De “andere” waarderen

Zondag 22 november 2020

Enkele dagen geleden zat ik rustig in de kapel, toen ik uit allerlei geluiden het naderen van een groep wandelaars opmaakte. Opeens klonk er een jonge meisjesstem: “Hé, hier branden veel kaarsen. Maar ik mag hier niet binnengaan want ik geloof niet”. En telkens als er iemand anders van de groep dichterbij kwam, herhaalde zij haar fiere mantra. Zelfbewust en zelfs een beetje superieur zoals dat past bij een meisje dat geleerd heeft geen God nodig te hebben.
Ik zat er stilletjes bij te glimlachen. Ik dacht: zou zo’n ongelovig opgevoed meisje later misschien ook zeggen: “Wat hebben ze mij vroeger allemaal wijsgemaakt?”
Of zou ze over 20 jaar, zoals zovelen, komen vertellen in de media dat ze een zwaar-katholieke opvoeding gehad heeft, waar ze moedig en resoluut mee kapte?
Vaak zijn dat mensen die ná 1980 geboren zijn, soms zelfs na het jaar 2000. Zwaar katholiek opgevoed? Je vraagt je dan af: op welke planeet mag dat wel geweest zijn?

Moeizaam
Tot aan de jaren 60 van de vorige eeuw was de Vlaamse maatschappij homogeen, bijna monolithisch katholiek. En zo’n homogene maatschappij is altijd erg drukkend voor mensen die er een andere overtuiging op nahouden.
Dat was vroeger zo en dat is het nu nog, overal ter wereld.
Maar sindsdien heeft hier bij ons een serieuze ontkerkelijking plaatsgevonden en een eveneens gevoelige instroom van andere religies. Secularisatie en globalisatie, je kent het verhaal.
Andere westerse maatschappijen hebben dat proces min of meer bevredigend verwerkt of zijn daar volop mee bezig.
Alleen Vlaanderen blijkt maar heel moeizaam het verleden een plaats te kunnen geven.
Zijn wij na eeuwen van katholieke dominantie met een zeer aan de kerk gebonden pers geruisloos overgegaan naar een open maatschappij met een eerlijke en objectieve berichtgeving? Niet echt.
Soms lijkt het er zelfs op dat er zich gewoon een machtswissel heeft voorgedaan.
Neutraal werd een ander woord voor niet-katholiek. En de pers is pas objectief als ze alles wat christelijk is wegmoffelt.
Moet dat nu echt? Tot in het kinderachtige?

Volwassen
Kerstkaarten met romantische, besneeuwde dorpjes, waarop het kruisje op de kerktoren gegarandeerd is weggegomd wegens neutraal. Of films op tv waarbij, nadat er al een serieuze selectie plaatsvond, zelfs tot in de ondertiteling alles wat positief klinkt naar religie toe, nog weg gecensureerd wordt.
Mijn God (of als je wil: mijn god), kunnen wij eindelijk eens niet volwassen worden en elkaar waarderen en respecteren in ons anders-zijn?

Trump

Zondag 15 november 2020

Ik ben geen psycholoog, maar ik vraag mij toch af of een kennelijk extreem narcistisch iemand als de heer Trump wel kan geloven in God.
Met de verkiezingen in aantocht liet hij zich wel fotograferen met een Bijbel in de hand, maar kan zo iemand wel geloven in iets of iemand boven hem, een God die een rol wil spelen in zijn leven en die wil dat hij zijn eigen nukken en grillen ondergeschikt maakt aan wat het geloof van hem wil? Ik denk het niet.
Bovendien heeft de heer Trump volgens velen een heel speciale relatie met de waarheid, bouwt hij muren in plaats van bruggen en zet hij mensen en groepen tegen elkaar op.
Allemaal niet direct evangelische houdingen.
En toch stemmen tientallen miljoenen protestantse “evangelicals” in blok voor hem.
Immers, Trump is tegen abortus. . .

Latino’s
Katholieken stemmen in de VS traditioneel voor de Democraten. Maar een aanzienlijk aantal Latino’s, die zeer gehecht zijn aan gezin en familiewaarden, zijn vatbaar gebleken voor Trumps propaganda en zijn gaan geloven dat Joe Biden van al de kinderen die nog geboren mogen worden, homo’s en transgenders wil maken.
In werkelijkheid is Joe Biden een diepgelovige katholiek, die eigen accenten legt in ethische kwesties. En die vooral aandacht heeft voor de sociale ongelijkheid in Amerika. Voor de onbetaalbaarheid van de geneeskundige zorg, voor de armoede, het latent racisme, de klimaatverloedering en de scherp toegenomen verdeeldheid en haat binnen de Amerikaanse samenleving.

Europa
Ook in Europa kunnen wij beter alert zijn voor die Amerikaanse vernauwing van denken over het geloof. Natuurlijk hebben christenen duidelijke opvattingen aangaande de eerbied voor het leven, ook het ongeboren leven en over de eventuele beëindiging van het leven.
En natuurlijk vinden wij het niet fijn dat bij elke nieuwe regeringsvorming vanuit een bepaalde hoek aangedrongen wordt op een verdere “verruiming” van de wetgeving daaromtrent. Je kan toch niet eindeloos blijven “verruimen”. Waar zitten we dan binnen 30 jaar?
Maar wij mogen ons niet in het hoekje laten dringen van “diegenen die tegen abortus zijn”. Christelijk geloof is echt nog wel meer dan dat.
Christelijk geloof biedt een globale visie op het leven en op de mens en zijn geschiedenis. En bovenal op de relatie tussen God en de mens.
Wij mogen nooit meegaan in die vernauwing waarbij heel het christelijk geloof teruggebracht wordt tot 1 bepaalde ethische stellingname. En waarbij dan nog de rest van de ethiek gemakshalve vergeten wordt.
Dat is de truc die het bij nogal wat Amerikaanse (evangelische) christenen doet: Trump is tegen abortus, hij is dus OK.
Jaja, tarara.

Leven na dit leven

Zondag 1 november 2020, Allerheiligen (jaar A)

In mijn pensionaatsjaren moesten wij tijdens de retraite altijd boekjes lezen over het leven van heiligen. De bedoeling was natuurlijk dat je als jonge lezer de kriebels zou voelen om hetzelfde pad op te gaan. Maar je besefte al na de eerste regels dat daar gewoon niet aan te denken viel. De heiligen uit die boekjes stonden gewoon lichtjaren van ons af, oneindig boven ons verheven. Je kon daar gewoon niet bij.
Die mensen brachten blijkbaar heel hun leven door met het opvoeren van huzarenstukjes op het gebied van ascese. De hoogstandjes van vasten en ontbering, van nederigheid en boetedoening, waren zo adembenemend dat aan navolging gewoon niet te denken viel.
Hoe komt het toch, vraag je je af, dat die schrijvers ons probeerden enthousiast te maken met zwaar overdreven beschrijvingen van een manier van leven die op zich al excentriek genoeg was. Welke jonge gast van 13 of 14 voelt zich daar nu toe aangetrokken?
Ik denk dat dit komt omdat de schrijvers van die boekjes zelf geen heiligen waren. En dat ze zich precies daarom moesten beperken tot verhalen die, verzonnen of minstens zwaar overdreven, verbazing en bewondering moesten opwekken.
Omdat ze over de kern van de zaak, datgene wat de heilige bewoog, datgene waar het bij heiligheid om gaat: de intieme omgang met God, niets wisten te vertellen.

