Alle kennis is vloeibaar

Zondag 20 december 2020

“Wat hebben ze ons vroeger toch allemaal wijsgemaakt?”, was een uitspraak die je vaak hoorde in de jaren na het 2de Vaticaans concilie. Meestal werd ze gedaan met een knipoog, zonder een spoor van bitterheid: men voelde zich niet echt gedupeerd. En dat wijst erop dat ook de “gewone” mensen allang doorhadden dat de hemel niet echt een kwestie was van rijstpap eten met gouden lepeltjes. En dat de “specialisten” zoals Augustinus in de 4de eeuw al begrepen dat de scheppingsverhalen en dat van Adam en Eva, volkse verhalen waren die een zekere leemte moesten opvullen.
Er was namelijk het universeel menselijk aanvoelen van een mysterie achter de zichtbare werkelijkheid. En precies de zoektocht naar, het willen begrijpen van dat Mysterie, gaf het ontstaan aan de godsdiensten. Maar omdat een mysterie per definitie nooit helemaal te vatten is, zijn er leemten in de kennis en dus ook verschillen tussen de religies.
En krijg je ook allerlei (goedbedoelde) verhalen die die leemtes moeten opvullen. En daar kon je mee leven.

Heibel
Ambras krijg je pas als je vanuit de zoektocht naar het Mysterie al te concrete uitspraken gaat doen over de zichtbare en meetbare werkelijkheid. Want dan zit je op het terrein van de wetenschap. En die gaat, met de tijd, een aantal verhalen overbodig maken en vervangen door exacte kennis.
Zo was het wachten op de Poolse monnik Copernicus om in te zien dat de gedachte dat de zon en de sterren draaien rond het aardse centrum (een gedachte die door het Oude Testament gesuggereerd wordt) gebaseerd is op gezichtsbedrog (als wij gewoon naar de hemel kijken lijkt dat immers ook zo). Maar toen Copernicus achter zijn telescoop ging zitten, zag hij wat anders en legde zo de grondslag van de moderne kosmologie.
Een andere monnik, Mendel, (de man van de chromosomen), ontdekte dat het niet zo was dat “God alle planten en dieren had geschapen, ieder naar hun soort”. Mendel lag aan de basis van de moderne genetica. In de reusachtige kloostertuin kweekte en kruiste hij bonen en erwten naar hartenlust en ontdekte dat wij al een hele voorgeschiedenis hebben als wij geboren worden.
De andere paters in het klooster kregen ondertussen dagelijks die erwten en bonen op hun bord. Het moet daar een erg winderig klooster geweest zijn.
Darwin ten slotte, ontdekte dat zelfs hele soorten evolueren. En zo kan je eindeloos doorgaan.

Toegenomen kennis
Belangrijk is het, te zien dat men ons nooit iets heeft willen wijsmaken. Het is gewoon zo dat de kennis altijd maar groter wordt en oude “inzichten” moeten worden losgelaten.
Speciaal waar het om zaken gaat die behoren tot de zichtbare en meetbare werkelijkheid en die bijgevolg het terrein zijn van de wetenschap.
De Kerk heeft, zoals elk zwaar en log instituut, een hekel aan grote verandering. Ze is echter genoeg rationeel ingesteld om niet te lang de loopgraven in te gaan, maar alles grondig te onderzoeken.
Als ze ons ooit iets heeft “wijsgemaakt”, dan is dat de gedachte dat ze onveranderlijk zou zijn. Dat ze “als een monoliet zegevierend door de eeuwen gaat”, zoals men dat vroeger zei.
Dat is niet waar.
Het behoort juist tot het genie van het christendom dat het alle deugdelijke nieuwe inzichten uiteindelijk omhelst en in zich opneemt.
Precies dáárdoor is de Kerk eeuwig. Sociologisch gesproken dan. Want voor de gelovige is er een andere reden: Christus zelf is haar echte Hoofd.

Zondagsmis

Zondag 13 december 2020

Al geruime tijd voeren een aantal mensen actie om wat zij noemen het “verbod” op religieuze vieringen ongedaan te maken, omdat dit strijdig zou zijn met de godsdienstvrijheid die door de grondwet gewaarborgd wordt. De Raad van State heeft daar nu, ten gerieve van de Joodse gemeenschap, een uitspraak over gedaan en onmiddellijk wekte dit grote verwachtingen bij sommige christenen, zeker naar Kerstmis toe.
Ik denk dat dit niet goed is. Om te beginnen is dit praktisch niet haalbaar.
In Lubbeek Sint-Martinus bijvoorbeeld komen op kerstavond en kerstdag normaal ongeveer 450 à 500 mensen naar de kerk. Stel dat de overheid beslist: 40 aanwezigen mag. En dan? Welke 40???
Daarmee zou men ons een fameuze pad in de korf zetten.

Solidair
Er is echter nog een veel belangrijker reden om niet happy te zijn met een eventuele “versoepeling” naar de Kerk toe.
Om te beginnen is er geen verbod op het vieren van de Eucharistie. Er is alleen maar een beperking opgelegd wat betreft het toegelaten aantal aanwezigen.
En die beperkingen, die zijn niet uitgevonden omwille van Kerstmis en voor katholieken alleen.
Die beperkingen gelden voor iedereen en op alle mogelijke terreinen.
Als wij ooit solidair moeten zijn met alle mensen, dan is het wel in deze crisistijd.
Godsdienstvrijheid is een zeer belangrijk recht en wij staan ook op dat recht, maar wij willen geen voorrechten. Als heel de maatschappij offers brengt, moeten wij geen uitzonderingen willen opeisen. Je zal van mij willen aannemen dat ik het als priester heel erg vind dat wij tijdelijk geen Eucharistie met heel de gemeenschap kunnen vieren. Maar er gebeuren deze dagen ergere dingen.
Mensen die zonder werk vallen, gezinnen die ineens van steun moeten leven, kinderen (en kleinkinderen) die in rusthuizen en hospitalen strikt gelimiteerd of helemaal niet aanwezig mogen zijn bij hun zieke en stervende ouders. Er zijn inderdaad ergere dingen. . .

