Beeld van God

Dinsdag 24/woensdag 25 december 2019, Kerstmis (jaar A)

Dat wij de laatste 50 jaar het geloof meer en meer zijn gaan voorstellen als therapeutisch, dat was, denk ik, een vergissing.
Ik mag dat rustig zeggen want als daar iemand met open ogen ingelopen is, dan zal het deze jongen wel zijn. Ik steek al jaren de loftrompet over de genezende en bevrijdende kracht van het christelijk geloof. Ik blijf daar ook nu nog achter staan. Ik ben er diep van overtuigd dat goed begrepen christendom mensen openbreekt en ten volle doet leven. Dat het heilzaam is, zowel voor het individu als voor de maatschappij.
Maar strikt genomen zou je dat genezende karakter een aangenaam bijproduct kunnen noemen.
Want het christelijk geloof wil niet op de eerste plaats een therapie zijn.
Het pretendeert ons immers feiten aan te reiken. Ons te vertellen waarom de wereld, de kosmos en het leven is zoals het is. Wat de bedoeling ervan is.

Passie
De vraag die dan daarbij vooral gesteld moet worden is niet zozeer: is het goed voor me, is het heilzaam voor de mensen?
Maar: is het waar? Want, ofwel is het waar en dan is het van onnoemelijk belang voor elke mens. Ofwel is het niet waar en dan is het meteen het meest kolossale bedrog dat ooit op mensen is losgelaten. En dan moeten we er meteen mee kappen, ongeacht of we er ons goed bij voelen of niet.
En die vraag, dat nieuwsgierig en zelfs gepassioneerd willen weten of iets waar is of onwaar, is typisch menselijk. Het is één van de dingen, waarin mensen verschillen van dieren. En het is bij uitstek ook typisch christelijk.
Dat zoeken naar waarheid is binnen de Kerk altijd bijna een obsessie geweest.
Het heeft ons briljante geesten opgeleverd, gaande van Augustinus, Thomas van Aquino en meester Eckhart tot Pascal en Descartes. Maar het bracht ons ook de inquisitie en later ook de systematische twijfel, en daarna het pantheïsme van Spinoza. En nog later het atheïsme, dat eigenlijk een soort niet-erg-gewenste tweelingbroer is van het christendom.

Rationeel
Dat zijn dan de minder prettige consequenties van dat gepassioneerd zoeken naar de waarheid. Maar die moeten wij er bij nemen. Liever dan ons verstand tussen haakjes te zetten.
En wij mogen ons vooral niet in de anti-wetenschappelijke hoek laten dringen waarin onze “tweelingbroertjes” ons zo graag willen neerzetten.
Wij katholieken, zijn bijvoorbeeld absoluut geen creationisten hoewel de media dat soms heimelijk suggereren. De Big-Bang theorie is zelfs afkomstig van een priester van bij ons, Georges Lemaître van de Leuvense Universiteit. Onze protestantse fundamentalistische broeders in Amerika dwalen als zij nieuwe wetenschappelijke bevindingen bestrijden.
Wij moeten juist dankbaar zijn als de wetenschap bepaalde inzichten en denkbeelden van het geloof kan aanvullen of uitzuiveren.
Maar tezelfdertijd zijn wij er ons, in onze queeste naar inzicht en waarheid, heel sterk van bewust dat wetenschap geloof nooit kan vervangen.
Er is niet 1 grote levensvraag waarop de wetenschap een antwoord kan geven.
Dat wil ze ook niet. Dat bedoelt ze ook niet.
Wetenschap legt uit hoe iets in elkaar zit. En ze doet dat met een splendeur die iedere normale mens met ontzag en bewondering vervult. Maar daar houdt het mee op. Voor een antwoord op de grote levensvragen zijn haar schouders te smal. Als wij dus willen weten of het waar is wat het geloof—en met name het christendom—ons vertelt, dan zullen wij er niet komen met wetenschappelijke proefnemingen. En zelfs filosofische en theologische overwegingen kunnen ons wel helpen, maar ze kunnen ons niet echt over de streep trekken.

Springen
Het enige deugdelijk middel is alle angst voor inbeelding van je afzetten en ervan uitgaan dát het waar is. En er dan naar leven.
En dan ervaren dat het inderdaad zo is. Als je wil weten of bidden zin heeft, bid dan. Er is geen enkele garantie dat je ook verhoord wordt.
Maar als je bidt, echt bidt, bidt met je hart en met overgave, dan zal je wel vroeg of laat ondervinden dat er Iemand is die naar je luistert.
En dat die Iemand ook echt van je houdt. Onvoorwaardelijk van je houdt.
En dat geldt voor alle facetten van het geloof. Durf de sprong te wagen.
Zeg, zoals Pascal, met zijn beroemde weddenschap: “J’accepte” of: “Ik neem het aan”. Leef er dan naar, probeer ernaar te leven, en je zal ondervinden dat alles wat het kindje dat vannacht geboren is ons heeft geleerd, ook werkelijk waar is.
Probeer te bidden. Spreek gewoon tegen God en ga ervanuit dat er inderdaad Iemand is die naar je luistert. En je zal merken dat God geen inbeelding is, maar een ontzagwekkende werkelijkheid. Er is niets, maar dan ook niets ter wereld dat je zo’n geborgenheid geeft als het besef dat Hij er werkelijk is. En dat Hij van je houdt, meer nog, dat Hij de liefde zelf is.

Weerspiegeling
En stilaan ontdek je, ook zonder filosofen en theologen, iets wat je gerust het grootste geheim van de kosmos kan noemen. Je ontdekt dat die God die liefde is ook diep in jezelf aanwezig is, als een intens verlangen. En dat de geboorte in Bethlehem niet iets eenmaligs is. Je ontdekt dat die ontzagwekkende God, de Schepper van Hemel en aarde ook in jou mens wil worden. Dat je geroepen bent om, op je eigen allerindividueelste manier, een beeld, een “weerspiegeling” van God te zijn. Het lijkt een onbereikbaar ideaal, maar belangrijk is dat wij elke dag groeien naar dat ideaal toe: een mens te worden die steeds meer leeft van en voor de liefde. Ondertussen blijf je misschien toch wel zitten met de vraag of geloof nu al dan niet gelukkig maakt. Persoonlijk ben ik er van overtuigd dat het christelijk geloof je inderdaad gelukkig maakt.
Als je beseft dat je bemind wordt en van daaruit ook zelf liefdevoller probeert te leven, dan bén je gewoon gelukkig. Je kan je zelfs serieus de vraag stellen of er buiten de liefde wel geluk bestaat?
Maar de hamvraag, of het ook wáár is, kan alleen jijzelf beantwoorden.
Maar dan moet je wel durven springen.

