde geworden als praten over God. Maar in feite was dat praten over God heel vaak een alibi, iets dat het echt geloven moest vervangen. U kent het wel: de Bijbelgroepen, de discussiegroepen, de studiedagen, forums en colloquia. Met onderwerpen als: “De leek in de Kerk”, “De vrouw in de Kerk”, “Geloof en wetenschap”, “Progressief en conservatief”, enz. En dat mag dan allemaal erg interessant en soms zelfs nuttig geweest zijn, vaak diende het ook ter vervanging van het geloven zelf. Ik denk ook aan de honderden Vlamingen die in Leuven godsdienstwetenschappen (het woord alleen al!) gingen studeren en waarvan er velen juist daar hun geloof verloren. Omdat het geloof er niet verhelderd werd en doorgegeven, maar integendeel als een curiosum VAN BUITENAF bestudeerd werd. Zoals je een taal bestudeert, of een préhistorisch skelet dat ergens opgedolven werd.

Kerkgebouwen
Op dit ogenblik zie je zeer duidelijk weer zo’n alibi-item opduiken.
Wij moeten kost wat kost voorkomen dat wij de volgende tien jaar ons laten meeslepen in eindeloos gepraat en gediscussieer over “Wat met onze kerken?”
Wij zijn een kleine gemeenschap geworden. Als wij het geloof hier in het Westen willen doorgeven aan de komende generaties, dan moeten we ons helemaal op dat geloof concentreren. Dan moeten wij onze broers en zusters in het geloof bevestigen en versterken. Een hechte en warme gemeenschap worden.
En wegen zoeken om het geloof door te geven aan onze kinderen. Ook via onze scholen. Dan kunnen wij dat gehakketak over kerkgebouwen missen als kiespijn. Wij moeten ons terug helemaal concentreren op het geloof. En op het centrum van dat geloof: de persoon van Jezus Christus. Gebouwen zijn bijkomstig.

Begrip
Ik zeg dit uiteraard als gelovige. Ondertussen heb ik natuurlijk heel veel respect en sympathie voor kerkfabrieken en gemeentebesturen die gewetensvol zoeken naar een oplossing voor het probleem van de “overtollig” geworden kerkgebouwen. Maar puur gezien vanuit het geloof, zijn kerkgebouwen bijkomstig: het hele kerkelijke leven mag daar niet op toegespitst worden. Zeker niet op het krampachtig willen behouden van elke kerk. Soms hoor je zeggen: we moeten onze kerken behouden voor als er later terug een heropleving komt. Dat is, zacht gezegd, geen goed argument. Als er later een heropleving komt (waar ik sterk in geloof) dan staan er onmiddellijk terug nieuwe kerken in ons landschap. Op dit ogenblik hebben wij echt geen tijd en energie meer om ons nog bezig te houden met iets anders dan met het geloven zelf. Het gaat vandaag om de toekomst ervan. Het geloof in Jezus Christus, met wie je als gelovige een persoonlijke relatie wil opbouwen.

Leuk is anders

Zondag 13 november 2016, 33ste zondag door het jaar (jaar C)

Alleen voor wie er nogal vlug overheen walst is dit stukje Evangelie een 2000 jaar oud horrorverhaal over het einde der tijden. Een angstaanjagende en erg plastische beschrijving van alle verschrikkingen die ons dan te wachten staan.
Wie echter scherper toekijkt merkt dat dit een beschrijving is van de wereld zoals die is, zoals die altijd geweest is en waarschijnlijk ook altijd zal zijn.
Een wereld die voortdurend kreunt onder natuurrampen en oorlogsgeweld.
Een wereld waarin mensen niet alleen ten onder gaan aan ziekten en hongersnood, maar ook aan hun eigen onvermogen om een beetje menselijk om te gaan met elkaar. Onze wereld dus. Niet de wereld op het einde der tijden, maar de wereld zoals hij is. De wereld waarin wij moeten leven. En dat is niet alleen de wereld waarin we leven, dat is ook de wereld waarin we ons christen-zijn moeten beleven. Het is een wereld waarin de tintelende frisheid van uitdagend werk en inzet afwisselt met zalige uren van rust. En van genieten van liefde en vriendschap, van een goed boek, een warm huis en van de trouwe ogen van je hond. Maar evengoed is het een wereld van vijandschap, van ontrouw en jaloezie, van ziekte, eenzaamheid en dood.