Einddoel
De intieme omgang met God, dat is inderdaad waar het bij heiligen om gaat.
De intieme omgang met een God die liefde is. En waardoor de heilige in kwestie in heel zijn doen en laten steeds meer de liefde en de heiligheid van God zelf uitstraalt.
Heiligheid is dus geen kwestie van bovenmenselijke hoogstandjes.
Heiligheid is iets wat iedere mens kan bereiken. Sterker nog: heilig-zijn is iets waartoe iedere mens geroepen is, wat van iedere mens verwacht wordt.
Het is zo dicht bij Jezus komen, dat je steeds meer op Hem begint te lijken.
Dat mensen aan jou kunnen zien hoezeer Jezus mensen ten goede kan veranderen.
Hoezeer zelfs de meest egoïstische of genotzieke of onverantwoordelijke mens, onder invloed van Jezus kan uitgroeien tot een liefdevol iemand die alleen nog maar goed wil zijn voor anderen, en die daarin zelf gelukkig wordt.
Je moet dus niet “voorbestemd” zijn of een speciale aanleg hebben. Je moet helemaal niet als heilige in de wieg gelegd zijn. Iedereen kan het worden, iedereen kan zijn eindbestemming bereiken.

Voorbehoud
Het woord heilig komt van “helen”. Heilig zijn = genezen zijn. Genezen van alles wat ons beknot en belemmert. Heilig zijn is alleen nog leven voor het diepste verlangen in jezelf: beminnen en bemind worden.
Er is echter een heel serieus voorbehoud: de perfectie is niet van deze wereld.
Ook heiligen zijn dat niet. Wanneer de Kerk schitterende mensen heilig verklaart en dus tot voorbeeld stelt, dan zegt ze daarmee niet dat deze mensen volmaakt geleefd hebben, volmaakte christenen waren. Dan zegt ze daarmee alleen maar dat deze mensen op zo’n overtuigende manier Jezus gevolgd hebben, dat we er zeker van kunnen zijn dat ze na hun dood zijn opgenomen in het leven van God zelf, in het eeuwig leven. Niet dat ze volmaakt waren.
En dat is belangrijk om 2 redenen. Ten eerste zegt het nog maar eens dat heiligheid, geheeld zijn, voor ieder van ons niet alleen het doel blijft, maar voor ieder van ons ook bereikbaar is.
En vooral ook: dat geen enkele toestand, geen enkele ideologie hier in dit leven, het Rijk Gods tot stand brengt.
En dat is een heel belangrijk voorbehoud, dat ons alert en kritisch houdt ten aanzien van elke politieke utopie en elke vorm van fanatisme.

Jezus
Boven dit alles uit echter, herinnert het feest van Allerheiligen vooral aan het feit dat het geloof in het leven na de dood, het geloof in het volle leven bij God, een centraal gegeven is binnen het christendom.
Wij geloven dat ooit, wanneer de sterrennevels als een boekrol worden opgerold en de tijd een einde neemt, dat dan het Rijk Gods een feit zal zijn, wanneer God alles in allen zal zijn. Dat ons eigen leven dan zijn ultieme bloei en vervulling zal vinden in God. En dat zelfs de hele schepping voltooid zal worden in Hem.
Dat geloof in het leven na de dood heeft bij ons niets te maken met wetenschap of filosofie, en ook niet met religieuze opvattingen over karma of reïncarnatie.
Dat geloof van ons in het herboren worden bij God gaat helemaal terug op de persoon van Jezus Christus, op zijn leven, zijn dood, en op de ontelbare getuigenissen, ook vandaag, dat Hij verrezen is, dat Hij leeft.
En op zijn belofte dat ieder van ons hetzelfde wacht als wij leven, Hem achterna.

Moraal
Indien Christus niet verrezen is, zeg Paulus, indien wij alleen maar voor dit leven onze hoop op Hem hebben gesteld (en je zou eraan kunnen toevoegen: indien wij het christelijk geloof verengen tot een moraal), dan zijn wij de meest beklagenswaardige van alle mensen. Ik denk dat Paulus ook hierin gelijk heeft.
Aan het eind van de vorige eeuw dachten niet weinigen dat het geloof in het leven na de dood een rem zet op het serieus nemen van het leven vóór de dood.
Ondertussen weten wij dat het uitzicht op eeuwig leven vooral ook een stimulans is om van ons leven hier op aarde iets moois te maken voor anderen en voor onszelf.

Hoezo, God beminnen?

Zondag 25 oktober 2020, Dertigste zondag door het jaar (jaar A)

Vorige week hoorden we het scherpzinnige antwoord dat Jezus gaf aan de pluimstrijkende farizeeën die Hem in een politieke val wilden lokken.
“Geef aan de keizer wat de keizer toekomt”, zei Hij. “En aan God wat God toekomt”.
Jezus erkent dus de waarde en de eigenstandigheid van beide domeinen: geloof en politiek.
En Hij vindt blijkbaar ook dat die niet door elkaar moeten gehaspeld worden.
Hij toont zich hier als misschien wel de eerste pleitbezorger van de scheiding tussen Kerk en Staat. Maar voor zijn volgelingen is dat, in de loop van de geschiedenis, vaak niet echt een punt gebleken.

Homogeen
En dat is ook begrijpelijk, we moeten daar niet per se knorrig over doen.
Het geloof dat Jezus ons bracht, heeft zo’n fenomenaal succes gekend dat heel ons maatschappelijk corpus daar na een tijd van doordrongen was.
Onze instellingen, onze moraal en onze wetten.
In een homogene samenleving is dat normaal. Maar nu de situatie veranderd is en de maatschappij lang niet meer homogeen katholiek is, maar een kleurrijk lappendeken werd van alle mogelijke geloven en opvattingen, blijkt dat wij de vorige situatie een beetje té gewoon geworden waren.
Wij waren het zo gewoon dat wat de Kerk wilde en wat de burgerlijke wetgeving voorschreef, hetzelfde was, dat wij nu nog altijd even moeten slikken telkens wanneer blijkt dat dit niet meer vanzelfsprekend is. Dat is wel even wennen. Wij hebben niets tegen de scheiding van Kerk en Staat op zich. Maar we moeten nu wel serieus ons huiswerk maken.