Geheimvol samenspel

Zondag 8 december 2019, 2de zondag van de Advent (jaar A)

Mensen die niet zoveel van het geloof afweten, zal je niet vlug zo ver krijgen dat ze ook effectief eens wat lezen in de Bijbel. Ze menen daarin toch alleen maar wat wereldvreemde overdenkingen te zullen vinden en verhalen die weinig of niets met het echte leven te maken hebben.
Maar dat is natuurlijk een vooroordeel zo groot als een huis.
Want in feite is er geen enkel facet van het leven dat er niet grondig aangepakt en doorgelicht wordt.
En geeft de Bijbel blijk van een opzienbarende diversiteit, een bijzonder breed palet, een verfrissende zin voor afwisseling.
Niets menselijks of het komt aan bod. Naast de verhalen van koningen en bedelaars, van goden en profeten, van heiligen en moordenaars, vind je er bijvoorbeeld ook het “Hooglied”, een van de mooiste liefdesgedichten die ooit zijn geschreven.
Wanneer je uit dat Hooglied niet zo vaak hoort voorlezen in de kerk, dan komt dat waarschijnlijk door de sterk erotische geladenheid ervan.
Daarnaast heb je ook de psalmen die, vaak in een wondermooie en heel ontroerende taal, gans het gamma van menselijke emoties verwoorden.
En waarin je jezelf vaak beter terugvindt dan in de hedendaagse artikels en boekjes voor psychologische hulp.

Utopie
Een tot de verbeelding sprekende en erg poëtische taal vind je dan weer bij Jesaja.
Zoals in de lezing van vandaag, die een beeld wil oproepen van de toestand waarin de schepping zal verkeren als de Vredevorst er mag heersen.
“De wolf huist bij het lam.
De panter vlijt zich neer naast het geitje.
Het kalf graast samen met het leeuwenjong.
En de zuigeling speelt bij het hol van de adder.”
In het rijk van de Vredevorst, het Rijk van God, wordt het onmogelijke waar en het onverzoenlijk geachte, verzoend.
Het lijkt een droom. En dat is het natuurlijk ook: een droom waar je reikhalzend naar uitkijkt. Maar het is geen utopie, die nooit gerealiseerd zal worden. Ooit zal het zover zijn. Dat Rijk van God zal er komen. God zelf staat er garant voor.
En het licht nu al op, nu hier, dan daar, in elk woord en in elk gebaar waarin Jezus herkend wordt.

Zekerheid
Het Rijk Gods is geen utopie.
Het baant zich een weg, onweerstaanbaar. Niemand kan het tegenhouden.
Ook al heeft het de schijn tegen en verloopt niet alles in een triomfantelijke rechte lijn. Ik moet nu ineens denken aan wat de grote Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer zei toen de Nazi’s hem, na langdurige folteringen, naar de executiepaal sleepten. Hij zei: “Wij kunnen niet verliezen”. Waarschijnlijk bedoelde Bonhoeffer: zelfs al zouden wij de realisatie van dat Rijk hier op aarde nooit meemaken, zelfs al zou geen enkele mens die realisatie hier op aarde ooit zien, dan nog zullen wij er volop deel van uitmaken in het andere leven. Op voorwaarde dat wij serieus geprobeerd hebben om dat Rijk hier op aarde te vestigen.
Ik geloof dat dat zo is. En het is een bijzonder troostvolle gedachte bij alle lijden, dat je als christen op je weg kan tegenkomen: wij kunnen niet verliezen.
D.w.z. wij wel, maar niet datgene waar we aan werken: de vestiging van het Rijk Gods, een Rijk van vrede, liefde en rechtvaardigheid. Omdat het uiteindelijk Gods werk, Gods droom is.
Hij wil ons daarbij nodig hebben en zoveel mogelijk aan ons delegeren. En wij kunnen fouten maken, verkeerde wegen gaan en mislukken.
Maar uiteindelijk zal God altijd winnen. Ook al moet die overwinning plaatsvinden binnen het kader van een voor ons bijna onbegrijpelijk samenspel tussen Zijn almacht en de vrijheid die Hij aan mensen geeft . . .

Gerechtigheid
Bij dit alles moet er natuurlijk wel op gewezen worden dat die Vrede van het Rijk Gods, de Vrede die christenen nastreven, een vrede is die het gevolg is van werken aan gerechtigheid.
Want je kan natuurlijk ook een soort vrede afkopen door je neer te leggen bij allerlei onrechtvaardige toestanden. Door je mond te houden en de andere kant op te kijken als je geconfronteerd wordt met onrecht en onderdrukking.
Maar dat is een vrede die gestoeld is op lafheid, een lafheid die juist onvrede bestendigt bij de mensen en de groepen die niet mee aan het feest zitten.
Gerechtigheid en vrede gaan samen. Geen vrede zonder gerechtigheid.
Wil je vrede, zet je dan in voor de strijd tegen onrecht.

Innerlijke vrede
Daar komt nog iets heel belangrijks bij, speciaal voor deze adventstijd, die toch een tijd van inkeer en bezinning is.
Voor een christen is het van het allergrootste belang dat hij—wij hadden het er vorige week al over—dat hij, vóórdat hij de wereld wil veranderen, eerst werkt aan zichzelf. Opdat hij zijn inzet voor de wereld en de mensen vanuit de juiste ingesteldheid kan doen.
Maar ook nog om een andere reden. Namelijk: om vrede in het eigen hart te hebben.
Je kan nooit vrede in je hart krijgen zolang je leven beheerst wordt door hartstochten en emoties, die vechten met het liefdevolle diepste in jezelf.

Méér dan “goede werken”

Zondag 1 december 2019, 1ste zondag van de Advent (jaar A)

“Je weet niet op welk uur van de nacht de dief zal komen. Wees dus waakzaam”, zegt Jezus, “want ook de Mensenzoon komt op een uur waarop je het niet verwacht”.
Dergelijke teksten maken ons onrustig, en dat is ook de bedoeling, maar ze mogen ons niet ongerust maken. Want de komst van Jezus in ons leven, ook aan het eind ervan, zou iets moeten zijn waar we naar uitkijken.
Maar om dit op die manier aan te voelen moet er eerst een klik gemaakt worden.
Want vooral de niet meer zo jonge mensen in ons midden, zijn een beetje “mismeesterd” door de opvoedkundige methodes van vroeger. Waarbij “bang maken” voor de gevolgen van verkeerd gedrag, een belangrijke rol speelde.
Ik herinner mij nog heel goed al de verschrikkelijke dingen die vooral oudere tantes en oma’s voorspelden als wij ons niet gepast gedroegen.
Als je in de winter naar buiten liep zonder sjaal of jas, kreeg je volgens hen gegarandeerd op zijn minst een dubbele fleuris.
Als je op je handen ging staan met je benen in de lucht, dan was de kans groot dat “het bloed in je kop zou schieten” en dan was je dood.
En als je te lang op het toilet bleef zitten, kwamen je darmen mee af.

Straffen
Die bangmakerij behoorde vroeger blijkbaar wezenlijk bij de opvoeding. En natuurlijk kwam dat nog sterker tot uiting op het gebied van godsdienst en geloof, want bij het bedenken van mogelijke straffen van God stond er zo goed als geen enkele rem op de verbeelding.
Ik had een oom voor wie gewoon alles wat verkeerd liep “een straf van Jezus was”. En dat is natuurlijk onzin. Indien wij, in ons denken, ook maar de minste neiging in die richting vertonen, moeten we daar resoluut komaf mee maken.
De wereld is wat hij is. Het menselijk leven is wat het is. Er gebeuren prachtige dingen, maar evengoed verschrikkelijke dingen.
Er zijn in ons leven momenten van opperste geluk en extase, maar er is ook afzien en lijden en dood. Dat is ons leven, dat is onze wereld.
God is niet Iemand die ons bij dat alles het leven voortdurend nog eens extra zuur wil maken als wij niet binnen de lijntjes kleuren.

