Gelukkig zijn

Zondag 21 maart 2021, 5de zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

Bij het opruimen van oude paperassen vond ik deze tekst, die ik meer dan 10 jaar geleden schreef voor onze vormelingen. Een soort beknopte samenvatting van ons geloof. Misschien wel leuk als opfrissertje, zo vlak voor het hoogfeest van Pasen?

  1. Wij mensen zijn niet blindweg geworpen in een ijskoud heelal. Wij weten niet waarom die miljarden jaren durende evolutie nodig is geweest. Wij weten niet waarom. Wij weten niet waarom het heelal, de werkelijkheid er zó uitziet en niet anders.
    Wij weten niet eens waarom er “iets” is, in plaats van niets.
    Maar wij geloven dat wij mensen geen toevallig verschijnsel zijn, geen accident.
    En dat de diepste grond van het bestaan geen blinde oerkracht is, maar een Vader die van ons houdt. Hij is geen tovenaar die ons voor allerlei narigheid behoedt, maar een Kracht die ons helpt en inspireert bij alles wat ons in het leven overkomt. Omdat die God ons volledig overstijgt, kunnen wij Hem met ons verstand wel op het spoor komen maar nooit helemaal begrijpen.
    Wie Hij is en wat Hij verlangt dat wij doen met ons leven, heeft Hij ons daarom duidelijk gemaakt op de enige manier die voor ons begrijpelijk is, door zich te laten kennen in een mens: Jezus Christus.
    Dat is één.
  2. Als God onze Vader is, dan zijn alle mensen onze broeders en zusters.
    Dat zuster en broeder zijn van elkaar, wordt in onze Kerk zo vanzelfsprekend (en vaak ook onnadenkend) gebruikt dat het bijna een cliché geworden is.
    Maar de opvatting achter die woorden is het meest revolutionaire dat ooit onder mensen verkondigd is. Na Jezus kan geen enkel humanisme (ook niet het atheïstisch humanisme) nog radicaler zijn.
    Immers, elke leer, elke moraal, elke levensbeschouwing, zelfs elke politieke partij of sociale groepering zegt wel ergens dat je goed moet zijn voor de anderen.
    Maar met die anderen wordt bijna altijd bedoeld: de eigen groep.
    Mijn familie, mijn school, mijn land, mijn werkmakker, mijn geloofsgenoten,. . .
    Jezus doorprikt dat, met name in de parabel van de Barmhartige Samaritaan, door te stellen: niet ik bepaal wie mijn naaste is, voor wie ik goed wil zijn.
    Neen, ik word de naaste van ieder die mij op dit ogenblik nodig heeft.
    Ook al is die iemand een volslagen onbekende uit Afrika die ik voorheen nooit heb gezien of gehoord.
    Vanaf het ogenblik dat iemand in de penarie zit en ik zou kunnen helpen, wordt die mens mijn naaste.
    Dat is twee.
  3. Je kan nu natuurlijk ook zeggen: dat is allemaal mooi, maar ik ga toch vooral lekker zorgen voor mezelf. Je kan dat doen en niemand houdt je tegen.
    Maar je zal dan, als je tenminste bewust leeft, vlug doorhebben dat wij gemaakt zijn om te beminnen en niet om alleen maar bezig te zijn met onszelf.
    God is wat dat betreft een grapjas.
    Hij heeft ons als vrije mensen gemaakt die kunnen kiezen.
    Maar we steken wel zo in elkaar, dat we alleen maar gelukkig worden als we iets betekenen voor anderen.
    Het is dus zeker goed dat we zorg dragen voor onszelf, het is zelfs heel gezond dat we onszelf ook graag zien. Maar gelukkig ben je pas als je je geborgen en gedragen weet door andere mensen, als er ten minste één iemand is die echt van je houdt. En als je zelf ook kan houden van anderen.
  4. Er zijn verschillende mensen die echt van je kunnen houden. Je man, je vrouw, je lief, je ouders, je kinderen, je beste vrienden. En als ze dit doen, maakt je dat gelukkig. Even belangrijk is het, te weten dat ook God onvoorwaardelijk van je houdt en een persoonlijke relatie met je wil. Het besef dat de diepste grond van het bestaan je onvoorwaardelijk bemint kan je alleen maar diepgelukkig maken en verrijkt ook al je andere vriendschaps- en liefdesrelaties.
    Verzorg daarom ook je relatie met de Heer. Die is anders dan die met je medemensen. Maar zeker zo belangrijk.

Seks en zonde (Joh 3, 14-21)

Zondag 14 maart 2021, 4de zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

Het evangelie van vandaag brengt ons het verslag van het nachtelijk gesprek tussen Jezus en Nicodemus. Dat nachtelijke uur wijst meteen al op voorzichtigheid, op gevaar en risico voor de bezoeker. En Nicodemus had inderdaad een hoge positie in Jeruzalem toen Jezus het al helemaal verkorven had bij de machthebbers.
Er blijft natuurlijk de mogelijkheid dat Nicodemus oprecht geïnteresseerd was in Jezus en zijn leer.
Maar waarschijnlijk was hij een soort politieke opportunist. En hield hij er rekening mee dat Jezus wel eens een game changer kon zijn, iemand die het uiteindelijk wel eens kon halen. En in dat geval wilde hij, Nicodemus, goeie punten hebben.
Een soort Talleyrand dus, het prototype van de politieke overlever.
Talleyrand begon zijn carrière als bisschop van Autun. Maar hij had zoveel vrienden en relaties in zoveel elkaar bestrijdende kringen dat hij gewoon alles overleefde. Hij overleefde de val van het Ancien Regime, de verschillende elkaar de macht betwistende strekkingen van de revolutie, hij overleefde het schrikbewind van Robespierre, daarna het Directoire, daarna Napoleon. Dan kwam de restauratie en dan weer terug Napoleon, en dan terug Lodewijk XVIII. En al die tijd bewoog Talleyrand zich rustig verder in kringen aan de top, meestal als minister of Hoge raadgever van de meest uiteenlopende machthebbers.
Misschien was Nicodemus ook zo iemand. Maar we hebben verder nooit nog iets van hem gehoord.
In ieder geval zei Jezus tegen hem niets anders dan wat Hij zegt tegen ieder van ons. Sterker nog, het is zowat een samenvatting van zijn leer van ons.
God, zegt Jezus, houdt zoveel van ons dat Hij ons wil uitlichten uit de vergankelijkheid van alle dingen. Dat Hij ons wil opnemen in zijn eigen eeuwig leven.
En opdat wij zouden weten wat wij daarvoor moeten doen, hoe wij daarvoor moeten leven, heeft Hij ons zijn zoon gezonden, is Hijzelf als mens onder ons komen wonen.
Om ons de weg van liefde te tonen, de weg naar God en het eeuwig leven.
Maar Jezus moet vaststellen dat mensen niet altijd zitten te wachten op “verlichting”.
Dat ze de duisternis vaak meer beminnen dan het licht.
Wat Jezus zegt snijdt als een mes door de hedendaagse fantasie die beweert dat “iedereen wel terechtkomt, als God een liefdevolle Vader is komt alles goed, voor iedereen”.
Dat is niet wat Jezus zegt. Als wij willen deel uitmaken van Gods eeuwig leven dan moeten wij ook kiezen voor dat leven, d.w.z. kiezen vóór de liefde en tégen alles wat tegen die liefde ingaat. Dan moeten wij afstand nemen, ons bevrijden van alles wat zonde is, alles wat het leven neerhaalt, donker maakt.
Alles wat mensen tot slaaf maakt van negatieve gevoelens en gedachten.
Alles wat andere mensen belet te leven en wat hen uiteindelijk te gronde richt.