Verantwoordelijkheid
Want vroeger werden wij in onze morele keuzes op de meest vanzelfsprekende wijze gesteund door de wet. Nu moeten we als christen veel meer “zelfstandig” beslissingen nemen en keuzes maken. Beslissingen die -binnen de wet- toch volledig bepaald worden door ons christenzijn. En tezelfdertijd leerden we aanvaarden dat andere mensen andere keuzes maken, die evenzeer volkomen wettelijk zijn.
De wet schetst het brede kader van wat mag en wat niet. En daarbinnen moeten mensen vanuit hun overtuiging hun verantwoordelijkheid nemen en morele keuzes maken. En voor een christen zullen die anders zijn dan voor een moslim, een jood of iemand met een seculier geloof.
D.w.z. dat onze eigen verantwoordelijkheid veel belangrijker wordt.
Wij hebben niet langer de geruststellende zekerheid, het gezapige weten dat “als het wettelijk niet strafbaar is, het allemaal wel oké zal zijn”.
Want dat is het helemaal niet. Veel meer dan vroeger, moeten wij alert zijn en bij elke beslissing ons christenzijn laten doorwegen.
Tot zover de scheiding van Kerk en Staat.

God beminnen
Laten wij ons nu eens richten naar de evangelielezing van vandaag. Dat gaat over niet minder dan de vraag welk het voornaamste gebod is.
Het antwoord van Jezus is, zoals altijd, klaar en duidelijk: God beminnen boven alles en daaraan gelijkwaardig, de naaste beminnen als jezelf.
Op het eerste gezicht klinkt dat misschien een beetje vreemd: God beminnen. Hoe kan je nu een onzichtbaar iemand echt beminnen?
Dit lijkt alleen maar vreemd. Als je God erkent als Diegene die je het leven gegeven heeft, en zeker als je Hem ervaart als Iemand die je draagt en die bevrijdend aanwezig is in je leven, dan is God beminnen echt niet moeilijk.
Maar er is een eenvoudiger manier, en dat is God beminnen in onze naaste, in zijn mensen.
Als God liefde is, en dat geloven wij, dan moet zijn hart wel uitgaan naar al de mensen die het moeilijk hebben, die arm of ziek of eenzaam of verstoten zijn.
Dan kunnen wij, die “geschapen zijn naar zijn beeld”, God aanwezig stellen in deze wereld door mensen die in nood zijn te beminnen, te helpen, er zorg voor te dragen.
Dat is trouwens de enige manier waarop dat beeld-van-God-zijn kan begrepen worden.

Onontkoombaar
Jezus gaat zelfs zover van zich te vereenzelvigen met de geslagen mens: “Wat ge aan de minsten van de mijnen hebt gedaan, hebt ge aan mij gedaan.”
Door het zo radicaal te stellen, kunnen wij ons als christenen nooit meer drukken.
Kunnen wij ons nooit nog onttrekken aan dat wat Jezus zelf in het centrum van het leven van een christen heeft geplaatst: de onontkoombare eis om kwetsbare en gekwetste mensen te beminnen en er zorg voor te dragen.
Een niet onbelangrijke bemerking daarbij is echter dat wij wel God kunnen beminnen in het zorg dragen voor mensen, maar je kan die twee niet zomaar door elkaar halen. Het is niet zo dat je, telkens als je iemand helpt, telkens als je een goede daad verricht, een goed doel steunt, dat je dan automatisch je liefde toont voor God.
Dat je door mensen in nood te helpen automatisch God bemint. Want mensen die niet geloven doen dat toch ook.

Roeping
Het lijkt een beetje spijkers zoeken op laag water, vitten over subtiliteiten.
Maar dat is het niet. Mensen kunnen goeddoen aan anderen bijvoorbeeld vanuit morele of politieke overwegingen. Of zelfs omdat ze gewoon goedaardig en menslievend van aard zijn.
Een christen zet zich in voor minder fortuinlijke mensen omdat hij het als zijn roeping ziet om God-die-liefde-is in onze wereld aanwezig te stellen.
Bovendien vermoeden wij achter het vragend gelaat van de noodlijdende mens, het Gelaat van God zelf. God is dus dubbel betrokken in dit proces.
Hij is aanwezig in het appel dat vanuit de mens in nood op ons afkomt. Terwijl wij in het lenigen van die nood, Gods liefde aanwezig brengen in onze wereld.
Mensen rechttrekken moet dus wel de meest heilige daad zijn die wij kunnen verrichten.

Uitbreken

Zondag 11 oktober 2020, Achtentwintigste zondag door het jaar (jaar A)

Vorige week hebben wij het uitgebreid gehad over de dringende nood aan een nieuwe evangelisatie. Over de noodzaak om ons geloof terug door te geven, om mensen opnieuw te winnen voor Jezus en zijn evangelie.
Om de doodeenvoudige reden dat wij op een punt zijn aangekomen waarop wij wel moeten uitbreken en verkondigen, willen wij niet gewoon verdwijnen.
Het zal voor niemand van u een openbaring zijn als ik vertel dat onze kinderen niet meer automatisch het geloof van hun ouders en grootouders overnemen.
En dat de ons omringende cultuur ook niet bepaald nog zo van het christendom doordrongen is, dat mensen die het elders gaan zoeken raar bekeken worden.
Wij moeten terug de boer op. Wij moeten, net zoals een politieke partij, terug mensen winnen voor onze ideeën.
Maar dan niet om terug te vervallen in oude zonden: niet om terug machtig te worden en onze opvattingen aan iedereen op te dringen.
Maar vanuit de diepe overtuiging dat wat Jezus ons gebracht heeft, alles te maken heeft met het vinden van levensvervulling en levensgeluk voor elke mens.

Lamentabel
Eens daarvan overtuigd, kunnen we ook de moed opbrengen om eerlijk en kritisch te kijken naar de toestand waarin we als Kerk en als parochie zijn aanbeland.
Wij zijn helemaal verzand in wat je zou kunnen noemen: onderhoudspastoraal.
D.w.z. dat we geleerd hebben allang content te zijn als we zoveel mogelijk van het bestaande kunnen laten voortbestaan, terwijl het allemaal alsmaar verder afbrokkelt. Je kan het vergelijken met die Chinese jongleurs, die verschillende borden (telloren) op stokken draaiende houden door van de ene stok naar de andere te rennen, en dan met vlugge bewegingen van de stokken de boel in gang proberen te houden. Maar ze mogen lopen als gek, vroeg of laat moeten ze ermee ophouden of de borden vallen 1 voor 1 op de grond.
Parochies die alleen nog aan onderhoudspastoraal doen, zijn stervende, zijn eigenlijk op sterven na dood.
En het alsmaar groter maken van de pastorale zones biedt geen enkel soelaas.
Wij moeten gewoon terug uitbreken.

