De ander: een geschenk

Zondag 30 december 2018, Feest van de H. Familie (jaar C)

Vandaag, ter gelegenheid van het feest van de Heilige Familie, lijkt het mij niet meer dan normaal dat wij in de Kerk de focus nog eens extra richten op het gezin. Meer bepaald: het klassieke gezin, d.w.z. een man en een vrouw die zich, voor God en voor de mensen, voor altijd aan elkaar hebben geschonken. En die daarbij de vaste wil hebben te blijven werken aan hun relatie. En hun kinderen, die ervaren worden als een geschenk, te koesteren, hun een goede opvoeding te geven en liefdevolle wegwijzers in hun leven te zijn. Het is goed dat de kerkgemeenschap er af en toe nog eens aan herinnert dat christenen vierkant achter dat klassieke gezin staan, zonder de andere levenskeuzes te verketteren.
Want dat “klassieke” gezin kan momenteel alle hulp gebruiken. Het woord “klassiek” heeft op zich trouwens al een beetje een negatieve klank, het is familie van “conservatief” en “conservatief” heeft in onze samenleving dan weer de betekenis van: oubollig, iets van vroeger, te mijden, want echt niet van deze tijd.

Tijdloos
En inderdaad, het huwelijk is niet van deze tijd. Het is immers zo oud als de mensheid zelf. Het huwelijk is echt niet iets dat uitgevonden is door ons bomma, en zelfs ook niet door de Kerk. Het is een oer-menselijk gegeven dat een man en een vrouw op een gegeven moment bij elkaar liefde en geluk vinden en uitdrukkelijk kiezen voor elkaar, met uitsluiting van ieder ander. Ze zijn vast van plan om een gezin te stichten, kinderen te krijgen en samen oud te worden. En ze willen die keuze ook ritueel bevestigen voor God en voor heel de gemeenschap. Dit is van alle tijden en culturen. Het huwelijk is miljoenen jaren oud, het is in feite zo oud als de mensheid zelf. Er waren (en zijn) natuurlijk ook gearrangeerde en gedwongen huwelijken. Er zijn ook huwelijken die uitdraaien op een ware nachtmerrie. Geen enkel menselijk project of instelling, hoe voortreffelijk ook, of er zijn misbruiken en schaduwkanten. Maar dat is geen reden om het project of de instelling zelf af te wijzen. Natuurlijk wil ik daarmee niet oordelen over de mensen die andere levenskeuzes maken. Ik wil alleen maar de aandacht vestigen op het feit dat het huwelijk niet “iets van vroeger” is, maar iets van alle tijden. En dat wellicht ook blijven zal. Waarschijnlijk zal later blijken dat juist de huidige rage om zomaar samen te gaan wonen heel tijdsgebonden was en veel te fragiel om huwelijk en gezin als hoeksteen van de samenleving te verdringen. Dit gezegd zijnde is het natuurlijk duidelijk dat een huwelijk niet iets is van één moment, maar een project, waaraan door de partners hun ganse leven lang moet gewerkt worden. En dat geldt uiteraard ook voor de relatie zelf. Ook daar moet aan gewerkt worden, ook die moet groeien, wil ze niet verkommeren.

Groeien
En voor dat groeien, bestaan er geen vaste regels. Het gaat immers om mensen en iedere mens is uniek, iedere relatie anders, ieder koppel verschillend. Bovendien, ook al is het huwelijk van alle tijden, binnen dat huwelijk spelen natuurlijk wel tijdsgebonden opvattingen een rol. De absoluut dominante rol van de man bijvoorbeeld, die duizenden jaren lang heel normaal en vanzelfsprekend was, is (in het westen althans) volledig uitgespeeld. Waarschijnlijk omdat die dominantie op weinig anders gefundeerd was dan op fysieke kracht en een hang naar een bepaald soort eenvoud en overzichtelijkheid. Maar zelfs in Bijbelse tijden krijg je al die voortdurende oproepen om in een relatie alle machtshoudingen te bannen en te vervangen door liefde. Een liefde die op geen enkele wijze dominant is, ook niet van de kant van de vrouw, en die dus ook niet versmacht, maar de ander vrij laat, de ander laat zijn wie hij of zij is, de kans geeft om verder te groeien. Want “groeien” dat is wel het toverwoord in een relatie, in elke relatie. Een relatie die niet meer groeit, is als stilstaand water dat brak wordt. En dat geldt natuurlijk voor elk soort relatie.

Geschenk
Het zou niet passend zijn dat ik hier als bijna-enige celibatair, eens ga uit de doeken doen wat u allemaal moet doen om uw huwelijk levend te houden.
Ik denk gewoon dat in elke relatie, de relatie van gehuwden, van ouders en kinderen, van vrienden, van buren, de relatie met geloofsgenoten, volksgenoten, werkmakkers, en ook die met mensen uit andere culturen, de ander moet gezien worden als een geschenk, een kans die verrijkend voor jezelf kan zijn. De ander is geen bezit, of bedreiging. De ander is wezenlijk een geschenk. En het geschenkmatige van die ander ligt juist in zijn (of haar) eigenheid, in het anders-zijn. Het is duidelijk dat het hier gaat om een fundamentele kijk op de wereld en op de mensen. En dat wij, zo nodig, die klik ook moeten maken. Het is niet alleen aangenaam voor de anderen, het brengt ook zoveel meer leven in ons eigen leven.

Kostbaar in zijn ogen

Maandag 24/dinsdag 25 december 2018, Kerstmis (jaar C)

Ik moest vroeger niet zoveel hebben van Johannes de Doper. En het was niet zozeer het excentrieke aan hem dat mij stoorde, want ach, als je jong bent hebben juist excentrieke figuren vaak iets aantrekkelijks. Het was vooral zijn gestrengheid, het vermanend toontje van meneer, dat mij niet aanstond. Zeker als je het vergelijkt met het begrip en de zachtmoedigheid van Jezus. Johannes leek mij een typisch oudtestamentische figuur, die verdwaald was in het Nieuwe Testament en daar ook helemaal niet thuishoorde. Pas veel later ben ik gaan begrijpen dat Jezus ook niet altijd zo zachtmoedig uit de hoek kwam en dat, anderzijds, Johannes best ook wel eens een wat meer gematigde toon kon aanslaan. Ik had geleerd dat ook mensen uit één stuk niet noodzakelijk altijd op dezelfde stereotype en voorspelbare manier praten of reageren. Pas met het volwassen worden leer je dat.

Menselijk
Johannes komt in de lezing van vandaag inderdaad heel begrijpend en gematigd over. Verschillende mensen en groepen van mensen vragen hem: “Wat moeten wij doen?” En wat Johannes van hen vraagt is heel doenbaar.
Wat hij hun vraagt, is gewoon een beetje menselijk te zijn. Hij houdt hun geen al te hoge idealen voor, verwacht van hen geen revolutionaire daden. Gewoon: menselijk zijn. Aan soldaten bijvoorbeeld vraagt hij niet van job te veranderen, want dan zouden zij gewoon vervangen worden door anderen. Maar hij vraagt om ook niet meer dan hun job te doen: niet te plunderen, de burgers gerust te laten, hun positie niet te misbruiken. Wij moeten m.a.w., uit onszelf, geen heiligen zijn. Met de nadruk op “uit onszelf”. Want wat verder zal blijken dat een soort volmaaktheid bereiken wél het uiteindelijke doel is. Maar van ons wordt niet verwacht dat we dat uit onszelf zullen klaarspelen. Als we dat zouden proberen, dan merken we al vlug dat we moeizaam zitten te timmeren aan een onbarmhartig moeilijke weg. Dan raken we ontmoedigd en uiteindelijk geven we het op.