Zonde
Wat is dat eigenlijk, “zonde”?
Vroeger dacht men bij het woord zonde spontaan aan seks. Men gebruikte dat woord wel niet. Men had het over de “zonde van het vlees”. Maar dáár ging het feitelijk om.
Als je op dat vlak goede punten haalde, was al het andere ook wel oké. Dacht men.
Maar dat klopt natuurlijk niet.
Ik ben geen theoloog. Wat ik weet over zonde, is de opgedane kennis van een ouder wordende zondaar. Maar ik vind wel dat je een heel duidelijke opdeling kan maken.
Je hebt 2 grote soorten zonde. De ene soort zijn de zonden met betrekking tot het lichaam: bandeloosheid op gebied van eten, drinken en seks.
Het zijn zonden die te maken hebben met het dierlijke in ons. Het dierlijke dat, of we dat leuk vinden of niet, deel uitmaakt van ons mens-zijn.
De andere soort zijn de “geestelijke” zonden. En die zijn erger: hoogmoed, haat, wraakzucht, jaloezie, nijd enz. Die hebben te maken, niet met het dierlijke, maar met het duivelse in ons. Want die “duivelse” neigingen zitten, evenals het goddelijke verlangen naar liefde, eveneens in ons.
Met beide soorten moeten wij de strijd aangaan, om het licht te volgen en de weg naar eeuwig leven te gaan.

Bouwwerf
En daarom vind ik het zo belangrijk om ons tijdens de vasten niet uitsluitend te focussen op Goede Werken, op geld geven aan deugdelijke projecten in de derde wereld.
Hoezeer dat er ook bij hoort. Maar ik denk dat wij tijdens de Vastenperiode terug meer aandacht moeten geven aan het werken aan onszelf. De armoede en het onrecht in de wereld vragen dringend om onze aandacht, onze inzet, ons geld.
Maar wij zijn ook zelf een bouwwerf. Er moet serieus gewerkt, afgesmeten en heropgebouwd worden aan onze eigen persoon. Opdat wij steeds meer beantwoorden aan de droom die God over ons had. Opdat wij steeds meer gelijken op zijn zoon.
De Vasten is daarbij de oefentijd bij uitstek.

Waarom vasten?

Zondag 7 maart 2021, 3de zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

De eerste lezing van vandaag over de uittocht uit Egypte begint met de meest plechtige, meest indrukwekkende verklaring uit het hele Oude Testament.
“Ik ben de Heer, uw God, die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis. Gij zult geen andere goden hebben ten koste van mij. Gij zult u niet voor hen ter aarde buigen”.
Het is een plechtige maar ook erg revolutionaire taal, die al de bestaande opvattingen en verhoudingen omver blaast. Het is de Marseillaise van het joods-christelijke denken.
God, de enige levende God, is een God die op mensen gericht is en die hen wil bevrijden en naar het echte leven voeren.
Alle andere “goden” lijken wel veelbelovend, maar het zijn in wezen tirannen die mensen tot slaaf maken.
God, de enige Heer, is niet iemand die slaafse onderwerping wil, maar een God die ons juist uit elke vorm van slaafzijn wil bevrijden.

Slavernij
Om nu goed te begrijpen wat dit oeroud verhaal over de bevrijding van Israël uit Egypte voor ons vandaag kan betekenen, moeten we eerst de betekenis van een paar begrippen proberen duidelijker te stellen.
Om te beginnen is er het woord slaaf. De Joden kregen in Egypte zeker geen voorkeursbehandeling. Ze deden er het zware werk waar de Egyptenaren zich te goed voor voelden. Maar de Egyptenaren betaalden wel hun slaven. En toen de Joden na een tijd begonnen te morren omdat de tocht door de woestijn zo eindeloos leek, klaagden ze dat ze, om Mozes te volgen, de VLEESPOTTEN van Egypte hadden verlaten. En toen ze Mozes en zijn God helemaal niet meer zagen zitten, maakten ze van hun gouden sieraden een levensgroot gouden kalf.
Ook niet direct een sterke aanwijzing dat de wegtrekkende Israëlieten een haveloze bende waren.
Het wordt integendeel steeds duidelijker dat de slavernij waarvan de mensen moesten bevrijd worden geen materiële ellende, geen pure armoede was.
Maar van hun gehechtheid aan zaken die hen van God, en dus ook van het echte leven, verwijderden.

Loskomen
En daarom volgt dan ook, als hoogtepunt van de uittocht, de gave van de 10 geboden. “Geboden” inderdaad en tezelfdertijd: woorden die leven geven.
Leven voor de gemeenschap en voor de individuele mens. Een levende gemeenschap is immers ook levengevend voor het individu.
Ga nu even die “10 geboden” na en je merkt dat het inderdaad gaat om woorden die het leven en het samenleven mogelijk maken en in stand houden.
Ze beloven wel geen gemakkelijk uitstapje.
En dat komt omdat de weg die God ons wijst, haaks staat op datgene waar we het vorige week over gehad hebben: onze dierlijke instandhoudingsdrang en het egoïsme en het uit zijn op onmiddellijke bevrediging dat daar het gevolg van is.
Ik zie dat bijvoorbeeld met mijn hondje. Als ik haar een gevarieerde portie eten geef, dan zal zij onmiddellijk de smakelijkste brokjes het eerst binnenspelen. En je hoort haar daarbij denken: “Dat heb ik alvast gehad, dat kunnen ze me niet meer afnemen”.
Ook mensen kennen die reflex. En de veertigdagentijd is de tijd bij uitstek om die egoïstische grijpreflex onder controle te krijgen.
Zo verschrikkelijk moeilijk is dat trouwens niet. Neem nu bijvoorbeeld dat voor de vastenperiode zo typische matigen in eten en drinken.
Wij kunnen dat en we doen dat soms ook. Maar dan niet omdat God dat van ons vraagt, maar de dokter of diëtiste of het schoonheidsideaal.
En dan is die matiging natuurlijk eerder een afgedwongen frustratie dan een soevereine beslissing.