Grondig
Hoewel, zo “gewoon” is dat natuurlijk ook niet. Het gaat over niet meer of niet minder dan het voortbestaan van de Kerk in onze streken. Het zal dus gaan om een werk van lange adem. Grondig werk ook. Ophouden met knippen en plakken en pleisterwerk.
Ophouden met prullen. Inzet, wilskracht en enthousiasme zullen nodig zijn.
Vorming en doorzettingsvermogen ook. En alles, maar dan ook alles in de parochie zal moeten gefocust zijn op missionering, op evangelisatie.
Je moet van mij vandaag dus geen soort “masterplan” of visie verwachten die ik hier eens uit de doeken kom doen om dan volgende week het al te hebben over iets anders.
Het christelijk geloof is wezenlijk missionair. Het zal een werk van jaren zijn om al onze krachten opnieuw te mobiliseren in die richting. Wij zijn wat dat betreft nogal van de gemakkelijke kant geworden. . .

Schuldgevoel
Vandaag daarom alleen maar een inleidend woordje, bedoeld om onterechte schuldgevoelens weg te nemen bij zovele mensen die lijden onder het besef dat ze er niet in slaagden hun geloof door te geven aan de volgende generatie. Die pijn is heel begrijpelijk, en ik kan daar alleen maar met respect en begrip over spreken. Maar het gevoel is onterecht.
Je kan daar niets aan doen. De tijden zijn grondig veranderd.
Om te beginnen is een zeer groot gedeelte van de invloed en het gezag van de ouders op het denken en het gedrag van de kinderen overgenomen door de leeftijdsgenoten en de media.
Ook bij het doorgeven van het geloof kwam er een bijna totale breuk met het verleden.

Alles anders
Vroeger werd je geboren in een (min of meer) christelijk gezin en vanaf het begin nam je “christelijke” gewoontes en gedragingen aan: je ging naar de mis, onderhield de geboden, je ging naar een katholieke school, een katholieke jeugdbeweging enz.
In een tweede fase kon je, levend in die christelijke “cocon” ook gelovig worden (ook hier de ene min, de andere meer). En in een derde fase kon je je ook opgenomen en gedragen voelen in die christelijke gemeenschap.
Tegenwoordig is die situatie helemaal omgegooid.
Mensen (jongeren én ouderen) beginnen pas interesse te krijgen voor Kerk en parochie als ze daar een gemeenschap ontdekken die warm aanvoelt. Als de parochie een gemeenschap is waar mensen zich gedragen weten en waarderend en vriendelijk met elkaar omgaan. Een plaats waar ze niet alleen preken over “broeders en zusters”, maar waar ze zich ook echt zo gedragen.
Pas wanneer op die manier (meer nog dan door preken of boeken) hun interesse gewekt is, kunnen ze tot geloof komen en gaan ze zich uiteindelijk en vanuit dat geloof ook anders gedragen.

Warmte
Wanneer in deze tijd een parochie, een christelijke gemeenschap nog wil aanspreken, dan moet ze opvallen door de manier waarop de mensen in die kerk, in die parochie, in die christelijke vereniging met elkaar omgaan.
En zo komen we tot de allereerste, allernoodzakelijkste voorwaarde als wij in onze tijd willen evangeliseren en terug mensen willen aantrekken.
Wij zullen hen pas aanspreken als wij een hartelijke parochie zijn, waar mensen anders met elkaar omgaan dan buiten die parochie. Als wij voor mensen een voorbeeld zijn van hoe zij graag hebben dat het er in heel de maatschappij zou aan toegaan.
Dat is de allereerste voorwaarde. Daar moeten we al onze krachten op richten.

Dringende nood

Zondag 4 oktober 2020, Zevenentwintigste zondag door het jaar (jaar A)

Een van de centrale christelijke geloofspunten is altijd geweest dat Jezus zowel God was als mens. Dat in Jezus, een mens, God zich aan ons heeft laten kennen op een manier die voor onze beperkte vermogens begrijpelijk is. Beperkte vermogens, die ons verhinderen om vanuit onszelf door te dringen in dat geweldige Mysterie dat God is.
Wat Jezus ons bracht volstond om contact met God te kunnen nemen, om een relatie met Hem aan te kunnen gaan.
Dat Jezus echter ook 100% mens was, maakt dat Hij, zoals elke mens, eerst kind was en opgroeide en leerde, en dus ook qua inzichten evolueerde.
In het evangelie van vandaag zijn wij getuige van zo’n beslissende verandering, van zo’n evolutie in zijn denken. Het moment namelijk waarop zich in Jezus’ geest de gedachte heeft uitgekristalliseerd dat zijn Boodschap niet alleen voor zijn eigen volk bestemd is, maar voor alle mensen.
Eigenlijk was die doorbraak al gebeurd tijdens zijn gesprek met een Syro-Fenicische vrouw. Een met de nek aangekeken zondares trouwens, die het lef had om als vrouw, als niet-Joodse en bovendien ook nog als iemand die het niet zo nauw nam met de goede zeden, Hem, een rabbi, uit te dagen zijn mening over zijn eigen roeping te herzien. Il faut le faire.

Breuk
De ommekeer, de verruiming in zijn denken was dus al gebeurd. Het evangelie van vandaag legt alleen maar het moment vast waarop Jezus die verandering van inzicht aan de Joodse machthebbers kenbaar maakt.
En hen waarschuwt dat hun zelfgenoegzaamheid “Wij zijn de zonen van Abraham” hen niet zal redden. Dat hun verbeten opvatting dat zij het uitverkoren volk van God zijn, God zelf tot niets verplicht. Dat God, als Hij dat wilde, zich gemakkelijk uit stenen een ander volk kon vormen.
Jezus waarschuwt hier de (Joodse) machthebbers voor de op handen zijnde breuk als zij niet van koers veranderden. En vermits machthebbers altijd als de dood zijn voor elke verandering, zal die houding Hem aan het kruis brengen.
Die breuk zal later echter door Paulus ook effectief doorgevoerd worden.
Het zou een breuk worden van wereldhistorische betekenis. Het jonge christendom liet de omknellende en sektarische banden met het jodendom los en werd het geloof dat de wereld zou veroveren.
Tot op vandaag zien vele joden ons nog altijd als joodse ketters. Er zijn nu wel “Jews for Jesus”, joden met een boontje voor Jezus. Maar echt bekeren mag niet. “Gewone” (niet-chassidische) joden zijn vrij liberaal in die dingen.
Ze gaan je niet echt vies bekijken, vertelde onlangs een “nieuwe christen” op tv, als je bijvoorbeeld boeddhist wordt, of hindoe, of zelfs moslim.
Maar christen worden, dat is “erover”. Christenen blijven de scheurmakers, de afvalligen, de ketters.
En hier stop ik, want ik ben mij er wel van bewust dat wij hier niet zijn samengekomen om eens rustig van gedachten te wisselen over de joods-christelijke betrekkingen.