Voorbereiding
Maar Johannes stelt geen hoge eisen, hij stelt ons integendeel gerust. Het grote werk, de nieuwe schepping zal pas aanvangen bij de komst van Jezus. Die zal ons dopen met vuur. Johannes zelf doopt met water, hij wil dat wij ons reinigen, voorbereiden, klaarmaken voor Jezus’ komst. En dat voorbereiden bestaat niet uit buitenissige versobering of uit heldhaftige zelfverloochening. Neen. Wat Johannes vraagt ter voorbereiding van Jezus’ komst, is wat meer menselijkheid. Ons afkeren van onze natuurlijke gerichtheid op onszelf en ons toekeren naar de anderen, vooral naar diegenen die ons het meest nodig hebben. Dat is meteen ook de reden waarom deze derde zondag van de Advent de Gaudete-zondag, de vreugdezondag wordt genoemd. En die vreugde vindt zijn oorsprong in het besef dat, wat onze bijdrage betreft, het allemaal doenbaar is. Er worden van ons geen onmogelijke zaken verwacht.

Jezus
Maar, bij deze geruststelling stopt het natuurlijk niet. Als hiermee de kous af zou zijn, dan was ons geloof een erg gezapig en burgerlijk geloof, een geloof van goede huisvaders, oppassende echtgenotes en brave kinderen. Maar dat is het natuurlijk niet. Dat kán niet het geloof zijn dat als een storm over het Romeinse Rijk zou gaan en zonder macht of communicatiemiddelen in een minimum van tijd de wereld zou veroveren. Er moet meer zijn dan alleen maar dat. En dat meer, dat is Jezus. Ik doop met water, zegt Johannes, maar Hij zal u dopen met vuur. Hij zal meer van ons durven vragen, ons bij manier van spreken uit ons kot jagen en maken dat wij onszelf overstijgen.

Wijsheid
Wanneer Jezus in ons mag mens worden, wanneer zijn geest ons mag bezielen, zullen wij automatisch onze grenzen verleggen. Dan zullen wij meer en meer liefdevolle mensen worden, die méér doen dan het gewone, verder gaan dan het burgerlijk fatsoen. Merk de tegenstelling op met de in die tijd meest eerbiedwaardige filosofische stroming, die van de Griekse Stoa. Volgens die leer moest je de innerlijke vrede betrachten door je verstand te laten heersen over je emoties en op die manier rust en perfectie nastreven. Eerbiedwaardig inderdaad, maar nogal erg individualistisch, nogal erg bezig zijn met jezelf. Het christendom daarentegen wil van ons geen stoïcijnse, emotieloze wezens, maar juist liefdevolle mensen maken. Het wil van ons niet op de eerste plaats “wijze” mensen maken, maar wel mensen die hun geluk vinden in het liefdevol omgaan met anderen. En terwijl je dat doet, merk je dat die christelijke manier van leven helemaal samenvalt met het diepste verlangen in jezelf. En bijgevolg de ultieme wijsheid is. Zij het dan een wijsheid die ons ook kwetsbaar maakt. Want liefde doet dat.

Christus Koning

Zondag 25 november 2018 – 34ste zondag door het jaar (jaar B) – Feest van Christus Koning

Koningen en keizers in Jezus’ tijd waren, naar onze normen, stuk voor stuk tirannen. Zelfs heersers die in de geschiedenis te boek staan als intelligente bestuurders met visie en inzicht, traden zeer brutaal en wreedaardig op als het belang van de Staat dat vereiste. En dat belang van de Staat viel merkwaardig genoeg altijd naadloos samen met het persoonlijk belang van Zijne Majesteit.
Voordat u mij nu gaat verdenken van republikeinse dweperij, wil ik er onmiddellijk aan toevoegen dat ik met genoegen het serieuze onderzoek gelezen heb van een VRT-journalist, waaruit blijkt dat veel opwerpingen tegen de hedendaagse monarchieën weinig gefundeerd zijn. Dat een monarchie zelfs veel voordelen heeft t.a.v. andere systemen. Dat ze, om te beginnen al, ons minder kost dan een presidentieel systeem, in tegenstelling tot wat velen denken. Maar in Jezus’ tijd was een koning, bijna per definitie, een tiran.

Pilatus
Juist daarom is het “gesprek” tussen Jezus en Pilatus zo interessant. Pilatus was iemand die met ijzeren hand het gezag van Rome handhaafde in één van de meest opstandige provincies van het Rijk. Toen hij – zwaar tegen zijn zin overigens – benoemd werd in wat hij noemde “het land van geiten en Jehova’s”, was hij vast van plan de aandacht van de keizer te trekken door meedogenloos streng op te treden. Het feit dat Jezus’ aanklagers Hem ervan betichtten koning te willen zijn, wekte uiteraard onmiddellijk argwaan bij Pilatus. Maar nadat Jezus hem had uitgelegd welk soort koningschap Hij bedoelde, verloor de Romein meteen elke belangstelling. Dit was geen terrorist zoals Barabbas, zelfs geen religieuze fanaticus zoals de Essenen, geen partizaan zoals de Makkabeeën. Jezus was voor Pilatus gewoon zoals Judas hem 2 000 jaar later zou noemen in “Jesus Christ Superstar”: a misguided martyr, een dwaas eigenlijk, ongevaarlijk, oninteressant. Wist hij veel dat het gemartelde hoopje ellende dat voor hem stond een man was die de harten van de mensen zou blijven beroeren, eeuwen nadat er van het Romeinse Rijk geen sprake meer was.

Rijk Gods
Het mag duidelijk zijn dat het koningschap waar Jezus het over heeft van een heel andere orde is, lichtjaren verwijderd van datgene wat Pilatus zich daarbij voorstelde: macht en onderdrukking, uitbuiting en oorlog. In het koninkrijk van Jezus, het koninkrijk van God, wordt juist alles geweerd wat mensen pijn doet, onderdrukt, tot slaven maakt. In het Rijk van Jezus regeert de menselijkheid en is alles erop gericht om mensen tot leven te brengen, en gelukkig te maken.
Als wij vandaag het feest van Christus Koning vieren, als wij zeggen dat Christus onze Koning is, dan gebruiken wij een oeroude titel om iets aan te duiden dat totaal nieuw is en compleet revolutionair. Dan zeggen wij immers dat diegene op wie wij ons leven richten, alleen maar liefde en goedheid uitstraalt. En dat hij van ons precies hetzelfde verwacht. Zeggen dat Jezus onze koning is, wil zeggen dat wij alles willen doen opdat zijn Rijk van vrede en gerechtigheid gestalte krijgt onder de mensen. In Jezus’ Rijk leven mensen voor mensen, wordt recht gedaan aan al wie op sukkel is en niet geteld wordt. Vallen diegenen die in de ogen van de wereld de eerste en de hoogste zijn, maar zelden in de prijzen.
Het is een Rijk waarin wij de razernij van ons ego aan banden leggen en openkomen voor Jezus’ evangelie van er-zijn-voor-elkaar.