Wezenlijk
Al deze dingen, lieve dingen, aangename dingen, verrukkelijke dingen die ons tot extase brengen, gaan hand in hand met dingen die ons pijn doen, ons angstig maken, ons met afschuw vervullen. En al deze dingen maken wezenlijk deel uit van onze wereld. Toen ik jong was leerden wij een gedicht op school en ik herinner mij dat elk vers dat een opsomming was van allerlei steeds terugkerende feiten en situaties, afgesloten werd met een erg naargeestige, bijna griezelige zin: “En dat dit zo zal zijn en altijd blijven zal, dit zijn de dingen die niet overgaan”. Dit is onze wereld, er is geen andere. Wie zit te wachten op een wereld waarin alleen maar leuke en aangename dingen gebeuren, die heeft duidelijk de trein voor Utopia genomen en leeft buiten de werkelijkheid. De echte wereld is anders. En het is in die, de echte, wereld dat wij ook ons christen-zijn moeten beleven.

Ongelijk
Soms hoor je mensen zeggen: “Ik kan niet meer geloven na alles wat ik heb meegemaakt. Ik heb in mijn leven te veel slagen moeten incasseren, te veel onrecht moeten ondergaan om nog te kunnen geloven in een God die van me houdt”. Je kan daar gewoon niet anders dan begrip en respect voor opbrengen.
Niet ieders kruis is even groot, zoveel is duidelijk. Er zijn nu eenmaal mensen die hun hele leven in het hoekje zitten waar de slagen vallen. En valt er ergens in de wereld een steen uit de lucht, dan staan zij er zeker onder. Dat zijn feiten. Dat is gewoon een zeer brutaal gegeven dat op geen enkele wijze weg te redeneren valt. In onze wereld, in ons leven bestaan goed en kwaad, geluk en ongeluk, ziekte en gezondheid, aangenaam en onaangenaam, lijden en plezier naast en door mekaar. En vooral: zeer ongelijk verdeeld. Je kan daar niet in shoppen. Je kan niet zeggen: ik wil alleen maar van dit en van dat en al de rest moet ik niet hebben. Je krijgt gewoon van alles een deel, al is – zoals gezegd – niet ieders portie van alles even groot. Maar dát is in ieder geval de werkelijkheid.

Fantasie
Het rare is nu dat wij dat weten en toch bestaat er zoiets als een ongeschreven geheimzinnige wet of samenzwering om dat te ontkennen. En om te doen alsof het normale is dat wij gelukkig zijn en welstellend en gezond en dat het normale is dat wij alleen maar aangename en gelukkige ervaringen hebben. En als dit niet zo is, dat er dan “iets niet klopt”. De redenering “ik heb al te veel meegemaakt en te veel slagen van het leven gekregen om nog te geloven”, vertrekt helemaal vanuit dit verkeerde uitgangspunt. Nogmaals, ik zeg dat met het grootste respect voor mensen die de ene dreun na de andere moeten incasseren, en ik ben zeker ook geen propagandist van een soort fatalisme, zo van “het is nu eenmaal zo, wat doe je eraan”. Zeker niet. Maar het is denk ik absoluut noodzakelijk om de fantasiewereld waarin alles goed geordend, aangenaam en leuk verloopt te verlaten om met beide voeten in de echte wereld te gaan staan. In de eerste plaats al om niet voortdurend gefrustreerd en kwaad naar God te kijken, telkens als er iets misloopt in mijn leven.

Opdracht
De wereld is zoals hij is. En ook de mensen zijn zoals ze zijn. De een dik, de ander dun. De een verstandig, de ander dom, de een vol liefde, de ander heel gemeen. Met alle nuances daar tussenin. En al die fraaie en minder fraaie dingen leven bovendien ook nog eens in mij. En met al die allesbehalve ideale eigenschappen van mijzelf en van u allen, moeten wij leven in een allesbehalve ideale wereld. Maar het is onze wereld. En ik ben ik en u bent u. En daarmee moeten we het doen. Dat is juist onze opdracht. In een onaffe wereld moet ik proberen met mijn superindividuele eigenschappen en gebreken een mooi en zinvol leven uit te bouwen. Moet ik proberen van mijn leven iets moois te maken voor God.