Anderzijds
Anderzijds zijn er ook een aantal lichtpuntjes.
Het tijdelijk moeten missen van de Vieringen in het kerkgebouw heeft geleid tot een sterk toegenomen besef van het sociale karakter ervan, van het belang van fysiek aanwezig te zijn. En het gemis sterkt het verlangen ernaar.
Bovendien helpt het ons ook om meer solidair te zijn met onze zusters en broers in landen waar kerkvervolging heerst en waar het bijwonen van de Mis, gevangenisstraf of zelfs executie tot gevolg kan hebben. Dat gebeurt ook vandaag nog. Al lees je daar niet veel van in onze kranten.
Daarbovenop kan je nog een ander positief fenomeen vaststellen.
Momenteel bezoeken meer mensen dan vroeger onze (open) kapellen in Lubbeek en in Wever.
Misschien komen sommigen van hen nu vlugger tot een meer persoonlijk gebed en is hun bidden niet langer beperkt tot het wekelijkse uurtje Eucharistie.
Ik denk dat dit zo is. Sommigen zeggen me dat ook.

Samen erdoor
Maar de voornaamste reden voor ons om dit tijdelijk gemis van de Eucharistie met spijt maar zonder ons te ergeren “erbij te nemen” is de solidariteit.
Alle mensen worden getroffen, heel onze maatschappij lijdt onder de crisis. Als christenen zouden wij geaffronteerd moeten zijn als wij een speciale behandeling zouden krijgen.

Advent: uitkijken naar

Zondag 6 december 2020

De advent is een tijd die ons gegeven is om ons open te stellen voor de komst van Christus. Voor het kerstgebeuren dus? Ja, en toch ook niet helemaal. Toch niet alleen voor Kerstmis als historisch gebeuren, de geboorte van Jezus, meer dan 2000 jaar geleden in Bethlehem.
In de advent gaat het vooral om het toeleven naar het komen van Christus in ons eigen leven. Want, zoals ik enkele dagen geleden nog zei tegen onze vormelingen, als je geloof alleen maar bestaat uit het (min of meer aarzelend) voor waar aannemen van een aantal feiten en theorieën, dan schiet het zijn doel voorbij.
Dan heeft het weinig echte invloed op ons leven.
De advent wil daarom een tijd zijn waarin we een zekere gevoeligheid ontwikkelen voor het komen van God in ons eigen leven. En waarin we ook het verlangen ernaar cultiveren.

Angst
Eigenlijk schrikt ons dat af. Die angst hoeft ons helemaal niet te verwonderen. Hij is heel normaal en menselijk.
Denk aan de uitspraak: “Ik zou heel graag naar de hemel gaan. Maar nú nog niet”.
Je begrijpt wat ik bedoel. Je zegt daarmee: ik wil heel graag dat er een hemel is, maar voorlopig zijn er nog genoeg leuke dingen hier op aarde om nog even te blijven.
Met het komen van God in je leven is dat niet anders. Je denkt daarbij: Ho maar! Wacht eens even, niet te vlug …
Want je weet maar al te goed dat wanneer God echt een realiteit wordt in je leven, dat je dan niet anders meer kan dan anders te gaan leven.
Dat je dan vastgeroeste gewoonten zult moeten opgeven en meningen herzien.
Dat je dan zelfs nieuwe houdingen zult moeten aannemen, nieuwe manieren van omgaan met mensen. En dat is allesbehalve vanzelfsprekend of prettig.
Gelukkig heb je, als God te opdringerig wordt, een zeer efficiënt verweermiddel, eentje dat ik zelf al heel mijn leven met succes toepas. En dat verweermiddel heet: “Morgen”. Nu nog niet. Ik ben er nog niet klaar voor. Maar morgen of volgende week, dan zal je eens wat zien.

Misverstand
Het is iets wat je ook vaak hoort van mensen die op dieet moeten, of het roken moeten laten: morgen begin ik er aan. Het is dus angst om leuke dingen te moeten missen. Die angst kan je alleen overwinnen door die “leuke dingen” te relativeren, ze tot hun ware grootte terug te brengen en in te zien dat je daarmee je leven niet kan vullen. Terwijl je vanuit je geloof (en je verstand) weet dat God wél zin en betekenis aan je leven kan geven. En je dus ook gelukkig kan maken. Want je leven als zinvol ervaren en gelukkig zijn, is eigenlijk hetzelfde.
Ik denk dat God ieder van ons met een klein stukje leegte in ons geschapen heeft. En dat stukje leegte proberen wij met de meest uiteenlopende zaken te vullen om op die manier “heel” te worden. Tevergeefs echter. Hij heeft die leegte blijkbaar helemaal voor zichzelf geschapen. Alleen als Hij ze vult, zijn wij compleet.

Smartphone

Zondag 29 november 2020

Ik las deze week van een dame die ook kinderpsychiater is, een bekommerd stukje over de eenzaamheid onder jongeren, die als gevolg van de pandemie heel sterk zou toegenomen zijn. Voor zover ik dat kan nagaan, denk ik dat ze gelijk heeft. Waar ik haar niet meer volg is wanneer ze beweert: “Gelukkig hebben ze nog hun smartphone waardoor ze voortdurend in contact kunnen blijven met vrienden en vriendinnen. Moesten wij (de ouderen) in onze jonge jaren zo’n coronatijd hebben meegemaakt, wij zouden (zonder smartphone dus) zot geworden zijn. . .”

Nietes
En hier gaat de psychiater volgens mij volledig uit de bocht.
Het is een feit dat vele jongeren meer lijden onder de crisis dan de oudere mensen. Ze leven ook anders dan wij vroeger. Ze leven veel sneller, ontdekken voortdurend nieuwe dingen, leggen moeiteloos nieuwe contacten. Ze reizen veel, studeren meer, vaak ook in het buitenland en ze hebben hun festivals en hun fuiven. Hun wereld is veel ruimer geworden dan de onze vroeger.
En wanneer die wereld dan helemaal stilvalt, kan het ook niet anders of zij lijden daar meer onder dan wij. En de zorgwekkende berichten over toenemende eenzaamheid en zware depressies onder jongeren liegen er niet om.
Maar dan stellen: “Gelukkig hebben ze nog hun smartphone”, klinkt bijna cynisch. Want, wat we eigenlijk al vermoedden, is in deze coronacrisis pijnlijk duidelijk geworden. Juist de toegenomen eenzaamheid bij jongeren bewijst dat de zogenaamde sociale media wel hun enorme verdiensten hebben om het maatschappelijk verkeer vlotter en efficiënter te laten verlopen, maar dat ze om de fundamentele menselijke eenzaamheid op te heffen maar net ietsje beter dan waardeloos zijn.

