Kerstmis 2020

Donderdag 24/vrijdag 25 december 2020, Kerstmis (jaar B)

In het begin van onze tijdrekening was het bij invloedrijke Romeinse burgers grote chic om je kinderen te laten onderwijzen door geleerde Griekse slaven die hun de kennis van de filosofie bijbrachten. Na het succes van Paulus en zijn gezellen in Griekenland, bereikten op die manier, mét die Griekse filosofie, ook steeds meer christelijke elementen de jonge Romeinse geesten. Dat lijkt een godsgeschenk voor de verkondiging geweest te zijn. Maar was het ook werkelijk een geschenk?
In Troje hadden ze intussen immers geleerd dat je “op je hoede moet zijn als Grieken geschenken brengen”. De bestuiving was in ieder geval wederzijds. En het christendom dat ons hier in het Westen bereikte, bracht die typisch Griekse scheiding tussen lichaam en ziel mee en een duidelijk misprijzen voor alles wat te maken heeft met het lichaam. Alles moest “vergeestelijkt” worden om goed te zijn.

Menswording
Maar dat komt niet van Jezus. En dat zie je al meteen met Kerstmis: de menswording van God. God die de gigantische afstand tussen Hem en ons overbrugt door onder ons geboren te worden als een mens. Een echte mens. Geen spiritueel wezen dat zich vermomd heeft als mens, maar een echte mens van vlees en bloed.
Een man die weent bij het graf van Lazarus en die in de olijfhof water en bloed zweet van angst en ontsteltenis.
Ook wij zijn geen puur geestelijke wezens en we moeten dan ook niet doen alsof dat wel zo is. Wij hebben niet alleen een lichaam, voor een stuk zijn wij ook ons lichaam.

Nabijheid
Als wij iets geleerd hebben uit de huidige coronaperiode, dan is dat wel de enorme nood die wij hebben aan lichamelijke nabijheid. Als je een geliefde moet afgeven, besef je heel sterk dat een foto of een film nooit fysische aanwezigheid kan vervangen.
Fysiek contact heeft duidelijk iets meer. Iets onbenoembaars en geheimzinnigs, maar iets essentieels, dat door geen digitalisering kan overgebracht worden.
En het is juist die echte aanwezigheid die wij zo nodig hebben. Wij leven daarvan. Wij leven van de nabijheid van anderen, wij kijken terecht uit naar de tijd die nu snel dichterbij komt, de tijd van het vaccin, waarin wij terug kunnen gaan en staan waar we willen, op reis gaan, feestjes organiseren, sport beoefenen, manifestaties bijwonen. . .
Die dingen zijn belangrijk in ons leven, wij hebben daar nood aan. Ze brengen verzet en ontspanning, ze geven kleur aan ons leven, ze zijn als het ware de kers op de taart. Maar alleen maar de kers, niet de taart zelf. Leven zélf geven ze niet.
Alleen liefde en vriendschap en menselijke nabijheid brengen leven in ons leven. En lichamelijk contact speelt daar een grote rol in.

Liturgie
Ook binnen het kerkgebouw mag daar gerust wat meer aandacht voor zijn. Natuurlijk blijven gebed en ingetogenheid het aller voornaamste en het is niet de bedoeling dat wij voortaan in de liturgie een aantal uitgebreide knuffelmomenten inlassen.
Maar wij kunnen bijvoorbeeld wel meer zorg en aandacht besteden aan de begroeting van mensen die naar de mis komen. En hun bij het einde van de dienst ook meer kansen bieden om bij een kop koffie bijvoorbeeld, rustig kennis te maken met “nieuwe” mensen, en met mensen die je alleen op zondag in de kerk ontmoet.

Hoop
Zusters en broers, het einde van de corona-ellende is nabij, veel dichterbij dan velen vrezen. Laat je vooral niet uit je lood slaan door neerslachtige bedenkingen die je regelmatig hoort over een mogelijke derde golf, of de vraag of de vaccins wel zullen werken. Laat je integendeel inspireren door de typisch christelijke deugd van de hoop. En kijk uit naar de vervulling ervan. Want we komen erdoor. En, met de komst van de vaccins, vlugger dan wij hadden gedacht. We zullen nog wel een jaar of zo voorzichtig moeten zijn. Maar we komen erdoor. Het leven gaat voor ieder van ons terug open!
We zullen wel moeten oppassen voor een nieuw gevaar, dat achter het oude dreigt naar voren te komen.
Wij zullen er moeten over waken dat wij in onze omgang met elkaar niet terugkeren naar onze oude Hagelandse stugheid. Na eeuwen van robuust afstand houden, waren wij eindelijk een beetje ontdooid.
Wij staan nog niet, zoals onze Waalse zusters en broeders, voortdurend klaar om iedereen die voorbijkomt te zoenen, maar er was toch al een zekere kentering merkbaar.
Wij mogen dat niet terugdringen.