Onze vrienden van de pers

Zondag 6 november 2016, 32ste zondag door het jaar (jaar C)

Het verhaal van Zacheus dat we vorige week nog lazen toonde ons Jezus eens te meer als iemand die op zoek gaat naar mensen die uitgestoten worden, om hen terug in de kring van de gemeenschap te plaatsen. Iemand die erop uittrekt om armen, zieken en zondaars, om mensen die leven aan de rand van de samenleving op te richten, hen te bevestigen en hun te zeggen dat ze er helemaal bij horen. Om hen op het hart te drukken dat ook zij door God bemind worden en recht hebben op het respect en de genegenheid van anderen. En uiteraard kan je ervan uitgaan dat Jezus van zijn volgelingen (wij dus) precies dezelfde houding verwacht. Alleen, er is met die volgelingen van Hem een klein probleem wat dat betreft. Op dit ogenblik zijn wij als christenen hier in het Westen zélf een beetje randfiguren geworden. Tenminste toch als je de pers wil geloven.

Reden
Hoe komt het eigenlijk toch dat onze pers altijd zo negatief is als het over Kerk en geloof gaat? Dat kan toch niet alleen verklaard worden door het feit dat, in vergelijking met de rest van de bevolking, een zeer onevenredig aantal journalisten zelf niet gelooft. En inderdaad, de echte reden is een heel andere.
En die echte reden vond ik een tijdje geleden bij een journalist zelf. Hij schrijft: “De reden waarom wij over Kerk en geloof vaak negatief berichten en zelden iets positiefs daarover het nieuws haalt, is dat mensen op dit ogenblik dat zo willen. Wij moeten verkopen en wij brengen dus nieuws in een verpakking die de mensen aanstaat en hen zeker niet tegen de haren instrijkt. Welnu, op dit ogenblik zijn de meeste mensen niet opgezet met positief nieuws over geloof.” “Wij leven”, zegt psychiater Dirk De Wachter in zijn jongste boek, “in een opgefokte genotscultuur, waarin materialistische pretparkillusies de leegte moeten opvullen.”

Storend
Het spreekt vanzelf dat in zo’n situatie heel veel mensen positieve berichtgeving over het geloof als een storende factor ervaren, omdat ze dat geloof nog maar net de rug toegekeerd hebben. En ook onder gelovigen merk je trouwens een duidelijk meer losjes omspringen met de leer en de kerkelijke voorschriften.
Als al die mensen nu aan iets de pest hebben, dan is het wel erop gewezen te worden dat ze zich vergist hebben, dat ze een verkeerde keuze gemaakt hebben. Of dat, zoals de genoemde psychiater dat doet, hen onder de neus gewreven wordt dat die genotscultuur en die materialistische pretparkillusies de leegte niet opvullen maar ze alleen maar groter maken. Een tijdje geleden had een hedendaags schrijver het over een pijnlijk beeld dat op zijn netvlies gebrand bleef: een meisje op Tomorrowland dat heel alleen aan het dansen was en ondertussen een foto van zichzelf, een selfie nam. Te midden van tienduizenden leeftijdsgenoten en oorverdovend lawaai: een afgrond van leegheid en eenzaamheid. Maar mensen horen dat niet graag. En dus brengt de pers zo weinig mogelijk positief nieuws over Kerk en geloof, eerder het negatieve, eerder datgene dat hen die afstand genomen hebben van het geloof, gelijk geeft.
Niet zozeer dus omdat de journalisten tegen het geloof zijn, maar omdat de meeste mensen er op dit ogenblik niet voor openstaan. Goed nieuws over geloof maakt hen ongemakkelijk, werkt op hun zenuwen.