“Nestwarmte”
Eenzaamheid wordt alleen maar gecounterd door duurzame relaties.
Onze contacten via de nieuwe media zijn verveelvoudigd, maar vluchtig en kortstondig. Onze relaties vaak ook.
De vroegere gezinnen waren ook niet altijd ideaal. Verre van. Maar ze gaven je, ook als je voortdurend ruzie maakte met je zussen en je broers, toch een onmiskenbare nestwarmte. En de sterke familiebanden gaven dat ook. En zelfs je dorp gaf je een soort warmte die je nergens anders vond. Ik herinner mij nog van toen ik vroeger in Brussel werkte het gevoel als ik ’s avonds terug in mijn dorp kwam. Van als ik van de autobus stapte, was ik thuis: alles was vertrouwd en gaf je een heel eigen soort rust en warmte.
Wij zijn dat kwijt. Dat warme nestgevoel, dat door geen enkele smartphoneapplicatie teruggebracht kan worden. Dát terugvinden, zonder terug te moeten naar vroeger, is juist de uitdaging in onze tijd.
Ook in de Kerk. Daarom kunnen we misschien beter de aankoop van dat nieuwe kazuifel nog wat uitstellen en in de plaats daarvan een koffiezet aanschaffen. Voor na de Mis.
Wij moeten ook in de Kerk terug “nestwarmte” brengen.
Ook naar jongeren toe. Zeker naar jongeren toe.
Eerst waarderen, dan pas preken.

Geheimvol samenspel

Zondag 8 december 2019, 2de zondag van de Advent (jaar A)

Mensen die niet zoveel van het geloof afweten, zal je niet vlug zo ver krijgen dat ze ook effectief eens wat lezen in de Bijbel. Ze menen daarin toch alleen maar wat wereldvreemde overdenkingen te zullen vinden en verhalen die weinig of niets met het echte leven te maken hebben.
Maar dat is natuurlijk een vooroordeel zo groot als een huis.
Want in feite is er geen enkel facet van het leven dat er niet grondig aangepakt en doorgelicht wordt.
En geeft de Bijbel blijk van een opzienbarende diversiteit, een bijzonder breed palet, een verfrissende zin voor afwisseling.
Niets menselijks of het komt aan bod. Naast de verhalen van koningen en bedelaars, van goden en profeten, van heiligen en moordenaars, vind je er bijvoorbeeld ook het “Hooglied”, een van de mooiste liefdesgedichten die ooit zijn geschreven.
Wanneer je uit dat Hooglied niet zo vaak hoort voorlezen in de kerk, dan komt dat waarschijnlijk door de sterk erotische geladenheid ervan.
Daarnaast heb je ook de psalmen die, vaak in een wondermooie en heel ontroerende taal, gans het gamma van menselijke emoties verwoorden.
En waarin je jezelf vaak beter terugvindt dan in de hedendaagse artikels en boekjes voor psychologische hulp.

Utopie
Een tot de verbeelding sprekende en erg poëtische taal vind je dan weer bij Jesaja.
Zoals in de lezing van vandaag, die een beeld wil oproepen van de toestand waarin de schepping zal verkeren als de Vredevorst er mag heersen.
“De wolf huist bij het lam.
De panter vlijt zich neer naast het geitje.
Het kalf graast samen met het leeuwenjong.
En de zuigeling speelt bij het hol van de adder.”
In het rijk van de Vredevorst, het Rijk van God, wordt het onmogelijke waar en het onverzoenlijk geachte, verzoend.
Het lijkt een droom. En dat is het natuurlijk ook: een droom waar je reikhalzend naar uitkijkt. Maar het is geen utopie, die nooit gerealiseerd zal worden. Ooit zal het zover zijn. Dat Rijk van God zal er komen. God zelf staat er garant voor.
En het licht nu al op, nu hier, dan daar, in elk woord en in elk gebaar waarin Jezus herkend wordt.

Zekerheid
Het Rijk Gods is geen utopie.
Het baant zich een weg, onweerstaanbaar. Niemand kan het tegenhouden.
Ook al heeft het de schijn tegen en verloopt niet alles in een triomfantelijke rechte lijn. Ik moet nu ineens denken aan wat de grote Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer zei toen de Nazi’s hem, na langdurige folteringen, naar de executiepaal sleepten. Hij zei: “Wij kunnen niet verliezen”. Waarschijnlijk bedoelde Bonhoeffer: zelfs al zouden wij de realisatie van dat Rijk hier op aarde nooit meemaken, zelfs al zou geen enkele mens die realisatie hier op aarde ooit zien, dan nog zullen wij er volop deel van uitmaken in het andere leven. Op voorwaarde dat wij serieus geprobeerd hebben om dat Rijk hier op aarde te vestigen.
Ik geloof dat dat zo is. En het is een bijzonder troostvolle gedachte bij alle lijden, dat je als christen op je weg kan tegenkomen: wij kunnen niet verliezen.
D.w.z. wij wel, maar niet datgene waar we aan werken: de vestiging van het Rijk Gods, een Rijk van vrede, liefde en rechtvaardigheid. Omdat het uiteindelijk Gods werk, Gods droom is.
Hij wil ons daarbij nodig hebben en zoveel mogelijk aan ons delegeren. En wij kunnen fouten maken, verkeerde wegen gaan en mislukken.
Maar uiteindelijk zal God altijd winnen. Ook al moet die overwinning plaatsvinden binnen het kader van een voor ons bijna onbegrijpelijk samenspel tussen Zijn almacht en de vrijheid die Hij aan mensen geeft . . .

Gerechtigheid
Bij dit alles moet er natuurlijk wel op gewezen worden dat die Vrede van het Rijk Gods, de Vrede die christenen nastreven, een vrede is die het gevolg is van werken aan gerechtigheid.
Want je kan natuurlijk ook een soort vrede afkopen door je neer te leggen bij allerlei onrechtvaardige toestanden. Door je mond te houden en de andere kant op te kijken als je geconfronteerd wordt met onrecht en onderdrukking.
Maar dat is een vrede die gestoeld is op lafheid, een lafheid die juist onvrede bestendigt bij de mensen en de groepen die niet mee aan het feest zitten.
Gerechtigheid en vrede gaan samen. Geen vrede zonder gerechtigheid.
Wil je vrede, zet je dan in voor de strijd tegen onrecht.