God
En als we het nu toch eens echt voor God deden? Dán rijst natuurlijk de vraag of en hoe je God kan plezieren door af te zien van de “goeie dingen des levens” (die Hij trouwens zelf heeft geschapen)?
Je kan dat probleem proberen te ondervangen door te stellen dat je, wat je uitspaart door je te matigen in eten en drinken, aan Broederlijk Delen kan geven. Maar is dat niet nogal kinderachtig? Als je als volwassen mens inziet hoe onrechtvaardig de wereld in elkaar steekt, geef je beter een flinke som, om op die manier een statement te maken voor “herverdeling”.
De vraag blijft dus: hoe kan matiging in bijvoorbeeld eten en drinken betekenis hebben voor God?
Heel eenvoudig.
Je gelooft dat God echt van je houdt en je heel sterk nabij is.
Met je te beperken in eten, drinken, genotsmiddelen enz. zeg je dan dat je alles van Hem verwacht, dat zijn liefde voor jou belangrijker is dan die dingen.
Dat je ze laat uit liefde voor Zijn liefde.

Breder kader nodig

Zondag 28 februari 2021, 2de zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

Van toen ik nog een klein jongetje was, in een tijd dat je het eerste godsdienstonderricht nog van je oma kreeg, wist ik al dat geloof en mysterie samengingen.
Mijn oma had het dan altijd wel over “ministerie”, maar niemand viel daarover.
Op dezelfde wijze had mijn oom het vaak over de “consecratiekampen” tijdens de oorlog, maar wij begrepen wat hij bedoelde en dat volstond.
In mijn familie was men nogal breed inzake spelling en uitspraak. En dat moest ook wel want anders had je voortdurend gedonder.

Godservaring
Pas veel later ben ik gaan begrijpen wat men bedoelde met dat woord mysterie in verband met het geloof. Het gaat om de nederige erkenning dat er nu eenmaal een aantal geloofsaspecten zijn die je met je verstand moeilijk kan uitleggen. Zoals je ook God zelf nooit helemaal zal kunnen vatten, ontleden en beschrijven. God is immers de “totaal Andere”.
En wij kunnen Hem (of aspecten van Hem) alleen maar begrijpen in de mate dat Hij zich aan ons laat kennen. En dan spreken we van Openbaring, God die in een soeverein gebaar (Genade) zich aan ons “openbaart”.
Laat ons (gemakshalve) het nu even niet hebben over de Bijbel, maar wel over de momenten waarin wij zelf het gevoel hebben dat God zich toont in ons eigen leven. Over persoonlijke godservaringen dus.
Onmiddellijk rijst dan een serieus probleem op. Het feit namelijk dat wij geen goede, geen zuivere “ontvangers” zijn. Onze opvattingen, onze opvoeding, heel het universum van ons onderbewustzijn speelt ons parten. Wij interpreteren ongewild maar spontaan, vanuit ons eigen kader.
En daardoor komt het dat het verslag van zo’n godsontmoeting soms zo ongeloofwaardig klinkt. De ervaring zelf is misschien echt, maar de weergave ervan al te gekleurd.

Leer
En precies hier komt het belang naar voor van de theologie. Van de “Leer”, van de enorme ervaring van het Leergezag, de ervaring die gedurende eeuwen door de Kerk werd opgedaan en uitgezuiverd.
Misschien kan dat duidelijker worden met een vergelijking die C.S. Lewis maakt in een van zijn boeken.
Stel, zegt hij, dat je op het strand naar de oceaan staat te kijken en dan thuis die oceaan in de atlas opzoekt. Je gaat dan van iets werkelijks naar iets minder werkelijks, van werkelijke golven naar een stukje gekleurd papier.
Maar nu komt het: een atlas bestaat weliswaar alleen maar uit gekleurd papier, maar je moet daarbij twee dingen bedenken. Ten eerste berust zo’n kaart op wat duizenden mensen te zien hebben gekregen door op de werkelijke oceaan te varen. Zo schuilt er achter de kaart een massa ervaring, die even werkelijk is als de ervaring die je aan het strand kunt hebben. Maar terwijl dat laatste maar één indruk is, voegt de kaart al die verschillende indrukken samen.

Noodzakelijk
En ten tweede, de kaart is absoluut noodzakelijk als je ergens naartoe wilt.
Zelf kijken is veel leuker dan kaartlezen, zolang je met strandwandelen tevreden bent. Maar wil je naar Amerika toe, dan heb je meer aan de kaart.
Hetzelfde geldt voor de verhouding tussen persoonlijke godservaringen enerzijds en Kerk en theologie anderzijds.
Er zijn christenen die met weinig sympathie spreken over wat ze noemen “het instituut kerk”. En ze denken dan vooral aan de schandalen en het machtsstreven van sommige pausen en prelaten. Maar de Kerk is ook nog wat anders.
De Kerk is ook, en zelfs in de eerste plaats, een gigantische schatkamer van ervaringen en kennis van alles wat te maken heeft met geloof en spiritualiteit.
Ze biedt je een kader waarbinnen je je eigen ervaringen kan plaatsen en begrijpen.
Omdat wij gebrekkige “ontvangers” zijn, is die kerkelijke, theologische atlas nodig.
Godservaringen (echte of vermeende) halen je helemaal overhoop. De atlas moet ervoor zorgen dat ook de uitleg ervan niet al te verwarrend, niet al te subjectief zou zijn.

Hoezo offer?