Onderzoek
Een heel goed voorbeeld hiervan is het onderzoek naar de correlatie tussen geloof en gezondheid. Mensen zijn in onze tijd geweldig geïnteresseerd in alles wat met gezondheid te maken heeft. In alles, in elk middel, in elke behandeling, in elke pil of plant of kuur of oefening of dieet die ervoor zouden kunnen zorgen dat we gezonder, mooier en vooral langer leven. Jammer natuurlijk dat zowat alles wat ons vandaag hiervoor wordt aangeprezen, morgen door nieuw onderzoek wordt onderuitgehaald. U kent de voorbeelden: melk bv., jarenlang hét wondermiddel, blijkt nu ineens al heel wat minder ideaal. En koffie, jarenlang “een puur vergif”, blijkt nu ineens onze krachtigste antioxidant.
Er is eigenlijk maar één resultaat dat nu al decennia lang in elk wetenschappelijk onderzoek wordt bevestigd en dat is de positieve correlatie tussen geloof en kerkbetrokkenheid enerzijds en gezondheid en langer leven anderzijds. Die relatie staat als een huis en wordt keer op keer door elk onderzoek, waar ook ter wereld, opnieuw bevestigd. Stel u voor dat het om een pil of een plant ging waarvan men ontdekt had dat ze absoluut zeker ons leven verlengt, onze kranten en tijdschriften stonden er vol van en de televisie zou er eindeloze reeksen en praatprogramma’s aan wijden. Nu het over geloof gaat, moet je die berichten met het vergrootglas gaan zoeken.

Kalm blijven
Hoe moeten wij nu met die situatie omgaan? Wij moeten daar rustig in blijven en als christenen eenvoudig ons ding blijven doen. Dit is een schoolvoorbeeld van een situatie die uiteindelijk zichzelf zal oplossen. God bestaat gewoon, en alles wat wordt aangedragen om Hem te vervangen stelt teleur, blijkt een illusie te zijn en maakt mensen niet gelukkig. Wij moeten gewoon blijven vertrouwen op God en onverstoorbaar doen wat Jezus ons heeft voorgedaan. Houden en genieten van het leven. Maar ook mensen nabij zijn waar niemand nog naar omziet, die arm zijn of ziek of angstig of verdrietig of onder zorgen gebukt gaan.
Iedere mens die op onze weg komt in z’n waarde laten en respecteren, ook als hij anders is of denkt dan wij. En oog en aandacht hebben voor wie gemeden wordt.
Wij moeten ons echt geen zorgen maken over het hedendaags antigodsdienstig lawaai in de media. Het zijn de toeters en de bellen die de leegheid van het alternatief moeten overstemmen. Wij hebben echt wel wat anders te doen dan ons daarover zorgen te maken.

Gezag

Zondag 30 oktober 2016, 31ste zondag door het jaar (jaar C)

Vorige week hadden we het over de nederigheid. Een toemaatje. We zagen dat het vaak onze eigen fouten zijn die we – danig uitvergroot – ontdekken bij anderen. En die we daar ook willen bestrijden. In het geval van de nederigheid is dat heel opvallend: het zijn altijd de anderen die daar een gebrek aan hebben. En dan vooral de mensen die gezag uitoefenen, die om een of andere reden boven ons gesteld zijn. Die moeten per definitie meer nederig worden en wij willen hen daar graag bij helpen. “Die is niet meer dan ik”, hoor je dan wel eens. “Ik ben niet minder dan hij”. Uiterst pijnlijk is dat. Want, erg vernederend voor de mens die zoiets zegt. Omdat het wijst op diep ingewortelde gevoelens van minderwaardigheid. Iemand die een gezond gedacht heeft over zichzelf, die heeft geen enkele behoefte om mensen die gezag uitoefenen naar beneden te halen.
Zo iemand kan dan ook heel goed leven met de gedachte dat er ook terreinen zijn waar hijzelf niet uitblinkt en waar anderen meer kunnen of bekwamer zijn dan hij. Mordicus alles wat een beetje uitsteekt willen naar beneden halen, afvlakken, belachelijk maken, duidt op . . .  jaloezie. En jaloezie is inderdaad een van de meest vernederende passies waar een mens zich aan kan bezondigen. Omdat iemand die toegeeft aan jaloezie onvrijwillig toegeeft dat hij minder waard is dan diegene waar hij jaloers op is.