Geloofsverdieping
Dat is niet gemakkelijk en zeker niet vanzelfsprekend voor ons. En daarom, ik heb het daar de laatste tijd wel vaker over gehad, daarom is het zo nodig om een hechte relatie op te bouwen met God en met Jezus. Dat klinkt misschien hoogdravend: een relatie opbouwen met God en met Jezus. Misschien. Maar het is de enige weg om de grazige weiden van het cultuurkatholicisme te verlaten en te komen tot echt en diep geloof. Een geloof waarbij je terug meer gaat bidden en scherper gaat kijken naar jezelf en naar alles wat er gebeurt in de wereld. Een geloof waarin God van een vaag principe een levende Werkelijkheid wordt in ons bestaan en Jezus een dierbare vriend voor het leven. Er moet terug een echte gebedscultuur komen onder christenen. En bidden is meer dan alleen maar kaarsen branden en van alles willen bekomen van God. Bidden is op de eerste plaats stil worden en luisteren. Want God heeft óns iets te vertellen.

Godsrelatie
Onze Kerk en onze parochies moeten terug gedragen worden door gelovige, biddende mensen. Er is niet alleen een gebrek aan priesters. Er is ook een gebrek aan gelovigen. Er is ook en vooral het verschrompelen van het draagvlak van echt godverbonden gelovigen.
Wij zijn praters geworden en ook wel doeners, maar wij zijn geen bidders meer, geen mensen meer voor wie Jezus een metgezel is, een vertrouwde vriend.
En dat is nochtans méér nodig dan de afschaffing van het celibaat, de vrouw in het ambt of onze aanwezigheid in de sociale media. Want al die dingen zijn boter aan de galg als gelovigen niet eerst terug een echte relatie aangaan met God.

Hoop en vertrouwen

Zondag 18 november 2018 – 33ste zondag door het jaar (jaar B)

Laat u vooral niet afschrikken door het nogal heftige taalgebruik in dit evangelie, het barokke fresco dat hier geschilderd wordt. Deze vreesaanjagende beelden over het einde van de wereld waren in Jezus’ tijd gemeengoed, iedereen was ermee vertrouwd. Maar terwijl deze apocalyptische horror veelal gebruikt werd om de mensen de stuipen op het lijf te jagen, gebruikt Jezus ze om juist een boodschap van hoop te brengen: “Kijk naar de vijgenboom”, zegt Hij. Weet dat wanneer al deze dingen gebeuren de ultieme redding nabij is. En deze dingen gebeuren natuurlijk voortdurend. Wij weten nu, beter dan vroeger, dat de zogenaamde eindtijdelijke verschrikkingen voortdurend plaatsvinden. Oorlogen, natuurrampen, epidemieën, zelfs catastrofen in de kosmos zijn van alle tijden. Zij zijn dus allesbehalve de inleiding op het einde der tijden. Ze gebeuren voortdurend.

Ik zal er zijn
Wat Jezus ons wil zeggen is: wanneer je met verschrikkelijke dingen geconfronteerd wordt, ook als er ellendige dingen gebeuren in je eigen leven, in je eigen gezin; wanneer de mensen die je het meest beminde, je ontvallen en de laatste sprankel geluk uit je hart wordt weg geroofd, denk dan nooit dat dit het einde is. Juist dán zal God zijn naam waarmaken: “Ik zal er zijn”. Juist dan zal je merken dat je niet kan vallen, tenzij in zijn hand. Marcus schrijft zijn evangelie in een tijd dat de tempel van Jeruzalem verwoest was en de christenvervolgingen volop woedden. Voor Joden zowel als voor christenen stortte alles in, was dit het einde van de wereld. Tegen hen wordt gezegd: ”Kijk naar de vijgenboom. Dit is niet het einde. Dit is alleen maar het begin van een nieuwe, schitterende toekomst”. God immers zal zijn Naam: “Ik zal er zijn voor u”, gestand doen.

Vervolging
De eerste christenen hadden het muurvaste vertrouwen dat dit inderdaad zo was.
Dat, welke beproeving hun ook overkwam, dat God het laatste woord had en zich over hen zou ontfermen. En dat vaste vertrouwen was wel nodig, als je wist wat in die tijd de prijs was voor het niet-afzweren van je christelijk geloof. Je kon als volksvermaak in de arena voor de wilde dieren worden geworpen. Of je kon, zo wordt verteld, in de tuinen van keizer Nero tegen een paal gebonden, met pek bestreken en in brand gestoken worden om de nachtelijke feesten van deze macabere psychopaat te verlichten. Je moest als christen inderdaad toch wel een rotsvast vertrouwen hebben in God en in Jezus.

Weerstand
Hoe zit dat nu met ons in deze tijd? Geloven wij ook nog rotsvast dat uiteindelijk alles goedkomt, dat God altijd het laatste woord heeft? Dat er zelfs leven is voorbij de dood? Geloven wij dat echt? Ik moet ineens denken aan een stukje van Rik Torfs waarin hij vertelt over een jonge vorser aan de unief die hem ernstig vermaande dat leven na de dood niet kan, omdat het wetenschappelijk onmogelijk is. Je staat gewoon perplex dat in onze tijd er nog altijd verstandige mensen zijn die vanuit een onvervalste 19de-eeuwse reflex denken geloof en wetenschap tegen elkaar te kunnen uitspelen. Of het om concurrerende verklaringsmodellen gaat. Het leeft blijkbaar toch nog altijd bij veel ongelovigen. Maar het gaat niet om concurrerende modellen. Geloof heeft mij niets te vertellen over elektriciteit of de werking van bacteriën. En zo zijn er ook nogal wat zaken waarover de wetenschap mij niets te vertellen heeft. Je kan daarop reageren met: alles wat niet wetenschappelijk kan onderzocht worden bestaat gewoon niet. Maar dat is dan buitengewoon kortzichtig en kinderachtig.

Méér
Een 21ste-eeuwse christen is echter iemand die, net als vele anderen, gefascineerd is door de manier waarop de wetenschap de wereld ontsluit en in kaart brengt. Maar die, bij al de bewondering die hij heeft voor wetenschap en technologie, gewoon weet dat er méér is dan datgene wat wij kunnen kennen, ontrafelen, catalogeren en waarvan we de wetmatigheden die erin spelen kunnen blootleggen. Die wéét gewoon dat er meer is dan de “kenbare” werkelijkheid. Hij weet dat vanuit zijn hart, zijn gevoel of, misschien nog belangrijker: zijn intuïtie. En dat “weten” is dan geen weten zoals in de wiskunde, maar eerder een hopen en vertrouwen. Vertrouwen dat God er is en je niet loslaat. (Erop) Vertrouwen dat het goedkomt. Wil je dat dat vertrouwen en die hoop vastere grond krijgt, dan moet je er echter ook meer en meer gaan naar leven. Je moet de sprong wagen. Je moet beginnen te leven ALSOF God er is, van je houdt en met je meegaat. M.a.w. leven vanuit het geloof dat God er is. En dán, en alleen dan, zal je merken dat Hij er inderdaad is. Dat Hij geen hersenschim is, maar een ontzagwekkende Werkelijkheid. Een Werkelijkheid, een Persoon die met je meegaat, die je draagt en om je geeft.