Zondag 21 februari 2021, 1ste zondag van de Veertigdagentijd (jaar B)

Iemand, ik meen dat het Nietzsche was, heeft ooit gezegd dat het hem ten zeerste verwonderde dat christenen er zo weinig “verlost” uit zien.
En inderdaad, er is een tijd geweest dat het victoriaanse Engeland met zijn puriteinse opvattingen een zeer grote invloed had op alle Europeanen die zichzelf als geciviliseerd beschouwden. Uitbundig lachen werd als hoogst ongepast aanzien. En genieten van een stukje taart was het involgen van een ongeregelde begeerte.
En omdat men voor die wat benepen houding een overvloed van argumenten in de Bijbel meende te vinden, werd van christenen verwacht dat zij de kampioenen van ernst en deftigheid zouden zijn.
En dat was dan bijzonder jammer en het gaf Nietzsche bovendien ook nog gelijk.
Immers, als je gelooft in een God die liefde is, in wie je geborgen bent omdat Hij van je houdt, dan kan je toch niet constant met een somber gezicht rondlopen.
En als je echt gelooft dat Jezus Christus de Verlosser is die toekomst voor ons heeft opengebroken, zelfs over de dood heen, dan moet dat geloof je hele bestaan toch kleur geven.
Dan ga je net als ieder ander mens ook wel slagen van het leven krijgen en zal je regelmatig ook verdrietig en terneergeslagen zijn.
Maar de diepe ondertoon in je leven kan dan toch alleen maar vreugde en vertrouwen zijn, de sterkste antigiffen tegen vertwijfeling en wanhoop. En je zal willen ingaan op het appel van de Heer om ook zelf liefdevol in het leven te staan.

Prijs
Wil dat nu zeggen dat wij als naïeve zottekes moeten rondlopen en aan iedereen verkondigen dat het leven leuk is en alle mensen aardig?
Natuurlijk niet. Wij hebben wel degelijk oog voor het drama en de tragiek die het leven ook meebrengt. En wij zien heel goed dat alles zijn prijs heeft, ook als je alleen maar het goede wil. Ook dat moet betaald worden, ook dat heeft een prijs.
Het tegenovergestelde van liefdevol in het leven staan is alleen maar met jezelf bezig zijn, alles domineren, alles naar je toehalen, jezelf constant verwennen, jezelf overal en in alles op de eerste plaats zetten. En dat oogt best interessant en aantrekkelijk.
Maar als je liefdevol in het leven wil staan (wat God van ons vraagt) dan moet je een radicaal andere houding aannemen: niet langer jijzelf maar “de ander” komt dan in het centrum van je leven te staan. En die koersverandering is aartsmoeilijk. Je mag dat niet onderschatten. Je doet dat niet zomaar op een blauwe maandag, daar moet echt aan gewerkt worden. Je kan hier terecht spreken van een offer dat moet gebracht worden, een prijs die moet worden betaald.

Tegennatuurlijk?
Want die wending, die radicaal nieuwe houding is niet alleen aartsmoeilijk, ze is zelfs . . . tegennatuurlijk.
De natuur heeft ons inderdaad opgezadeld met een formidabele instandhoudingsdrang. Ik zeg nu wel: opgezadeld, maar die geweldige drang om ons staande te houden en te overleven heeft ondertussen wel gemaakt dat wij verschrikkelijke natuurrampen, brutale klimaatsveranderingen en dieren die vele keren sterker en groter waren dan wij, hebben overleefd. En niet alleen overleefd. Dankzij ons verstand zijn wij ook alles gaan onderwerpen, domineren, gebruiken en . . . vaak ook verknoeien.
Het is dus nogal wat, die levensdrang in ons, met haar sterke neiging om te onderwerpen en te heersen. Je kan ze dus zeker ook bewonderen.
Maar ze is in ieder geval bijna altijd in conflict met een nog diepere drang in ons: het verlangen naar liefde. En dát is God-in-ons.

Offer
Telkens als je dus gevolg wilt geven aan het verlangen om een liefdevol mens te zijn, moet je een “offer” brengen: je zal, minstens tijdelijk, de drang om jezelf op de eerste plaats te stellen, het zwijgen moeten opleggen. Leuk is anders.
Maar zo werkt het. En dat zal iedere mens die liefheeft beamen.
Je kan niet echt houden van je man, je vrouw, je kinderen als je altijd alleen maar bekommerd bent om je eigen gemak. Maar diezelfde liefhebbende man/vrouw zullen ook onmiddellijk beamen dat het liefhebbend gericht staan op anderen een veel diepere levensvervulling kan geven dan alleen maar zorgen voor jezelf.
Je zou het zo kunnen zien: een christen draagt zorg voor zijn eigen leven en welbehagen.
Niet echter als doel op zich, maar om sterk genoeg te staan om iets te kunnen betekenen voor anderen. Want dat is zijn fundamentele betrachting: ingaan op het goddelijk appel. Iets wat soms offers vraagt.
Maar tegelijk ook ten diepste gelukkig maakt.

Virus

Zondag 8 maart 2020, 2de zondag van de veertigdagentijd (jaar A)

U weet ongetwijfeld dat het Vaticaan strikte regels heeft uitgevaardigd i.v.m. de strijd tegen het coronavirus. Die orders worden onmiddellijk doorgegeven door de bisschoppen en je kan er zeker van zijn dat ze worden nageleefd tot in de meest afgelegen kerkjes van Amazonië, Oost-Timor en Papoea-Nieuw Guinea.
Soms heeft de strakheid van een organisatie als de Katholieke Kerk ook zo zijn voordelen. Waarover gaat het?
Er treden per direct een aantal, uiteraard tijdelijke, maar zeer strikte bepalingen in voege.
Geen wijwater meer om je te bekruisen bij het binnenkomen van de kerk.
Geen communie meer op de tong. Beperking van het aantal mensen die de communie uitdelen en in achtneming van strikte hygiënische regels.
Bij de vredeswens worden gelovigen verzocht zich te beperken tot een vriendelijk knikje. Geen handen schudden meer. En ook niet kussen.
Zelfs je eigen vrouw mag je niet kussen. En ook niet die van iemand anders.
Maar dat mocht vroeger ook al niet.
We gaan ons daar ook strikt aan houden. We mogen zeker niet paniekerig gaan doen. Maar het gaat hier toch om een ernstige zaak.
En de maatregelen die Rome neemt zijn verantwoord en weloverwogen.
Ik zou daar toch graag enkele bedenkingen bij leggen.

Beïnvloeding
Ik denk niet dat het veel problemen zal geven om de handelingen en gebaren die nu worden opgeschort later opnieuw in te voeren. Dat zal het probleem niet zijn.
Maar waar wij ons meer zorgen kunnen over maken, is de mogelijkheid dat heel de heisa rond dat virus bijna onmerkbaar onze kijk op de mensen om ons heen gaat beïnvloeden.
Als wij inderdaad overal vermijden om handen te schudden—en gedurende de periode dat het virus actief is, is dat zeker aangewezen—dan is het gevaar niet denkbeeldig dat wij ons ook daarna meer gereserveerd zullen opstellen t.a.v. buren en collega’s. Zelfs tegenover familieleden en vrienden.
Want terwijl wij deze dagen ons gelleke en ons fleske met ontsmettingsalcohol overal meezeulen zijn we ook stilletjes, zij het ongewild, bezig “de ander” anders te bekijken.