Doel
Wij moeten er voor oppassen dat wij het afstand houden dat we tijdens corona hebben aangekweekt niet doortrekken naar de toekomst. Onbewust, zonder het te willen zal een duiveltje in ons, ons blijven waarschuwen dat we afstand moeten houden. Ons waarschuwen voor de ander als een mogelijke bron van besmetting. Wij moeten daar heel erg voor oppassen.
Als we eraan toegeven, wordt onze wereld opnieuw zoals vóór de Schepping: woest en leeg.
Terwijl wij geschapen zijn om elkaar graag te zien en elkaar gelukkig te maken.

Beeld van God

Dinsdag 24/woensdag 25 december 2019, Kerstmis (jaar A)

Dat wij de laatste 50 jaar het geloof meer en meer zijn gaan voorstellen als therapeutisch, dat was, denk ik, een vergissing.
Ik mag dat rustig zeggen want als daar iemand met open ogen ingelopen is, dan zal het deze jongen wel zijn. Ik steek al jaren de loftrompet over de genezende en bevrijdende kracht van het christelijk geloof. Ik blijf daar ook nu nog achter staan. Ik ben er diep van overtuigd dat goed begrepen christendom mensen openbreekt en ten volle doet leven. Dat het heilzaam is, zowel voor het individu als voor de maatschappij.
Maar strikt genomen zou je dat genezende karakter een aangenaam bijproduct kunnen noemen.
Want het christelijk geloof wil niet op de eerste plaats een therapie zijn.
Het pretendeert ons immers feiten aan te reiken. Ons te vertellen waarom de wereld, de kosmos en het leven is zoals het is. Wat de bedoeling ervan is.

Passie
De vraag die dan daarbij vooral gesteld moet worden is niet zozeer: is het goed voor me, is het heilzaam voor de mensen?
Maar: is het waar? Want, ofwel is het waar en dan is het van onnoemelijk belang voor elke mens. Ofwel is het niet waar en dan is het meteen het meest kolossale bedrog dat ooit op mensen is losgelaten. En dan moeten we er meteen mee kappen, ongeacht of we er ons goed bij voelen of niet.
En die vraag, dat nieuwsgierig en zelfs gepassioneerd willen weten of iets waar is of onwaar, is typisch menselijk. Het is één van de dingen, waarin mensen verschillen van dieren. En het is bij uitstek ook typisch christelijk.
Dat zoeken naar waarheid is binnen de Kerk altijd bijna een obsessie geweest.
Het heeft ons briljante geesten opgeleverd, gaande van Augustinus, Thomas van Aquino en meester Eckhart tot Pascal en Descartes. Maar het bracht ons ook de inquisitie en later ook de systematische twijfel, en daarna het pantheïsme van Spinoza. En nog later het atheïsme, dat eigenlijk een soort niet-erg-gewenste tweelingbroer is van het christendom.

Rationeel
Dat zijn dan de minder prettige consequenties van dat gepassioneerd zoeken naar de waarheid. Maar die moeten wij er bij nemen. Liever dan ons verstand tussen haakjes te zetten.
En wij mogen ons vooral niet in de anti-wetenschappelijke hoek laten dringen waarin onze “tweelingbroertjes” ons zo graag willen neerzetten.
Wij katholieken, zijn bijvoorbeeld absoluut geen creationisten hoewel de media dat soms heimelijk suggereren. De Big-Bang theorie is zelfs afkomstig van een priester van bij ons, Georges Lemaître van de Leuvense Universiteit. Onze protestantse fundamentalistische broeders in Amerika dwalen als zij nieuwe wetenschappelijke bevindingen bestrijden.
Wij moeten juist dankbaar zijn als de wetenschap bepaalde inzichten en denkbeelden van het geloof kan aanvullen of uitzuiveren.
Maar tezelfdertijd zijn wij er ons, in onze queeste naar inzicht en waarheid, heel sterk van bewust dat wetenschap geloof nooit kan vervangen.
Er is niet 1 grote levensvraag waarop de wetenschap een antwoord kan geven.
Dat wil ze ook niet. Dat bedoelt ze ook niet.
Wetenschap legt uit hoe iets in elkaar zit. En ze doet dat met een splendeur die iedere normale mens met ontzag en bewondering vervult. Maar daar houdt het mee op. Voor een antwoord op de grote levensvragen zijn haar schouders te smal. Als wij dus willen weten of het waar is wat het geloof—en met name het christendom—ons vertelt, dan zullen wij er niet komen met wetenschappelijke proefnemingen. En zelfs filosofische en theologische overwegingen kunnen ons wel helpen, maar ze kunnen ons niet echt over de streep trekken.