Uitkijken
God wil integendeel dat wij een mooi, goedgevuld en zinvol leven uitbouwen.
Maar blijkbaar zijn Zijn criteria voor een gelukkig leven helemaal anders dan de dingen waar wij spontaan aan denken.
En precies om te vernemen wat de echte en de juiste criteria zijn om tot een geslaagd en gelukkig leven te komen, is het belangrijk dat wij waakzaam zijn, dat wij alert zijn voor elke wenk die van Hem zou kunnen komen.
Want God komt echt niet alleen maar aan het eind van ons leven op ons af.
Als je er echt aandacht voor hebt (en geloof) dan merk je dat Hij je voortdurend aanspreekt in duizend, vaak onverwachte dingen.
En als je dan daarbij nog beseft dat God liefde is en niet alleen wil dat wij van ons leven iets moois maken maar ons daarbij ook nog wil helpen, dan kan je alleen nog maar uitkijken, vol verwachting uitkijken naar zijn komen in ons bestaan.
En dan ga je echt waakzaam en alert worden en i.p.v. angst te hebben voor zijn komen, het zeker niet willen missen.
Omdat je weet dat echt en diep levensgeluk alleen maar je deel kan zijn als je in harmonie leeft met de grond van het bestaan, met God.
En daarom is het zo belangrijk om precies te weten wat God van ons verlangt.
En hier stuiten we meteen op de grote moeilijkheid bij onze zoektocht.

Anders
Want hoe meer wij beginnen te begrijpen wat God van ons wil, hoe meer we beseffen dat dat verlangen van God iets heel anders is dan wij tot dan toe hadden gedacht. Ons idee van goed, zinvol, gelukkig en moreel leven is een leven van werken en creatief zijn, genietend van de goeie dingen van het leven, en, tezelfdertijd, toch ook niet vergeten je af en toe in te zetten voor anderen.
Dat is zo ongeveer ons idee van “goed en zinvol leven”.
Maar hoe meer wij God leren kennen, hoe meer we beseffen dat Hij iets heel anders met ons voorheeft.
God wil niet zozeer dat wij deftige burgers zijn die regelmatig ook een steentje (of een centje) bijdragen aan het werken aan een betere wereld.
God wil op de eerste plaats dat wij werken aan onszelf. Dat wij, voor wij beginnen aan de wereld, eerst onszelf helemaal “herbouwen”. Met zijn hulp.
Pas als wij dichter bij Hem komen en meer en meer op Hem beginnen te lijken en zelf ook liefdevolle wezens worden, zijn wij klaar om de wereld in te trekken en daar iets duurzaams te verrichten.

Kern
Je bent geen christen omdat je Rode Neuzen steunt of De Warmste Week. Dat doen de banken immers ook. En banken, hoe belangrijk die ook zijn, kan je toch moeilijk verdenken van christelijke ambities. Maar je bent op de goede weg als je, met Gods hulp, elke dag werkt aan jezelf en systematisch, beetje bij beetje, alles uit je hart wegwerkt wat tegen de liefde ingaat. Als je dat doet wordt het steunen van Rode Neuzen en De Warmste Week een zinvol onderdeel van een veel groter geheel; van een proces, een omwenteling: de ombouw van jezelf tot een liefdevol mens.
Het is daarover dat het christendom gaat. Over niets anders.
Pas als we dit ten volle beseffen, kunnen wij mét Paulus zeggen:
“De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan.”
“Het uur om uit de slaap te ontwaken is aangebroken . . .”

Het einde van de wereld

Zondag 17 november 2019, drieëndertigste zondag door het jaar (jaar C)

De evangelielezing van vandaag is een typisch voorbeeld van wat men gaan noemen is: apocalyptiek. Het zijn bloedstollende verhalen over al de verschrikkingen die aan het einde der tijden voorafgaan.
Het is het geliefkoosde genre van sommige predikanten en van mensen die met de Bijbel de deuren aflopen en die ervan uitgaan dat de Blijde Boodschap er het beste ingaat als je eerst de mensen de stuipen op het lijf hebt gejaagd.
Nu, het is ook nogal wat: oorlogen, onlusten, aardbevingen, hongersnood en pest, allerlei tekenen aan de hemel en zware vervolgingen.
Je zou voor minder in je schelp kruipen.
En toch . . . als je er rustig over nadenkt, dan merk je dat het niet gaat over onvoorstelbare, bovennatuurlijke wereldse fenomenen, maar om zaken die we kennen.
De vier afzichtelijke ruiters van de Apocalyps: oorlog, besmettelijke ziekten, hongersnood en valse profeten, moeten niet opeens op het einde der tijden verschijnen. Ze zijn er altijd al geweest, ze gaan met ons mee doorheen de geschiedenis. We zijn er nog nooit in geslaagd hen helemaal van ons af te schudden.

Deze wereld
Maar tot voor kort hebben wij dat nooit beseft.
Pas de recente ontwikkeling van de massamedia heeft gemaakt dat wij weten dat, over de hele wereld gezien, er voortdurend oorlogen en natuurrampen zijn, dat wij het hongerprobleem nog verre van opgelost hebben en dat overal op deze aarde op ditzelfde moment christenen vervolgd en vermoord worden om hun geloof. (Al wordt daarvan hier in het westen zelden melding gemaakt in de pers. Waarschijnlijk is dat niet belangrijk?)
Als je dat nu allemaal op een rij zet, dan merk je dat de zogenaamde beschrijving van het einde der tijden niets anders is dan een beschrijving van de wereld zoals hij is. En zoals hij overigens altijd geweest is.

Inzet
Wat het evangelie ons zegt is: dat is de wereld. Waarom hij zo en niet anders is, weten wij niet. Maar dat is de wereld en in die wereld moeten wij leven.
En met alle kracht die in ons is, op zoek gaan hoe wij die wereld kunnen verbeteren. Hoe wij van een wereld waarin al die verschrikkelijke dingen gebeuren, toch meer en meer een echte thuis kunnen maken voor alle mensen.
De verleiding is zelfs groot om te veronderstellen dat de wereld juist zo krakkemikkig in elkaar steekt om ons de kans te geven er verbeterend in op te treden. Maar dat is waarschijnlijk een brug te ver en misschien alleen maar pure speculatie.
Maar het is in ieder geval wel zo dat het onaf zijn van de wereld ons de kans geeft om met al de liefde en al de werklust en daadkracht die in ons is, ons in te zetten om die wereld meer herbergzaam te maken voor alle mensen.
Om via het werken aan onszelf, het op gang brengen van vredesprocessen en via wetenschappelijke vooruitgang en technologische verwezenlijkingen van deze aarde, meer en meer een tuin van Eden te maken waar mensen gelukkig kunnen leven.

Einde
Maar hoe zit dat dan met het “einde der tijden”?
Ik denk dat wij ons over dat einde der tijden niet te veel zorgen moeten maken.
Ooit zal de aarde verdwijnen, zoveel is zeker. Bijvoorbeeld door een botsing met één of andere reusachtige komeet.
Maar dat kan gemakkelijk nog enkele miljoenen jaren uitblijven en heeft dus voor ons persoonlijk leven geen enkel belang.
Strikt genomen, en dat is helemaal niet egocentrisch bedoeld, is het “einde der tijden” niets anders dan het moment waarop ik sterf.
Voor de wereld, voor de mensheid, is mijn dood nog minder dan een onooglijk rimpeltje op een kalme zee, maar voor mij persoonlijk is mijn dood, “het einde der tijden”. Als ik sterf, stort voor mij de hele wereld in.
“De molen maakt geen geluid meer, het scheprad breekt in stukken, de waterkruik valt in de put. Het stof keert terug naar de aarde.” (Prediker, hoofdstuk 12). Alles valt stil.