Heimelijk
Die mag mij dan al sympathiek zijn, hij of zij is toch ook een mogelijke bron van infecties. Het klinkt misschien overdreven.
Maar we moeten hier toch alert zijn. Het gaat hier om psychologische processen die wij vaak niet onder controle hebben.
Over beelden die zich vormen en vastzetten buiten onze wil om. Wij moeten daar alert voor zijn.
Wij waren de laatste jaren eindelijk wat losgekomen van de traditionele Hagelandse stugheid. Wij zijn na eeuwen van serieus en stoer zijn eindelijk wat meer zuiders en joyeuzer geworden in onze omgang met elkaar.
Wij mogen dat niet zomaar terug opgeven.
Wij komen van ver. Positieve emoties van warmte en genegenheid werden vroeger zelden of nooit getoond. Negatieve emoties wel.
Kwaad zijn en schreeuwen en vloeken, iedere Vlaamse streekroman staat er vol van. Maar liefde tonen en warmte, dat deed je beter niet in het publiek.
En al helemaal niet als man.
Als christenen gaan wij er echter van uit dat God Liefde is.
En van daaruit kan onze voornaamste betrachting in de relaties tussen mensen alleen maar zijn: het bevorderen van vriendschap, genegenheid en samenwerking.

Alert
Wij kunnen niet genoeg op onze hoede zijn voor het gevaar van een mentaliteit die zich geruisloos zou kunnen gaan nestelen in onze geest.
Wij moeten dat niet onderschatten.
Wij dachten dat we alles al gehad hadden wat betreft het wantrouwen van anderen. Wij hebben in onze lange menselijke geschiedenis al misprijzen en afkeer gekend t.a.v. mensen met een andere nationaliteit, een ander geloof, een andere huidskleur, een andere geaardheid, een ander voorkomen.
En dat is al erg genoeg.
Maar kunt u zich voorstellen in wat voor een wereld wij terechtkomen als je iedereen, elke andere mens, gaat zien als een bedreiging? Als elke andere mens gezien wordt als iemand die je kan besmetten, als iemand die je gezondheid in de vernieling kan draaien.

Herstellen
Voor het samenleven van mensen zou die mentaliteit een even dodelijk virus zijn als welke coronabesmetting ook.
Het beste dat wij kunnen doen is nu strikt de richtlijnen van de overheid volgen.
Maar eens dat het gevaar geweken is, moeten wij onmiddellijk het verloren terrein terugnemen.
Wij zijn hier om elkaar lief te hebben. Niet om schrik te hebben van elkaar.

Geld: god én duivel

Zondag 1 maart 2020, 1ste zondag van de veertigdagentijd (jaar A)

In een artikel in Tertio vestigt een Amerikaanse theologe onder meer de aandacht op een merkwaardig verschijnsel dat wij met enig speuren in onze herinneringen kunnen bevestigen. Het feit namelijk dat je tot de jaren 80 op tv Amerikaanse feuilletons had met verhalen over gewone mensen, die niet rijk of machtig waren, maar die zo goed mogelijk de strijd aangingen met het leven en met alles wat hun overkwam. Denk aan “Lassie”, “Kleine Huis op de Prairie”, “Bonanza”, “Vader weet het beter”. Van dan af echter, vanaf de jaren 80, kwamen rijkdom en macht steeds meer in beeld. Denk aan “Dallas” tot en met de hedendaagse zogenaamde “Reality-tv”, waarbij je ademloos kan volgen hoe superrijke mensen met hun mooie lichamen hun dagen doorbrengen, vaak in een sfeer van een bodemloze onbenulligheid.

Invloed
Je kan daar wel je neus voor ophalen en zeggen: “Ik kijk niet naar zo’n brol”.
En zowat iedereen zegt dat. Maar ondertussen wijzen onderzoeken uit dat wereldwijd massaal veel mensen de Kardashians ademloos volgen.
En blijkbaar niet genoeg krijgen van programma’s als “The sky is the limit”.
Nu staan er in het evangelie niet direct instructies over welke tv-programma’s en films de moeite waard zijn en welke niet.
Maar het is wel zo dat ons kijkgedrag een zeer merkbare invloed heeft op ons denken, op hoe wij de anderen zien. Op ons sociaal gedrag.
Het soort films en programma’s in kwestie houden ons voortdurend voor, ook zonder het met zoveel woorden te zeggen, dat rijk zijn het doel van het leven is. Dat steeds-meer-willen de evidentie zelf is, de normaalste zaak van de wereld. Evenals de reflex om iedereen neer te halen die je daarbij wel eens in de weg zou kunnen lopen.

Rijkdom
Nu zou het wel eens kunnen dat, wanneer een buitenstaander deze tekst leest hij of zij gaat denken: lap, daar heb je het weer. Nu de kerk de seksuele revolutie niet heeft kunnen tegenhouden, heeft ze een nieuw slachtoffer gevonden: i.p.v. de seksualiteit moet nu de welstand met grote argwaan worden bekeken. Maar dat klopt natuurlijk niet. Het christelijk geloof prijst vrijwillige soberheid aan, maar zal nooit armoede op zich verheerlijken, het zal die integendeel met alle middelen bestrijden.
Er is absoluut niets mis met rijke mensen op zich. Sommige van de meest voortreffelijke mensen die er zijn, kan je moeilijk anders noemen dan. . . rijk.
Of heel rijk zelfs. (Er bestaan nogal wat romantische misvattingen daarover).
Er is ook helemaal niks mis met rijk willen worden, d.w.z. ook materieel vooruit willen komen.
Een bedrijf opzetten bijvoorbeeld, en daar zelf ook een flinke stuiver aan verdienen, zodat niet alleen voor jezelf, maar ook voor diegenen waar je van houdt het leven aangenamer en gemakkelijker kan worden.
Daar is helemaal niks mis mee, ook niet voor christenen.

geldgod
Fout loopt het pas wanneer geld verheven wordt tot god.
Wanneer altijd maar meer geld hebben het doel van je leven wordt.
Denk niet te vlug: niet bij mij, ik hou de zaak onder controle. Denk dat niet te vlug, want het gaat om een virus dat momenteel woekert in onze samenleving.
En het is vooral moordend voor de solidariteit onder de mensen.
Waar geld god is, worden mensen concurrenten van elkaar op elk gebied.
En komt het toelaatbare van uitbuiting als vanzelf terug bovendrijven.
De rijkste mens van de wereld (zijn persoonlijk fortuin wordt geschat op 135 miljard dollar) wordt door miljoenen mateloos bewonderd om zijn ondernemingszin en zijn vermogen om alles wat hij aanraakt te veranderen in goud.
Maar in zijn bedrijven werken mensen voor een absoluut hongerloon, onder een enorme prestatiedruk en sta je meteen op straat als je zelfs maar een plaspauze neemt.