Springen
Het enige deugdelijk middel is alle angst voor inbeelding van je afzetten en ervan uitgaan dát het waar is. En er dan naar leven.
En dan ervaren dat het inderdaad zo is. Als je wil weten of bidden zin heeft, bid dan. Er is geen enkele garantie dat je ook verhoord wordt.
Maar als je bidt, echt bidt, bidt met je hart en met overgave, dan zal je wel vroeg of laat ondervinden dat er Iemand is die naar je luistert.
En dat die Iemand ook echt van je houdt. Onvoorwaardelijk van je houdt.
En dat geldt voor alle facetten van het geloof. Durf de sprong te wagen.
Zeg, zoals Pascal, met zijn beroemde weddenschap: “J’accepte” of: “Ik neem het aan”. Leef er dan naar, probeer ernaar te leven, en je zal ondervinden dat alles wat het kindje dat vannacht geboren is ons heeft geleerd, ook werkelijk waar is.
Probeer te bidden. Spreek gewoon tegen God en ga ervanuit dat er inderdaad Iemand is die naar je luistert. En je zal merken dat God geen inbeelding is, maar een ontzagwekkende werkelijkheid. Er is niets, maar dan ook niets ter wereld dat je zo’n geborgenheid geeft als het besef dat Hij er werkelijk is. En dat Hij van je houdt, meer nog, dat Hij de liefde zelf is.

Weerspiegeling
En stilaan ontdek je, ook zonder filosofen en theologen, iets wat je gerust het grootste geheim van de kosmos kan noemen. Je ontdekt dat die God die liefde is ook diep in jezelf aanwezig is, als een intens verlangen. En dat de geboorte in Bethlehem niet iets eenmaligs is. Je ontdekt dat die ontzagwekkende God, de Schepper van Hemel en aarde ook in jou mens wil worden. Dat je geroepen bent om, op je eigen allerindividueelste manier, een beeld, een “weerspiegeling” van God te zijn. Het lijkt een onbereikbaar ideaal, maar belangrijk is dat wij elke dag groeien naar dat ideaal toe: een mens te worden die steeds meer leeft van en voor de liefde. Ondertussen blijf je misschien toch wel zitten met de vraag of geloof nu al dan niet gelukkig maakt. Persoonlijk ben ik er van overtuigd dat het christelijk geloof je inderdaad gelukkig maakt.
Als je beseft dat je bemind wordt en van daaruit ook zelf liefdevoller probeert te leven, dan bén je gewoon gelukkig. Je kan je zelfs serieus de vraag stellen of er buiten de liefde wel geluk bestaat?
Maar de hamvraag, of het ook wáár is, kan alleen jijzelf beantwoorden.
Maar dan moet je wel durven springen.

Kostbaar in zijn ogen

Maandag 24/dinsdag 25 december 2018, Kerstmis (jaar C)

Ik moest vroeger niet zoveel hebben van Johannes de Doper. En het was niet zozeer het excentrieke aan hem dat mij stoorde, want ach, als je jong bent hebben juist excentrieke figuren vaak iets aantrekkelijks. Het was vooral zijn gestrengheid, het vermanend toontje van meneer, dat mij niet aanstond. Zeker als je het vergelijkt met het begrip en de zachtmoedigheid van Jezus. Johannes leek mij een typisch oudtestamentische figuur, die verdwaald was in het Nieuwe Testament en daar ook helemaal niet thuishoorde. Pas veel later ben ik gaan begrijpen dat Jezus ook niet altijd zo zachtmoedig uit de hoek kwam en dat, anderzijds, Johannes best ook wel eens een wat meer gematigde toon kon aanslaan. Ik had geleerd dat ook mensen uit één stuk niet noodzakelijk altijd op dezelfde stereotype en voorspelbare manier praten of reageren. Pas met het volwassen worden leer je dat.