En wij?
De vraag die ons vandaag moet bezighouden is, waar staan wij in die parabel van de misdadige wijnbouwers? Zijn wij niet diegenen die vandaag tegen Jezus zeggen: wij zijn christenen, ons moet je niets meer komen vertellen?
Dragen wij nog vruchten? Zijn wij nog vervuld met ijver voor ons geloof en voor wat Jezus van ons vraagt? Proberen wij nog mensen te winnen voor ons geloof, mensen te verleiden tot een omschakeling, tot een andere manier van leven?
Zijn wij nog overtuigd dat een echte ontmoeting met de levende Heer, het besef van zijn aanwezigheid in je leven, mensen tot leven brengt?
Missioneren wij nog of vinden wij het allang goed als wij wat Goede Werken steunen en wat geld geven aan ngo’s?
Geloven wij nog wel echt?
Laatst las ik nog een stukje van een bekende columnist, die niet zonder bijtend sarcasme schreef over de “katholieke dialoogschool” van Lieven Boeve.
Scholen waar katholiekgelovige en andersgelovige kinderen en leraars in respect voor ieders opvattingen met elkaar in dialoog gaan.
Hij vraagt zich af of in veel van de katholieke dialoogscholen de “andersgelovigen” niet de enigen zijn die nog geloven.
Overdreven, jazeker, maar toch ook pijnlijk. Want, helemaal onwaar is het ook niet.

Mensen winnen
Het simpele feit ligt daar dat wij moeten omschakelen, dat wij terug moeten evangeliseren, willen wij niet gewoon verdwijnen. Wij moeten abrupt breken met onze gezapige “onderhoudspastoraal” die nergens toe leidt. Met het in stand houden van gebouwen en folklore en met het herleiden van geloof tot moraal.
Wij moeten terug evangeliseren, mensen winnen voor het geloof. Niet om lidkaarten te verkopen, maar vanuit de stellige overtuiging dat de ontdekking van God in je leven, een relatie aangaan met God, een enorme verrijking betekent. Dat het ontmoeten van de levende Heer diep-gelukkig makend is.
Wij zouden als christenen de komende jaren met bijna niets anders meer bezig moeten zijn.
Als wij echt menen wat wij beweren, als wij echt geven om mensen, willen dat ze gelukkig zijn, dan moeten wij hun vóór alles terug Jezus leren kennen.

Relatie
Maar om dat te kunnen, moeten wij natuurlijk eerst zelf Jezus kennen van “binnenuit”. Moeten wij zelf een relatie met Hem hebben.
Ik weet dat dat zwaar klinkt. Maar laat ons beginnen met gewoon terug te bidden. Met te spreken met Hem. Met onze eigen woorden.
Dat God Schepper is van hemel en aarde zegt me eigenlijk niets, als ik diep in mijn hart geen weet van Hem heb. En weten dat geloven wetenschappelijk verantwoord is, is interessant, maar het verdwijnt in het niets vergeleken met het ervaren van God in je leven. Met het diepe besef dat je gedragen wordt door een God die oneindig veel van je houdt. Daar moeten we toe komen.
En dat kan alleen door je te openen voor Hem, door contact met Hem te zoeken. . .

Mensen waar je kan op bouwen

Zondag 27 september 2020, Zesentwintigste zondag door het jaar (jaar A)

“Geef niet toe aan partijzucht en ijdelheid”, zegt Paulus, “maar acht de ander hoger dan jezelf”. “Laat niemand alleen zijn eigen belangen behartigen, maar liever die van zijn naasten”. Klinkt een beetje raar vandaag.
Als moderne, geciviliseerde mens die geleerd heeft niet over zich heen te laten lopen en op te komen voor jezelf, word je niet meteen wild van die woorden.
En toch heeft Paulus het hier over een van de grondhoudingen die een christen zouden moeten kenmerken.
Waar gaat het over? Paulus wil hier de eensgezindheid en samenhorigheid onder de christenen promoten. De eenheid in denken en doen, met de onderlinge liefde als band.

IJdelheid
Als er nu één ding is dat samenhorigheid brutaal doorkruist, dan is dat ijdelheid, de mening dat ik belangrijker ben dan een ander.
En dat dus ook op de eerste plaats mijn persoonlijke belangen moeten verdedigd worden. Partijzucht heeft hier trouwens niets te maken met politieke zeden. Paulus bedoelt daarmee gewoon het zoeken van bondgenoten om je ijdelheid en je eigenbelang te dienen.
Terwijl je als christen op de eerste plaats moet goed willen zijn voor de anderen.
Er staat letterlijk: de ander hoger achten dan uzelf.
Belangrijk is hier te zien dat het niet gaat over gevoelens van minderwaardigheid, met een beetje minnetjes denken over jezelf. Integendeel. Het is juist vanuit een gezond gedacht over jezelf en vanuit de zekerheid dat de Heer hierin achter je staat, dat je een stap opzij kan zetten en de ander kan laten voorgaan.

Dienen
Goed zijn voor, goeddoen aan een ander, heeft voor een christen niet op de eerste plaats te maken met aanleg of gevoelens. Je wil gewoon goed zijn omdat je precies daarin beeld van God bent. Als in Genesis staat dat wij geschapen zijn naar Gods beeld en gelijkenis, dan wil dat niet zeggen dat er enige fysieke gelijkenis is tussen ons.
Maar dat wij God, die ook in ons aanwezig is, in de wereld laten komen, telkens als wij goed zijn voor anderen.
En omdat dit voor zelfbewuste mensen lang niet gemakkelijk is, gooit Paulus nu alles in de strijd om ons te overtuigen. En dan krijgen wij die geweldige ode aan de nederigheid van de Heer:
“Hij die bestond in goddelijke majesteit, heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen”.
Hoe zouden wij ons dan nog te goed kunnen voelen om onze eigendunk opzij te zetten en de andere mensen te dienen? Als God zelf zich niet te goed voelde om af te dalen naar ons niveau. En om, in Christus, een slavenbestaan op zich te nemen en ons te dienen. Te sterven zelfs, om ons het leven te schenken.
Om ons te verlossen uit de zinloosheid en het niets.