Terugval
Met al onze bewondering voor mensen die het maken en snel rijk worden verzeilen wij, zonder dat wij er veel erg in hebben, terug in 19de -eeuwse toestanden. En plakken wij het woord vooruitgang op wat in feite een hervallen is in menselijke verhoudingen van 2 eeuwen geleden.
De aanbidding van de geldgod brengt ook mee dat wij meer en meer gaan neerkijken op mensen die arm zijn en de schuld daarvan bij henzelf leggen.
In plaats van solidair te zijn, gaan we hen zelfs vastpinnen op zaken waar ze geen enkele zeggingsmacht over hebben: het feit dat ze zwart zijn of immigrant of homo of vrouw. . .
Er is niks mis met geld of met welstellend of zelfs rijk zijn.
Mis gaat het pas als wij geld gaan aanbidden. Want de geldgod is een monster dat mensen tegen elkaar opzet.
“Gij zult de Heer uw God aanbidden en Hem alleen dienen”, zei Jezus.
Laat dat het eerste bezinningspunt van deze vasten zijn.

Excuseren en vergeven

Zondag 7 april 2019, 5de zondag van de Veertigdagentijd (jaar C)

Een vrouw is op overspel betrapt en wordt vóór Jezus gebracht. Het is de bedoeling dat hij een oordeel over haar uitspreekt. Jezus doet dat niet.
Hij laat integendeel haar hypocriete aanklagers één voor één afdruipen. Zodat de vrouw, de facto, vrijgesproken wordt. Dit verhaal is geliefd bij twee groepen mensen. De eersten zien er vooral een bewijs in van de mildheid en de oneindige vergevingsgezindheid van God. De anderen, je zou ze “relativisten” kunnen noemen, zien er vooral een bewijs in dat Jezus heel “breed” is in die dingen. Dat wijzelf zwaarder tillen aan onze zonden dan God. Maar dat laatste is, denk ik, wishful thinking. Jezus zegt aan het eind heel uitdrukkelijk tot de vrouw: zondig voortaan niet meer. Duidelijk toch niet zó breed. . .

Zonden
Je zou hier ook het verhaal kunnen naast leggen van de publieke zondares die na een ontmoeting met Jezus, tranen van berouw stort. Tranen ook van dankbaarheid en geluk omwille van de uitweg, het nieuwe leven dat Jezus haar toonde. Tot de verbouwereerde omstaanders zegt Jezus: “Haar zonden zijn haar vergeven, al zijn het er velen, omdat zij veel heeft liefgehad”.
Dat deze vrouw “veel heeft liefgehad” slaat uiteraard op haar oprecht berouw en op de dankbare en tedere genegenheid waarmee ze Jezus benaderde.
Er staat immers: ze waste Jezus’ voeten met dure balsem en met haar tranen. En ze droogde ze af met haar haren. In dit geval zijn er zelfs mensen die bij dat “omdat ze veel heeft liefgehad” denken aan haar vroegere activiteiten met haar klanten. Je kan bij het uitleggen van de Bijbel allerlei sprongetjes maken zoals lammetjes dat doen in de voorjaarsweide. Maar het moet niet al té dol worden.

God
In ieder geval is de strekking van heel het evangelie: God verafschuwt de zonde, maar Hij bemint de zondaar. Want die blijft zijn geliefd kind, hoe groot zijn fouten ook zijn. En daarom vergeeft Hij ons ook telkens als wij erom vragen.
Zijn barmhartigheid is onbegrensd, zijn liefde onvoorwaardelijk. Hij is, ook hierin, zo totaal anders dan wij, zozeer zelfs dat het bijna onbegrijpelijk voor ons is. Voor ons is iemand echt vergeven het moeilijkste dat er bestaat.
Maar het is al veel als wij duidelijk zien dat God anders is dan wij.
Ons hele rechtssysteem bijvoorbeeld, waar we terecht fier op zijn, is helemaal gebaseerd op onze zin voor rechtvaardigheid. En dat houdt dus ook in dat misdrijven bestraft worden. En zo is het goed. En ook nodig. Je kan geen samenleving in stand houden als je misdaden ongestraft laat.
Maar God moet geen maatschappij in stand houden. Hij kan zich de luxe permitteren van fouten te vergeven. Als God kan Hij dat en als liefdevolle Vader, zoals wij Hem in Jezus leren kennen hebben, doet Hij dat ook.

Excuseren
Op dit punt gekomen is het belangrijk dat wij zien dat er een zeer duidelijk onderscheid bestaat tussen iemand vergeven en iemands excuses aanvaarden.
Iemand excuseren wil zeggen: “Ik begrijp dat je er eigenlijk niets kan aan doen, dat je het zo niet bedoeld had, dat het eigenlijk jouw schuld niet was”. Bijna altijd als wij vergeving vragen, zijn wij eigenlijk bezig met ons te excuseren. Zelfs tegenover God, zelfs in de Biecht. Je krijgt dan zoiets van: “Heer, ik weet het, wat ik deed was grondig fout. Maar ze hebben het wel een beetje uitgelokt.” Of: “Mijn geduld met hun eindeloos getreiter raakte op. Ik ben tenslotte ook maar een mens”. Dat is: niet vragen om vergeving, maar je excuseren. En wij doen dat zo gemakkelijk, omdat er inderdaad ook vaak “verzachtende omstandigheden” aan te voeren zijn. Vaak kunnen wij verkeerde daden van ons inderdaad gedeeltelijk of zelfs geheel ver-ont-schuldigen.
Maar als het eigenlijk onze schuld niet was, dan valt er ook niks te vergeven.
Vergeving slaat wezenlijk op dat deel van de handeling waar je geen enkel excuus kan voor aanvoeren. Echte vergeving betekent heel scherp de zonde, het vergrijp, de fout te zien, dat deel van de zonde waarvoor geen enkel excuus bestaat, hoe welwillend je ze ook wil benaderen. Alle verschrikking, laagheid en venijn ervan te zien en toch geheel verzoend te zijn met de mens die het gedaan heeft.