Groeiend vertrouwen
En je beseft dan dat het leven en de wereld gewoon doorgaan als je sterft. Dat ook jij ouder wordt en ziek, dat je, hoe gelovig je ook bent, niet van rampen en tegenslagen wordt gespaard. En dat je ook zult doodgaan, zonder pardon. Maar er is die hoop dat het allemaal goedkomt. Een hoop die geregeld bevestigd wordt als je aandachtig leeft en heel scherp uitkijkt. Er is dat groeiend vertrouwen dat die God, die je draagt en van je houdt, je nooit zal loslaten.
Ook niet als je sterft.
Zeker weten wij niets. Maar wij vertrouwen erop. Wij “hopen het tegemoet”.
Maar we zijn er nogal gerust in. Vanuit, en dat is nog niet genoemd, maar het is wel het voornaamste, vanuit de relatie die we langzaam hebben opgebouwd met God en met Jezus Christus. Vertrouwen vanuit het “weten, het ondervonden hebben wie Hij is, wat Hij doet”.

11 november

Zondag 11 november 2018 – 32ste zondag door het jaar (jaar B)

Vorige week las ik een interview met de woordvoerder van “Uitvaartunie Vlaanderen”, een boomende miljoenen-business waarvan je rustig mag aannemen dat hun visie gebaseerd is op ernstig onderzoek. Het ging over het feit dat mensen steeds vaker kiezen voor een afscheid “met weinig volk in intieme kring”. “Het is eigen aan onze tijd”, zei de man. “Als het einde nadert komt sterk naar voren wie echt belangrijk is in je leven. En dat zijn zeker niet de pseudovrienden op de sociale media”. Nu weten we al langer dat vele mensen in onze tijd, ondanks alle lawaai en blingbling, ondanks zenuwslopende communicatiemiddelen, meer en meer vereenzamen.
Maar toch troffen me vooral die woorden: “Pseudovrienden van de sociale media”. Er is al vaker op gewezen dat wij ons aan al die vele vrienden in de sociale media niet laten kennen zoals wij zijn, maar zoals we zouden willen dat die anderen ons zien.

Politiek correct
Is dan alles bij ons “fake” geworden? Dit woordje “fake” is ook iets van deze tijd. Het kwam vooral in zwang door het veelvuldig gebruik dat de huidige Amerikaanse president ervan maakt. En dan heeft hij het over de pers, die onjuiste informatie zou verstrekken. En hoewel deze bejubelde staatsman zelf een ietwat zorgelijke relatie heeft met de waarheid, heeft hij hier toch een punt: onze pers is in ieder geval veel minder objectief en onvooringenomen dan ze beweert te zijn. Eén van de dogma’s die ze huldigt is de “politieke correctheid”, d.w.z. je hoffelijk en zelfs vergoelijkend gedragen t.o.v. mensen die “anders” zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor mensen met een andere huidskleur, voor homo’s en voor moslims. Maar dat geldt blijkbaar dan weer veel minder voor katholieken. En dat kan dus niet. Als je een hoffelijk, begrijpend en verdraagzaam persoon bent, dan ben je dat tegenover iedereen. Je kan niet verdraagzaam en hoffelijk zijn t.a.v. de enen en denigrerend en rancuneus doen t.o.v. de anderen. Tenzij die anderen een reëel gevaar betekenen. Maar ik denk niet dat katholieken de democratie om zeep willen, om ze te vervangen door een systeem waarin de kardinaal eerste minister is en de Bijbel de Belgische wetgeving vervangt. Dat “politiek-correcte” is dus toch ook niet zó correct als het lijkt.

Eerlijk
Wij dachten dat, nadat wij hebben afgerekend met de Victoriaanse preutsheid en nu leven in een tijd dat naakt moeilijk nóg bloter kan, dat wij daarmee ook de schijn en de hypocrisie voor een groot stuk aan de deur hadden gezet. Maar dat blijkt toch maar een vrome wens geweest te zijn. Het ophouden van de schijn is in onze samenleving nog altijd één van de drukst beoefende sporten. En je vindt dat verschijnsel dan natuurlijk ook terug in de politiek. Neem nu, bijvoorbeeld, de weigering van Polen en Hongarije om stromen vluchtelingen op te nemen uit angst hun eigenheid te verliezen en over 20 jaar vreemdeling in eigen land te zijn. Europa vindt dat niet kunnen en verkettert de Polen en de Hongaren. Maar ondertussen betaalt datzelfde Europa treinenvol geld aan Turkije om de vluchtelingen buiten de Europese grenzen te houden . . .
De heer Trump, die zegt tenminste vlakaf dat de eigen Amerikaanse belangen het enige is wat hem interesseert. Dat was natuurlijk ook het geval bij zijn christelijke voorgangers. Maar die verpakten dat altijd in hun ijver om de idealen van de Verlichting in heel de wereld ingang te doen vinden. En ze voerden daar ook oorlogen voor. Je moet natuurlijk niet pleiten voor het soort onbehouwen arrogantie van de huidige Amerikaanse president; maar kan beschaafd én eerlijk dan echt niet samengaan?

Conformisme
Vandaag herdenken wij dat 100 jaar geleden een einde kwam aan de “Groote oorlog”. Daarmee kwam meteen ook een einde aan een wereld van absolutistische vorsten en keizers, een wereld waarin vorm en schijn en holle retoriek een zeer voorname plaats innamen. Die eerste wereldoorlog, die eigenlijk één gruwelijke en onzinnige slachtpartij was, heeft een vernietigende slag toegebracht aan het geloof van mensen in welke vorm van gezag dan ook. Het onvoorwaardelijk geloof in de goede bedoelingen van het gezag is daarmee in Europa voorgoed uit het hart van de mensen gebrand. Maar de drang naar het ophouden van de schijn is gebleven, is ook merkbaar bij de meest gewone mensen. Een voorbeeld. Nu genieten in onze huidige samenleving blijkbaar verplicht geworden is, komen mensen op tv alleen nog vertellen hoezeer ze van alles genieten. “We hebben genoten! Dat was genieten! Daar zullen we van genieten!”, roepen ze uit. Omdat dit van hen verwacht wordt. En zelfs kinderen doen dat. Telkens als er een pretpark geopend wordt of een tentoonstelling of zelfs een nieuwe school en dat komt op tv, dan vindt elk kind dat fantastisch of super of keileuk. En misschien is dat voor velen ook zo. Maar ik zou veel geld geven (moest ik dat hebben) als er eens zo’n gezonde onbekommerde knul zou zeggen dat hij het allemaal maar niks vond en dat hij liever was gaan voetballen.

En wij?
Wij kunnen niet veel doen aan de grote conflicten in de wereld. Maar wij kunnen wel beginnen bij onszelf. Met het vaste voornemen te maken op een beschaafde manier altijd eerlijk te zijn.
Schijn en hypocrisie vergemakkelijken conflicten en oorlogen. Zowel tussen individuen als tussen landen. Laat ons beginnen met te werken aan onszelf.