Innerlijke vrede
Daar komt nog iets heel belangrijks bij, speciaal voor deze adventstijd, die toch een tijd van inkeer en bezinning is.
Voor een christen is het van het allergrootste belang dat hij—wij hadden het er vorige week al over—dat hij, vóórdat hij de wereld wil veranderen, eerst werkt aan zichzelf. Opdat hij zijn inzet voor de wereld en de mensen vanuit de juiste ingesteldheid kan doen.
Maar ook nog om een andere reden. Namelijk: om vrede in het eigen hart te hebben.
Je kan nooit vrede in je hart krijgen zolang je leven beheerst wordt door hartstochten en emoties, die vechten met het liefdevolle diepste in jezelf.

Méér dan “goede werken”

Zondag 1 december 2019, 1ste zondag van de Advent (jaar A)

“Je weet niet op welk uur van de nacht de dief zal komen. Wees dus waakzaam”, zegt Jezus, “want ook de Mensenzoon komt op een uur waarop je het niet verwacht”.
Dergelijke teksten maken ons onrustig, en dat is ook de bedoeling, maar ze mogen ons niet ongerust maken. Want de komst van Jezus in ons leven, ook aan het eind ervan, zou iets moeten zijn waar we naar uitkijken.
Maar om dit op die manier aan te voelen moet er eerst een klik gemaakt worden.
Want vooral de niet meer zo jonge mensen in ons midden, zijn een beetje “mismeesterd” door de opvoedkundige methodes van vroeger. Waarbij “bang maken” voor de gevolgen van verkeerd gedrag, een belangrijke rol speelde.
Ik herinner mij nog heel goed al de verschrikkelijke dingen die vooral oudere tantes en oma’s voorspelden als wij ons niet gepast gedroegen.
Als je in de winter naar buiten liep zonder sjaal of jas, kreeg je volgens hen gegarandeerd op zijn minst een dubbele fleuris.
Als je op je handen ging staan met je benen in de lucht, dan was de kans groot dat “het bloed in je kop zou schieten” en dan was je dood.
En als je te lang op het toilet bleef zitten, kwamen je darmen mee af.

Straffen
Die bangmakerij behoorde vroeger blijkbaar wezenlijk bij de opvoeding. En natuurlijk kwam dat nog sterker tot uiting op het gebied van godsdienst en geloof, want bij het bedenken van mogelijke straffen van God stond er zo goed als geen enkele rem op de verbeelding.
Ik had een oom voor wie gewoon alles wat verkeerd liep “een straf van Jezus was”. En dat is natuurlijk onzin. Indien wij, in ons denken, ook maar de minste neiging in die richting vertonen, moeten we daar resoluut komaf mee maken.
De wereld is wat hij is. Het menselijk leven is wat het is. Er gebeuren prachtige dingen, maar evengoed verschrikkelijke dingen.
Er zijn in ons leven momenten van opperste geluk en extase, maar er is ook afzien en lijden en dood. Dat is ons leven, dat is onze wereld.
God is niet Iemand die ons bij dat alles het leven voortdurend nog eens extra zuur wil maken als wij niet binnen de lijntjes kleuren.

Uitkijken
God wil integendeel dat wij een mooi, goedgevuld en zinvol leven uitbouwen.
Maar blijkbaar zijn Zijn criteria voor een gelukkig leven helemaal anders dan de dingen waar wij spontaan aan denken.
En precies om te vernemen wat de echte en de juiste criteria zijn om tot een geslaagd en gelukkig leven te komen, is het belangrijk dat wij waakzaam zijn, dat wij alert zijn voor elke wenk die van Hem zou kunnen komen.
Want God komt echt niet alleen maar aan het eind van ons leven op ons af.
Als je er echt aandacht voor hebt (en geloof) dan merk je dat Hij je voortdurend aanspreekt in duizend, vaak onverwachte dingen.
En als je dan daarbij nog beseft dat God liefde is en niet alleen wil dat wij van ons leven iets moois maken maar ons daarbij ook nog wil helpen, dan kan je alleen nog maar uitkijken, vol verwachting uitkijken naar zijn komen in ons bestaan.
En dan ga je echt waakzaam en alert worden en i.p.v. angst te hebben voor zijn komen, het zeker niet willen missen.
Omdat je weet dat echt en diep levensgeluk alleen maar je deel kan zijn als je in harmonie leeft met de grond van het bestaan, met God.
En daarom is het zo belangrijk om precies te weten wat God van ons verlangt.
En hier stuiten we meteen op de grote moeilijkheid bij onze zoektocht.

Anders
Want hoe meer wij beginnen te begrijpen wat God van ons wil, hoe meer we beseffen dat dat verlangen van God iets heel anders is dan wij tot dan toe hadden gedacht. Ons idee van goed, zinvol, gelukkig en moreel leven is een leven van werken en creatief zijn, genietend van de goeie dingen van het leven, en, tezelfdertijd, toch ook niet vergeten je af en toe in te zetten voor anderen.
Dat is zo ongeveer ons idee van “goed en zinvol leven”.
Maar hoe meer wij God leren kennen, hoe meer we beseffen dat Hij iets heel anders met ons voorheeft.
God wil niet zozeer dat wij deftige burgers zijn die regelmatig ook een steentje (of een centje) bijdragen aan het werken aan een betere wereld.
God wil op de eerste plaats dat wij werken aan onszelf. Dat wij, voor wij beginnen aan de wereld, eerst onszelf helemaal “herbouwen”. Met zijn hulp.
Pas als wij dichter bij Hem komen en meer en meer op Hem beginnen te lijken en zelf ook liefdevolle wezens worden, zijn wij klaar om de wereld in te trekken en daar iets duurzaams te verrichten.