Menselijk
Johannes komt in de lezing van vandaag inderdaad heel begrijpend en gematigd over. Verschillende mensen en groepen van mensen vragen hem: “Wat moeten wij doen?” En wat Johannes van hen vraagt is heel doenbaar.
Wat hij hun vraagt, is gewoon een beetje menselijk te zijn. Hij houdt hun geen al te hoge idealen voor, verwacht van hen geen revolutionaire daden. Gewoon: menselijk zijn. Aan soldaten bijvoorbeeld vraagt hij niet van job te veranderen, want dan zouden zij gewoon vervangen worden door anderen. Maar hij vraagt om ook niet meer dan hun job te doen: niet te plunderen, de burgers gerust te laten, hun positie niet te misbruiken. Wij moeten m.a.w., uit onszelf, geen heiligen zijn. Met de nadruk op “uit onszelf”. Want wat verder zal blijken dat een soort volmaaktheid bereiken wél het uiteindelijke doel is. Maar van ons wordt niet verwacht dat we dat uit onszelf zullen klaarspelen. Als we dat zouden proberen, dan merken we al vlug dat we moeizaam zitten te timmeren aan een onbarmhartig moeilijke weg. Dan raken we ontmoedigd en uiteindelijk geven we het op.

Voorbereiding
Maar Johannes stelt geen hoge eisen, hij stelt ons integendeel gerust. Het grote werk, de nieuwe schepping zal pas aanvangen bij de komst van Jezus. Die zal ons dopen met vuur. Johannes zelf doopt met water, hij wil dat wij ons reinigen, voorbereiden, klaarmaken voor Jezus’ komst. En dat voorbereiden bestaat niet uit buitenissige versobering of uit heldhaftige zelfverloochening. Neen. Wat Johannes vraagt ter voorbereiding van Jezus’ komst, is wat meer menselijkheid. Ons afkeren van onze natuurlijke gerichtheid op onszelf en ons toekeren naar de anderen, vooral naar diegenen die ons het meest nodig hebben. Dat is meteen ook de reden waarom deze derde zondag van de Advent de Gaudete-zondag, de vreugdezondag wordt genoemd. En die vreugde vindt zijn oorsprong in het besef dat, wat onze bijdrage betreft, het allemaal doenbaar is. Er worden van ons geen onmogelijke zaken verwacht.

Jezus
Maar, bij deze geruststelling stopt het natuurlijk niet. Als hiermee de kous af zou zijn, dan was ons geloof een erg gezapig en burgerlijk geloof, een geloof van goede huisvaders, oppassende echtgenotes en brave kinderen. Maar dat is het natuurlijk niet. Dat kán niet het geloof zijn dat als een storm over het Romeinse Rijk zou gaan en zonder macht of communicatiemiddelen in een minimum van tijd de wereld zou veroveren. Er moet meer zijn dan alleen maar dat. En dat meer, dat is Jezus. Ik doop met water, zegt Johannes, maar Hij zal u dopen met vuur. Hij zal meer van ons durven vragen, ons bij manier van spreken uit ons kot jagen en maken dat wij onszelf overstijgen.

Wijsheid
Wanneer Jezus in ons mag mens worden, wanneer zijn geest ons mag bezielen, zullen wij automatisch onze grenzen verleggen. Dan zullen wij meer en meer liefdevolle mensen worden, die méér doen dan het gewone, verder gaan dan het burgerlijk fatsoen. Merk de tegenstelling op met de in die tijd meest eerbiedwaardige filosofische stroming, die van de Griekse Stoa. Volgens die leer moest je de innerlijke vrede betrachten door je verstand te laten heersen over je emoties en op die manier rust en perfectie nastreven. Eerbiedwaardig inderdaad, maar nogal erg individualistisch, nogal erg bezig zijn met jezelf. Het christendom daarentegen wil van ons geen stoïcijnse, emotieloze wezens, maar juist liefdevolle mensen maken. Het wil van ons niet op de eerste plaats “wijze” mensen maken, maar wel mensen die hun geluk vinden in het liefdevol omgaan met anderen. En terwijl je dat doet, merk je dat die christelijke manier van leven helemaal samenvalt met het diepste verlangen in jezelf. En bijgevolg de ultieme wijsheid is. Zij het dan een wijsheid die ons ook kwetsbaar maakt. Want liefde doet dat.