Gestorven voor ons

Zondag 4 november 2018 – 31ste zondag door het jaar (jaar B)

Je kan bijna niet anders dan meewarig glimlachen als je voor het eerst te horen krijgt dat de Joodse wetgeving naast de 10 geboden, niet minder dan 248 andere geboden en 365 verboden kende. Je kan daar inderdaad om lachen, maar dan sta je niet stil bij het feit dat dit gewoon peanuts is vergeleken bij onze eigen situatie. Denk maar aan de enorme hoeveelheid wetten die ieder jaar door ons parlement gejaagd wordt, waardoor onze wetgeving zo gigantisch uitgebreid geworden is dat advocaten zich moeten specialiseren omdat geen van hen het geheel nog onder de knie krijgt. En dan hebben we het nog alleen over de Belgische wetgeving, want je hebt ook nog de Europese wetten en verordeningen en daarnaast ook nog het internationaal recht.

Gereglementeerd
Ook in het alledaagse leven worden wij voortdurend geconfronteerd met een massa reglementen, geboden en verboden. Zonder dat wij er veel erg in hebben, wordt eigenlijk ons hele leven gereglementeerd, binnen de lijntjes gehouden. Denk aan het verkeersreglement, de arbeidsreglementen, schoolreglementen, huishoudelijke reglementen, reglementen van inwendige orde, statuten van verenigingen, spelregels in de sport. Je staat perplex (en ik dank voor de opsomming H. Laridon-homiletische suggesties) als je ziet hoezeer ons leven. . . gereglementeerd is. En al deze wetten en reglementen zijn goedgekeurd. Mensen beseffen dus dat ze nodig zijn. Dat ze er niet zijn om ons te pesten maar juist om de goede gang van zaken te bevorderen. En ineens zie je dat de Joden met hun 613 geboden en verboden er nog heel “goedkoop” van afkwamen. Dat het wettelijke kader alleen maar uitgebreider en ingewikkelder wordt naarmate de maatschappij complexer wordt. En onze huidige samenleving is oneindig veel complexer dan de Joodse in Jezus’ tijd.

Jezus
Maar beide, zowel de 613 regels bij de Joden als de tienduizenden wettelijke rode lichten, knipperlichten en groene lichten in onze tijd, dienen hetzelfde doel: orde brengen in het maatschappelijk leven en precies daardoor mogelijkheden scheppen voor een goed en gelukkig leven voor individuen en voor groepen. Dat is het doel. Jezus echter herleidt, voor hetzelfde doel, het gelukkig leven van de mens, heel dat onontwarbaar lijkend kluwen van regels en geboden en verboden tot twee geboden: Bemin God. En bemin je naaste als jezelf. “Doe dat”, zegt Hij, “en je zult leven”. D.w.z. echt leven, ten volle leven, gelukkig zijn. Wat die tweede aansporing betreft: je naaste beminnen als jezelf, kost het niet veel moeite om de link te zien met ons eigen geluk. Op Allerheiligen zagen we nog dat onze diepste kern weet heeft van God en dus eigenlijk niet anders wil dan liefhebben. En dat wij bijgevolg alleen maar volheid van leven bereiken als wij een bestaan leiden dat in harmonie is met dat verlangen naar liefdevol omgaan met anderen, diep in ons.

Hoe?
Maar hoe kan je nu in godsnaam God beminnen? Zo evident is dat toch niet.
Je kan bijvoorbeeld wel enthousiast opgaan in een documentaire over de kosmos, gefascineerd zijn door de wetenschap: de wiskunde, de scheikunde, de natuurkunde en door hun onderwerp: de wonderen van de schepping. En dat heeft natuurlijk allemaal te maken met God, maar God is het niet. En dat geldt ook voor muziek, een zonsondergang, de glimlach van een kind. . . Daar kan je van houden en stellig heeft dat allemaal te maken met God, maar God is het niet. Als God door ons echt wilde bemind worden, dan had Hij daarvoor maar één mogelijkheid: zich aan ons laten kennen in een mens. Als God kon Hij dat en deed Hij dat ook. Vandaar de Menswording. En de mogelijkheid voor ons om Hem te beminnen in Jezus.

Probleem
Eén grote moeilijkheid daarbij: Jezus heeft zelf gezegd dat Hij zich vereenzelvigt met alle mensen die onze hulp en onze liefde nodig hebben. Ik zal wel de laatste zijn om dát te willen wegmoffelen, het is zowat het koninginnenstuk van het christelijk geloof: dat je je liefde voor God toont in het houden van zijn mensen. Maar ondertussen blijft het eerste gebod er staan als een huis. Het eerste gebod wordt m.a.w. niet overbodig gemaakt door het tweede! Immers, je toont je liefde voor God wel in het houden van zijn mensen, maar hoe kom je er nu toe om te houden van God, van Jezus? Ik denk dat wij dringend terug één van de hoekstenen van het christelijk geloof vanonder het stof moeten halen. Iets wat altijd centraal gestaan heeft in het christendom en dat nu wel helemaal verdrongen lijkt door christelijk activisme en de ijver voor de christelijke waarden: Het besef namelijk dat Jezus Christus gestorven is opdat ik ten volle zou kunnen leven. Dat door zijn lijden en sterven wij op één of andere manier in het reine gekomen zijn met God. “Op één of andere manier”, inderdaad. Want hoe dat precies werkt, daar zijn vele theorieën over, maar die zijn niet belangrijk. Belangrijk is dat wij terug doordrongen geraken van het besef dát Hij zijn leven gegeven heeft voor ieder van ons. Voor u en voor mij.

Allerheiligen

Donderdag 1 november 2018 – Allerheiligen (jaar B)

Twee weken geleden hebben we het erover gehad dat de westerse macht en uitstraling lang niet alleen maar zegeningen over de rest van de wereld brengt.
En dat, mét de westerse invloed, ook het kapitalistisch systeem en het economisch fundamentalisme zich tot in de verste uithoeken van de aarde heeft verspreid. En hoe dat systeem de aanbidding van het geld tot een wereldwijde religie heeft gemaakt. Eeuwenoude, soms duizenden jaren oude morele, culturele en godsdienstige systemen moesten ervoor wijken, wat vaak een ontwrichtende uitwerking had op de samenleving: eenheid en stabiliteit geraakten zoek en wanorde, ongenadige concurrentie en stijgende criminaliteit waren het gevolg.

Cement
Wij kunnen niet met zekerheid zeggen wat er precies gaat gebeuren als die trend doorzet, als de maatschappij helemaal Godloos wordt. Er zijn geen voorbeelden. Er is in de ganse geschiedenis nog nooit een maatschappij geweest waarin de meerderheid van de bevolking atheïstisch was. Wij kunnen dus ook niet vergelijken. Maar nogal wat samenlevingen in het Westen evolueren momenteel in die richting en de eerste tekenen zijn alvast niet gunstig. En van daar uit zegden we dan (vorige week) dat missionering en evangelisatie nodig blijft. Omdat religieus geloof vaak fungeert als cement in de maatschappij, omdat het mensen verbindt en bijeenhoudt. Waar de cement vervangen wordt door individualisme en economisch fundamentalisme, krijg je onvermijdelijk de wet van de jungle: “Ieder voor zich” en: “Loop mij vooral niet voor de voeten”.