Hoop
En voor de mensen die dat te wachten staat, voor ieder van ons dus, zijn deze teksten geschreven. Deze teksten zijn niet geschreven om mensen angst aan te jagen voor een mythisch einde der tijden. Ze zijn geschreven om mensen moed in te spreken als ze hun wereld zien instorten.
Ze zijn geschreven toen de eerste zware vervolgingen waren losgebroken en christenen als volksvermaak voor de leeuwen werden gegooid.
En ze zijn geschreven voor ieder van ons. Voor ieder die ouder wordt, zijn krachten voelt afnemen en “het einde der tijden” voelt naderen.
Want het zijn wezenlijk teksten van hoop.
Ze geven ons moed en richten ons op. Zij sporen ons niet aan tot naïef optimisme over de wereld en over hen die het daar voor het zeggen hebben.
Want in die wereld gebeuren verschrikkelijke dingen en tirannen zijn van alle tijden. Maar ze sporen ons aan heel onze hoop te stellen op Hem die alles nieuw maakt.
Want Hij, en niets of niemand anders, heeft het laatste woord. Hij alleen.
Waarvoor wij in ons uur van diepste nood, kunnen bidden met psalm 131.

De stormen zijn bedaard in mij
en vredig is mijn geest.
Zoals een kind op moeders schoot,
zo veilig voel ik mij.
Zoek dus uw toevlucht bij de Heer
van nu af voor altijd.

Heilzame barst – Allerheiligen

Vrijdag 1 november 2019 – Allerheiligen (jaar C)

Op Allerheiligen vieren wij het feest van alle mensen die op een heel eigen maar ook heel radicale manier Jezus hebben nagevolgd in hun leven. Mensen van wie wij zeker kunnen zijn dat zij hun doel bereikten en nu leven bij God.
En daardoor werden ze een voorbeeld voor alle christenen.
Maar hun navolgen van Christus was zo strikt persoonlijk, individueel en uniek dat wij hen niet moeten proberen te kopiëren. Zij moeten ons alleen maar “goesting” doen krijgen om op onze eigen, persoonlijke manier ons geloof radicaler te beleven.
Een kleine jongen kan gefascineerd opkijken naar voetballers als Ronaldo.
Maar als hij zelf een groot voetballer wil worden, moet hij zijn eigen weg vinden. Hij mag niet proberen een kopie, een doorslag van Ronaldo te worden, want dan wordt het niets. Straks komen we daar nog op terug.

Gedenken
Nu eerst iets anders. Mét de jaren hebben wij, de gewone mensen in de Kerk, van Allerheiligen een opstapje gemaakt naar Allerzielen. En gedenken wij twee dagen lang onze eigen dierbaren die overleden zijn. Er zijn weinigen van ons op Allerheiligen nog bezig met de heiligen die officieel door de Kerk als voorbeeld zijn aangewezen. O.K., dat is dan maar zo. “Vox populi, vox Dei”, “de stem van het volk is de stem van God”.
Maar laat ons dan misschien ook eens even kijken naar dat “gedenken” van onze overledenen. Wat bedoelen wij eigenlijk met dat “gedenken?”
Gedenken wij hen zoals wij feiten en gebeurtenissen gedenken die ooit hebben plaatsgevonden, maar die nu zijn afgesloten en alleen nog leven in onze herinnering? Of geloven wij dat onze dierbaren ook echt verder leven, niet alleen in onze herinnering, niet alleen “in ons hart”, maar echt?

Bewust
Christenen geloven in leven na de dood.
In het centrum van ons geloof staat de Verrijzenis van Christus.
Wij geloven dat Jezus, gekruisigd en begraven, leeft bij God. En dat als gevolg van zijn leven, dood en verrijzenis, allen die zich zoals hij openstellen voor de liefde van de Vader, mét hem de dood zullen overwinnen en leven.
Hoe dat leven na de dood eruit ziet weten wij niet. Wij vermoeden dat het een totaal andere wijze van leven zal zijn. Maar hoe het precies zal zijn weten we niet. Wel, dat het een bewust verder leven zal zijn.
De oosterse idee van opgenomen worden in het Al, opgaan in God, zoals een druppel in een oceaan, is heel mooi op het eerste gezicht. Maar een druppel verdwijnt in de zee, lost erin op, houdt op met te bestaan. Terwijl wij geloven dat ons bewustzijn op de een of ander manier verder leeft.
Maar hoe, dat moeten wij helemaal overlaten aan Gods vindingrijkheid. Wij kunnen ons daar zo goed als niets bij voorstellen.

Braaf
Misschien kunnen wij nu toch even teruggaan naar de heiligen die wij vandaag geacht worden te vieren: de mensen die door de Kerk officieel zijn bevestigd als christenen die het geloof op eminente manier hebben beleefd en belichaamd. En die daardoor terecht zijn bij God en een voorbeeld werden voor ons allen. De officiële heiligen dus. De heiligen waar wij kaarsjes voor branden, de heiligen die geacht worden onze “voorsprekers” te zijn en waar nogal wat katholieken al eeuwenlang soms op een meer vertrouwensvolle manier mee omgaan dan met God en met Jezus.
Want God is tenslotte . . . God, en heiligen zijn mensen zoals wij. En dat is juist.
Maar precies dat laatste vergeten wij in de praktijk nogal eens. Wij zetten hen letterlijk en figuurlijk op een piëdestal.
Vandaar dat wij verwonderd opkijken als paus Franciscus (en hij doet dat voortdurend) iedere christen oproept tot heiligheid.
Heilig-zijn lijkt wel heel erg ver van ons bed. Omdat in ons christelijk onderbewustzijn de idee heeft postgevat dat heiligen ook in het echt een soort plaasteren beelden waren, mensen die een stuitende braafheid ten toon spreidden.

The crack
Maar dat is niet zo. Juist de grootste heiligen blijken in werkelijkheid vaak nukkige, dwarsliggende naturen geweest te zijn, met een moeilijk karakter.
Mensen die vaak ook hun hele leven last hadden van de hartstochten die in hen leefden, net zo goed als in ons.
Ze zijn zoals wij. Niets menselijks is hen vreemd.
Maar zij hebben zich wel radicaal opengesteld voor Gods liefde. Zich zodanig voor Hem opengesteld dat Gods liefde meer en meer in hen gestalte kreeg. Van hen uit naar buiten kwam. Onze gebreken moeten ons dus niet afschrikken.
Soms lijkt het er zelfs op dat juist onze gebrokenheid en onze onmacht de ontmoeting met God mogelijk maakt. Dat juist in onze zwakheid en via onze kwetsuren, God bij ons kan binnenkomen.
Omdat juist onze wonden, ons pantser verzwakken. En alleen als ons schild van zelfbehoud barsten vertoont, er plaats is voor overgave. Alleen als er een barst komt ik hét pantser dat wij jarenlang als een monsterlijk koraalrif om ons heen bouwen, kan God binnenkomen. Heiligen gaan vaak heel anders leven na een ernstige ziekte, volledige ontreddering of groot verdriet. Juist in onze grootste ellende vindt de Genade vaak zijn weg. “There is a crack in everything”, zingt Leonard Cohen, “that’s how the light gets in”. In alles komt wel ergens ooit een barst, en juist daardoor komt het licht binnen.