Kern
Je bent geen christen omdat je Rode Neuzen steunt of De Warmste Week. Dat doen de banken immers ook. En banken, hoe belangrijk die ook zijn, kan je toch moeilijk verdenken van christelijke ambities. Maar je bent op de goede weg als je, met Gods hulp, elke dag werkt aan jezelf en systematisch, beetje bij beetje, alles uit je hart wegwerkt wat tegen de liefde ingaat. Als je dat doet wordt het steunen van Rode Neuzen en De Warmste Week een zinvol onderdeel van een veel groter geheel; van een proces, een omwenteling: de ombouw van jezelf tot een liefdevol mens.
Het is daarover dat het christendom gaat. Over niets anders.
Pas als we dit ten volle beseffen, kunnen wij mét Paulus zeggen:
“De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan.”
“Het uur om uit de slaap te ontwaken is aangebroken . . .”

Onze wildste dromen voorbij

Zondag 9 december 2018, 2de zondag van de Advent (jaar C)

“In het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus landvoogd was van Judea, Herodes viervorst van Galilea, Philippus . . .” enz.
Al van toen ik een kind was heeft deze indrukwekkende intro mij gefascineerd. En in het Latijn van ons missaal klonk het zelfs nog plechtiger: “Anno autem quintodecimo imperii Tiberii Caesaris . . .” En dat was niet alleen de kinderlijke verbeelding die hier speelde. Wat hier gezegd werd was écht indrukwekkend en uniek. Alle andere godsdiensten tot dan toe vonden hun oorsprong in een onbepaald, mistig en vaag verleden. In tijdloze legendes over goden die ooit “in een ver verleden” waren ontstaan of geboren. Niet zo in het christendom. Voor het christendom is op een welbepaald moment het eeuwige in onze tijd binnengekomen. Heeft op een heel precies tijdstip het Ongeschapene zich laten kennen in het geschapene. Op een heel nauwkeurig aangegeven moment in onze geschiedenis: in het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius.

Menswording
Een tweede opvallend verschil met alle andere godsdiensten die aan het christendom voorafgingen is dit: toen God in onze tijd en onze geschiedenis binnenkwam gebeurde dat in een mens. Niet “als” een mens maar “in” een mens. En ook dat was ongezien en ongehoord. Want de heidengoden die deden niet liever dan zich af en toe als een mens te “verkleden”, om mensen te misleiden, meestal zelfs om hen voor de gek te houden. Maar toen God zich in Jezus aan ons liet kennen, was dat in een echte mens van vlees en bloed. Een mens, die kon lachen en zingen, genieten en lijden en afzien zoals u en ik. Alles wat mensen enigszins over goden konden uitvinden wás toen al uitgevonden en alles wat mensen ooit over goden konden verzinnen en vertellen wás toen al verzonnen en verteld. Maar dit was iets zo onvoorstelbaar anders, dat het door geen mensenbrein ooit bedacht of uitgevonden was: de Menswording van God. God die zich niet eventjes vertoonde in de gedaante van een mens, maar God die in een mens van vlees en bloed geboren werd, leefde en stierf als een mens tussen ons.

Medewerkers
Dit was op zich al een verbijsterend gegeven. Maar wat die mens geworden God ons duidelijk maakte, was zo mogelijk nog meer overhoophalend. Het bleek namelijk dat God niet alleen mens werd in Jezus, maar dat Hij dat in zekere zin wil herhalen in iedere mens. God wil dus niet zozeer dat de mensen zus of zo leven, bepaalde wetten of geboden in acht nemen. Hij wil noch min noch meer dan dat mensen zich zodanig voor Hem openstellen dat Hij mens kan worden in ieder van ons. Maar daarmee loop ik al een beetje vooruit op Kerstmis. In ieder geval is het zo dat sinds Jezus duidelijk werd, dat God ons niet zozeer wil als uitvoerders van wat Hij wil, maar als medewerkers van Hem.
Hij wil ons nodig hebben. Hij wil dat zijn droom over de mens en de wereld, het Rijk Gods, mede door ons gerealiseerd wordt. Moest deze gedachte van mensen komen, dan zou het pure grootheidswaanzin zijn. Maar ze komt uit het evangelie.

Voortdurende troonsafstand
En hier stelt zich natuurlijk het probleem hoe de vrijheid van God in overeenstemming te brengen is met de vrijheid van de mens. Want een mens die vrij is kan toch wat anders willen dan wat God wil? Maar, God is toch . . . God? Kunnen wij Gods plannen dan dwarsbomen? Misschien kunnen we het zo zien: Gods wil zal uiteindelijk altijd gerealiseerd worden. Maar Hij kan toelaten dat de weg daarheen verandert. Hij doet dat zelfs voortdurend, uit respect voor onze vrijheid. Sterker: Hij lijkt niets te doen wat zich maar enigszins aan ons laat delegeren. Hij laat dus toe dat wij traag en sukkelend doen wat Hij in een oogwenk zou kunnen realiseren. Hij laat ook toe dat wij niet doen wat Hij wil of daarin mislukken, dat wij niet slagen in ons opzet. Uiteindelijk zal Hij natuurlijk wel zijn doel bereiken, maar Hij wil uitdrukkelijk ons daarbij nodig hebben. En dus zou je kunnen zeggen dat God als het ware van moment tot moment “troonsafstand” doet om ons een aandeel in de onderneming te gunnen. Door zo te doen, door op die manier zijn doel te bereiken, maakt God van ons natuurlijk iets meer dan alleen maar dienaars en uitvoerders van zijn wil.

Bekering
Die waardigheid ontvangen wij echter niet automatisch. Wij moeten er iets voor doen. En hier komt Johannes de Doper en zijn programma van bekering in de picture. Als wij medewerkers van God willen zijn, dan moeten wij daar ook bekwaam toe zijn. Als je medewerker wil worden om te helpen aan de uitbouw van het Rijk Gods, om het Rijk van de Liefde onder de mensen te brengen, dan moet je eerst in je persoonlijk leven een grondige koerswijziging aanbrengen. Je kan niet werken aan een Rijk van Liefde, recht en vrede, als je in je persoonlijk leven alleen maar bezig bent met het promoten van en het zorgen voor jezelf. Je moet dan eerst een grondige ommekeer maken. Als mensen van deze tijd kunnen we natuurlijk wel doen alsof het kwaad buiten onszelf leeft.
Dat wij alleen maar goed zijn of het misschien toch altijd goed menen. En dan geen bekering nodig hebben. Maar dat is niet ernstig.
En hier ligt dan ook de eerste opgave in de Advent.
Durven (scherp) naar jezelf kijken. Durven zien dat het kwaad ook in jezelf zit.
En dan proberen, echt proberen, er iets aan te doen. Want God wil van ons zijn medewerkers maken. Medewerkers van God! Zelfs in onze wildste dromen komt het niet in ons op.