Teder Licht

Zondag 24 & maandag 25 december 2017, Kerstmis (jaar B)

Deze dag gedenken wij dat op een welbepaald moment Godzelf onze geschiedenis is binnengekomen. Gedenken wij dat God, dat enorme metafysische begrip waarin wij met ons verstand nooit kunnen doordringen, zich aan ons heeft laten kennen in een mens. Een onbedoeld gevolg daarvan kan zijn dat wij God ineens allerlei menselijke eigenschappen gaan toedichten: een eigen lichaam, een eigen wil en gevoelens. Maar Jezus leerde ons van God alleen hoe Hij zich verhoudt tot ons, zijn mensen: als een Vader die onnoemelijk veel van ons houdt. En dat is ons genoeg. Verder blijft het wezen van God voor ons volkomen ontoegankelijk en kan Hij door ons hoogstens benaderd worden via dromen en vermoedens, in metaforen en poëzie. Die gedachte moet ons toch een zekere nederigheid bijbrengen. Dat God mens werd, wil nog niet zeggen dat wij daardoor ook ietsje meer geworden zijn dan mensen. Soms lees je zo’n dingen: doordat God mens werd, is de mens een beetje vergoddelijkt. Je moet oppassen met zo’n uitspraken. Want mensen die dat echt geloven gaan ons uiteindelijk in Gods naam vertellen hoe we moeten leven, gaan zelf een beetje voor God spelen. Wij zijn geen goden. En het hoogste maar ook het mooiste dat wij kunnen bereiken is dat wij uitgroeien tot echte mensen. En dat is ook precies wat God van ons verwacht: dat wij bevrijde, rechtop lopende, liefhebbende mensen zouden zijn.

Voornaamste
Voor het overige, wat betreft de kennis van God, past ons het besef dat wij heel weinig weten over Hem. Wat dat betreft houden wij ons als gelovigen beter in de buurt van de agnosten. Want die zeggen dat ze “het” eigenlijk niet weten en ook niet kunnen weten. Het is een houding die niet veraf ligt van die van de christenen wat betreft de kennis van God. Alleen onze atheïstische broeders weten alles nog heel zeker. Wij – goddank – niet (meer). Door ons geloof in Jezus vertrouwen wij erop dat God liefde is. Dat Hij van ons houdt als van de appel van zijn oog. Dat Hij ons draagt zoals een moeder haar kind draagt en dat Hij naar ons kijkt zoals een vader naar zijn zoon. En zelfs dat Hij ons voor eeuwig bij zich wil. Maar Hij alleen weet wat dat betekent. Wij niet. Maar dat hoeft ook niet! Wij kennen niet de hoe’s en de waaroms. Maar dankzij Jezus weten wij wel het voornaamste: dat God van ons houdt zoals we zijn: zijn mensen. Wij moeten God dus ook niet “verdienen “. Hij houdt zo al van ons.

Verantwoorden
Het is zoals met het geloven zelf. Omdat het bestaan van God onmogelijk rationeel en wetenschappelijk kan bewezen noch ontkend worden zeggen niet-gelovigen dan maar dat de bewijslast voor het geloof in God bij ons ligt. Maar dat is onzin. Wij hoeven niets te bewijzen. Geloof in God is wel degelijk rationeel, maar het is op de eerste plaats basaal. Dat wil zeggen: het gaat aan het redeneren vooraf. Het is spontaan. Je kan het nog het best vergelijken met het vertrouwen in onze instincten. Je vertrouwt gewoon je ogen, je oren, je reukzin en pas daarna ga je er over nadenken. Geloven was er nog voor we konden spreken en denken. Wij zijn ermee geboren. Wij zijn zelfs biologisch toegerust om te geloven. Weinig dingen zijn zo natuurlijk als geloven. En toch vraagt men ons voortdurend dat wij ons geloof zouden verantwoorden. Maar dat is nergens voor nodig. Iets wat natuurlijk is, iets wat wezenlijk bij ons mens-zijn hoort, moet niet verantwoord worden.

Idem
Iets dergelijks vindt spijtig genoeg ook plaats binnen het geloof zelf. Wij denken soms dat wij Gods liefde moeten verdienen. En dat wij ons keurig moeten gedragen om zijn liefde niet te verspelen. Maar ook dat is nergens voor nodig. Zo werkt een strenge rechter, niet de God die Jezus ons leerde kennen, niet de Vader van de verloren zoon. In de liefde gaat het er immers heel anders aan toe. God houdt van ons zoals we zijn. Niet omdat we ons onberispelijk en keurig gedragen, maar omdat we mensen zijn. God houdt van mij omdat ik een mens ben. Met al mijn gebreken en stommiteiten. Hij weet heel goed wat ik meezeul aan gebrekkige opvoeding, foute genen, onfortuinlijke omstandigheden … Misschien houdt Hij nog meer van mij naarmate het voertuig waarmee ik het moet doen om vooruit en tot bij Hem te geraken, armzalig en kramakkelig is.