Rationalisme voldoet niet

Zondag 27 oktober 2019, dertigste zondag door het jaar (jaar C)

Een tijdje geleden was ik in het ziekenhuis op bezoek bij iemand die ik niet kende, maar die wel in één van onze parochies woont.
Nadat wij tot ons wederzijds ongenoegen hadden vastgesteld dat hij antikatholiek was en ik pastoor, opende hij meteen het gesprek met een belangrijke mededeling. Ik vernam dat al de mensen die niet deugen op zondag in de kerk zitten. Normaal zeg ik dan: heeft uw grootmoeder dat helemaal alleen gevonden? Maar ik bedacht nog net op tijd dat je niet op ziekenbezoek gaat om een potje ruzie te maken met een patiënt.
Maar inderdaad, vroeger, 50, 60 jaar geleden werd dat nogal eens gezegd. En in zekere zin terecht, gewoon omdat iedereen toen in de kerk zat. Omdat zowat iedereen katholiek was, had de kerk een enorm aanzien en een sterke aantrekkingskracht. En was de zondagsmis de place to be als je zelf ook “iemand wilde zijn” in de gemeenschap. En dat maakte natuurlijk dat ook minder nobele heerschappen zich vromer voordeden dan ze waren. Farizeeërs noemde men hen. En mensen die het geloof niet erg genegen zijn hebben soms weinig moeite om die titel te plakken op elke kerkganger. Ook nu nog.
Diezelfde onvriendelijke generalisering werd vroeger ook toegepast op de echte farizeeërs. Het woord is daardoor een begrip geworden. Terwijl de echte farizeeërs in Jezus’ tijd doorgaans juist heel voortreffelijke mensen waren die voorbeeldig leefden.

Zelfvoldaan
Jezus heeft dan ook niets tegen hun manier van leven, maar wel tegen de houding die sommige voortreffelijk levende mensen soms aannemen tegenover God. Ook wij. Een houding die getuigt van een zekere zelfvoldaanheid, van een nogal opgetogen zijn over jezelf. Je zegt het dan wel niet op de manier van de farizeeër in het verhaal, lachwekkend en stuitend tegelijk. Maar ondertussen zit je wel fijntjes te denken dat God blij mag zijn dat Hij je heeft.
De enige houding echter die passend is als je voor God staat, is er een van volstrekte nederigheid. En je moet daar echt niet veel moeite voor doen.
Als je bidt en je beseft dat je voor God staat, als het echt tot je doordringt wie het is die je voor je hebt, dan zal elke neiging om op te scheppen over de eigen kwaliteiten je helemaal vergaan.
Sterker nog, als je, staande voor God, meent jezelf te moeten aanprijzen, dan is dat een duidelijk bewijs dat je totaal niet beseft wie God is. Omdat je Hem dan behandelt als een chef-de-bureau, bij wie je een wit voetje wil halen. Een nog grotere onwetendheid in de zaken van God is nauwelijks denkbaar. God kent ons beter dan wij onszelf kennen. Hij moet niet overtuigd worden van onze verdiensten en kwaliteiten. Hij kent die. Maar Hij wil ons juist helpen met al het andere.
Graag was ik vandaag ook nog even teruggekomen op die wonderen en mirakelen, waar we het vorige week over gehad hebben.
De verrijzenis van Christus is de kern van ons geloof.
Welnu, de verrijzenis van iemand die dood was, is in ieder geval iets wat wij met ons verstand en onze wetenschap niet kunnen bevestigen of zelfs maar begrijpen. Integendeel, ons verstand zal dat eerder willen ontkennen.
Wanneer christenen niettemin toch geloven in de Verrijzenis, dan wil dat zeggen dat zij geloven, en af en toe ook ervaren, dat het leven een diepte, een dimensie (of hoe je het ook wil noemen) heeft waar wij met ons verstand niet kunnen in doordringen. Waar ons verstand zelfs geen weet van heeft en waarvan het het bestaan spontaan wil negeren.
Maar eens dat je gelooft in Jezus’ verrijzenis, is het logisch dat je ook minder moeite hebt met andere uitingen van die geheimzinnige diepte van de werkelijkheid, die aan rationele verklaringen ontsnapt. Dat je minder moeite hebt met wonderen die regelmatig gerapporteerd worden in de Bijbel, maar ook in onze tijd.

Bevooroordeeld
Maar als er dan zo’n wonder gemeld wordt, zoals onlangs nog met dat ophefmakende Eucharistisch mirakel in Polen, dan krijg je heel merkwaardige reacties. En daar is het mij vandaag om te doen. Niet om hier te bevestigen of te ontkennen dat “het echt is of niet”. Dat weet ik niet, daarvoor moeten wij wachten op verder onderzoek. Maar wat mij vandaag speciaal fascineert zijn de reacties op zo’n bericht.
Gelovigen reageren daar geïnteresseerd en nieuwsgierig op, eerbiedig ook en met bepaalde verwachtingen. Maar toch ook met een zekere reserve: geknoei en gefoefel kan nooit op voorhand uitgesloten worden. (Denk aan de vele “wenende madonna’s”).
De echt angstige reacties komen uitgerekend vanuit de rationele, wetenschappelijke hoek. Niet van elke wetenschapper natuurlijk. Er zijn wetenschappers die onbevooroordeeld de fenomenen onderzoeken. Maar er zijn er ook heel wat die, ondanks de uitdrukkelijke vraag van de Kerk, de fenomenen zelfs niet willen onderzoeken: het KAN en het MAG immers niet waar zijn. Het MOET bedrog zijn.
En dat is grappig. Want als morgen blijkt dat het gaat om bedrog, dan vind ik dat als katholiek jammer, maar dat doet niets af aan mijn geloof. Maar als een rationalist morgen niet anders kan dan aannemen dat er nog wat anders bestaat dan datgene wat zijn verstand kan begrijpen, dan stort zijn wereld in.
En dat is dan tragisch en komisch tegelijk.
Want zij zeggen altijd dat gelovigen angstige mensen zijn.

Hopen op een wonder

Zondag 20 oktober 2019, negenentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

In het evangelie van vandaag worden weer twee markante figuren tegenover elkaar geplaatst. Aan de ene kant een erg cynische rechter, die het niet direct als zijn roeping ziet om de mensen op een eerlijke manier recht te verschaffen. En aan de andere kant een weduwe, die zich door de nukkigheid van de rechter niet uit het veld laat slaan. En die blijft aandringen, net zolang tot ze gehoord en in het gelijk gesteld wordt.
Die twee figuren en hun verhaal zijn alleen maar decor. Wat Jezus ons duidelijk wil maken is dat als wij een gerechtvaardigd verlangen hebben, dat wij dat dan in gebed voor God moeten brengen. En dat wij, zoals de weduwe in het verhaal, ons niet uit het veld mogen laten slaan als ons gebed niet onmiddellijk verhoord wordt. Dat wij moeten blijven aandringen, te pas en te onpas.
Dat wij . . . geduld moeten hebben met God en niet opgeven. Dat wij de hemel moeten blijven bestormen, net zolang tot we verhoord worden.