Verhaaltje?
En na die indrukwekkende tekst van Paulus voegt de Kerk daar in de lezing van vandaag, bijna achteloos, een klein parabeltje aan toe.
Een tekstje dat je, als je het hele evangelie leest, nauwelijks opvalt en dat je zeker niet bijblijft. Een volkomen onbelangrijk stukje lijkt het wel.
Maar niets in het evangelie is onbelangrijk, geen enkele zin, geen enkel woord.
Het gaat over twee zonen die op de vraag van hun vader om hulp op zijn akker, totaal verschillend reageren. De één zegt OK, ik zal het doen, maar hij doet het niet, de ander zegt neen, maar later krijgt hij spijt en doet het toch.
Een schijnbaar banaal verhaaltje, maar eigenlijk een zeer venijnig verhaaltje.
Omdat het een van de pijnlijkste trekjes, zeg maar farizeïsche trekjes, blootlegt waaraan de volgelingen van Jezus zich nogal eens bezondigen: ja zeggen, maar niet doen. Beamen wat Jezus zegt, helemaal akkoord gaan met wat Hij van ons vraagt, maar het vertikken om het ook in praktijk te brengen.
Heel curieus. Want ook als wij in ons gezinsleven en in ons beroepsleven meestal mensen uit één stuk zijn, die doen wat ze zeggen, is dat ineens veel minder voor de hand liggend als het gaat om wat Jezus van ons vraagt. Ook al beweren wij daar helemaal achter te staan.
Bijvoorbeeld dat wij de ander moeten hoger achten dan onszelf of dat onze liefde en onze genegenheid vooral moeten uitgaan naar de armen en de uitgestotenen. Dat zeggen wij wel, maar in de praktijk leggen wij vaak toch andere prioriteiten.
Voor Jezus kan dat niet. No way!
“Die zeggen en niet doen”.
In zijn ogen één van de ernstigste vergrijpen die er zijn.

Uit één stuk
Hoe komt dat eigenlijk, dat wij zo vaak in dat bedje ziek zijn?
Ik weet het ook niet. Misschien zijn wij te sterk overtuigd geraakt van de eindeloze barmhartigheid van onze God. En van zijn beslistheid om ons niet 7 maal, maar 70 maal 7 maal, dat wil zeggen altijd te vergeven?
Misschien. Maar laten wij dan tenminste ons best doen om ook op godsdienstig gebied meer mensen uit één stuk te worden. Mensen die er voortdurend op bedacht zijn hun daden in overeenstemming te brengen met wat ze in geloof beweren.
Als wij een echt alternatief willen bieden aan een wereld die verder afzakt naar onverschilligheid en nihilisme, dan moeten wij meer geloofwaardig worden, minder tweeslachtig, meer christenen uit één stuk.

Rechtvaardigheid: het fundament

Zondag 20 september 2020, Vijfentwintigste zondag door het jaar (jaar A)

Ik heb ooit een man gekend, Frans, die in zijn jeugd voor priester studeerde.
Maar er was iets misgelopen in zijn hersenen, met blijvende schade tot gevolg.
In het bedrijf waar ik toen werkte verdiende Frans een karig boterhammetje met het opknappen van kleine klusjes. Tijdens de pauzes en na het werk praatte hij nog altijd graag over God en over zijn geloof.
Maar als je het ook maar even had over de liefde van God dan keek hij je strak aan en hij zei dan, met opgestoken wijsvinger, bijna theatraal: “God zal dan wel liefde zijn, maar Hij is bovenal oneindig rechtvaardig”.
En in de ogen van Frans zag je dan plechtstatige ernst, maar toch vooral ook: angst. Frans zal nu al wel jaren in de hemel zijn, stellig tot zijn eigen blije verwondering. Hij vertegenwoordigde (of was de dupe van) een strekking binnen het geloof die in het Calvinisme en het Jansenisme haar hoogtepunt vond en die een domper zette op elke vreugde die normaal van het geloof zou moeten uitgaan.
Die angst voor God of de goden is heel oud en marcheert eigenlijk al van in de oertijd met ons mee doorheen de geschiedenis.
Vandaar dat Jezus zoveel belang hecht aan het bekendmaken van God als een liefdevolle Vader, die onvoorwaardelijk van ons houdt.
Omdat angst voor God ons belet om ook maar enigszins van God te houden, nota bene het belangrijkste gebod. Terwijl diezelfde angst ons eveneens belet om te genieten van Zijn liefde voor ons, de kern van de Evangelische Boodschap. Je zou dus al voor minder op je qui-vive zijn!
Maar, als God zo liefdevol en barmhartig is, is Hij dan niet rechtvaardig? Jazeker. Maar zijn barmhartigheid, zijn vergeving en zijn liefde overtreft zijn rechtvaardigheid. Dat is het klassieke antwoord.

Onrecht
We moeten hier echter wel bijzonder goed oppassen dat we een uiterst belangrijke zaak als rechtvaardigheid niet minimaliseren.
Het verlangen naar rechtvaardigheid staat iedere mens in het hart gebrand en er zijn in de Bijbel maar weinig woorden die vaker gebruikt worden dan recht, rechtvaardigheid en gerechtigheid.
Zonder rechtvaardigheid staan we nergens, niet als persoon en niet als gemeenschap.
Onrecht is oorzaak van ruzie, geweld en zelfs van doodslag. En maatschappelijk zet het groepen en klassen tegen elkaar op. Maatschappelijk loopt onrechtvaardigheid altijd uit op onderdrukking, tirannie en op verzet daartegen.
Het is oorzaak van onlusten, revoluties en oorlogen. Het ontwricht het samenleven van mensen. Het heeft alleen maar chaos en ellende tot gevolg.

Bijbels
Ik ben nog nooit in Amerika geweest. Maar wat mij altijd opvalt in films of reportages over de Verenigde Staten, dat zijn de beelden van zo’n typisch Amerikaans stadje, middelgroot en zonder wolkenkrabbers.
Hoewel het vaak gaat om een diepreligieuze gemeenschap, is het grootste, meest imposante gebouw niet de kerk maar het gerechtsgebouw. En dat komt omdat de Amerikanen afstammelingen zijn van mensen die vroeger uit alle delen van de wereld daar naartoe gevlucht zijn om te ontsnappen aan het onrecht en de onderdrukking die ze in hun land moesten ondergaan vanwege despoten die lak hadden aan wetten en rechtvaardigheid. Vandaar ook de Amerikaanse gevoeligheid voor vrijheid en recht.
Een bijna obsessieve gevoeligheid, die diepe Bijbelse roots heeft.
Want daar mag geen enkel misverstand over bestaan, de Bijbel is daarover zeer formeel: een serieuze samenleving is alleen maar mogelijk als er een stevig wettelijk kader is en als er instellingen en mensen zijn die die wetten ook kunnen doen naleven. Als dat er niet is heerst de wet van de jungle, de wet van de sterkste, de totale willekeur en zit je binnen de kortste keren met uitbuiting en onderdrukking.
Salomo was de grootste koning van Israël ooit, niet omdat hij een groot veldheer was, maar omdat hij als geen ander recht kon spreken en wijze oordelen vellen.
Israël heeft zelfs een hele periode gekend waarin het land niet door koningen werd bestuurd maar door rechters.