Inkeer
Want zo gaat dat, niet in een rechtssysteem maar wel in de liefde, wel bij God. Een God die wij overigens niet kunnen voelen en ontmoeten in cursussen en boeken, maar alleen in de stilte van ons hart. Alleen dáár begin ik iets te vermoeden van zijn onvoorwaardelijke liefde voor mij.
En het is pas vanuit dat besef dat ik ga losbreken uit het carcan van rechtsregels en moraal, van keurig zijn en keurig willen gevonden worden. Pas dan ga ik echt liefhebben en houden van God en van zijn mensen. Alle mensen. Niet alleen diegenen die ik tof vind. Pas dan ook ga ik echt gelukkig zijn. En daarom is inkeer zo belangrijk. Omdat ik alleen in het gebed meer en meer ga beseffen dat de Grond van het bestaan echt van mij houdt. Niet omdat ik braaf en deftig ben, maar omdat ik een mens ben. Met alles wat daarbij hoort: passie, humor, liefde, stommiteiten, betrokkenheid en engagement en ook egoïsme, berouw, opnieuw beginnen. Konden wij, u en ik, dat toch diep in ons laten doordringen. Ik moet Hem niet verdienen. Hij houdt van mij zoals ik ben. God heeft plezier in mij omdat ik mens ben. Alleen vanuit dat diepe weten, kunnen wij opnieuw geboren worden en, bij alles wat ons overkomt, houden van het leven en gelukkig zijn.

Vrijgemaakt om te beminnen

Zaterdag 24 & zondag 25 december 2016, Kerstmis (jaar A)

In deze nacht herdenken wij dat God op een welbepaald moment onze geschiedenis is binnengekomen. Het is een absoluut wonderlijk gebeuren, dat wij met ons verstand niet kunnen vatten. Maar daarom is het nog niet onredelijk.
De Menswording van God. Diegene waarvan wij ons uit onszelf geen enkele voorstelling kunnen maken, laat zich kennen in een mens. Hij vermomt zich niet in een mens, zoals de goden dat deden in de mythen. Hij komt werkelijk naar ons toe in de gestalte van een echte, kwetsbare mens. Een kind dat geboren wordt en opgroeit en leert en pijn kent, en vreugde en verdriet. Het is niet onredelijk, het gaat niet tegen ons verstand in. Maar tegelijk kunnen wij het met ons verstand alleen niet helemaal vatten. De rede botst hier op haar grenzen.

Er is méér
Zoals trouwens bij alles wat van existentieel belang is in een mensenleven. Alles wat echt van belang is in ons bestaan, alles wat er de zin aan geeft, alles wat te maken heeft met ons verlangen naar geluk, is niet meetbaar, kan niet met ons verstand verklaard worden. Je leest bijvoorbeeld dat wetenschappelijk onderzoek aan het licht bracht dat wanneer iemand mij aanraakt, er een bepaalde stof in mijn hersenen vrijkomt die maakt dat ik die ander graag ga zien. Geen haar op mijn hoofd dat twijfelt aan de geldigheid van zo’n onderzoek. Als iemand ons aanraakt zullen er, afhankelijk van wie het doet en hoe en waarom, waarschijnlijk allerlei fysische processen in gang schieten en zullen er een heleboel stoffen in ons lichaam vrijkomen. Maar dát gaan aanvoeren als verklaring van wat liefde is tussen mensen, is niet ernstig. Er is méér aan de hand. En het is op dat “méér” dat de mens vooral gericht is. Een mens heeft duidelijk niet genoeg aan zijn eigen begrensde zelf. Hij is wezenlijk gericht op datgene wat hem overstijgt. Maar datgene wat hemzelf en de fysieke wereld overstijgt is per definitie niet te vatten in wetenschappelijke formules. En daarom mag de mens zijn bekwaamheid om te geloven en lief te hebben niet laten fnuiken door de beperktheid van zijn denken.

Geborgenheid
Ik noem ze met opzet samen: geloven en liefhebben. “La religion”, zei een groot Frans chansonnier, “est une question d’amour”. Geloof is op de eerste plaats een kwestie van je bemind en geborgen weten. Het is – wat je ook overkomt in het leven – je geborgen weten in de liefde van Iemand die je oneindig overstijgt.
Toen ik een jongetje was van een jaar of acht moest ik voor vele jaren op internaat. Ik ben daar altijd heel ongelukkig geweest. Maar telkens als ik terug moest naar die kostschool kwam ik voorbij een kerk. En op een dag had de pastoor daar een kruis ingeplant met daarop de tekst “God is liefde”. Op een of andere manier zette dat bericht zich vast in mijn binnenste. En omdat ik er meer en meer vast in geloofde, gaf dat kracht en warmte in mijn voor het overige weinig joyeus pensionaatsbestaan. Ach, ik weet wel dat mensen aan dat soort ervaringen graag een rationele uitleg willen geven. Maar die uitleg heeft nog nooit iemand bevrijd of gelukkig gemaakt. Het bericht op dat kruis, dat God liefde is, wél. Al was het maar dat ene anonieme jongetje dat daar af en toe voorbij reed met de schoolbus en dat heel erg ongelukkig was en nauwelijks naar iets anders durfde te kijken dan naar zijn schoenen. Maar dat er langsom meer op vertrouwde dat de geweldige God van hem hield. En dat bracht licht en warmte en hoop en uitzicht op toekomst in zijn leven.