Eerlijk blijven

Zondag 17 december 2017, 3de zondag van de Advent (jaar B)

“Moest er oorlog komen”, zeggen de mensen, “dan zitten de kerken terug vol”! En ze hebben gelijk. En in dezelfde zin kan je rustig stellen dat, als er een zware economische crisis komt met armoede en ellende tot gevolg, het vanzelf weer drukker wordt in gebedshuizen en bedevaartsplaatsen.
De verklaring hiervan ligt voor de hand. Wanneer men elk geloof in menselijke instellingen verloren heeft, wanneer oorlog en armoede het vertrouwen in geld, in politiek en economie vernietigd hebben, gaan mensen zich, wanhopig soms, terug wenden naar “een hogere macht” in de hoop dat die voor de ultieme redding zal zorgen. Ik denk dat iedereen het met die analyse eens is. Als je nu echter eerlijk durft doordenken dan besef je dat wat nú gebeurt in onze welvaartslanden precies het omgekeerde is, m.a.w. de andere kant van dezelfde medaille. Naarmate onze welvaart groeide verloren wij onze belangstelling voor God. Niet geloof en vertrouwen namen af, maar het voorwerp van dat geloof en dat vertrouwen.
Iemand drukte het zeer laconiek zo uit: “Het Westen is nog nooit zo gelovig geweest als vandaag maar het voorwerp van onze aanbidding is niet langer God maar Geld”.

Keuze
Inderdaad nogal cru en ongenuanceerd uitgedrukt. Maar het is zeker een feit dat de grote massa mensen God verlaten hebben omdat ze, bij de uitbouw van hun leven, veel meer verwachten van carrière en succes en van alle genietingen die je met geld kan kopen dan van een wat wazige Godheid. Omdat ze gewoon meer verwachten van concrete binnen-wereldse hulpmiddelen dan van een God die vermoed wordt achter de zichtbare werkelijkheid en die zo weinig tastbaar en concreet is, in vergelijking met al die binnen-wereldse middelen die voor het grijpen liggen. Om het heel eenvoudig te zeggen: als we arm en angstig zijn blijft alleen God nog over om op te vertrouwen. Als er welvaart is en mogelijkheid te over om overal van te genieten, geraakt God automatisch op de achtergrond. En natuurlijk is het de mensen hun goed recht om daarvoor te kiezen. Om in periodes van welvaart het genieten van die welvaart belangrijker te vinden dan het bezoeken van kerken en tempels. En zelfs om God eerder als een stoorzender te zien en het geloof met zijn vraag naar soberheid en solidariteit met de zwakken eerder als een pretbederver.

Onzin
Maar dat moet men dan ook eerlijk durven toegeven. Niemand kan het ons kwalijk nemen dat wij, na duizenden jaren schaarste, wat meer willen genieten van het materiële, nu we eindelijk de kans hebben. Maar mensen die omwille van die reden hun geloof helemaal aan de kant zetten zouden zich beter niet bedienen van de goedkope atheïstische bewering dat geloof en wetenschap elkaar tegenspreken. Dat de mensen “te slim geworden zijn om nog te geloven”. Het is hier niet de plaats om op die misvatting dieper in te gaan. Er bestaan trouwens genoeg boeken waarin bekende wetenschappers zelf brandhout maken van die opvatting. Maar je kan ze ook op een heel eenvoudige manier weerleggen. Wij bewonderen mateloos de wijze waarop de wetenschap steeds verder en steeds beter de ons omringende werkelijkheid ontrafelt, in kaart brengt en verklaart. Wanneer wij het over God hebben, dan hebben wij het per definitie over Iemand die de dragende kracht is van die werkelijkheid, die zich in die werkelijkheid soms ook laat voelen en vinden maar die er zelf geen deel van uitmaakt. God is niet aan materie, tijd of ruimte gebonden. Zijn bestaan kan je dus ONMOGELIJK via wetenschappelijke methodes ontkennen of bevestigen. Het blijft een kwestie van geloof. Dit is toch niet zo moeilijk om te begrijpen?
En toch blijven vele niet-gelovigen de dialoog en het wederzijds respect ontsieren door hardnekkig te blijven beweren dat wetenschap en geloof elkaar tegenspreken. Dat is niet alleen erg onwetenschappelijk, dat is gewoon onzin. En wat nog erger is, bij het zoeken van argumenten is men vaak ronduit oneerlijk.

Creationisme
Iets wat mij persoonlijk al jaren stoort is de manier waarop niet-gelovigen (uitermate sterk aanwezig in de media) voortdurend de indruk wekken dat wij christenen allemaal creationisten zouden zijn. Heel raar, want ik ken er geen enkele in mijn omgeving. En hoewel ik bijna zeventig ben, ben ik het creationisme ook nooit tegengekomen in het katholiek onderwijs, van in de kleuterklas tot aan de unief. Ik weet wel dat men in vroegere eeuwen de verhalen van de Schepping letterlijk nam, maar afgezien van een aantal protestantse fundamentalisten in de VS zijn wij dat ontgroeid. En wij voelen ons daar goed in. De zoektocht naar waarheid is binnen het christendom altijd bijna obsessioneel geweest, een obsessie die soms gewelddadig kon uitpakken. En natuurlijk verzet een instituut zoals de Kerk, zoals elk instituut, zich met alle macht tegen schokkende veranderingen. Tegen Luther, tegen Copernicus, tegen Darwin … Maar uiteindelijk accepteert zij de nieuwe inzichten en ziet ze die als een verrijking. De evolutietheorie is zo’n inzicht dat volledig werd opgenomen in het kerkelijk denken. Mgr. Leonard heeft prachtige bladzijden geschreven over hoe de toename van onze kennis (ook onze wetenschappelijke kennis) ons een beter inzicht in de Openbaring geeft. En in die zin kan de wetenschap (hoewel ze niet kan doordringen in God) ons behoeden voor onjuiste denkbeelden over God. (Denk aan God en de donder.)