Redenen
Alleen daarom al is het dus nodig dat wij terug missioneren en evangeliseren ook en op de eerste plaats in onze eigen omgeving, in ons eigen land, hier in het Westen. Maar niet alleen daarom. Er zijn nog andere redenen. Uit wetenschappelijk, gefundeerd onderzoek is gebleken dat religieus geloof natuurlijk is, eigen aan de mens, en dat het bovendien ook gezond is voor het individu en gunstig voor de samenleving. Maar de voornaamste reden waarom wij terug moeten evangeliseren is: dat wij geloven dat ons geloof waar is. Dat wat het christendom leert, dat wat Jezus ons kwam vertellen gewoon waar is.
Om dat geloof echter op een overtuigende manier te kunnen overbrengen, moeten we er eerst zelf door bezield zijn. En dat bekom je niet door alleen maar veel over Jezus te lezen en over Hem te discussiëren. Dat bekom je alleen maar door je voor Hem open te stellen en Hem te vragen in je leven binnen te komen. Door m.a.w. een biddend, een geestelijk mens te worden.

Heiligen
Op Allerheiligen gedenken wij de ontelbare mensen die ons daarin voorgingen. Heiligen, noemen wij hen, omdat het geheelde mensen waren. Mensen die van thuis uit, vanuit de traditie of vanuit een moeizame zoektocht of door pure genade beseften dat de diepste Grond van het bestaan, dat God pure liefde is. En dat ook onze eigen diepste kern daar weet van heeft, iets van God heeft. En dat een goed leven bijgevolg alleen maar een leven kan zijn dat in harmonie is met die diepste Grond van het bestaan en met onze eigen diepste kern. Maar zo’n leven is niet vanzelfsprekend. Omdat de diepste streving in ons, dikwijls overwoekerd wordt en het appel vanuit God heel vaak overstemd door de verlokking van meningen en modes, soms van hele ideologieën die appelleren aan het laagste in onszelf: egoïsme, afgunst, jaloezie, wraakzucht, geldzucht, heerszucht en meer van dat fraais.

Opstandeling
Als dat het geval is, als je daar “gevoelig” voor bent, moet je beginnen met de ernst van de toestand onder ogen te zien. Als je je leven laat leiden door egoïsme ben je niet gewoon “een beetje zwak”. Dan ben je een opstandeling die vecht, niet alleen tegen God en de liefde, maar ook tegen het diepste in jezelf. Een beetje make-up, een beetje schaven aan jezelf helpt dan niet. Het enige wat dan past is dat je de wapens neerlegt en je overgeeft. Je overgeeft aan het diepste in jezelf. Je overgeeft aan de liefde. Sommigen deden dat op een heldhaftige wijze. Aan hen denken wij meestal als wij spreken over heiligen: pater Damiaan, Moeder Thérèsa, de Heilige Therèsia van Avila, Sint-Franciscus.

Geheelde mensen
Maar heiligen zijn ook al die mensen die in hun dagelijks bezig-zijn proberen zich over te geven aan die liefde. Door hun werk goed te doen, door echt aandacht op te brengen, ook voor mensen die niet direct interessant zijn voor hun eigen doel, en lief te zijn voor mensen die dat eigenlijk niet verdienen. Het zijn mensen in de zorg die meer doen dan alleen maar hun uren kloppen. Het zijn ouders die vanuit de liefde voor hun kinderen, verder kijken dan het vluchtige tof-gevonden-worden en hun een goede opvoeding geven. Het zijn de mensen die elke dag opnieuw gaan werken, ook al is dat werk niet interessant en de vergoeding niet al te hoog, maar die het toch doen uit liefde voor hun gezin. Dat zijn de heiligen, de geheelde mensen die, uiteindelijk, het-graag-zien-van-anderen stellen boven het altijd-maar-bezig-zijn-met-jezelf.

Vrienden
Dat zijn de mensen die, vaak zonder er zich voortdurend van bewust te zijn, zich laten leiden door de liefde en dús behoren tot de “invloedsfeer”, de kring, de vrienden van God. Het is van hen dat Jezus zegt dat ze ook na hun dood tot Gods kring zullen blijven behoren. Omdat ze zich, vaak op een heel bescheiden, in weinig opzienbarende manier hebben overgegeven aan de liefde. Je “overgeven” klinkt niet zo mooi. Het heeft iets passiefs, iets van zwak zijn, geen weerstand bieden. Maar als het gaat om je overgeven aan de liefde, dan wordt dat ineens het mooiste woord dat er bestaat.

Zien mét en doorheen je ogen

Zondag 28 oktober 2018 – 30ste zondag door het jaar (jaar B)

Een tiental jaren na het Vaticaans Concilie, trokken honderden Vlaamse jongeren naar Leuven om daar godsdienstwetenschappen te studeren. In plaats van dat ons dat een omvangrijk, goed gevormd en wetenschappelijk onderlegd korps godsdienstleerkrachten opleverde, verloor een groot deel van hen daar in Leuven hun geloof. Blijkbaar werd hun op een pedagogisch weinig verantwoorde manier verteld dat wat in de Bijbel stond allemaal verhalen waren die je zeker niet letterlijk moest nemen, die symbolisch bedoeld waren. Het was niet alleen pedagogisch onverantwoord, het was bovendien ook gewoon niet waar.

GENEZINGEN
Indien Jezus geen spectaculaire dingen had gedaan, zouden we nooit over Hem gehoord hebben. Jezus heeft heel zeker genezingen verricht. Maar het is wel zo, dat die genezingen geen doel op zich waren. Indien het Jezus’ bedoeling geweest was zoveel mogelijk mensen te genezen, dan was hij een genezer, een dokter of een therapeut, meer niet. En dan nog een van de eerder bescheiden soort. Want het aantal zieken dat Hij genas was miniem (er waren in Israël in die tijd tienduizenden blinden, lammen en melaatsen). En Hij heeft ook geen enkele ziekte definitief uit de wereld gebannen. Als Jezus dus wonderen verrichtte, waren dat met andere woorden tekenen die naar iets anders, iets meer fundamenteels verwezen. Jezus wil voortdurend onze aandacht vestigen op die diepere werkelijkheid die met God te maken heeft. En het spectaculaire van het wonder dient alleen maar om zijn woorden kracht bij te zetten en te verduidelijken.

TEKENEN
Ik blijf hier wat langer bij stilstaan, omdat het toch wel belangrijk is om een wijdverspreid misverstand te helpen rechtzetten. Het is niet of-of maar eerder en-en. Het is niet zo dat een wonder in het evangelie ofwel echt gebeurd is, ofwel alleen maar een verzonnen verhaal is met een symbolische betekenis. Ik ben ervan overtuigd dat Jezus wonderlijke, spectaculaire daden heeft verricht, maar dat waren geen op zichzelf staande bravourestukjes. Ze verwezen naar iets anders: het waren tekenen. En het zijn niet de hedendaagse theologen en exegeten die dat hebben uitgevonden. Het waren de evangelisten zelf die hun verslagen over de wonderen zó opbouwden dat je er niet naast kon kijken dat elk van die wonderen verwezen naar iets diepers. Laten we nu eens het voorbeeld nemen van de genezing van Bartimeus. Het hele verhaal gaat wezenlijk over “zien”. Over blind zijn en geholpen worden om te zien. Waar Jezus ons wil op wijzen is dat de werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet een diepte heeft die wij met onze gewone ogen niet kunnen zien. En Hij wil ons helpen om die diepte te zien en er mee in contact te komen. Maar we moeten dat ook echt willen, de vraag moet van ons komen. “Heer, maak dat ik zien kan”. Dat lijkt niet veel, maar in werkelijkheid is het heel wat. Want vragen “maak dat ik zien kan”, is tegelijk zeggen dat je tot nu toe blind was. En dat is een bijzonder pijnlijke onderneming voor een mens in deze tijd. Wij weten en kennen immers al alles. Ook op godsdienstig vlak.