Liefde
Je kan van God houden, ook al ontsnapt Hij volledig aan je verstand. Een van de verstandigste en meest wijze mensen die ik ken, Gerard Bodifée, die zegt: “God staat boven alle begrippen, boven alle categorieën, boven elke logica”. Als ik getuig van mijn geloof dan wil ik ook niet overtuigen, zie het eerder als een liefdesverklaring. Christelijk geloof is inderdaad, zoals die Franse zanger zei, een kwestie van beminnen en je bemind weten. En wie bemint, voegde hij er aan toe, die is gelukkig. Het ergste wat ons de laatste decennia overkwam is dat voor velen het christelijk geloof verschrompeld is tot een geheel van waarden.
De fameuze “Christelijke Waarden”. Maar ons geloof is juist niet een geheel van waarden, normen en voorschriften. Het christelijk geloof is een geloof dat ons op de eerste plaats wil bevrijden. Dat ons wil vrijmaken om te kunnen beminnen.

Vleugels
Het is een geloof dat ons ervan wil overtuigen dat de Grond van het bestaan ons koestert en van ons houdt. En dat die ons uitdaagt om dat ook zelf te ondervinden in ons eigen leven. Omdat het besef van die liefde je vrijmaakt. Zoals het besef dat een mens heel veel van je houdt, je vrijmaakt en vleugels geeft. En je bekwaam maakt om alles aan te kunnen, wat voor narigheid er ook op je weg komt.
Het besef van Gods liefde voor jou werkt in dezelfde richting. En hoe sterker dat besef, hoe meer je vrijgemaakt wordt, om van andere mensen te houden.
Om je beschermende pels van je af te gooien. Om van een bang konijn dat zich drukt, uit te groeien tot een mens die zich helemaal durft geven. Laat dat boekje over waarden dus nog maar even liggen. En concentreer je weer op het feit dat God liefde is, je heel nabij is en van je houdt. Laten wij terug leren genieten van ons geloof. Van de warmte en de geborgenheid die het ons geeft.

Kerstmis 2015

Vrijdag 25 december 2015, Kerstmis (jaar C)

Dit is geen Kerst zoals alle andere. Daarvoor zijn we te zeer dooreengeschud door de recente gebeurtenissen in Parijs en in de wereld. Want ook als wij niet willen toegeven aan angst en pessimisme, dan nog zitten wij met de vraag hoe het nu verder moet. Voor het eerst in de geschiedenis kijken wij machteloos aan tegen iets dat een permanente dreiging lijkt te worden. Want aan elke oorlog, hoe meedogenloos hij ook gevoerd wordt, komt ooit een eind. En elke natuurramp, hoe vernietigend ook, bedaart en de toestand wordt opnieuw normaal. Maar dit is anders. Dit lijkt onomkeerbaar. Het is of wij een blad definitief hebben omgeslagen, alsof dit het einde is van een tijdperk van onbekommerd leven dat nooit meer weerkeert. Goddank echter is de toestand niet hopeloos. Bijzonder ernstig, dat wel, en serieuze bezorgdheid is gerechtvaardigd, maar hopeloos is het niet.