Gênant
Uiterst frappant bij dit alles is het lot dat Georges Lemaître in ons land is beschoren. Georges Lemaître was een Belgische wetenschapper die de grondlegger is van de Big Bang-theorie, een absoluut kernstuk binnen het evolutie-denken. De Big Bang-theorie wordt ondertussen wereldwijd onderwezen en is doorgedrongen tot in de verste uithoeken van deze wereld. Je kan dus rustig stellen: als er één wetenschapper is die België op de kaart heeft gezet, dan is het wel Georges Lemaître. En toch wordt hij hier bij ons al jarenlang bijna helemaal doodgezwegen. Er is namelijk iets heel ambetant aan Georges Lemaître: hij was naast wetenschapper ook katholiek priester. En dat past dus niet in het plaatje. Soms denk ik dat hedendaagse atheïsten en vrijzinnigen meer schrik hebben van God dan de christenen in de Middeleeuwen schrik hadden van de duivel.

Meerwaarde laten zien

Zondag 10 december 2017, 2de zondag van de Advent (jaar B)

De lezing van vandaag gaat over een van de meest typische christelijke houdingen: het hoopvol verwachten, het verwachtingsvol uitkijken naar.
En dat is natuurlijk iets anders dan gewoon wachten tot er iets gebeurt. Hoewel ook dat laatste al heel moeilijk is voor hedendaagse westerlingen.
Afrikanen hebben daar weinig last van en precies daardoor zijn ze ook zo stressbestendig. Als ze na uren geduldig wachten merken dat de trein tóch niet komt, dan gaan ze rustig naar huis: ’t zal voor morgen zijn. Van ons moet zo’n houding niet verwacht worden. Wij lopen bijna de muren op als we ergens vijf minuten moeten wachten. Wat het evangelie van ons echter vraagt is niet gewoon “wachten” maar een bijzonder actieve vorm van wachten, en dat actieve ligt ons denk ik al veel beter. Het evangelische wachten is niet alleen alert uitkijken naar een komende gebeurtenis, maar je er ook heel actief op voorbereiden, zodanig dat je dat wat staat te gebeuren zelf voor een stuk in de hand werkt. Dat je de komst van het verwachte zó optimaal voorbereidt dat het zich tenslotte kan ontplooien.

Menswording
Maar wat is het dan waar wij in de Advent, in de aanloop naar Kerstmis zo sterk naar uitkijken? Je kan moeilijk zeggen: de geboorte van Jezus in Bethlehem. Dat herdenken we met Kerstmis natuurlijk wel, maar je kan moeilijk verwachtend uitkijken naar iets dat in het verleden heeft plaatsgevonden. Waar wij tijdens de Advent hoopvol naartoe leven, is dat op Kerstmis het wonder van de Menswording zich herhaalt. Dit keer niet als een historische gebeurtenis ergens in een stal, ergens in Palestina, maar in ons eigen hart. Dat God opnieuw geboren wordt, opnieuw in de wereld komt in onszelf. Natuurlijk geloven wij dat God altijd in ons aanwezig is. Dat, om het met de woorden van Paulus te zeggen, zijn Geest in ons ademhaalt en ons bewoont. Maar die Geest van God is, om het ietwat oneerbiedig uit te drukken, latent in ons aanwezig. Hij moet – om de oneerbiedige vergelijking nog wat door te trekken – Hij moet in ons “geactiveerd” worden.

Openstellen
En dat gebeurt door een proces van bekering. God wil in ons mens worden. Maar wil zijn Geest over ons vaardig worden, dan moeten wij ons er heel bewust voor openstellen. En dat kunnen wij alleen door systematisch alles uit ons doen en laten te weren dat een hinder kan zijn voor dat komen van God. En ons te richten naar al datgene wat die komst juist vergemakkelijkt.
Concreet wil dat zeggen dat wij het evangelie serieus moeten nemen. Dat we afstand nemen van elke vorm van zondig egoïsme en echt ons best doen om mensen te worden naar Gods hart. En bovenal: dat wij biddend en hoopvol uitkijken naar dat komen van God. Maar dat kan natuurlijk alleen maar als wij er diep van overtuigd zijn dat God, de aanwezigheid van God in ons leven, een serieuze meerwaarde aan dat leven zal geven.

Loze verwachting
En hier wringt nu juist het schoentje bij de mensen van onze tijd.
Je kan je afvragen hoe het komt dat onze kerken maar blijven verder leeglopen. Daar zijn natuurlijk verschillende redenen voor. Maar enkele belangrijke daarvan zijn zeker deze. Al tientallen jaren lang concentreert het katholiek godsdienstonderwijs zich op het “doorgeven van waarden”. Zonder dat daarbij ook maar in het minst duidelijk gemaakt wordt hoe het geloof nodig is of minstens helpt om die waarden te beleven. En zonder dat er ook maar iets van het geloof zelf wordt doorgegeven. Het Bisdom lijkt dan weer alles te verwachten van grotere parochies, federaties, zones en dekenaten. Om de zoveel jaar rond Sinterklaas kapoentje legt het Bisdom een nieuw structuurtje in ons schoentje. En wij allemaal blij, want nu gaat het beter gaan. En dan zijn er nog gewone mensen binnen de Kerk die echt bekommerd zijn om haar toekomst, en die zien dan weer alle heil in meer hedendaagse teksten en gezangen. Dat gaat de jongeren naar de kerk brengen. En al die mensen menen het goed, maar ze houden de leegloop niet tegen. Kan ook niet.

Meerwaarde
Want uit serieus onderzoek blijkt dat de echte reden waarover de mensen de zondagsmis en zelfs het geloof de rug toekeren deze is: ze zien er geen meerwaarde meer in voor hun leven. Ze zien niet (meer) in wat Kerk en liturgie kunnen toevoegen aan hun levensgeluk. En dus moeten wij de mensen dat tonen door onze manier van leven en onze manier van gelukkig zijn. Wij moeten op de eerste plaats uiteraard veel meer voor ons geloof uitkomen. En voor ons geloof uitkomen is nog wat anders dan alleen maar afgeven op de leegheid van een leven van alleen maar “genieten”. Wij moeten vooral met onze manier van leven getuigen, laten zien hoe ons geloof zin geeft aan ons leven. Laten zien hoezeer leven zoals Jezus dat van ons vraagt, ons ook gelukkig maakt. Wij moeten met onze manier van leven de mensen tonen dat wij ook genieten van eten, drinken, reizen en seks. Wij zijn niet van een andere planeet. Ook wij kennen die behoeften, uiteraard. En ook wij genieten van het bevredigen ervan. Maar levensvervulling en geluk komen van ons geloof in God en van ons houden van mensen. Niet van het bevredigen van behoeften. Misschien moeten wij, ouder wordende mensen, aan jongeren wat minder willen tonen hoezeer wij mee zijn met hun computerspelletjes en wat meer laten zien hoe ons geloof zin, evenwicht en levensvervulling aan ons leven geeft. Want dat is wat jongere mensen vaak niet zien.