Opvoeding
Ik denk dat wij daar ook als maatschappij meer moeten op letten. Een maatschappij waarin overheidsinstellingen en overheidspersonen voortdurend belachelijk gemaakt worden en men steeds minder respect opbrengt voor welk gezag dan ook, zakt onherroepelijk weg in de chaos. En dat begint uiteraard bij de opvoeding. Het is echt niet goed als je ziet hoe onbeschoft sommige kinderen die maar nauwelijks kunnen praten, omgaan met hun ouders. Ouders die daar dan vaak nog glunderend bijstaan: “Ons Lowieke zal later zijn mannetje wel staan”. Maar als Lowieke van vijf, zes jaar, heel onbeschoft is tegen zijn moeder dan moet ons Lowieke serieus gestraft worden i.p.v. dat hij de hemel in geprezen wordt en later opgroeit tot een gevaar voor de maatschappij.
Ik denk dat wij als samenleving ons daar meer moeten over bezinnen. En vooral ook ophouden met onszelf wijs te maken dat afkeer voor gezag en nivelleringsdrang te maken heeft met gezonde democratische gevoelens en opkomen voor de gelijkheid van de mensen.

Absurd
Om te beginnen zijn we niet allemaal gelijk. De ene mens is groot, de ander klein, de ene is man, de ander vrouw, de ene is mooi, de ander iets minder. Wij zijn gewoon niet gelijk. De gelijkheid die wij wel nastreven en die de hoeksteen is van onze rechtsstaat, is een politiek begrip. En dat is iets anders dan gelijk-zijn tout court. Sinds “Du contrat social” van Rousseau en “De l’esprit des lois” van Montesquieu zijn we het erover eens dat iedereen gelijk is voor de wet. D.w.z. dat niemand boven de wet staat. Concreet wil dat zeggen dat als de koning b.v. een moord zou begaan, hij op precies dezelfde wijze moet gearresteerd, verhoord en veroordeeld worden als iedere andere burger in dit land. Hij staat niet boven de wet. Maar van daaruit gaan beweren: “Die koning is niet meer dan ik”,  is absurd. Hij is wel degelijk meer dan ik: hij is de Koning. Hij vertegenwoordigt het land. En ik kan dan misschien beter radijsjes kweken dan hij, maar ook als zelfbewuste burger zal ik nooit zeggen: hij is niet meer dan ik. Want dat is hij wel: hij vertegenwoordigt het land, het gezag en de wet. En dat geldt ook voor een eenvoudige politieman. Misschien heb ik een groter huis, een mooiere vrouw, een indrukwekkender diploma dan hij, maar op het moment dat hij mij bekeurt, vertegenwoordigt hij het wettige gezag. Ik niet. Op dat moment “is” hij dus wel degelijk meer dan ik. Als we dat loslaten vervallen we in anarchie.

Belastingen
Van de andere kant is het natuurlijk ook wel zo dat de overheid alles in het werk moet stellen om het vertrouwen van de burgers te verdienen. Zoals de meesten onder u heb ik met veel interesse gekeken naar de debatten (of tenminste uittreksels daaruit) tussen Clinton en Trump. En wat mij daarvan vooral is bijgebleven is dat in de machtigste democratie van de wereld, de superrijken zo goed als geen belastingen betalen.
In theorie betalen ze ontzettend veel belasting, maar omdat ze zo onwaarschijnlijk veel kunnen aftrekken betaalt in de praktijk een arme zwarte uit de Bronx meer belastingen dan Warren Buffett, die miljarden verdient. En je vraagt je dan natuurlijk onmiddellijk af of dat hier ook zo is. Zeker als ik een bepaalde ondernemer op tv hoor zeggen dat hij op de miljoenenwinst bij de verkoop van zijn farma-bedrijf geen frank belastingen betaalt. Met als reden dat hij dat geld terug investeert. Dat klinkt misschien economisch interessant. Maar is dat ook moreel verantwoord? Dat hij dat mag en anderen niet? Er zijn misschien nog andere mensen die met hun belastinggeld aandelen in bedrijven zouden willen kopen. Investeren dus. Maar zij mogen dat niet. Anderen blijkbaar wel.