Durven zien
Maar we moeten dan wel iets heel onaangenaams onder ogen durven zien en enkele van onze vanzelfsprekende meningen serieus in  vraag stellen. En stilaan lijkt dat ook te kunnen. Zelfs de laatste diehard onder ons, beseft dat het extremisme waar we mee geconfronteerd worden niets met religieus geloof te maken heeft, eerder met een gebrek eraan. Geloof wordt hier, zoals zo vaak, gebruikt als uithangbord. Op precies dezelfde wijze liet Adolf Hitler, een radicale atheïst, zijn soldaten rondlopen met “Gott mit uns” op hun gordel. Bovendien groeit stilaan een vermoeden dat wij het liefst van al zouden willen negeren, maar dat zich steeds meer aan ons opdringt. Het besef namelijk van de leegheid en daardoor ook het gebrek aan innerlijke weerbaarheid van onze consumptiemaatschappij-zonder-God. Wij zijn bang. Bang voor ons leven, bang vooral voor onze centen. Bang voor onze welvaart. En wij stellen al onze hoop op politie hier en bombardementen ginder. Maar wij zullen onze beschaving en onze manier van leven niet veilig stellen met het genadeloos uitroken van alles en iedereen waar we schrik van hebben.
Wij kunnen ons beter richten op het aanpakken en opruimen van de broeihaarden van de haat. In onze steden leven duizenden jongeren, allochtonen en niet-allochtonen, die niet aan de bak komen. Jongeren die zeer goed weet hebben van de rijkdom van onze samenleving. Maar die zich daarvan uitgesloten voelen, buitengesloten, geminacht. In hun ogen zijn wij een onmenselijke maatschappij, hard, koud en meedogenloos voor iedereen die niet in het plaatje past. In hun ogen dienen al onze groots opgezette goede-doel-acties alleen maar om onszelf een goed gevoel te geven. Dat is niet gezond. En je lost dat niet op door een muur met wachttorens om de stadsgetto’s heen te bouwen.

Ontnuchtering
Misschien is wat wij vandaag meemaken zelfs het begin van het einde van de samenleving-zonder-God. Het einde van de mening dat je een samenleving kan stoelen op wetten en politie alleen. Het ongelijk van Jean-Jacques Rousseau die dacht dat als de mens vrij was, hij automatisch ook deugdzaam zou zijn. Maar waarom zou de mens deugdzaamheid nastreven, als hij zijn eigen norm is en niet bezield wordt door iets hogers dat hem lokt en helpt om goed te zijn?
Het communisme heeft bewezen dat waarden zonder bezieling alleen maar met tirannieke middelen kunnen afgedwongen worden. Ook wat het katholiek onderwijs beweert te doen, het “doorgeven van de christelijke waarden”, is een volkomen waardeloze onderneming als niet tegelijkertijd  ook het christelijk geloof wordt doorgegeven. Als er niets is dat boven ons staat, zegt Dostojewski, als er geen God is die ons lokt en helpt om goed te zijn, dan hebben wij eigenlijk geen enkele logische reden om niet gewoon te doen wat de evolutionaire krachten van ons vragen: alles naar ons toe te halen en alles te vertrappen wat ons daarbij in de weg staat. Ik geloof oprecht dat dat zo is.

Eigen dorp
Maar tegelijk besef ik ook dat evangelisatie van onze verwende cadeautjes-maatschappij een werk van heel lange adem zal zijn. De problemen van vandaag echter kunnen daar niet op wachten. Laten we dus beginnen met daar nu, vandaag al, werk van te maken in onze eigen leefwereld, ons eigen dorp. Laten wij vanaf nu, heel bewust werken aan een opener, vriendelijker dorp. Waar de overal opkomende vereenzaming, grimmigheid en kilte teruggedrongen wordt.
Laten wij terug wat meer binnenlopen bij de buren, ook bij die ene ouwe brompot die aanvankelijk liever heeft dat je niet komt. Laat ons na de Mis blijven napraten – in of buiten de kerk – en bij de dokter, in de bank, in de winkel en kennismaken met mensen die we nog niet kenden. Laten we onze kinderen terug leren oudere mensen groeten op straat. Een dorp waar mensen elkaar groeten en waar kinderen ook dag zeggen tegen oudere mensen, krijgt daardoor alleen al een lieflijk karakter. Sint-Jans-Molenbeek kunnen wij niet redden van hieruit, maar door te werken aan ons eigen dorp veranderen wij de wereld.

Het kán
Enkele dagen geleden was ik ’s avonds op wandel aan de kapel (in Lubbeek). Het was donker en ik struikelde en plots kwam er een jonge man vanuit een geparkeerde auto recht op me af. Ik dacht: “Lap, nu heb ik prijs.” Maar toen hij voor me stond vroeg hij heel voorkomend of ik mij bezeerd had, of alles oké was en ik geen pijn had. En toen ik daar allemaal bevestigend op antwoordde wenste hij me nog een goeie avond en hij was weg. Ik werd er stil van. Dit was mijn kerstmoment dit jaar. Ook als hij niet van plan was mijn gezicht in acajou te zetten, had hij evengoed onverschillig in zijn wagen kunnen blijven zitten. Maar hij deed het niet en hij bewees daarmee met wat voor kleine gebaren wij van een onverschillige en koude maatschappij een warme samenleving kunnen maken. Laten wij er werk van maken. In dit soort dingen, meer dan in wat anders, hebben kleine gebaren grote gevolgen.

Zalig Kerstfeest.