Vergeving
Rechtvaardigheid komt eerst, vormt de basis, de voorwaarde. En daarbovenop komt dan de barmhartigheid, de vergeving.
Ook in de biecht is dat zo. Je krijgt niet zomaar vergeving. Het kwaad dat je hebt aangericht en dat je kan herstellen, moet je ook eerst herstellen (bijvoorbeeld wat gestolen is terugbezorgen aan de eigenaar) en dan kan je vergeving krijgen.
Barmhartigheid is een typisch kenmerk van God. En daarom wordt van de gelovigen dezelfde houding verwacht.
Maar barmhartigheid kan nooit de plaats innemen van rechtvaardigheid.
Eigenlijk is barmhartigheid niet alleen een kenmerk, maar ook een privilege van God.

Beperking
Voor mensen zijn de mogelijkheden op dat gebied zeer beperkt.
Ik kan alleen maar mensen vergeven die mij persoonlijk (of mijn nabestaanden) kwaad hebben berokkend. Het zou erg misplaatst zijn als ik iemand het kwaad zou vergeven dat hij andere mensen heeft aangedaan. Dat mag ik niet. Dat kunnen alleen God én de slachtoffers zelf. Omgekeerd, maar op dezelfde wijze, moet ik geen vergeving vragen voor iets wat anderen gedaan hebben en moeten Duitse jongeren bijvoorbeeld zich niet schuldig voelen voor wat Hitler 70 jaar geleden heeft misdaan.
Schuldig ben je alleen als je zelf iets misdaan hebt, het mogelijk gemaakt of er aan meegedaan hebt. Maar vergiffenis vragen voor wat anderen hebben aangericht is niet alleen misplaatst, het heeft zelfs iets arrogants.
Laten we het simpel houden.
Vergiffenis vragen voor wat we zelf misdaan hebben is al moeilijk genoeg.

Vergeven: een christelijke plicht

Zondag 13 september 2020, Vierentwintigste zondag door het jaar (jaar A)

Vele jaren geleden was de Luikse PS-er André Cools één van de machtigste politici in ons land. Je kon in België bijna geen enkele beslissing meer nemen zonder hem daarin te kennen.
Van deze André Cools werd ooit de uitspraak genoteerd: “Moi, je ne pardonne jamais – Ik vergeef nooit”.
Het was een statement met een zeer hoog machogehalte. De boodschap was: voor mijn vrienden ga ik door een vuur. Maar als je mij dwars zit of zelfs verraadt, dan zal ik je vinden.
“Moi, je ne pardonne jamais!”. En hij voegde er nog iets aan toe: “Je ne suis pas chrétien”. En dat was een veelzeggende verduidelijking.
Want iemand vergeven is inderdaad typisch christelijk. Ik meen zelfs exclusief christelijk.

Plicht
Andere geloven en ook de niet-religieuze stromingen en instellingen (zoals ons eigen rechtssysteem bijvoorbeeld) benadrukken de rechtvaardigheid. Wat inhoudt dat het kwaad wordt bestraft. Punt, andere lijn.
Zelfs als in andere godsdiensten aangemaand wordt om wat verkeerd was te vergeven, meen ik (want ik ben geen specialist) dat het gaat over het vergeven van volksgenoten of geloofsgenoten. Niet van anderen.
In ieder geval is het zo, dat geen enkele leer zo’n sterke nadruk legt op de plicht om te vergeven als het christendom.
Waarom eigenlijk? Waarom is fouten vergeven zo belangrijk?
Waarom kan gewoon rechtvaardigheid, d.w.z. het bestraffen van het begane onrecht niet volstaan? Waarom is voor Jezus die loodzware eis om iedereen die je wat aangedaan heeft te vergeven, van harte te vergeven zelfs, zo belangrijk?

Reden
Want het is inderdaad een loodzware, bijna niet uit te voeren eis.
Andere godsdiensten geven vaak de indruk dat ze de mensen allerlei voorschriften, geboden en verboden opleggen waar een christen geen omkijken naar heeft.
Waardoor je de indruk zou kunnen krijgen dat met wat Christus van ons vraagt veel gemakkelijker te leven valt dan met, bijvoorbeeld, al die zeer concrete voorschriften uit de Thora (méér dan 600) die iedere vrome jood moet navolgen in zijn gewoon dagelijks leven.
Maar dat is niet zo. Want wat is het moeilijkst: een of andere vleessoort vermijden (terwijl er zoveel andere en veel lekkerder keuzen mogelijk zijn) of iemand van harte vergeven die jou of een van je dierbaren hatelijk behandeld heeft?
Ik denk dat dit duidelijk is. Maar waarom staat Jezus zo sterk op die vergeving?
Omdat God liefde is.
En omdat Hij liefde is en van ons houdt, wil Hij dat ook wij liefdevolle wezens worden.

Moeilijkheid
Maar wij zondigen voortdurend, ook als we ons best doen om andere mensen te worden.
Vaak is de drang naar het foute sterker dan onszelf.
Paulus zegt: “Het goede dat ik wil doen, doe ik niet en het kwade dat ik niet wil, doe ik wel”. En dus blijft er, als God van ons houdt en als onze vrijheid Hem lief is, niets anders over dan ons te vergeven. Maar God verlangt van ons hetzelfde.
En hier komt de parabel van vandaag in de picture.
Een man zijn schuld, wordt grootmoedig kwijtgescholden. Maar eens die zaak geregeld, treedt hij bijzonder hardvochtig op tegenover een collega van hem die hem een veel kleiner bedrag schuldig was. En dáárvoor wordt hij zwaar gestraft door zijn Heer.
Belangrijk is hier: hij wordt niet gestraft voor zijn oorspronkelijke fout (de schulden die hij had), maar voor het feit dat hij onbarmhartig was voor een ander. Terwijl zijn eigen schuld vergeven was, kon hij geen vergeving opbrengen voor die andere.
Hij wordt dus gestraft.