Goed beleid
Zusters en broers, christenen zijn geen jakobijnen, anarchisten of nihilisten. Wij moeten in onze samenleving terug respect binnenbrengen als wij willen overleven. Respect voor iedere mens maar ook respect voor het gezag, zowel dat van ouders als het gezag van overheden. Maar dan moet die overheid wel streven naar een rechtvaardige verdeling van rechten en plichten. Zodat dat respect niet moet afgedwongen worden zoals in een dictatuur, maar een spontaan antwoord is op een rechtschapen beleid.

Gezond schuldgevoel

Zondag 23 oktober 2016, 30ste zondag door het jaar (jaar C)

“Het gebed van de nederige dringt door de wolken heen” (Sir 35, 21).
“De Heer is de verhevene die let op de geringe, maar op de trotse neerziet van omhoog” (psalm 138). “De Heer drijft vermetelen uiteen, eenvoudigen brengt hij tot aanzien” (Lc 1, 51-52). En ” … al wie zich verheft zal vernederd worden, maar wie zich vernedert zal verheven worden (Lc 18, 14). Tot daar een losse greep citaten uit zowel het Nieuwe als het Oude Testament – je kan er nog gemakkelijk 50 of 100 soortgelijke vinden – die allemaal in dezelfde richting wijzen: God kan het echt niet op prijs stellen wanneer mensen vanuit een groot gedacht over zichzelf anderen minachten. Wat Hij dan juist wel waardeert, is wanneer mensen eerlijk naar zichzelf durven kijken om te zien wie ze werkelijk zijn: onaffe wezens met vaak lachwekkend kleine kantjes maar ook met minder onschuldige, soms zelfs heel kwalijke neigingen en handelswijzen. Bovendien lijkt God zich niet te beperken tot het waarderen van nederigheid en het verwerpen van hoogmoed. De Bijbelteksten geven ook aan dat God er behagen in schept om nederige mensen te verhogen en de hoogmoedige te vernederen.

Niet leuk
En nu weet ik niet of dat echt zo’n “blijde boodschap” is voor onze tijd.
In ieder geval geen leuke. Toch zeker niet in onze “goed-gevoel-cultuur”, die er ons voortdurend wil van overtuigen dat we juist géén gering gedacht over onszelf mogen hebben omdat dit zelfs een beetje ziekelijk zou zijn … Ik denk daarom dat we hier serieus moeten onderzoeken of die twee visies wel te verzoenen zijn. Enerzijds het standpunt verwoord in de Bijbel en aan de andere kant wat ons vandaag verteld wordt door televisiedokters en -psychologen, in populaire rubrieken in de roddelblaadjes en in allerlei voel-je-happy-artikelen en horoscopen. En die het allemaal hebben over de noodzaak van een goed gedacht over jezelf te hebben, fier te zijn op wie je bent en wat je kan. Terwijl de Bijbel juist nederig-zijn aanprijst.

Onderscheid
In feite hebben ze allebei gelijk. Maar de Bijbel heeft toch nog een beetje meer gelijk dan de rest. En wel hierom: al die programma’s en artikelen en rubrieken richten zich tot de mensen in onze samenleving die géén filmsterren of voetbalgoden zijn en dus nogal eens het gevoel hebben niet mee te kunnen. Mensen die lijden onder een laag zelfbeeld, die last hebben van dipjes, soms zelfs van depressies, dé ziekte van onze tijd. En omwille van het therapeutisch en het voorkomend karakter zijn al die boekjes en programma’s en artikelen ook waardevol voor die mensen. Ook de voortdurende aansporing om juist niet gering over jezelf te denken maar juist jezelf ervan te overtuigen dat je de moeite waard en “bijzonder” bent is, in die omstandigheden, goed. Je kan raadgevingen die mensen helpen om een gezonder beeld over zichzelf te krijgen en om hun zelfvertrouwen te versterken moeilijk strijdig met het Evangelie noemen. Zeker als je beseft dat de boodschap van Jezus juist bedoeld is om mensen te bevrijden en recht te trekken. De Bijbelse aansporing tot nederigheid geldt voor mensen die zich goed in hun vel voelen en helemaal niet gering over zichzelf denken. En die precies daardoor de kans lopen om aan de andere kant van hun paard te vallen. De kans lopen om een al té gezond gedacht van zichzelf te krijgen en andere mensen te minachten. En om door het breed uitsmeren van hun al dan niet vermeende kwaliteiten, juist gaan maken dat andere mensen in hun schelp kruipen en maar minnetjes over zichzelf gaan denken. Vandaar de altijd terugkerende Bijbelse vraag om je nederig op te stellen. D’r is echter nog een andere reden.