Oplossing?
Impliciet zegt Jezus hier dat we altijd verhoord worden. Misschien op een heel andere manier dan we hadden gedacht of gehoopt, maar dat we hoe dan ook verhoord worden. Als we tenminste blijven bidden.
En dat is dan meteen ook het klassieke antwoord op de vraag: hoe komt het dan dat wij zo vaak de indruk hebben dat ons vragen, ons smeken zelfs, vaak niet verhoord wordt? Het antwoord is: God verhoort ons altijd, maar dan wel op zijn manier, op de manier die Hij het best vindt voor ons. Dat is het klassieke antwoord. En dat doet natuurlijk erg denken aan wat we tijdens onze opvoeding zo vaak te horen kregen: “Papa en mama weten het best wat goed voor je is”. En dus voldoet dat antwoord ons ook niet echt. Wij zijn ondertussen volwassen mensen geworden en echt voldaan zijn we pas als op een concrete vraag, een concreet antwoord komt. En dus zijn de theologen zich ernstig met dit probleem gaan bezighouden en ze zijn in onze tijd met de volgende oplossing gekomen.
God, zeggen ze, verandert niet de wereld, maar Hij verandert mensen.
En mensen veranderen de wereld.

Focus verleggen
Daar steekt ongetwijfeld waarheid in.
Geen enkele mens die bidt zal dit ontkennen. Heel vaak gaat ons probleem, wanneer wij bidden, zich oplossen doordat wij er heel anders naar beginnen te kijken. Of, eveneens als gevolg van ons gebed, wij zelf wegen gaan vinden om het probleem op te lossen.
Strikt genomen heeft God dan de werkelijkheid, de situatie niet veranderd en toch is het probleem verdwenen.
Om nu zeker niet de indruk te wekken dat gebed je slimmer of handiger maakt, je vaardigheden aanscherpt, je meer bekwaam maakt om moeilijkheden aan te kunnen, wil ik er onmiddellijk bij vertellen dat dit niet zo is. Wat gebed wel doet, is je kijk op de situatie veranderen.
Hoe échter je gebed, hoe dichter je bij God komt en hoe meer je “besmet” raakt door de liefde die van God uitgaat. En dat gaat dan weer maken dat je de focus verlegt, weg van jezelf.
Terwijl je bidt, ga je jezelf minder en minder zien als het centrum van de kosmos, waardoor je ook objectiever kunt kijken naar het probleem.
En daardoor alleen al kun je dichter bij een oplossing komen.

Ervaren
Wij mogen dat element zeker niet onderschatten. Wij hebben immers nogal wat problemen die veroorzaakt, in stand gehouden of versterkt worden doordat wij zowat alles in verband brengen met ons eigen heilige “Ik”. Wanneer wij dat “Ik” wat kunnen relativeren, klaart al veel op.
Maar bidden en het gevolg ervan is natuurlijk meer dan een psychologische truc.
Wanneer wij bidden, gaan wij ongewapend voor God staan. Dan stellen wij ons helemaal open voor wat Hij ons te zeggen heeft. En wij geloven dat God dan ook werkelijk spreekt in ons hart. Ook al weten wij dat onze psyche ingewikkeld werkt en soms spelletjes met ons speelt. Maar hoe échter ons gebed, hoe dichter wij bij God komen, hoe meer wij zullen ervaren dat Hij er is, dat Hij ons draagt en dat Hij soms ook echt tot ons spreekt.

God inperken
Aan dit alles wil ik echter nog iets toevoegen.
Vele hedendaagse theologen vatten alles, zoals gezegd, samen met de slogan: “God verandert de wereld niet. God verandert de mensen en mensen veranderen de wereld”. En dat is natuurlijk waar, dat probeerde ik zojuist ook onder woorden te brengen. Maar het is niet volledig. De theologen die zich daarachter verschansen, willen God eigenlijk inperken. God mag alleen maar ingrijpen in ons hoofd. Maar niet fysiek. Geen wonderen of mirakelen dus.
Ik vind dat kinderachtig. Wij beweren voortdurend dat God ons volledig overstijgt, dat wij Hem nooit helemaal met onze rede kunnen vatten.
Maar als het gaat over zijn ingrijpen in ons leven, zullen wij eens gaan vertellen wat Hij mag en kan en wat niet. Is dat niet een beetje zielig? Want wat is dat anders dan God in ons beperkte kader willen wringen?
Geloven in de mogelijkheid van een wonderbaarlijk ingrijpen van God behoort wezenlijk tot ons geloof. Ook fysiek ingrijpen.
Hou dus elke mogelijkheid open. Blijf bidden.
En blijf vertrouwensvol uitkijken naar wat Hij gaat doen.

Over (on)dankbaarheid

Zondag 13 oktober 2019, achtentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

In het evangelie over de genezing van tien melaatsen lijkt het vooral te gaan over een verbazingwekkende machtsdaad van Jezus. Over een spectaculaire genezing van tien afschuwelijk verminkte en ongeneeslijk zieke mensen.
En dat is natuurlijk ook zo. Maar de pointe van het verhaal ligt elders.
Eigenlijk is het een verhaal over dankbaarheid en ondankbaarheid. Een verhaal over hoe vaak wij alle redenen hebben om dankbaar te zijn en hoe dikwijls wij het vertikken om dankbaarheid te tonen. Niet het minst omdat wij de goedheid die ons betoond wordt vanzelfsprekend vinden. Omdat wij er ons soms niet eens echt van bewust zijn dat er reden is om erkentelijk te zijn.
Of zelfs omdat wij het vernederend vinden om dankbaar en erkentelijk te zijn. Omdat wij menen dat wij daardoor erkennen dat wij anderen nodig hebben en wij dat geen fijn gevoel vinden.

Wanhoop
Heel anders is het met ons gesteld op het moment dat we noodgedwongen op anderen aangewezen zijn. Als wij dringend geholpen moeten worden. Momenten waarop onze toekomst helemaal afgesneden is, als we geen licht meer zien, geen enkele hoop meer hebben dat wij onszelf nog kunnen redden.
Op zo’n moment is alle hulp welkom. In zo’n situatie ga je niet meer zorgvuldig afwegen of het wel de gepaste hulp is en of de hulpverlener wel de aangewezen persoon is.
In een dergelijke situatie van wanhoop schreeuw je gewoon om hulp en is elk verlossend gebaar welkom, om het even van wie het komt.
Geloofden de melaatsen in Jezus? Geloofden ze in God? Dat heeft in de gegeven situatie weinig belang. Ze waren wanhopig. En ze hadden gehoord dat Jezus geweldige dingen deed. En dat was genoeg om elk ongeloof, elk mogelijk vooroordeel, om elke reserve opzij te zetten.
Mensen die zweren bij de traditionele, de klassieke geneeskunde komen soms in zo’n situatie terecht. De dokter kan geen enkele hoop meer geven, de wetenschap is aan het eind van haar latijn. En dan zie je soms hoe zo’n mensen zich, tegen hun eigen overtuigingen in, toch wenden tot alternatieve geneeswijzen. “Baat het niet, dan schaadt het niet”. En wie zou hun daarbij ongelijk durven geven?