Ondoenbaar
Dat, en niets anders dan dat, is vergeving. En die vergeving kunnen wij altijd van God krijgen als wij erom vragen. En dat maakt blij natuurlijk. En toch, ik denk echt dat wij, mensen, niet tot dat soort vergeving in staat zijn. Niet uit onszelf. Wanneer iemand echt zwaar tegen mij misdaan heeft, dan kan ik mijzelf misschien zo ver krijgen dat ik begrip kan opbrengen voor “verzachtende omstandigheden”, de dader minstens gedeeltelijk kan excuseren.
Maar het niet-excuseerbare, het naakte kwaad in al zijn smerigheid vergeven, dat kan ik niet. Toch niet zonder Gods hulp. En dus weet ik wat mij te doen staat. Want over die dingen staat er iets heel schokkends in het Evangelie. Je kan er gewoon niet omheen.
Van Gods liefde mogen wij goddank aannemen dat ze onvoorwaardelijk is.
Maar over zijn vergeving staat er -zwart op wit- dat wij ze alleen maar krijgen als wij ook zelf bereid zijn onze broeders en zusters te vergeven.

Een bodem van ontferming

Zondag 31 maart 2019, 4de zondag van de Veertigdagentijd (jaar C)

Vorige week zijn we geëindigd met enkele overwegingen rond de parabel van de onvruchtbare vijgenboom. Ik zei toen dat ikzelf Gods liefde en barmhartigheid vooral ervaar in het eindeloos geduld dat Hij met me heeft.
Dat hoeft uiteraard niet noodzakelijk ook uw ervaring te zijn. Niemand gelooft op precies dezelfde manier. En niemand ervaart God op precies dezelfde wijze als een ander. God past zich blijkbaar liefdevol aan, zowel aan onze noden als aan onze gevoeligheden, en die zijn uiteraard voor iedereen anders.
Wanneer ik zeg dat God de dragende grond van mijn bestaan is, omdat Hij zich door mijn nukkigheid niet uit het veld laat slaan en mij altijd nieuwe kansen geeft, dan zeg ik iets heel persoonlijks. Dan zeg ik dat ik persoonlijk de liefde van God ervaar via zijn onvoorstelbaar eindeloos geduld met mij. Dat geduld heeft Hij uiteraard met elk van ons. Maar bij mij is het dat facet van Hem dat mij het meest aanspreekt, verbijstert zelfs. Hij blijft mij maar groeikansen geven en ik blijf er maar half of helemaal niet op ingaan.

Teleurstelling
Soms vind ik nota’s terug met daarop voornemens die ik zo’n 20 of 30 jaar geleden maakte en waar ik nu nog altijd niet aan toegekomen ben. En waar ik nu nog altijd “goede voornemens” over maak. Soms stel ik mij voor hoe God wel naar mij moet kijken: eindeloos veel geduld, afgewogen tegen een niet-aflatende teleurstelling. Maar ieder van ons ervaart die dingen anders. De liefde van God is voor elke mens even sterk, maar ieder van ons ervaart ze op een andere manier. Soms kan je de liefde en barmhartigheid van God ook aflezen uit het feit dat je niet gestraft wordt. Wij kennen allemaal momenten dat we jammeren van “dat heb ik toch niet verdiend”. Maar er zijn toch ook momenten in ons leven dat we dingen uitsteken die echt niet kunnen en dat we daar toch mee wegkomen, zonder dat we daarvoor gestraft worden. Maar zo is God blijkbaar. Als de jongste zoon in de parabel in pure miserie terechtkomt, dan is dat omdat hij zichzelf in nesten gewerkt heeft. Zijn verhaal is een typisch voorbeeld van hoe wij, door te kiezen voor ons egoïsme in plaats van te doen wat God van ons vraagt, alleen maar timmeren aan onze ondergang.

Onvoorwaardelijk
De Vader uit de parabel belet de zoon niet om verkeerd te doen. Hij legt hem geen strobreed in de weg. Maar iedere dag staat hij op de uitkijk. Alle wegen blijven open, niets is verloren. Als hij terug komt zal hij zijn zoon in de armen sluiten. Want hij houdt nog even hartstochtelijk van hem als voorheen.
Ik moet daar altijd aan denken als ik, na een zelfmoord, op de radio hoor zeggen dat je, als je met zo’n gedachten rondloopt, contact kan opnemen met een centrum voor zelfmoordpreventie. Het illustreert de totale machteloosheid van onze huidige seculiere samenleving. Zou het geen betere zelfmoordpreventie zijn als wij de mensen terug konden overtuigen dat, wat er ook gebeurd is, wat je ook overkomen is, wat je ook misdaan hebt, als je denkt dat je leven compleet zinloos (geworden) is en niemand nog van je houdt, dat er dan nog altijd Iemand is die hartstochtelijk en onvoorwaardelijk van je houdt? En je toekomst geven wil. Dat je bemind wordt door de diepste Grond van het bestaan.

Onrechtvaardig
Want God is zeker niet rechtvaardig in de gewone betekenis van het woord.
Ik vermoed dat het kerkelijk recht bijvoorbeeld meer gebaseerd is op het oude Romeinse recht dan op het Evangelie. Want de God die we hebben leren kennen uit het Evangelie is eigenlijk verschrikkelijk onrechtvaardig. Hij vergeeft fouten zonder ze te bestraffen, en hij is zeker niet te vinden voor strikte gelijkheid: Hij trekt vóór, Hij bevoordeligt de kleine, de arme en al wie op sukkel is. Een moderne toepassing van wat God voorstaat vind je, heel verrassend, terug in het hedendaags begrip “positieve discriminatie”: wie achterstaat bevoordeligen. Vreselijk onrechtvaardig, maar heel evangelisch. Denk aan de oudste zoon uit de parabel. Heel zijn leven lang heeft hij trouw zijn plicht gedaan, gewerkt voor zijn vader en voor zijn familie en, zo lees je tussen de regels, een eerbaar en zelfs voorbeeldig leven geleid. Maar nu de jongste zoon, een ongelooflijke nietsnut, die op korte tijd het halve vermogen van zijn vader erdoor gejaagd heeft met braspartijen, nu die eindelijk weer zijn kop laat zien, wordt hij ingehaald als een koning. Als we ook maar enig gevoel hebben voor rechtvaardigheid, dan delen wij volkomen in de opstandige gevoelens en de weerzin van de oudste zoon. Want—hoe je het ook draait of keert—wat de vader hier doet is niet correct. Maar. . . zo is God. Niet-correct. Naar onze morele en juridische normen, soms zelfs vreselijk onrechtvaardig. Maar Hij is God.