Over de hel

Zondag 3 december 2017, 1ste zondag van de Advent (jaar B)

Soms probeert je onderbewustzijn je via een droom iets duidelijk te maken. En zolang er mensen zijn bestaat het geloof dat ook God die weg nogal eens wil gebruiken. Dat zou best kunnen natuurlijk. Maar zelf hecht ik weinig belang aan dromen omdat ik mij zelden realiseer dat ik er een gehad heb. En als dat wel zo is, dan ben ik het nachtelijk uitstapje al onmiddellijk na het ontwaken vergeten. Een tijdje geleden echter was dat anders. Ik had een heel duidelijke droom. Ik was aan het wandelen en ik voelde mij ongelooflijk gelukkig. Alles viel enorm mee: het werk, de vrienden. Het leek wel of ik niets kon wensen of het was al vervuld. Het landschap was betoverend, de rust was zalig en zelfs de ingeademde lucht was opwindend. Om nog meer te genieten van het intens geluksgevoel besloot ik te gaan liggen op de berm naast de weg. Om met een grassprietje in mijn mond gelukzalig naar de wolken te staren. En toen kwam ineens een vrachtwagen uit de bocht en die reed me gewoon dood. Ik werd wakker en tot mijn eigen verbazing was ik volkomen kalm. Geen spoor van angst of paniek. Ik was ongelooflijk rustig. Maar vóór mij stond daar als gebeiteld: “Hoe goed en gelukkig je je ook voelt, hoe heerlijk het leven je ook toelacht, in één ogenblik kan alles voorbij zijn”. En het is precies dat wat Jezus bedoelt met zijn voortdurende aansporingen tot waakzaamheid. Wat Jezus ons zegt is: maak op een zinvolle manier gebruik van de tijd die je wordt gegeven. Het leven is kort, en vooral: het kan heel onverwacht gedaan zijn. Verdoe het niet met vodden. Laat je niet verrassen en loop niet achter dat eeuwig gejengel over genieten aan. Maak iets zinvols van je leven en wees echt gelukkig.

Eenzijdig
U weet dat iedere tijd het Evangelie op zijn eigen wijze interpreteert.
Een middeleeuwer bijvoorbeeld zag Jezus’ waarschuwingen vooral als bedoeld om ons te behoeden voor de hel. In die tijd stonden handel en economie nog zo goed als nergens. En zelfs als er geen misoogsten waren bracht het land maar heel weinig op. Bijgevolg was schaarste en armoede eerder regel dan uitzondering. In die situatie was seks zowat het enige wat de mensen overbleef om toch een beetje van het leven te genieten. Opdat het echter niet helemaal een beestenboel zou worden, dreigde de Kerk dan weer met hel en verdoemenis voor al wie daar te zeer aan toegaf. De middeleeuwer, zei mijn vroegere leraar geschiedenis altijd, was geobsedeerd door seks en door de hel. En schilderijen uit die tijd lijken dat te bevestigen. Biechten was dan ook heel belangrijk. De koppeling tussen seksualiteit en zonde was zo sterk dat vandaag, na de seksuele revolutie van de jaren 60, oudere mensen nog altijd schamper opmerken dat er geen zonden meer zijn. “Wie doet nu nog zonde”, zeggen ze dan. Alsof we, na het wegvallen van een aantal taboes in het geslachtelijk verkeer, nu als vanzelf in een zondeloze en moreel hoogstaande samenleving zijn terechtgekomen.
Ieder van ons weet wel beter.

Vuur?
Een andere verkeerde zienswijze die uit die tijd stamt is de associatie van verworpen zijn met hel en hellevuur, met zwavel en pek. Jezus gebruikt wel de uitdrukking: “Strafbaar met het vuur van de hel”. Maar voor een Jood uit zijn tijd was de hel niet iets dat verwees naar een toestand in het hiernamaals. De hel was iets heel concreets, dat was een afschuwelijk gebruik dat de Joden zeer goed kenden. Dat was de vuurpoel waar de aanhangers van de sekte van Baäl hun tegenstanders levend inwierpen. Het was het meest afschuwelijke wat Joden zich konden voorstellen.
En Jezus gebruikt soms dat beeld om te benadrukken hoe verschrikkelijk onze situatie is als wij door eigen schuld het vermogen verspelen om eeuwig te leven, de kans lopen definitief afgesneden te worden van God.
Jezus gebruikt dat beeld om te wijzen op de grote ernst van de situatie. Maar het is een beeld van een afschuwelijk bestaand gebruik dat een Jood uit die tijd nooit zou koppelen aan het hiernamaals, een hiernamaals dat meer gezien werd als een eerder mistroostige bedoening. Jezus gebruikt dit afschrikkend beeld duidelijk om te shockeren en wakker te schudden. Zoals Hij elders zegt: als je hand je ergert, hak ze af. Als je oog je ergert, ruk het uit. Het zijn meer dan gewone aansporingen, het zijn zweepslagen die ons moeten wakker schudden en opjagen.

De echte hel
Jezus gebruikt graag retorische stijlfiguren. Voor hem is het ergste wat ons kan overkomen, veel erger dan hellevuur, het voor altijd afgesneden zijn van God. Want dat is de hel: de afwezigheid van God, de ijzingwekkende leegte. “De hel”, zei Schillebeeckx, “dat is echt dood zijn, geen enkele toekomst meer hebben, amen en uit, alsof je er nooit bent geweest”.
Want voortbestaan doe je per definitie in het aanschijn van God. Waar God niet is, besta je ook niet meer. En je hebt daar dan zelf voor gekozen. Daar wil Jezus ons voor waarschuwen: verdoe je korte leven niet met onnozelheden. De eeuwigheid ligt voor je open: maak de juiste keuzes.