Erg
Als mensen wanhopig zijn, als ze hevige pijnen lijden, als ze angst hebben om te sterven, dan grijpen ze wanhopig naar elke mogelijkheid van hulp.
Als de paniek toeslaat, maakt het absoluut niet meer uit wie mij helpt en hoe ik geholpen wordt, áls ik maar geholpen wordt. En dat is heel normaal en menselijk en helemaal niet erg. Erg wordt het pas als, nadat het gevaar geweken is of de ziekte overwonnen, ik terug doe alsof het allemaal niets bijzonders is, of ik eigenlijk alles alleen maar aan mijzelf te danken heb. Als ik, na geholpen of zelfs echt gered te zijn, het helemaal niet nodig vind om merci te zeggen. Omdat ik dankbaar zijn, vernederend vind, mij daar te groot voor voel. Erg is dat. Erg, niet alleen omdat ik mij daardoor van mijn ongecultiveerde kant laat zien. Maar erg, vooral omdat daardoor goede en hulp biedende mensen kunnen dichtklappen en besluiten in ’t vervolg twee keer na te denken alvorens iemand nog te helpen.

Dankbaar
Zusters en broers, omwille van de lezing van vandaag had ik het over extreme vormen van ondankbaarheid. Maar je kan de kwestie ook helemaal anders benaderen. En eens rustig nagaan bij jezelf hoe ongelooflijk veel redenen wij hebben om dankbaar in het leven te staan. Gewoon omdat het leven, ondanks alles, mooi en levenswaard is.
Er is zoveel schoonheid en vreugde in het leven, er zijn zoveel redenen om dankbaar te zijn. Er is zeker, wie zou het ontkennen, de neiging om God vooral te zien als een praatpaal aan wie wij onze nood kwijtraken.
Maar soms zeggen mensen ook dat ze blij zijn dat er een God is omdat ze anders met hun vreugde en hun dankbaarheid geen blijf zouden weten. Denk aan een van de grootste wonderen die een mens kan meemaken: de geboorte van een kindje. Je wordt gewoon overrompeld door gevoelens van geluk, je zou de hele wereld willen omhelzen. En je bent God of het leven of desnoods de kosmos oneindig erkentelijk, want je weet heel zeker: ik zit hier biologisch wel voor iets tussen, maar het is wezenlijk een geschenk. Dit heb ik niet zelf gepresteerd. Misschien zelfs niet eens verdiend.

Gelukkig
Maar ook in minder extatische momenten kunnen die gevoelens opborrelen.
Op een dag zit je gewoon in de wagen, de zon schijnt, de radio staat aan, het werk zit erop. En ineens is er die verwondering, die dankbaarheid ook. Gewoon al omdat er zoiets als een wagen en een radio bestaat. Herken je dat? Dankbaar omdat de zon schijnt, omdat er liedjes zijn, en zangers en goed onderhouden wegen.
Dat is allemaal niet aan mij te danken en toch mag ik ervan genieten . . .
Dankbaar ook omdat er een beenhouwer is (ik moet dus zelf niet op jacht) en een bakker die ervoor zorgt dat er straks brood is en taart. En goeie buren.
En mijn hond. Goddank, dat ik vrienden heb en familie. En een huis en een bed. En zo kan je eindeloos doorgaan. Misschien is dat wel de voornaamste weg naar gelukkig zijn. Af en toe rustig nagaan hoeveel redenen je hebt om dankbaar te zijn. Beseffen dat bijna alles wat je gelukkig maakt niet van jezelf komt, maar van anderen. Als een geschenk.
En dat beseffen maakt je nog meer dankbaar. En gelukkig.

Geloven leert zien

Zondag 6 oktober 2019, zevenentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

“Als je maar genoeg geloof had”, zegt Jezus, “dan zou je tot die moerbeiboom zeggen: ‘Plant je in zee’, en hij zou het doen”.
Heeft geloof dan toch iets met magie te maken? En is iemand die heel sterk gelooft – een heilige zeg maar – een soort Harry Potter, iemand die kan toveren? Laten we niet te vlug zijn met ons antwoord op die vraag.
Wat we in ieder geval meteen al kunnen zeggen, is dat Jezus duidelijk een enorme kracht toekent aan het geloof. En dan meer bepaald aan religieus geloof. Want dat geloof binnen het gewone dagelijkse leven, geloof in een project of geloof in jezelf, je al een heel eind vooruit helpt, is voor iedereen duidelijk. Maar geldt dit ook voor religieus geloof? Wat is trouwens “religieus”?

Diepte
Laten we eens kijken naar wat we bedoelen met een “religieuze ervaring”.
Het is een eerder zeldzame en ook kostbare ervaring, maar ik denk dat ieder van ons dat al minstens één keer in zijn leven heeft meegemaakt.
Ineens en meestal totaal onverwacht, is het er. Het lijkt erop of je ogen ineens met een klik op scherp worden gesteld. Heel de omringende werkelijkheid verandert. Eigenlijk verandert ze helemaal niet. Maar je ziet ze anders.
Ineens blijkt ze een diepte en een samenhang te bezitten die je voorheen niet eens vermoedde.
Het gras is groener, de ingeademde lucht opwindender en zelfs je ergste vijand blijkt één grote schreeuw naar liefde en genegenheid te zijn. Eén klein momentje heb je een volmaakt inzicht in alles. Alles hangt ook samen. Alles is één. En je bent volmaakt gelukkig. Eén klein momentje slechts heeft het geduurd en daarna ben je terug in de “gewone werkelijkheid”. Maar je weet heel zeker dat je heel even de echte werkelijkheid hebt gezien.

Samenhang
Zo’n religieuze ervaring is niet het gevolg van het geloof. Ook mensen die helemaal niet religieus zijn, doen soms zo’n ervaring op. Maar zo’n ervaring is wel vaak de oorzaak van geloof. Een uitnodiging tot verdieping.
Rationeel denken en wetenschap hebben ons leven met oneindig veel goeie dingen verrijkt. Maar terwijl ze de wereld in kaart brachten, hebben ze ook diezelfde wereld haar diepte ontnomen.
Alles lijkt een beetje dichtgeslibd en grijs geworden.
En terwijl de massa steeds meer onverschillig wordt t.a.v. geloof, wordt datzelfde geloof door velen herontdekt als de deur naar de echte werkelijkheid, achter de zichtbare en bestudeerbare werkelijkheid.
En dat is dan het eerste domein waar de kracht van het geloof zich laat kennen. In het vermogen namelijk om door te dringen in de diepte van de ons omringende werkelijkheid, door te dringen in het mysterie achter wat zichtbaar is. Om iets beginnen te vermoeden van de samenhang en de betekenis van de dingen die, wetenschappelijk gezien, geen enkele samenhang of betekenis hebben.