Bevrijding
Het is belangrijk te zien dat Jezus’ eis om te vergeven de rechtvaardigheid niet opheft, maar daar als het ware de bekroning van is. De woorden rechtvaardigheid en gerechtigheid komen op bijna elke bladzijde van de Bijbel voor.
Maar rechtvaardigheid stelt alleen maar “orde op zaken”. En vaak blijft aan weerskanten rancune en een sterk negatief gevoel, vaak zelfs het verlangen naar wraak. Echt bevrijdend wordt het pas als er ook vergeving is. En mensen bevrijden is het sleutelwoord in heel de opstelling van Jezus.
En alleen oprechte vergeving zorgt voor bevrijding, zowel bij diegene die ze geeft, als bij diegene die ze ontvangt.
Daarom is het ook belangrijk dat wij vergeving uit de sfeer van het humeur en de gevoelens halen. Iemand echt vergeven doe je met je verstand en vooral met je wil.

Maar
Er zijn echter gevallen waar dat niet kan.
Ik denk bijvoorbeeld aan die vrouw die in de kampen tijdens de oorlog haar ouders en twee van haar kinderen verloor, terwijl ze er ook zelf onmenselijk was behandeld. Ik zou nooit aan zo iemand durven vragen om haar beulen te vergeven. Jezus wel, en waarschijnlijk ook met goed gevolg. Maar ik niet, wij niet. Misschien mogen we dat zelfs niet vragen van iemand die zo verschrikkelijk geleden heeft onder de misdaden van anderen.
Misschien volstaat voor deze mensen een bijzondere en minimale vorm van vergeving: geen wraak nemen. Wel recht laten geschieden. Maar geen wraak nemen.

Leven gevende vergeving

Zondag 6 september 2020, Drieëntwintigste zondag door het jaar (jaar A)

Vergiffenis schenken, het kwaad dat mensen je hebben aangedaan vergeven, wordt algemeen gezien als een van de meest typisch christelijke houdingen die er zijn. Een van de moeilijkste ook.
Iemand van harte vergeven die je pijn heeft gedaan of vernederd of zwaar benadeeld, is inderdaad bijzonder moeilijk. Soms lijkt het zelfs bovenmenselijk, iets voor heiligen, iets wat de krachten van een gewone mens te boven gaat.
Bovendien, zelfs als je zou willen vergeven, kan je dat dan wel? De krachten die vanuit ons onderbewustzijn onze handelingen mee sturen zijn vaak toch sterker dan onze wil en ons bewust verlangen. Als ik bijvoorbeeld zeg: “Vergeven kan ik het wel, maar vergeten nooit”, heb ik dan echt vergeven? Neen.
Iemand vergeven, onvoorwaardelijk en van harte, is bijzonder moeilijk.

Bezorgdheid
En toch is er iets dat soms nog moeilijker is dan iemand zijn fouten vergeven. En dat is: iemand op zijn fouten wijzen. Als dat tenminste iemand is die je graag ziet. Als het gaat om iemand waar je alleen maar een formele, zakelijke relatie mee hebt of iemand die je zelfs helemaal niet goed ligt, dan zal je er wellicht zelfs een zeker genoegen in scheppen om hem of haar te wijzen op fouten en tekortkomingen.
Maar als het gaat om iemand die je erg graag mag, dan wil je dat juist kost wat kost vermijden. Dan is het bijzonder moeilijk om zo iemand terecht te wijzen.
En toch komt die verplichting, want zo mag je het noemen, om mensen waar we van houden te wijzen op hun fouten, zo vaak voor in de Bijbel dat je er onmogelijk omheen kan. Maar je moet het wel doen. Uit liefde. Om te voorkomen dat de andere verloren loopt. Dat is het motief. Dat is zelfs de voorwaarde: dat je het doet vanuit een oprechte bezorgdheid. Niet omdat je graag betuttelt of graag anderen de levieten leest, maar omdat je iemand waar je van houdt op de goeie weg wil brengen of houden.

Ouders
Je zou het kunnen vergelijken met de houding van ouders tegenover hun kinderen.
Ouders die hun kinderen weinig of geen grenzen stellen en alles wat ze fout doen door de vingers zien, die maken nú wel een goede beurt bij het jonge volkje, maar die bereiden hen niet goed voor op het leven later.
Ouders die hun kinderen echt graag zien, die stellen grenzen en durven hun ook wijzen op wat ze verkeerd doen. Het is een houding die nog moeilijker is voor de ouders dan voor de kinderen. Maar liefhebben en populair zijn, zijn nu eenmaal twee verschillende zaken.

Vergeven
Bij het liefhebben hoort uiteraard dat je ook niet veroordeelt.
Als je iemand op zijn fouten wijst, moet hem of haar helpen het enige doel zijn.
En dat houdt natuurlijk ook in dat de fouten vergeven worden.
Mensen hebben vandaag steeds minder de fantastische ervaring van vergeven te zijn. Onder meer door het verdwijnen van de biecht. Tegelijk met het wegdeemsteren van het biechtsacrament verwaterde ook het gezonde schuldgevoel. Bij zowat alles wat ik verkeerd doe, wordt de oorzaak grotendeels buiten mijzelf gelegd: foute vrienden, verkeerde opvoeding, slechte genen, ongelukkige omstandigheden. Zowat alles en iedereen is fout, terwijl mijn eigen verantwoordelijkheid tot een minimum wordt teruggebracht.
Leuk. Maar daardoor kan ik natuurlijk ook niet genieten van het enorm bevrijdend gevoel vergeven-te-zijn. Waardoor ik bijna automatisch anders zou gaan leven. Nu doe ik dat niet.
Ik blijf zelfgenoegzaam verder modderen. Van een leven gevende ommekeer is dan geen sprake.

Fazenda
Gelukkig zijn er in de Kerk ook nieuwe initiatieven om mensen tot zo’n ommekeer te brengen.
Een ervan is de “Fazenda da Esperança”. “Boerderijen van de hoop”, zou je kunnen zeggen. Het project komt overwaaien van Brazilië (vandaar de Portugese naam) en in Europa waaiert het verder uit vanuit Duitsland. Sinds kort is er ook een stichting in het Belgische Achel, in de vroegere trappistenabdij. Het gaat om plaatsen waar ex-verslaafden en mensen met psychische problemen leven en werken op een boerderij. Het leven is er uitdrukkelijk op christelijke leest geschoeid.
Er zijn vaste gebedsmomenten en lezing en meditatie rond het evangelie, ook voor gasten die niet of anders-gelovig zijn. Heel de bedoeling is, mensen voor wie het in het leven misgelopen is, laten voelen wat christelijke vergeving is.
Niet psychotherapeutische sessies, maar het warm en respectvol omgaan met elkaar staan er centraal. En. . . het werkt. Er zijn heel goede resultaten.
Het is een prachtig voorbeeld van wat een diepchristelijke aanpak vermag.

Noodzaak
Maar nog eens: mensen kunnen nooit de bevrijdende kracht van vergeving ondervinden als ze niet beseffen dat ze fout bezig zijn.
En daarom is het liefdevol en tactvol wijzen op iemands fouten even belangrijk en noodzakelijk als het vergeven zelf.