OPENSTAAN
Het valt mij altijd op als wij vergaderen, dat wat wij dan zeggen over God, ook in het inleidend gebed, altijd stellingnamen zijn, beweringen over God die uit onszelf komen, die we ergens gelezen hebben en “waar we kunnen achter staan”, of die we bediscussiëren of verwerpen. Maar dat is toch niet bidden.
Waarom beginnen wij niet met het stil te maken, niets te zeggen en ons open te stellen voor God? Hem te vragen dat hij ons overkomt, ons aanraakt en ons in verwondering en dankbaarheid achterlaat. Een mens kan gewoon geen zinnig woord over God vertellen als hij geen weet heeft van die diepere werkelijkheid die ons volledig overstijgt en die tezelfdertijd ook onze werkelijkheid is, d.w.z. de diepere, dragende grond ervan.

GEBORGENHEID
En dat besef “overkomt” ons inderdaad. Je kan dat niet opwekken. Maar wil je er iets over weten, moet je er wel voor openstaan. Het is alsof, met een klik, je ogen ineens op scherp worden gesteld en de wereld om je heen plots een diepte onthult die je voorheen niet eens vermoedde. Soms gebeurt dat bijna voorspelbaar, zoals bij de geboorte van je kind. Ook al kan je het hele proces wetenschappelijk tot in de puntjes verklaren, toch besef je met al de vezels in je lijf dat hier meer aan de hand is: een wonder dat je helemaal overstijgt, je blij en dankbaar maakt, je een enorm gevoel van geborgenheid geeft. Soms gebeurt het heel onverwacht. Je bent aan het bidden, of je zit naar een film te kijken, of gewoon wat voor je uit te staren en ineens . . . is het er. Dat geweldige en gelukkig makende besef dat je deel uitmaakt van een werkelijkheid die je tezelfdertijd volledig overstijgt.

DE HELE WERKELIJKHEID
Ook mensen die niet in God geloven doen dergelijke ervaringen op, vaak noemen ze het “kosmische ervaringen”. Maar ik kan me voorstellen dat ze niet goed weten wat doen met hun gevoelens van verwondering en dankbaarheid. Wie vertrouwd is met Jezus daarentegen, weet die overstijgende werkelijkheid helemaal vervuld van de liefdevolle aanwezigheid van God. Geloof in Jezus geeft licht en laat je zien hoe de hele werkelijkheid eruitziet. En hoe je je leven daarop kan afstemmen.

Heeft missie nog zin?

Zondag 21 oktober 2018 – 29ste zondag door het jaar (jaar B) – Missiezondag

Bij woorden als missie en missiezondag komen er onmiddellijk beelden naar boven uit een tijd die nu lang vervlogen lijkt. Het was de tijd dat je zilverpapier spaarde voor de negertjes in Kongo. En dat je met rooie oortjes luisterde naar missionarissen op doorreis, paters met lange baarden, die als Tarzan zich een weg door de rimboe hakten om zieltjes te winnen voor Christus. Echte mannen waren het, die wisten van aanpakken en die zich door Afrikaanse tovenaars of wilde dieren niet uit het veld lieten slaan. En dat lijkt nu ineens allemaal zo ver, omdat de stroom plots opdroogde. Eind jaren 60, begin jaren 70, was het ineens gedaan met die trek van honderden, duizenden edelmoedige jongemannen die het woord van Christus brachten tot in de meest onherbergzame streken op onze aarde.

Secularisatie
Missie kreeg bijna van de ene dag op de andere af te rekenen met een aantal factoren die haar (toch in Vlaanderen) tot iets marginaals maakten. Er was het plots ingetreden secularisatieproces en het opdrogen van de roepingen. Maar ook de naweeën van de dekolonisatie en de link die gelegd werd tussen beide. En er was ook het oprukkende materialisme waardoor – ook in de Kerk – de nadruk op evangelisatie helemaal verschoof naar materiële hulp (Broederlijk Delen). Missie werd in ijltempo vervangen door ontwikkelingssamenwerking, en de missionarissen door ngo’s als Artsen Zonder Grenzen, Damiaanactie en honderden kleinere niet-kerkelijke hulporganisaties. De vraag is of dit terecht gebeurde en of Missie inderdaad zijn tijd gehad heeft? Je kan de vraag nog duidelijker stellen, meer conform met onze huidige seculiere mentaliteit en je afvragen of wij niet beter gewoon materiële hulp geven zonder daarbij ook onze eigen godsdienst op te dringen. Door de vraag zo te stellen heb je ze natuurlijk al beantwoord. Maar eerlijk is dat niet.

Afbraak
Want nu, meer dan ooit, dringen wij onze eigen ideologie op aan de landen en de mensen die wij helpen. Alleen is het christendom daarbij vervangen door ons economisch, kapitalistisch systeem. En nu, veel meer dan bij de vroegere missionering, kan je je afvragen of dát niet de hoofdbedoeling is: voor onszelf en voor de wereld ons systeem een humanitair en menslievend imago geven, terwijl dat systeem alleen maar uit is op gewin: op economische expansie en het opdrijven van de winst. En dat systeem geven wij ondertussen ook door aan de landen die wij helpen. Je hebt bovendien de indruk dat overal waar de westerse invloed toeneemt vooral ook het materialisme, de geldzucht en het egoïsme toenemen. Er komt dan inderdaad een zekere welstand. Voor de machthebbers op de eerste plaats, meestal ook voor de hogere klassen, soms ook voor de middenstand (zoals in India), maar zeer zelden voor het gros van de bevolking. (Denk aan al de ellende in Kongo). En wat bij toenemende westerse invloed in ieder geval gebeurt, is dat eeuwenoude morele en sociale systemen instorten en vervangen worden door aanbidding van het geld en een sterke verruwing van de maatschappij, wat zich uit in een hallucinante toename van de criminaliteit.

Waarden
Maar goed, uiteindelijk zijn dat de indrukken van mijzelf, en ik ben niet bevoegd om hier een exposé te geven over de grote problemen van de wereld en zeker niet over het oplossen ervan. Laat ons daarom het probleem herleiden tot zijn meest eenvoudige vorm en het bekijken aan de hand van een eenvoudig voorbeeld hier bij ons: pesten op school. Vroeger, toen geloofsoverdracht één van de hoofdtaken was van het godsdienstonderwijs, waren wij ervan doordrongen dat anderen pesten absoluut niet kon voor God, en blijkbaar was dat voldoende. Er werd toen ook wel gepest, maar het bleef binnen de perken. Sinds het godsdienstonderwijs onder druk van haar sponsor, de staat, helemaal herleid is tot het “doorgeven van waarden”, is dit veranderd. Ondanks verwoede antipestcampagnes is er nog nooit zoveel gepest op school als nu. En je kan dit gerust uitbreiden naar andere terreinen. Er is nog nooit zoveel energie gestoken in het doorgeven van waarden: thuis, op school en via de media. En toch zie je als resultaat alleen maar toenemende brutaliteit, toenemende respectloosheid, toenemende criminaliteit.