Vrijheid
Maar daarnaast laat geloof ons ook (en vooral) de waarheid over onszelf zien. Geloof stelt ons in staat en geeft ons de moed om naar onszelf te kijken zoals we werkelijk zijn. Inderdaad: de moed.
Want wat je te zien krijgt als je met de ogen van het geloof naar jezelf durft kijken, is niet prettig. En daarvoor heb je Gods hulp meer dan nodig.
Want je ziet dan met een ontstellende klaarheid, dat je vermeende vrijheid in werkelijkheid afhankelijkheid is. En je vermeende waarheid, waar je prat op gaat, een leugen.
Je ziet dat vrij worden niet betekent: vrij zijn om alles te doen wat je wil, vrij zijn van belemmeringen, vrij zijn van wetten en regels, vrij van mensen, vrij van God. Maar dat echt vrij worden betekent: loskomen van jezelf, van je nukken en grillen, van je onverzadigbare verlangens. Vrij worden van de leugen dat alles in de wereld alleen maar om mijzelf draait. (Bonhoeffer).
Alle grote christelijke meesters wijzen in dezelfde richting. Vrijheid betekent: jezelf in de hand hebben. En dat is precies het tegenovergestelde van de populaire opvatting over vrijheid, namelijk: jezelf altijd maar “involgen”.
Elke goesting, elke bevlieging, elke drang involgen.
Want dat is, zo leert je het geloof, juist slaaf zijn. Slaaf zijn van jezelf.
Echt vrij ben je pas als je die dingen onder controle hebt.

Meester
Vrij ben je pas als je meester bent over jezelf. Als je bijvoorbeeld je mondmitraillette in toom kan houden, als je opkomende driftbuien in het gareel kan houden, en je meester blijft over je misplaatste neigingen (gulzigheid, jaloezie, geldingsdrang enz.). Als je daar meester over blijft, dan ben je vrij. En juist niet als je aan die dingen toegeeft. Dan ben je slaaf.
Dat zijn de twee voornaamste dingen die het geloof je leert. Kijken doorheen de oppervlakte en de schijn. Oog krijgen voor de diepte van de ons omringende werkelijkheid en kijken naar onszelf zoals we werkelijk zijn.
“Als je dat doet”, zegt Jezus, “dan gebeuren er onvoorstelbare dingen”. Dan kan je tot die moerbeiboom zeggen: “Plant je in zee”. En hij zal het doen.

Geld

Zondag 29 september 2019, zesentwintigste zondag door het jaar (jaar C)

Vorige week hebben we het er al over gehad dat het christelijk geloof een neutrale houding aanneemt t.a.v. het fenomeen geld. Geld is gewoon een betaalmiddel. En het maakt op een voortreffelijke manier het gesleur en gesjouw van de vroegere ruilhandel overbodig.
Maar voorzichtigheid is wel geboden. Geld, rijkdom en bezit kunnen blijkbaar heel gemakkelijk een hartstocht worden. En nogal wat mensen verheffen geld tot god. D.w.z. dat zij er werkelijk door gefascineerd zijn, er alles van verwachten, er al hun vertrouwen in stellen. En dan wordt de jacht op geld een nietsontziende hartstocht, die soms letterlijk over lijken gaat.

Nuttig
Maar ons geloof heeft zeker geen moeite met geld of welstand op zich.
Sommige strekkingen binnen het christendom spreken er zich zelfs expliciet voor uit. Het calvinisme bijvoorbeeld, ziet in welstand een duidelijk teken dat God je goedgezind is en je zegent.
Nogal wat onderzoekers situeren dan ook bij de komst van het calvinisme het ontstaan van het kapitalisme.
Zeker is in ieder geval dat in de 17de eeuw een onbetekenend landje als Nederland, onder invloed van het calvinisme op korte tijd uitgroeide tot de eerste handelsnatie ter wereld. Wat welstand bracht aan heel veel mensen.
Denk bij ons, katholieken, aan de ontelbare congregaties en bewegingen van zusters en paters, die de eeuwen door, reusachtige fortuinen verzamelden.
Niet om zelf een luxeleven te leiden, maar om scholen en ziekenhuizen op te richten en om allerlei nutsvoorzieningen te financieren.
Je kan dus met geld heel veel nuttige dingen doen. En je kan met je geld vooral ook goed doen voor mensen die het minder breed hebben dan jij.
Het mag bovendien gerust ook eens met zoveel woorden gezegd worden dat er ook in onze tijd nogal wat rijke mensen zijn die aanzienlijk veel geld overmaken aan hulporganisaties en stichtingen. Stichtingen die op een heel professionele wijze geleid worden en het leven van minderbemiddelde mensen gezonder, gemakkelijker en aangenamer maken.
Tegenwoordig hebben trouwens ook de meer linkse mensen onder ons zich verzoend met de vrije markteconomie en het privébezit. Ze blijven alert voor overdrijvingen en misbruiken, maar zowat iedereen erkent momenteel de voordelen van privéondernemerschap boven de rompslomp van staatsmonopolies.

Onzinnig
Geld, bezit en vermogen zijn dus helemaal niet vies op zich. Integendeel.
Het enige waar we moeten voor oppassen is dat geld geen hartstocht wordt. Misschien klinkt dat een beetje melig.
Maar wie zou durven ontkennen dat er van geld inderdaad een zeer geheimzinnige aantrekkingskracht uitgaat? Geld verleidt.
Het lijkt wel of het bemind wil worden om zichzelf. Dat het over een soort magisch vermogen beschikt om mensen tot . . . liefdesslaaf te maken.
Iedereen kent het verschijnsel: vele mensen die al veel geld hebben willen altijd maar meer. Hoe meer ze hebben, hoe meer ze er bij willen. En toch . . .
Warren Buffett, één van de allerrijkste mensen van de wereld, die zegt daarover dat zijn verstand daar niet bij kan.
“Niets is zo dom en onbegrijpelijk”, zegt hij, “dan als je al rijk bent, altijd nog rijker willen worden. Dat is toch onzinnig. Zelf blijf ik werken omwille van het pure plezier van het ondernemerschap. Maar nog rijker willen worden als je al rijk bent, dat is toch complete onzin”.
Tot zover Warren Buffett.

Obsessie
Jezus spreekt zich over zulke zaken niet direct uit.
Waar hij wel voor waarschuwt en heel duidelijk gevaar in ziet, is dat hartstocht voor geld heel vaak gepaard gaat met toenemende hardvochtigheid.
Hoe groter de liefde voor het geld, hoe groter de onverschilligheid wordt voor de andere mensen.
Hoe meer rijkdom en bezit een dwanggedachte worden, hoe meer de gevoelloosheid voor de armoede en het leed van anderen toeneemt.
Wanneer geld een obsessie wordt, werkt het heel destructief. Vernietigend voor anderen, maar uiteindelijk ook vernietigend voor onszelf.
Als geld god wordt, dan drogen de levenssappen op. De harten verdorren, vriendschappen doven uit, relaties gaan stuk. Dan wordt de aarde weer woest en leeg. En terwijl wij denken alles te winnen, ontglipt ons het leven zelf, als zand tussen onze vingers.
Want de geldgod is een jaloerse god. Hij eist ons helemaal op, duldt niets of niemand naast zich. Geen mens en ook geen God.
Alle hoop, alle verwachtingen die wij normaal stellen op de echte God, eist deze namaak-god op voor zichzelf. Maar hij blijkt een aartsbedrieger te zijn.

Volheid van leven
Hij is een namaak-god die niets vermag tegen onze ultieme vijand: de dood.
Integendeel, hij brengt de dood zelfs binnen in ons leven. Waar hij heerst, sterft alles af.
Het enige tegengif tegen deze geldgod is de God van Jezus.
Een God die staat voor liefde en warmte, voor bevrijding en volheid van leven.
Volheid van leven voor onszelf en volheid van leven voor de mensen rondom ons.