Naakt
En dat is het feit dat wij ons ronduit belachelijk maken wanneer wij, staande voor God, ons snoeverig en pretentieus opstellen. Wij zijn nu eenmaal, om het met een typisch religieus woord te zeggen, wij zijn nu eenmaal zondige mensen. Dat wil zeggen dat onze daden lang niet altijd zijn ingegeven door liefde en door er-willen-zijn-voor-de-anderen. Integendeel, vaak zijn ze ingegeven vanuit de sterke drang in ons om op de eerste plaats voor onszelf te zorgen. Wij kunnen dat misschien wel handig verstoppen voor andere mensen, maar voor God staan we naakt en wij stellen ons alleen maar aan als wij ons anders willen voordoen dan we zijn. Het is zeker niet de taak van het geloof om ons een vals schuldbesef aan te praten. In onze tijd is daar echter weinig gevaar voor. Wij zijn eerder in een ander bedje ziek. Alles “mag”, zolang het niet verboden is of zolang je niet “gepakt” wordt. Het is dus wel degelijk de taak van de religie om ons aan een gezond schuldbesef te helpen.

Ken jezelf
Wij zijn allen zondaars, de een wat meer dan de ander, je moet gewoon nuchter en eerlijk naar jezelf durven kijken om te beseffen dat je regelmatig zaken denkt of zegt of doet die je liever toegedekt wil houden omdat ze weinig met liefde en veel met egoïsme te maken hebben. Dat besef is dáárom zo belangrijk, omdat het ons helpt om heel wat milder te oordelen over andere mensen, om te vermijden dat we hen om hun fouten en tekorten gaan minachten. Bovendien zijn het heel vaak onze eigen fouten die wij, sterk uitvergroot, “ontdekken” en verafschuwen bij anderen. Dát durven zien maakt nederig. En ook milder en verdraagzamer …

Heeft smeekgebed zin?

Zondag 16 oktober 2016, 29ste zondag door het jaar (jaar C)

Vorige week hadden we het over de al dan niet schijnbare ongerijmdheden  tussen enerzijds het bestaan van een barmhartige en liefdevolle God en anderzijds de ervaring van het kwaad, de ellende en het onrecht in de wereld.
Over hoe ons geloof in God als Bodem van ontferming voortdurend aangevochten wordt in de confrontatie met natuurgeweld, ziekte en dood.
En het enige antwoord dat de Bijbel ons geeft op onze vragen, op onze verbijstering, is: blijf vertrouwen. Ook al staat het water je tot aan de mond, ook al zie je geen enkele uitweg meer, blijf vertrouwen: Ik zal er zijn. Ik waak over je, Ik laat je nooit los. Ook al stort je hele wereld in, Ik hou je vast. Wat er ook gebeurt, zelfs al moet je door de valleien van de dood, blijf vertrouwen: Ik en niemand anders heb het laatste woord. Zelfs over de dood heen. Je krijgt dus op geen enkele wijze de garantie op onmiddellijke hulp. Het enige wat ons op het hart wordt gedrukt is: blijf vertrouwen, God heeft het laatste woord. Dat is alles. Geen enkele toezegging dus dat ons gebed om hulp onmiddellijk zal verhoord worden. Alleen: blijf vertrouwen.