Goddank
Wij kunnen onze maatschappij onmogelijk zo inrichten. Wij kunnen ons niet permitteren van misstappen ongestraft te laten en altijd weer opnieuw nieuwe kansen te geven. God kan dat wel. Wij natuurlijk ook, maar alleen in ons persoonlijk leven. Niet als samenleving, want anders zouden wij uiteindelijk in pure chaos terechtkomen. Maar God mag wel zo zijn. God “mag” zijn liefde boven alles stellen. En Goddank dat Hij dat ook doet. Want hoe vaak staan wij niet in de positie dat wij zijn liefde veel meer nodig hebben dan zijn rechtvaardigheid.

Op zoek naar geluk

Zondag 10 maart 2019, 1ste zondag van de Veertigdagentijd (jaar C)

Het gaat niet zo goed met ons. De verdeeldheid tussen de mensen neemt toe. De kloof wordt groter tussen jong en oud, tussen hoog- en laaggeschoolden, tussen ontwikkelde landen en landen van de derde wereld. Mensen hebben ook steeds meer het gevoel dat hun mening in de gestroomlijnde pers nooit aan bod komt. In de politiek is “waarheid” een wel zeer rekbaar begrip geworden en in plaats van te streven naar eenheid, en te zoeken naar oplossingen waar zowat iedereen zich kan in vinden, lijkt het of men alleen nog probeert de tegenstander in diskrediet te brengen. Gele hesjes, klimaatbetogingen, toenemend racisme, het zijn allemaal uitingen van een stijgend onbehagen met de huidige toestand en met angst en onzekerheid voor de toekomst. Het is allemaal nogal alarmerend. In zo’n situatie is het heel belangrijk dat wij terug op zoek gaan naar dingen die ons verbinden, naar dromen en verzuchtingen die alle mensen gemeen hebben. En als je dat doet, als je daarnaar op zoek gaat, dan valt onmiddellijk één verlangen op dat leeft in elke mens: het verlangen naar geluk.
Elke mens, uit elke tijd en uit elk volk en land en cultuur wil gelukkig zijn, wil een gevuld, zinvol en gelukkig leven leiden. Het is in de manier waarop wij dat geluk nastreven, dat wij verschillen. En die manier waarop wij ons geluk nastreven en ons leven uitbouwen, heeft soms catastrofale gevolgen voor anderen. Soms zelfs voor onnoemelijk veel mensen.

Aanzien
En daarover gaan de bekoringen van Jezus in de woestijn. Over de verkeerde middelen die wij soms aanwenden om gelukkig te zijn. Verkeerd, omdat ze nooit het beoogde doel bewerken en vaak ook nog eens ongelukkige of zelfs noodlottige gevolgen hebben voor andere mensen. En een eerste middel waarvan wij vaak menen dat het ons gelukkig gaat maken, is aanzien verwerven. Wij leven in een tijd van de cultus van vedetten. Mensen die heel gekend zijn en ook heel rijk werden, bijvoorbeeld via sport of entertainment, die worden door miljoenen bewonderd. En ook als zij gemakkelijk een halve stad uit de armoede konden halen, maar dat niet doen, dan nog blijven de mensen hen bewonderen. Vandaar de enorme bekoring om zelf ook gekend en bewonderd te worden. Vandaar dat het aantal volgers en “likers” op facebook zo belangrijk is, en het beeld dat anderen over ons hebben. Aan dat beeld wordt heel veel aandacht besteed. Op facebook bijvoorbeeld zal je daardoor ook nooit iemand echt leren kennen. Het enige wat je daar leert is hoe de ander zou willen dat je hem of haar ziet, hoe je over hem of haar denkt. . .
Bekendheid en aanzien zijn soms wel leuk en ze strelen je ijdelheid, maar ze maken je niet duurzaam gelukkig op zich. Als gekende, rijke en aanzienlijke mensen ook gelukkige mensen zijn, en die zijn er natuurlijk ook, heel veel zelfs, dan zijn ze gelukkig omwille van andere redenen. . .

Macht
Macht dan? Ook niet. Mensen die het gaan zoeken in macht zijn bijna per definitie mensen die ongelukkig zijn en die, juist omdat ze ongelukkig zijn in hun situatie, compensatie voor dat gemis gaan zoeken in macht. Het prototype is hier de mislukte schilder Adolf Hitler. Dat machtsgeile vind je echter niet alleen terug in de hoogste regionen van politiek en maatschappij. Je vindt het overal, je botst er overal tegenaan, ook in de kleinste parochie of vereniging, ook in families en gezinnen. Macht geeft je ontegensprekelijk korte momenten van euforie en voldoening. Maar het maakt je zeker niet blijvend gelukkig. Machtshonger is een ziekte die vreet aan jezelf en die desastreus is voor anderen.

Genegenheid kopen
En dan heb je tot slot nog de verleiding van het veranderen van stenen in brood. Het gaat dan niet zozeer over brood om je eigen honger te stillen, maar om brood dat je onbeperkt kan uitdelen. Het gaat over de hoop dat je vriendschap en geluk kan kopen met het uitdelen van materiële zaken, met de milde weldoener uit te hangen. Ook hier moeten we niet ver naar voorbeelden gaan zoeken. Goddank bestaat er in veruit de meeste gevallen een sterke liefdesband tussen ouders en hun kinderen en bestaat er meestal ook een oprechte en aandoenlijke genegenheid tussen grootouders en hun kleinkinderen. Maar soms zie je ook hoe grootouders eerder gezien worden als oudere mensen met geld “waar ze toch niks mee doen, terwijl wij het zo goed kunnen gebruiken”. En je ziet dan hoe oma en opa genegenheid proberen te kopen. Maar dat gaat niet. Een vluchtig dankjewel en soms zelfs een haastige kus kan er nog net af, maar dat is het dan.

Basisvertrouwen
Je kan genegenheid niet kopen. En nu komen we bij de kern. Mensen steken zo in elkaar dat ze alleen maar gelukkig zijn als ze beminnen. En vooral: als ze zich bemind weten, als ze weten dat er iemand is die heel sterk van hen houdt. Maar omdat menselijke geliefden sterfelijk zijn, veranderlijk, ontrouw kunnen worden, is het van enorm belang te kunnen geloven dat de Grond van het bestaan van je houdt, dat je gewild bent en bemind wordt door God zelf. De volgende generaties dat geloof onthouden in die God die liefde is, zou hun basisvertrouwen ernstig kunnen schaden. En dat zou naar mijn gevoel meer dan een vergissing zijn. Het zou bijna een misdaad zijn. Moeten we er bijgevolg niet alles aan doen om die tendens tegen te gaan? En onze kinderen opnieuw de kans geven om die God van Jezus, die liefdevolle, dragende grond van het leven te leren kennen?