Vergissing
Misschien zitten we hier wel bij een van de grootste vergissingen die de mensen van de Verlichting, Rousseau op kop, hebben gemaakt. Mensen zijn blijkbaar niet zomaar geneigd tot rechtvaardigheid, trouw, zelfopoffering, belangloos hulpverlenen enz. als er niet een echt appel van buiten henzelf op hen afkomt. Er zitten in de mens immers ook strevingen die allesbehalve uit zijn op medemenselijkheid: de neiging tot overheersen bijvoorbeeld, tot agressie, tot egoïsme enz. En telkens weer blijkt dat in samenlevingen – wij hebben het hier niet over individuen! – waar het godsdienstig geloof wegvalt, die laatste krachten de bovenhand halen. Alleen al daarom blijven missie en evangelisatie nodig. En dan hebben we het dus niet eens over godsdienstige motieven, maar over loutere bezorgdheid voor het samenleven in de toekomst. Het wordt steeds duidelijker dat het wegvallen van religieus geloof niet goed is voor de samenleving. Voor geen enkele samenleving. Ook niet de onze . . .

Echtgenoten

Zondag 14 oktober 2018 – 28ste zondag door het jaar (jaar B)

Omdat in Jezus’ tijd de politieke en economische macht in het Joodse land helemaal in handen was van de Romeinen, bleef er voor de “plaatselijke machtsjongens” niet veel anders over dan het domein van de religie om aan hun trekken te komen. De Farizeeën hadden daartoe een rigoureus systeem van wetten en regels ontworpen dat hun een zeer reëel gevoel van macht gaf omdat mensen ervoor moesten buigen, wilden ze niet voor verraders of afvalligen doorgaan. Voor de Farizeeën was Jezus een soort vrijschutter, een stoorzender, juist omdat Hij het voortdurend opnam voor mensen die “tekortschoten”, die niet voldeden aan de strenge normen. Terwijl Hij in het voorbijgaan ook niet naliet te wijzen op de huichelarij van de bewakers van Wet en Goede Zeden. Jezus wil mensen bevrijden uit alles wat hen gevangenhoudt en onderdrukt. Wetten en regels zijn een weerspiegeling van de maatschappelijke verhoudingen. En heel vaak zijn ze, zoals Karl Marx dat heeft uiteengezet, gewoon het instrument van de heersende klasse om hun eigen belangen te dienen en hun machtspositie in stand te houden.

Echtscheiding
In zijn voortdurend gevecht met de Farizeeën toont Jezus aan dat dit ook geldt voor religieuze wetten, die doorgaans een weldadige en bevrijdende bedoeling hebben, maar die zodanig kunnen gemanipuleerd worden dat ze het tegenovergestelde bewerken. Je moet daar dus heel voorzichtig en met veel zorg mee omgaan. Niet alleen met regels en wetten, maar ook met gewone teksten. De evangelietekst van vandaag is daar een voorbeeld van. Jezus zegt hier bij Marcus: “Scheiding is uitgesloten”. Maar in hetzelfde twistgesprek bij Mattheüs zegt Jezus: “. . . behalve in het geval van ontucht”. Ik ben geen exegeet en ik weet dat je met vertalen soms alle kanten uit kan, maar hier is toch één zaak heel duidelijk: de ene uitspraak laat ruimte voor echtscheiding, de andere niet. En het gevaar is dan groot dat Kerken en theologen dié uitspraak gaan onderschrijven die hun het beste uitkomt. En de andere mogelijkheid negeren.

Eenwording
Wat ons vandaag uit dit evangelie echter vooral moet duidelijk zijn, is dat voor Jezus liefde de absolute norm is bij het huwelijk. Liefde en niets anders. In de liefde worden man en vrouw één, zoals ze bedoeld zijn van bij het begin. Paus Franciscus schrijft daar heerlijke bladzijden over. Toen God de mens schiep, schrijft hij, schiep hij hen man-en-vrouw. Zonder man is de vrouw maar half, zonder vrouw is de man maar half. Ze vormen een eenheid. De mens is wezenlijk man-en-vrouw. De mens wordt maar volledig mens als hij liefheeft.
Het gaat wezenlijk over de liefde. En dat is toch iets wat je een beetje mist in al die discussies over emancipatie en vrouwenrechten. Een Syrische vriend van mij ziet dat allemaal nogal eenvoudig: “Er is wat dat betreft geen verschil tussen Syrië en België”, zegt hij. Het verschil zit niet in de nationaliteit, maar in de godsdienst. Bij de moslims zijn, zowel in Syrië als in België, de mannen de baas. Bij de christenen zijn, zowel in Syrië als in België, de vrouwen de baas.
Misschien is de werkelijkheid ietsje minder simpel.

Partner?
Maar in ieder geval is het zo dat de vraag “wie de baas is” bij Jezus geen enkele rol speelt. Omdat het bij Hem om de liefde tussen man en vrouw gaat, om een eenwording tussen 2 gelijke en volledig op elkaar afgestemde mensen die pas in hun een-zijn, volledig mens zijn. Tegenwoordig is het mode geworden om te spreken over partners i.p.v. over echtgenoten. Mensen noemen zichzelf partner van die of die. En de ondertoon is er vaak een van: wij zijn modern. En inderdaad, “echtgenoot” klinkt oubolliger dan partner. En toch zou het mooi zijn als we de echtgenoot en de echtgenote zouden herwaarderen. Voor een christen is een echtgenoot, een echtgenote zoveel meer dan een partner. En ik haast mij er bij te zeggen: “Voor een christen”. Voor mij (en ik denk voor ieder van u) moet niemand wettelijk gediscrimineerd worden en moeten ook mensen die er anders over denken, zich vrij voelen. Maar voor een christen is een partner iemand die je tijdelijk nodig hebt om een bepaald doel te bereiken. Bijna zoals in de politiek: je wil iets bereiken, maar alleen zal dat niet gaan en dus ga je een coalitie aan.

Huwelijk
Een huwelijk daarentegen is een verbond dat je sluit vóór God. Om er helemaal voor elkaar te zijn met een liefde die “flitsend is als vuur en sterker dan de dood” (Oosterhuis). En met de bedoeling ook om later, als het vuur wat minder fel oplaait, te blijven werken aan je relatie, er desnoods ook voor te vechten. Als christenen kiezen wij daarvoor. Omdat wij er van overtuigd zijn dat het huwelijk nog altijd de beste samenlevingsvorm is, zowel voor de maatschappij als voor de echtparen en voor de kinderen. En een overtuiging loslaten omdat ze even minder in de mode is, is niet goed. Goed in de markt liggen is nooit een goede raadgever in morele kwesties. Je begint trouwens stilaan ook andere geluiden te horen.

Voorkeur
In “De Groene Amsterdammer”- toch niet direct de gazet van het Vaticaan – schrijft de Nederlandse journaliste Hanneke Groenteman, die vroeger nog het vaderloos ouderschap ophemelde en zelf een bewust ongehuwde moeder was: “Alleenstaand ouderschap is beter dan een slecht huwelijk, maar een goed huwelijk overtreft alles”. Wij denken dat dit zo is en we mogen daar ook voor uitkomen. Onberispelijke verdraagzaamheid wil niet zeggen dat je niet meer voor je eigen mening mag uitkomen.