Klopt niet
Ook de lezing van vandaag, over de goddeloze rechter die uiteindelijk toch besluit om de opdringerige weduwe te aanhoren, brengt weinig soelaas wat dat betreft. Want wat daar gezegd wordt strookt niet met onze ervaring. Er staat dat zelfs een rechter die zich om God noch gebod bekommert uiteindelijk zwicht voor het volhardend aandringen van de weduwe en haar recht verschaft. Hoe veel te meer dan zal God geen recht doen aan gelovige mensen die dag en nacht tot Hem roepen? Dat is wat er staat. Maar onze ervaring zegt toch iets anders.
Want dagelijks zijn er op de wereld ontelbare mensen die wanhopig hun handen naar de hemel uitstrekken, maar de tegenslagen houden aan, de geliefde gaat tóch weg, het kindje gaat toch dood. Het blijft een verbijsterend maar ontegensprekelijk gegeven, dat al ons smeken, hoe vurig, hoe onophoudelijk, hoe vol geloof en passie ook, geen enkele garantie krijgt op verhoring. Het enige waarop wij vanuit ons geloof mogen vertrouwen, is dat God aandachtig en vol liefde luistert naar ons gebed.

Meer niet?
Oké. Eigenlijk wordt op die manier al in zekere zin recht aan ons gedaan. Wanneer ik de hemel bestorm met mijn smeekgebed, dan komt een deel van mijn radeloosheid voort uit de angst helemaal alleen te staan in mijn ellende. Als ik dan mag beseffen dat er Iemand vol liefde naar mij luistert, dat er Iemand is bij wie ik gehoord wordt, Iemand van wie ik er helemaal mag zijn in al mijn ellende, in al mijn murw-geslagen zijn, dan wordt op die manier al voor een stuk recht aan mij gedaan. Maar de vraag is dan natuurlijk wel: is dat alles? Is er nooit echt verhoring, krijgen wij nooit echt wat wij vragen? De enige zekerheid op verhoring die in het Evangelie te vinden is, is de stellige belofte dat wij de H. Geest krijgen als wij erom vragen. Is dat dan alles? De H. Geest. Een andere kijk op de situatie dus? En het gevoel van een Aanwezigheid die naar ons luistert. Is dat alles? Grijpt God nooit echt in? Ik bedoel: in een situatie, in de geschiedenis, in onze ellende. Kan God alleen maar ingrijpen in onze geest, in onze psyche? En is Hij onmachtig op het gebied van het fysische? Maar als dat zo is, bestaat Hij dan wel echt? Is Hij dan zelf niet een product van ons brein, een creatie van onze hersenen om ons rustig te houden? Ik stel het met opzet zo cru omdat een bepaald theologisch gekwebbel dat duidelijk schatplichtig is aan het wetenschapsfundamentalisme, die richting uitgaat …

Formeel
Ik ben christen. En omdat ik christen ben geloof ik dat God wel degelijk kan ingrijpen in de fysieke wereld en dat inderdaad soms ook doet. Er zijn niet alleen de ontelbare berichten van gebedsverhoringen, soms heel spectaculair, over de hele wereld en uit alle tijden. Maar er is vooral ook dit: in de olijfhof vroeg Jezus zelf, ten prooi aan diepe doodsangst: “Vader, als U wil, laat deze kelk aan mij voorbijgaan”. Oké, onmiddellijk voegde Hij er aan toe: niet mijn wil maar uw wil geschiede. Maar het feit dat Hij die vraag stelde bewijst dat de mogelijkheid bestond dat God zou ingrijpen. Dat God inderdaad iedere situatie op een opzienbarende manier kan keren. Maar de tragedie in de olijfhof herinnert er ons tevens aan dat God, God is. God kan heel goed op onze smekingen ingaan. En Hij zal dat ook doen. Als het past in wat Hij met ons voorheeft. Maar Hij is God. Niet wij.

Samengevat
Het smeekgebed heeft wel degelijk zin.
1. Er is Iemand die aandachtig en vol liefde naar me luistert.
2. Ook al stort mijn hele wereld in, uiteindelijk zal Hij mij recht verschaffen. Hij heeft het laatste woord.
3. De kans blijft reëel dat ik ook onmiddellijk verhoord wordt. Hij is God. Voor Hem is niets onmogelijk.